Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:11911

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
06-12-2017
Datum publicatie
07-12-2017
Zaaknummer
6142873 CV 17-5879
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onvoldoende concrete aanknopingspunten dat sprake is van een arbeidsovereenkomst; mogelijke schijnconstructie; strijd met artikel 21 en 111 Rv doordat eiseres in dagvaarding aanvoert secretariële werkzaamheden te hebben verricht, terwijl zij bij gelegenheid van de comparitie aanvoert dat zij werkzaamheden als conservator van de kunstcollectie verricht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/6452
AR-Updates.nl 2017-1481
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 6142873 \ CV EXPL 17-5879

Vonnis van de kantonrechter van 6 december 2017

in de zaak van:

[eisende partij] ,

wonend [adres eisende partij] ,

[woonplaats eisende partij] ,

eisende partij,

gemachtigde mr. S.J.W.M. Vonken,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [X] BEHEER B.V. ,

gevestigd te [vestigingsplaats X] ,

gedaagde partij,

gemachtigde mr. L.A.M. Plantaz.

Partijen worden hierna [eisende partij] en [gedaagde partij] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- de beslissing waarbij een comparitie van partijen is bepaald

- de aanvullende productie van [gedaagde partij]

- de akte vermeerdering van eis en akte overlegging producties van [eisende partij]

- de op 6 november 2017 gehouden comparitie van partijen

- de overgelegde aantekeningen ter comparitie van [eisende partij] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

[eisende partij] vordert na vermeerdering van eis – samengevat – veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van haar loon vanaf 1 september 2016 tot dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd, vermeerderd met de wettelijke verhoging, buitengerechtelijke incassokosten, wettelijke rente en veroordeling van [gedaagde partij] in de proceskosten.

2.2.

[eisende partij] stelt daartoe – zakelijk weergegeven – dat zij sinds 1982 onafgebroken voor de [het bedrijf] werkzaam is geweest. Zij heeft administratieve werkzaamheden verricht, zowel in de bedrijven zelf als vanuit thuis. Zij is de tweede echtgenote van [Y] , de oprichter van de autobedrijven. Een aantal jaren geleden heeft haar man de autobedrijven verkocht aan [A] Automotive BV. Haar man bezat ook een omvangrijke kunstcollectie. Die collectie is verkocht, maar wordt nog steeds in de bedrijfsgebouwen uitgestald. De heer [A] heeft haar verzocht om die collectie te conserveren. [eisende partij] stelt dat zij sindsdien wekelijks de collectie inspecteert. Voorts stelt [eisende partij] dat zij tot september 2016 een maandloon ad € 750,00 bruto genoot van [gedaagde partij] . Na september 2016 heeft zij geen loon meer ontvangen. [eisende partij] onderkent dat het loon niet steeds door [gedaagde partij] werd betaald, maar door een van de bedrijven van [gedaagde partij] , maar dat kan haar niet worden tegengeworpen. [eisende partij] legt een aantal loonstroken en jaaropgaven over waaruit blijkt dat zij tot september 2016 loon heeft ontvangen.

2.3.

[gedaagde partij] voert verweer. [gedaagde partij] betwist met klem dat sprake is van een arbeidsovereenkomst met [eisende partij] . Voorts heeft [gedaagde partij] nooit opdracht aan [eisende partij] gegeven om voor haar werkzaamheden te verrichten. Als er al sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst, dan bestond die met een van de voormalige autobedrijven van [gedaagde partij] . Die autobedrijven zijn verkocht aan [A] Automotive BV. Uit de overgelegde loonstroken blijkt dat betalingen hebben plaatsgevonden door de autobedrijven die inmiddels zijn verkocht. Dat zou betekenen dat de arbeidsovereenkomst, zo die bestond, van rechtswege door [A] zou zijn overgenomen. Voor het geval toch sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen [eisende partij] en [gedaagde partij] , is [gedaagde partij] van mening dat deze reeds per 31 augustus 2008 is geëindigd in verband met het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van [eisende partij] . [gedaagde partij] stelt verder dat [eisende partij] geen aanbod heeft gedaan om arbeid te verrichten, zodat zij ook geen recht kan doen gelden op loon. Wat betreft de werkzaamheden als conservator stelt [gedaagde partij] dat de kunstcollectie eigendom is van [B] BV, een dochteronderneming van [gedaagde partij] Beheer BV., welke laatste BV in 2014 is opgegaan in [gedaagde partij] . Als er al betalingen door [gedaagde partij] zijn verricht, dan is de opdracht daarvoor gegeven door de toenmalige directeur [gedaagde partij] senior, de echtgenoot van [eisende partij] . De beweerdelijke arbeidsovereenkomst lijkt dan onderdeel van een schijnconstructie te zijn om gelden aan de BV te onttrekken. [gedaagde partij] is derhalve van mening dat de vordering van [eisende partij] moet worden afgewezen.

2.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3 De beoordeling

3.1.

