Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:11787

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
01-12-2017
Datum publicatie
06-12-2017
Zaaknummer
C/03/214124 / FA RK 15-4038
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nietig Ghanees huwelijk. Niet-ontvankelijk in verzoek tot echtscheiding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2018/18
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

+RECHTBANK LIMBURG

Familie en jeugd

Zittingsplaats Roermond

zaaknummer / rekestnummer: C/03/214124 / FA RK 15-4038

Beschikking d.d. 1 december 2017 betreffende de echtscheiding

in de zaak van:

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats vrouw] , [adres vrouw] ,

hierna te noemen: ‘de vrouw’,

advocaat mr. K.P.E. van Tulden, gevestigd te Roermond,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats man] , [adres man] ,

hierna te noemen: ‘de man’;

advocaat: mr. S.M.E. van Dijsseldonk, gevestigd te Eindhoven.

1 De verdere procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de beschikkingen van deze rechtbank van 28 september 2016 en 9 november 2016;

1.2.

Bij beschikking van 9 november 2016 heeft de rechtbank de zaak aangehouden en het Internationaal Juridisch Instituut (IJI) verzocht een schriftelijk verslag uit te brengen naar aanleiding van de vragen als vermeld in rechtsoverweging 2.2. van de beschikking.

1.3.

Vervolgens is bij de rechtbank ingekomen:

- het rapport d.d. 28 augustus 2017 van het IJI;

- het F9-formulier d.d. 27 september 2017 van de advocaat van de man, met bijlage;

- het F9-formulier d.d. 9 oktober 2017 van de advocaat van de vrouw, met bijlage.

2 De verdere beoordeling

2.1.

De rechtbank verwijst naar en neemt over hetgeen is opgenomen in haar beschikkingen van 28 september 2016 en 9 november 2016.

2.2.

De rechtbank dient eerst te beoordelen of het op [datum huwelijk] 2002 te Accra (Ghana) tussen partijen gesloten huwelijk nietig is.

2.3.

Ten aanzien van de vraag wat op [datum huwelijk] 2002 naar Ghanees recht de voorwaarden voor de totstandkoming van een rechtsgeldig huwelijk naar gewoonterecht waren, heeft het Internationaal Juridisch Instituut als volgt geantwoord:

“ De vereisten voor het bestaan van een rechtsgeldige customary marriage kunnen verschillen, al naar gelang de bevolkingsgroep waartoe de (aanstaande) echtgenoten behoren, maar er zijn wel enkele elementen waaraan in beginsel altijd moet worden voldaan.

(…)

Voor wat betreft de totstandkoming van een customary marriage wijzen wij op de volgende essentiële elementen, te weten toestemming – van de ouders respectievelijk de betrokkenen- ,bekwaamheid (leeftijd, huwelijksbeletselen), en bruidsgave.(..) Omdat customary marriages veelal in het openbaar in het bijzijn van familie worden voltrokken, wordt aanvullend bewijs in de vorm van registratie vaak als overbodig gezien. (…) Verder wordt in het algemeen als eis gesteld dat er buiten de eigen “clan” wordt gehuwd, althans dat er geen nauwe (bloed)verwantschap bestaat tussen (aanstaande) echtgenoten. Sinds de inwerkingtreding van de Children’s Act (1998) geldt bovendien als vereiste ten aanzien van alle soorten huwelijken dat de echtgenoten ouder dan 18 jaar moeten zijn ten tijde van huwelijksvoltrekking.

Ten aanzien van de vraag of het Ghanees recht wettelijke vermoedens kent betreffende het huwelijk naar gewoonterecht en welke bewijslastverdeling heeft te gelden ten aanzien van de vraag of sprake is van een gewoonterechtelijk huwelijk heeft het IJI geantwoord dat het Ghanees recht, voor zover kon worden nagegaan, geen wettelijke vermoedens kent, noch regels kent omtrent de bewijslastverdeling.

De vraag of een eerder gewoonterechtelijk huwelijk als huwelijksbeletsel voor een burgerlijk huwelijk geldt en zo ja, of dan sprake is van een nietig huwelijk, is door het IJI onder verwijzing naar artikel 74 van de Matrimonial Causes Act bevestigend beantwoord, waarbij voorts van belang is dat vrouwen niet bevoegd zijn om meer dan een van de drie soorten huwelijken die in Ghana worden erkend, aan te gaan.

Op de vraag welke betekenis artikel 31 Evidence Act heeft in relatie tot de verklaringen afgelegd door de getuigen ten overstaan van de “ notary public” heeft het IJI geantwoord dat getuigenverklaringen naar Ghanees recht een belangrijke rol spelen ten aanzien van het bewijs van het bestaan van een gewoonterechtelijk huwelijk, zeker in gevallen waarin het huwelijk niet is geregistreerd.

