Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:12038

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
08-12-2017
Datum publicatie
25-01-2018
Zaaknummer
AWB - 16 _ 1227
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Staking bezoldiging onrechtmatig. Herroepen primair besluit. Zelf voorzien.

Niet arbeidsongeschikt in en door de dienst. Verwijzing naar uitspraak van de CRvB van

19 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:192. Geen sprake van buitensporige werkzaamheden.

Aparte rechtsgang voor financiële afhandeling van het ontslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 16/1227

uitspraak van de meervoudige kamer van 8 december 2017 in de zaak tussen

[naam 1], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. P.W.A.M. van Roy),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nuth, verweerder

(gemachtigde: mr. G.P.F. van Duren).

Procesverloop

Bij besluiten van 18 juni 2015 (het primaire besluit 1), en 28 juli 2015 (het primaire besluit 2) heeft verweerder eiser in kennis gesteld van de staking van de doorbetaling van de bezoldiging respectievelijk eiser met ingang van 4 augustus 2015 eervol ontslag verleend op grond van artikel 8:4 van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling-Uitwerkingsovereenkomst (CAR-UWO).

Bij besluit van 8 maart 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2017.

Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. drs. M.W.M. Pennings, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en W.A.B. van der Donk, adviseur P&O.

Overwegingen

1. Eiser is op 21 januari 2013 wegens ziekte uitgevallen voor zijn werkzaamheden als Opzichter Buitendienst bij de gemeente Nuth.

2. Bij besluit van 26 maart 2015 heeft verweerder eisers bezoldiging ingevolge het bepaalde in de artikelen 7:11 en 7:14 van de CAR-UWO met ingang van 1 april 2015 gestaakt voor de duur dat eiser nalatig blijft in de nakoming van zijn re-integratie-verplichtingen.

3. Eiser heeft op 18 mei 2015 een deskundigenoordeel aangevraagd. Uit het deskundigenoordeel van 10 juni 2015 (zie m.n. de verzekeringsgeneeskundige rapportage van 4 juni 2015) blijkt dat eiser vanaf medio maart 2015 niet in staat wordt geacht loonvormende arbeid te verrichten en/of deel te nemen aan re-integratieactiviteiten.

4. Bij het primaire besluit 1 heeft verweerder de doorbetaling van eisers bezoldiging op grond van de artikelen 7:11, eerste lid, juncto artikel 7:12, eerste lid, en in het bijzonder artikel 7:13:2, eerste lid, aanhef en onder a en e, van de CAR-UWO met ingang van

13 juni 2015 gestaakt vanwege het niet verschijnen op het spreekuur van de bedrijfsarts op 12 juni 2015.

5. Bij besluit van 2 juli 2015 is aan eiser door het UWV voor de periode van

4 augustus 2015 tot en met 3 oktober 2018 een loongerelateerde uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet Wia) toegekend.

6. Bij besluit van 16 juli 2015 heeft verweerder het besluit van

26 maart 2015 in verband met het deskundigenoordeel ingetrokken, als gevolg waarvan eisers bezoldiging vanaf 1 april 2015 is hervat. Omdat het staken van de doorbetaling van eisers bezoldiging met ingang van 13 juni 2015 op een andere grondslag was gebaseerd, is deze staking onverkort gehandhaafd.

7. Bij brief van (eveneens) 16 juli 2015 heeft verweerder eiser in kennis gesteld van het voornemen hem met toepassing van het bepaalde in artikel 8:4 van de CAR-UWO met ingang van 4 augustus 2015 eervol ontslag te verlenen uit zijn functie van Opzichter Buitendienst bij de gemeente Nuth op grond van volledige ongeschiktheid voor het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. Eiser heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid zijn zienswijze te geven.

8. Bij het primaire besluit 2 heeft verweerder eiser ingevolge het bepaalde in artikel 8:4 van de CAR-UWO met ingang van 4 augustus 2015 eervol ontslag verleend.

9. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de primaire besluiten 1 en 2.

10. Bij het bestreden besluit van 8 maart 2016 heeft verweerder de bezwaren van eiser inzake het primaire besluit 2 ongegrond verklaard. De bezwaren tegen het primaire besluit 1 zijn, in afwijking van het advies van de bezwaarcommissie, eveneens ongegrond verklaard. Verweerder stelt zich daarbij op het standpunt dat de zorgplicht van de gemeente niet ophoudt te bestaan zodra een medewerker volgens het UWV geen benutbare mogelijkheden meer heeft.

11. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

12.1

Met betrekking tot het beroep tegen het primaire besluit 1 voert eiser aan dat hij niet in staat was om het spreekuur van de bedrijfsarts bij te wonen en dat dit ook niet van hem gevergd kon worden. Staking van de doorbetaling van de bezoldiging was daarom onrechtmatig. Eiser verwijst ter onderbouwing naar het deskundigenoordeel van het UWV van 10 juni 2015 waaruit blijkt dat eiser sinds medio maart 2015 forse medische klachten heeft, er sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid en er geen duurzame benutbare mogelijkheden meer zijn. Eiser verwijst tevens naar de (verwijs-)brief van de huisarts van

21 mei 2015 (productie 19 bij het beroepschrift) en de brief van de natuurarts Muurmans van 1 juni 2015 (productie 20 bij het beroepschrift) waarin wordt aangegeven dat eiser niet in staat was het spreekuur van de bedrijfsarts te bezoeken. Verweerder bevestigt dat eiser niet in staat is te re-integreren zelf door het UWV op 18 juni 2015 te verzoeken eiser een WIA-uitkering toe te kennen. Ondanks deze omstandigheden gaat verweerder met ingang van

13 juni 2015 toch over tot staking van uitbetaling van de bezoldiging.

12.2

Met het beroep tegen het primaire besluit 2 is eiser van mening dat hij arbeidsongeschikt is geworden in en door de dienst, aangezien dit gegeven eveneens van belang is voor de financiële afwikkeling. Ter onderbouwing van zijn betoog verwijst eiser naar zijn beroepschrift in de beroepen met zaaknummers ROE 14/1906 en ROE 14/3191, alsmede naar alle in dat kader ingebrachte producties die hier als herhaald en ingelast dienen te worden beschouwd. Eiser verwijst tevens naar overweging 7 van de uitspraak van deze rechtbank van 21 januari 2016 met zaaknummer ROE 15/919 (productie 6 bij het beroepschrift) waarin volgens eiser door de rechtbank wordt bevestigd dat de gemeente Nuth heeft aangegeven dat er bij hem sprake is van arbeidsongeschiktheid voor de functie wegens ziekte van psychische aard. In dat kader dient beoordeeld te worden of de werkzaamheden of werkomstandigheden objectief gezien een buitensporig karakter hadden. De buitensporige omstandigheden hebben plaatsgevonden in de periode van 1998 tot 2010 en in de periode van januari 2011 tot en met 3 april 2013. De rechtbank heeft in haar uitspraak van

21 januari 2016 ten onrechte niet geconcludeerd dat er in casu een causaal verband is tussen de buitensporige werkomstandigheden en de psychische arbeidsongeschiktheid.

De rapporten van bedrijfsarts Jonkhans, dr. Muurmans en huisarts Gubbels (zie producties 10,11 en 12 bij het beroepschrift) bevestigen het bovenstaande. Ook het GGZ-rapport van

21 november 2000 (productie 7 bij het beroepschrift) spreekt van een ‘sterfhuisconstructie’. Eiser verwijst ter onderbouwing van zijn betoog tevens naar het rapport van drs. F. Veen (productie 13 bij het beroepschrift). Eiser maakt op grond van het bepaalde in

artikel 7:5, eerste en tweede lid, aanhef en onder d, van de CAR-UWO aanspraak op een aanvullende uitkering en daarnaast op grond van artikel 7:7, eerste lid, van de CAR-UWO aanspraak op vergoeding van naar het oordeel van verweerder noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige behandeling of verzorging. Eiser legt de facturen van F. Veen en een verklaring van eisers accountant [naam 2] inzake de eindafrekening door de gemeente Nuth over.