De vraag moet worden beantwoord of sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen [eisende partij] en [gedaagde partij] . Bij de beantwoording van deze vraag is een aantal factoren van belang, waaronder in elk geval of er een gezagsverhouding bestond, het aantal te werken uren, de hoogte van het loon, de aard van de te verrichten arbeid en eventuele doorbetaling over vakantie en ziektedagen. Wat tussen partijen heeft te gelden wordt bepaald door hetgeen hen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond, mede in aanmerking genomen de wijze waarop zij de overeenkomst feitelijk hebben uitgevoerd en aldus daaraan inhoud hebben gegeven.

3.2.

Op grond van artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) zijn partijen verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht. Op grond van artikel 111, lid 2, onder d, Rv dient eisende partij de eis de gronden van haar vordering in de dagvaarding te vermelden. De gronden van de eis zien op de feitelijke onderbouwing van de vordering. De kantonrechter constateert dat [eisende partij] als (feitelijke) onderbouwing van haar stelling dat sprake is van een arbeidsovereenkomst in de inleidende dagvaarding heeft aangevoerd dat zij laatstelijk de functie van medewerkster secretariaat (algemeen) uitvoerde, dat zij die werkzaamheden grotendeels vanuit haar thuiswerkplek uitvoerde en sinds 2010 deels op locatie van de autobedrijven. Bij gelegenheid van de comparitie van partijen heeft [eisende partij] dit feitenrelaas plotsklaps verlaten en heeft zij aangevoerd dat zij als conservator van de kunstcollectie fungeerde en dat zij die functie op verzoek van [A] , de huurder van de bedrijfsgebouwen waarin die kunstcollectie is uitgestald, vervulde. Een schriftelijke verklaring van [A] , die dat standpunt ondersteunt, ontbreekt. Deze proceshouding van [eisende partij] is naar het oordeel van de kantonrechter in strijd met de hiervoor vermelde artikelen 21 en 111,lid 2, onder d Rv.

3.3.

Van belang is dat [gedaagde partij] zich met betrekking tot het door [eisende partij] ter comparitie ingenomen standpunt dat zij als conservator fungeerde, op het standpunt heeft gesteld en door [eisende partij] niet is weersproken, dat [gedaagde partij] eigenaar is van de kunstcollectie en dat [gedaagde partij] [eisende partij] nooit heeft verzocht als conservator van die kunstcollectie op te treden. Mede van belang is dat [eisende partij] geen schriftelijke bescheiden heeft overgelegd die betrekking hebben op de kunstcollectie. Van een conservator mag toch verwacht worden dat deze beschikt over een inventarislijst met een beschrijving van de collectie. Er is derhalve geen enkel concreet aanknopingspunt voorhanden waaruit blijkt dat [eisende partij] door [gedaagde partij] is aangesteld als conservator. Het standpunt van [eisende partij] dat [gedaagde partij] geen gezag over haar uitoefende past daarin.

3.4.

[eisende partij] heeft zich verder beroepen op de overgelegde loonstroken en de jaaropgaven alsmede op een bericht van MN Services. Uit de loonstroken en jaaropgaven blijkt weliswaar dat in de jaren 2010 en 2012 tot en met 2015 en enkele maanden in 2016 door [gedaagde partij] loon is betaald aan [eisende partij] , maar door [eisende partij] is gesteld noch is dat anderszins gebleken welke concrete werkzaamheden daar tegenover hebben gestaan. Uit de brief van MN Services d.d. 1 oktober 2008 blijkt slechts dat van de werkgever bericht is ontvangen dat het dienstverband per 31 augustus 2008 is beëindigd terwijl de naam van de werkgever ontbreekt. Ook in de bij die brief gevoegde bijlagen is de naam van de werkgever niet vermeld. Het had op de weg van [eisende partij] gelegen om concrete feiten en omstandigheden te stellen welke soort werkzaamheden, gedurende welke uren en op welke locatie(s) zij werkzaamheden voor [gedaagde partij] heeft verricht. [eisende partij] heeft ook helemaal niets gesteld over opgebouwde en niet genoten vakantiedagen en vakantiebijslag, welke rechten onlosmakelijk met een arbeidsovereenkomst verbonden zijn. Gelet op het feit dat de echtgenoot van [eisende partij] de eigenaar is geweest van [gedaagde partij] en uit dien hoofde toegang had tot de bankrekening van [gedaagde partij] , kan niet worden uitgesloten dat mogelijk sprake is van een schijnconstructie om gelden aan [gedaagde partij] te onttrekken. Nu er geen begin van bewijs voorhanden is dat [eisende partij] werkzaamheden voor [gedaagde partij] heeft verricht, acht de kantonrechter geen termen aanwezig om [eisende partij] toe te laten bewijs daarvan te leveren.

3.5.

Gelet op het al vorenstaande in onderling verband en samenhang beschouwd, heeft [eisende partij] in onvoldoende mate onderbouwd dat sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen haar en [gedaagde partij] en dat betekent dat haar loonvordering wordt afgewezen.

3.6.

[eisende partij] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van [gedaagde partij] worden begroot op € 250,00 ter zake van salaris gemachtigde ( 1 x tarief € 250,00)

4 De beslissing

De kantonrechter

4.1.

wijst de vordering van [eisende partij] af,

4.2.

veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde partij] gevallen en tot op heden begroot op € 250,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Rijksen en in het openbaar uitgesproken.

type: FL

coll: