Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:11908

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
06-12-2017
Datum publicatie
11-12-2017
Zaaknummer
6183945 CV 17-6243
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Campingeigenaar gaat op basis van een geldige titel uit hoofde van een eerder gevoerd kort geding over tot ontruiming van een standplaats met daarop een stacaravan. De huurder stelt dat de campingeigenaar onrechtmatig heeft gehandeld en daarom schadeplichtig is. De huurder is zelf van de camping vertrokken en heeft hiermee voldaan aan de veroordeling tot ontruiming, aldus de huurder.

De kantonrechter oordeelt dat de vordering tot ontruiming tevens inhoudt dat de stacaravan moest worden verwijderd.

Op grond van de redelijkheid en billijkheid rustte op de campingeigenaar de plicht om bij de ontruiming van het gehuurde rekening te houden met de gerechtvaardigde belangen van de huurder. Van schending van die belangen is geen sprake, zodat de vordering wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 6183945 \ CV EXPL 17-6243

Vonnis van de kantonrechter van 6 december 2017

in de zaak van:

[eisende partij] ,

wonend te [woonplaats eisende partij] ,

eisende partij,

gemachtigde mr. R. Janssen,

tegen:

1 de vennootschap onder firma CAMPING [X] V.O.F.,
gevestigd te Meijel,

2. [gedaagde partij sub 2] , vennoot van gedaagde sub 1,
domicilie kiezend te [woonplaats gedaagde partij sub 2]
,

gedaagde partij,

gemachtigde mr. J.J.S. Bezemer.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de akte zuivering verstek

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de conclusie van repliek

  • -

    de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 21 november 2016 hebben partijen een huurovereenkomst gesloten voor de duur van 12 maanden met betrekking tot een standplaats voor recreatieve doeleinden op de door gedaagde partij geëxploiteerde camping.

2.2.

Bij vonnis d.d. 31 mei 2017 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, locatie Roermond, is eisende partij veroordeeld om binnen veertien dagen na betekening van het vonnis de standplaats 77 op camping [X] te [plaats camping] met al de zijnen en al het zijne te ontruimen en ontruimd te houden.

Op 7 juni 2017 is een herstelvonnis gewezen. Tegen de vonnissen heeft eisende partij het rechtsmiddel van hoger beroep aangewend.

2.3.

Op 7 juni 2017 is het vonnis aan eisende partij betekend met bevel om binnen veertien dagen te ontruimen. Op 19 juni 2017 is het vonnis nogmaals in persoon betekend met de aanzegging dat, indien niet zou worden voldaan aan het bevel tot ontruiming, de ontruiming zal plaatsvinden op 5 juli 2017.

2.4.

Op 5 juli 2017 is gedaagde partij tot ontruiming van de standplaats overgegaan. Tijdens deze ontruiming was eisende partij gedetineerd.

3 Het geschil

3.1.

Eisende partij vordert – samengevat – veroordeling van gedaagde partij tot betaling van € 10.703,75, vermeerderd met (na)kosten.

3.2.

Gedaagde partij voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter stelt vast dat eisende partij in punt 49 van de dagvaarding voorwaardelijk de vernietiging van de buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst verzoekt. In het petitum van de dagvaarding wordt dit echter niet herhaald. Daargelaten het antwoord op de vraag wat de grondslag is voor een dergelijk verzoek en of dit verzoek bij dagvaarding kan worden ingediend, zal de kantonrechter het verzoek niet beoordelen nu eisende partij heeft nagelaten dit in het petitum op te nemen.

4.2.

Eisende partij stelt dat gedaagde partij onrechtmatig heeft gehandeld en misbruik heeft gemaakt van de bevoegdheid om tot ontruiming van de standplaats over te gaan. Eisende partij heeft de camping en de standplaats immers verlaten en hiermee voldaan aan de veroordeling tot ontruiming. De voorzieningenrechter heeft er ter gelegenheid van de mondelinge behandeling geen twijfel over laten bestaan dat partijen nog discussie over de stacaravan zouden moeten voeren. Volgens de voorzieningenrechter was het belang van gedaagde partij gelegen in een spoedig vertrek van eisende partij van de camping en niet in het vertrek van de stacaravan met ombouw van de camping, aldus eisende partij.

Eisende partij was met een derde partij, de heer [A] , in overleg over de verkoop van de stacaravan. Dit is ook aan gedaagde partij medegedeeld. Door over te gaan tot ontruiming heeft gedaagde partij kapitaalvernietiging laten prevaleren boven een redelijke oplossing. Financieel was er voor gedaagde partij ook geen schade, nu het geld voor de standplaats voor een jaar vooruit was betaald en er geen restitutie zou plaatsvinden.

Door het onrechtmatig handelen van gedaagde partij lijdt eisende partij schade. De schade bestaat uit de kosten van de nog overgebleven inboedel in de stacaravan, nader op te maken bij staat, en uit de waarde van de stacaravan ad € 10.250,00, zoals getaxeerd op 4 juli 2017 door Inspectie en Taxatie te Schijndel alsmede de kosten van het taxatierapport ad € 375,00.

Door zijn detentie had eisende partij onvoldoende tijd een executiegeschil te starten.

4.3.

Gedaagde partij voert aan dat eisende partij niet vrijwillig aan het vonnis van de voorzieningenrechter heeft voldaan, zodat gedaagde partij op 5 juli 2017 het gehuurde heeft laten ontruimen c.q. heeft ontruimd. Gedaagde partij heeft nimmer verboden dat de stacaravan aan een derde werd verkocht; zij bepaalt echter wel wie huurder wordt van de standplaats en had gegronde redenen om deze niet aan [A] te verhuren. Tijdens de schorsing van de mondelinge behandeling van de voorzieningenprocedure hebben partijen gesproken over de verkoop van de caravan. Eisende partij wilde enkele maanden de tijd om de caravan op te knappen. Gedaagde partij heeft hiermee niet ingestemd, zodat partijen geen regeling hebben bereikt en om vonnis hebben gevraagd.

Er is slechts sprake van een onrechtmatige tenuitvoerlegging indien eisende partij daardoor in een noodtoestand zou komen te verkeren of indien sprake zou zijn van een kennelijke misslag in het vonnis. Eisende partij heeft niet gesteld dat van het een of het ander sprake is.

Verder betwist gedaagde partij de gestelde schade. Op 19 juni 2017 heeft gedaagde partij de stacaravan laten taxeren door Thincla en de waarde is geschat op nihil. Mocht wel geoordeeld worden dat er sprake is van misbruik van bevoegdheid en van schade, dan verzoekt gedaagde partij het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Eisende partij biedt immers geen verhaal.

4.4.

De kantonrechter stelt voorop dat het in deze procedure gaat om de vraag of gedaagde partij bij het executeren van het vonnis van de voorzieningenrechter onrechtmatig heeft gehandeld jegens eisende partij en of gedaagde partij op grond daarvan gehouden is de door eisende partij gestelde schade te vergoeden. Al hetgeen partijen hebben aangevoerd met betrekking tot de feitelijke gang van zaken die heeft geleid tot de uitspraak van de voorzieningenrechter, waarbij eisende partij is veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde, zal de kantonrechter bij de beoordeling buiten beschouwing laten. Deze feiten zijn immers niet relevant voor de beoordeling van het thans voorgelegde rechtsgeschil.

4.5.

Anders dan eisende partij kennelijk voor ogen staat houdt de veroordeling tot ontruiming van de standplaats in dat niet alleen eisende partij het gehuurde dient te verlaten, maar dat ook de stacaravan met alle toebehoren verwijderd dient te worden. In het dictum van het vonnis staat immers vermeld dat eisende partij de standplaats 77 met al de zijnen en het zijne dient te ontruimen en ontruimd te houden. Gedaagde partij dient zodoende vrij over de standplaats te kunnen beschikken opdat deze weer opnieuw verhuurd kan worden. In zoverre heeft gedaagde partij niet onrechtmatig gehandeld door de standplaats te ontruimen, nu hieraan een executoriale titel ten grondslag lag. Van misbruik van de executie-bevoegdheid is niet gebleken.

4.6.

De redelijkheid en billijkheid brengen echter mee dat op een verhuurder de plicht rust om bij de ontruiming van het gehuurde rekening te houden met de gerechtvaardigde belangen van de huurder. Schending van die plicht brengt mee dat de verhuurder aansprakelijk is voor de daardoor ontstane schade bij de huurder. Hierbij wordt erop gewezen dat de schade van de huurder die het gevolg is van een op zich rechtmatige en zorgvuldige ontruiming voor diens rekening is, nu daarvoor een rechtvaardiging bestaat in de geldige titel tot ontruiming. Daarbij geldt dat alleen bij een ontruiming door de deurwaarder is gewaarborgd dat zorg gedragen wordt voor een schadevrije, volledige en zorgvuldige afvoer en opslag van de stacaravan en de inboedel daarvan.

4.7.

Over de wijze waarop de ontruiming heeft plaatsgevonden en of daarbij een deurwaarder betrokken was, is door partijen niets gesteld. Zo is niet bekend of de caravan ergens is opgeslagen dan wel dat deze is afgevoerd en vernietigd. Nu eisende partij hierover niets heeft gesteld, kan niet beoordeeld worden of bij de ontruiming onrechtmatig is gehandeld. In het geval bij de ontruiming een deurwaarder betrokken is geweest, leidt dit in elk geval niet tot onrechtmatig handelen en dientengevolge tot schadeplichtigheid.

4.8.

De stellingen van eisende partij komen er op neer dat gedaagde partij onrechtmatig heeft gehandeld door de caravan te verwijderen omdat er zicht was op een koper daarvan, althans zo begrijpt de kantonrechter de stellingen van eisende partij. Gelet op de veroordeling tot ontruiming had eisende partij de caravan zelf moeten (laten) weghalen van de standplaats en in afwachting van een eventuele verkoop op een andere plaats moeten stallen. Dit heeft eisende partij niet gedaan. Gelet op voornoemde veroordeling kan van gedaagde partij niet verlangd worden dat zij niet vrij over het gehuurde kan beschikken en maar moet afwachten tot het moment dat de caravan verwijderd zou worden dan wel dat een nieuwe huurder van de standplaats de caravan in eigendom zou overnemen. Concreet uitzicht op verkoop was er bovendien niet. Het kan dan wel zo zijn dat de heer [A] interesse had in de aankoop van de caravan, maar de weg naar huurderschap van de betreffende standplaats was door gedaagde partij afgesneden. De caravan aan [A] te verkopen had eisende partij dan ook niet gebaat. Daarbij merkt de kantonrechter op dat het gedaagde partij uiteraard vrijstaat te bepalen aan wie zij haar standplaatsen verhuurt.

4.9.

De kantonrechter komt dan ook tot het oordeel dat er geen sprake is van enig onrechtmatig handelen door gedaagde partij althans dat dit niet is komen vast te staan. Dit oordeel leidt ertoe dat de vordering van eisende partij moet worden afgewezen. De kantonrechter acht geen termen aanwezig eisende partij toe te laten tot nadere bewijslevering.

4.10.

Eisende partij zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van gedaagde partij worden begroot op € 600,00 (2 x tarief € 300,0) als salaris voor de gemachtigde.

4.11.

De kantonrechter zal dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

wijst de vordering af,

5.2.

veroordeelt eisende partij in de proceskosten aan de zijde van gedaagde partij gevallen en tot op heden begroot op € 600,00,

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Schreurs-van de Langemheen en in het openbaar uitgesproken.

type: PL

coll: mjp