13. Verweerder heeft als volgt op het beroepschrift gereageerd.

13.1

Ten aanzien van het primaire besluit 1 heeft verweerder aangegeven dat het feit dat eiser geen benutbare mogelijkheden meer heeft niet betekent dat hij niet meer op het spreekuur van de bedrijfsarts hoeft te komen. De afspraak bij de bedrijfsarts was bedoeld om te bepalen hoe aan de verzuimbegeleiding verdere vorm en inhoud zou kunnen worden gegeven en om te beoordelen of er wellicht inmiddels alsnog sprake was van benutbare mogelijkheden. Eiser is wel verschenen bij de verzekeringsarts van het UWV op 3 juni 2015 en verweerder mocht er zonder meer van uitgaan dat eiser dan ook op het spreekuur van de bedrijfsarts kon verschijnen. Daarnaast is niet gebleken dat eiser vanwege zijn geestestoestand zijn verplichtingen niet kon nakomen. De bezwaarcommissie geeft in haar advies een geheel eigen interpretatie aan de term ‘verwijt’ uit dit artikel, die door verweerder niet wordt gedeeld. Daarnaast vereist de CAR-UWO niet dat de bedrijfsarts een oordeel geeft over de verwijtbaarheid als bedoeld in artikel 7:13:2, tweede lid, van de CAR-UWO. Verweerder was gelet hierop bevoegd en genoodzaakt de doorbetaling van de bezoldiging te staken met ingang van 13 juni 2015.

13.2

Ten aanzien van het primaire besluit 2 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat gezien het feit dat aan eiser per 4 augustus 2015 een uitkering op grond van de Wet Wia is toegekend op dat moment werd voldaan aan alle voorwaarden die worden gesteld aan de bevoegdheid van verweerder om ontslag te verlenen op grond van artikel 8:4 van de CAR-UWO. Verweerder stelt vast dat de beroepsgronden van eiser hier niet op gericht zijn. De financiële afwikkeling valt buiten de reikwijdte van dit beroep; dit is ook bevestigd in het advies van de bezwaarcommissie. Primair dient tot niet-ontvankelijkverklaring en subsidiair tot ongegrondverklaring van het beroep te worden overgegaan.

14. De rechtbank overweegt als volgt.

Primair besluit 1

15.1

Doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n), zoals bedoeld in artikel 7:3 van de CAR-UWO wordt op grond van artikel 7:14, tweede lid, aanhef en onder a, van de CAR-UWO gestaakt, indien en voor zolang de ambtenaar weigert mee te werken aan, door het college of een door hem aangewezen deskundige, gegeven redelijke voorschriften of getroffen maatregelen, als bedoeld in artikel 7:11, eerste lid, aanhef en onder a, van de CAR-UWO die erop gericht zijn om de betrokkene in staat te stellen de eigen of passende arbeid te verrichten. Op grond van artikel 7:14, derde lid, van de CAR-UWO vindt de doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) wel plaats indien de ambtenaar op grond van zijn geestestoestand geen verwijt kan worden gemaakt van het gedrag, genoemd in het tweede lid. Gezien de brief van eisers huisarts van

21 mei 2015 en het deskundigenoordeel van het UWV van 10 juni 2015 acht de rechtbank het zeer aannemelijk dat eiser niet in staat is geweest het spreekuur van de bedrijfsarts op

12 juni 2015 te bezoeken. Toen eiser niet verscheen op het in geding zijnde spreekuur had de bedrijfsarts zich naar het oordeel van de rechtbank in verbinding dienen te stellen met zijn huisarts om de voor de beoordeling van eisers medische c.q. geestestoestand benodigde informatie te verkrijgen. Dit heeft de bedrijfsarts nagelaten en ook verweerder heeft in dit kader geen aanvullende medische informatie opgevraagd c.q. overleg gevoerd met de bedrijfsarts. Verweerders betoog dat eiser wel in staat zou zijn geweest het spreekuur van de bedrijfsarts te bezoeken is daarom niet gemotiveerd onderbouwd. De stelling van verweerder dat nu eiser wel verschenen is bij de verzekeringsarts van het UWV hij ook in staat moet worden geacht het spreekuur van de bedrijfsarts te bezoeken, deelt de rechtbank niet.

Het bezoeken van de verzekeringsarts naar aanleiding van een door hemzelf verzocht deskundigenoordeel is van geheel andere orde dan te moeten verschijnen bij de bedrijfsarts, wiens visie o.a. aanleiding was om te verzoeken om het deskundigenoordeel. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het beroep gegrond is voor zover het betrekking heeft op de staking van eisers bezoldiging in de periode van 13 juni 2015 tot 4 augustus 2015.

Het bestreden besluit dient voor dit gedeelte vernietigd te worden. De rechtbank ziet aanleiding het geschil finaal te beslechten en het primaire besluit 1 te herroepen, omdat het gebrek niet meer te herstellen valt, en bepaalt in dat kader dat verweerder de gekorte bezoldiging over de periode van 13 juni 2015 tot 4 augustus 2015 alsnog dient uit te betalen aan eiser met wettelijke rente. Voor de wijze waarop de rente dient te worden berekend verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van

25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958.

Primair besluit 2

15.2

De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat hij arbeidsongeschikt in en door de dienst is geraakt onder verwijzing naar de (op eiser van toepassing zijnde) uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 19 januari 2017 met kenmerk ECLI:NL:CRVB:2017:192 . De CRvB heeft in deze uitspraak in de overwegingen 3.4 tot en met 3.6 duidelijk aangegeven dat er in eisers geval geen sprake is geweest van buitensporige werkzaamheden en daarom ook niet van arbeidsongeschiktheid in en door de dienst. Eiser heeft geen nieuwe inhoudelijke gronden aangevoerd tegen het door verweerder aan eiser per 4 augustus 2015 verleende eervol ontslag, zodat de rechtbank geen aanleiding ziet inhoudelijk hierop verder in te gaan.

Financiële afwikkeling ontslag

15.3

Ten aanzien van de financiële afwikkeling van het ontslag overweegt de rechtbank dat, en dit is ook door de voorzitter ter zitting uitgebreid toegelicht, hiervoor een aparte rechtsgang openstaat. Dat eiser tot op heden verzuimd heeft van deze rechtsgang gebruik te maken maakt niet dat hij dit punt alsnog via de onderhavige bestuursrechtelijke procedure kan inbrengen.

16. Omdat de rechtbank het beroep gedeeltelijk gegrond verklaart (zie overweging 15.1), bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

17. Gelet op de gedeeltelijke gegrondverklaring (zie overweging 15.1) veroordeelt de rechtbank verweerder ook in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.980,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond voor zover dit ziet op het primaire besluit 2 inzake het eervol ontslag van eiser met ingang van 4 augustus 2015;

- verklaart het beroep gegrond voor zover dit ziet op het primaire besluit 1 inzake de korting van eisers bezoldiging over de periode van 13 juni 2015 tot 4 augustus 2015;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover dit ziet op het primaire besluit 1;

- herroept het primaire besluit 1, bepaalt dat verweerder aan eiser de bezoldiging van 13 juni 2015 tot 4 augustus 2015 met wettelijke rente nabetaalt, en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.980,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.H. Span-Henkens (voorzitter), en

mr. M.A. Teeuwissen en mr. J. Bijveld, leden, in aanwezigheid van mr. I.M.T. Wijnands, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 december 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op: 8 december 2017

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.