De conclusie van het IJI luidt als volgt:

“Omdat uit de stukken niet is gebleken dat de customary marriage van de vrouw niet voldoet aan de vereisten van het gewoonterecht van de bevolkingsgroep waartoe zij behoort of aan de hiervoor uiteengezette algemene vereisten die gelden ten aanzien van de geldigheid van customary marriages naar Ghanees recht, betreft het op [datum huwelijk] 2002 tussen partijen gesloten burgerlijk huwelijk onzes inziens naar Ghanees recht bijgevolg een nietig huwelijk. Daarbij gaan wij er dus van uit dat er wel sprake is van een geldige customary marriage die niet is ontbonden voor voornoemde huwelijksdatum. Een tussen partijen gesloten burgerlijk huwelijk is onzes inziens bijgevolg naar Ghanees recht nietig, indien één van de partijen reeds gehuwd is met een ander op grond van het desbetreffende gewoonterecht wanneer (nadien) een burgerlijk huwelijk wordt voltrokken. Afgezien daarvan, komt het ons op grond van de bestudeerde literatuur en overige bronnen voor dat vrouwen naar geen enkel Ghanees recht (Afrikaans gewoonterecht, Islamitisch dan wel op basis van de common law,) bevoegd zijn om te huwen met een andere man wanneer er sprake is van een geldig huwelijk, in dit geval een customary marriage die in beginsel rechtsgeldig lijkt te zijn.”

2.4.

De man heeft in zijn reactie op het verslag van het IJI gesteld dat hij voldoende heeft onderbouwd dat de vrouw – op het moment dat hij met haar in het huwelijk trad in 2002 – op grond van Ghanees recht al getrouwd was met de heer [X] en dat nergens uit gebleken is dat het huwelijk tussen de vrouw en de heer [X] ontbonden is voordat partijen met elkaar huwden en dat, nu de vrouw met de heer [X] getrouwd is, het in 2002 tussen partijen gesloten huwelijk nietig is.

2.5.

De vrouw heeft de conclusie van het IJI betwist en daartoe onder meer het volgende gesteld.

Uit de getuigenverklaringen en overige documenten die door de man zijn overgelegd blijkt niet dat er in dit geval aan de essentiële elementen is voldaan voor een rechtsgeldig huwelijk naar gewoonterecht in Ghana. Er kan naar het oordeel van de vrouw op grond van de overgelegde stukken niet de conclusie worden getrokken dat er een rechtsgeldig huwelijk naar gewoonterecht heeft plaatsgevonden tussen de vrouw en de heer [X] . De vrouw is van mening dat de conclusie van het IJI niet overeenstemt met de bevindingen van het IJI over een huwelijk naar gewoonterecht in Ghana.

Het IJI stelt in haar rapport dat er voor de totstandkoming van een rechtsgeldig huwelijk naar

gewoonterecht onder meer instemming van de ouders van betrokkenen en de betrokkenen zelf is vereist, bekwaamheid en een bruidsgave. Daarnaast variëren de formaliteiten (de rituelen) van de huwelijkssluiting volgens het rapport ook nog al naar gelang de desbetreffende bevolkingsgroep. In Ghana zijn er talrijke tradities omtrent het huwelijk en die veranderen ook nog voortdurend. Uit de overgelegde stukken van de man blijkt niet dat aan de hierboven vermelde vereisten is voldaan. In de getuigenverklaringen wordt niet vermeld dat er sprake was van instemming van ouders en betrokkenen zelf. Ook wordt geen melding in de getuigenverklaringen gemaakt van een gegeven bruidsgift dan wel wordt daar ander bewijs van aangeleverd. Ook de bekwaamheid blijkt niet uit de overgelegde stukken. Naar het oordeel van het IJI zijn dit echter wel essentiële elementen (pagina 4 van het rapport). Is er niet aan deze voorwaarden voldaan dan is er dus volgens het IJI geen sprake van een rechtsgeldig huwelijk naar gewoonterecht. Het aangaan van een relatie, het krijgen van kinderen samen en bijvoorbeeld een ceremonie die de schijn heeft van een huwelijksceremonie leidt dus niet tot een rechtsgeldig huwelijk wanneer er niet aan bovenstaande essentiële elementen is voldaan.

2.6.

De rechtbank overweegt dat aan de getuigenverklaringen belang dient te worden gehecht. De heer [X] verklaart dat hij een gewoonterechtelijk huwelijk met de vrouw heeft gesloten; zijn zus bevestigt dat sprake is van een gewoonterechtelijk huwelijk, evenals de zus van de vrouw. Ten slotte verklaart de heer [Y] dat hij het gewoonterechtelijk huwelijk heeft gesloten. De vrouw kan niet volstaan met te stellen dat nergens uit blijkt dat het een rechtsgeldig gewoonterechtelijk huwelijk betreft. Het had op haar weg gelegen aan te tonen en met stukken te onderbouwen waarom niet voldaan is aan de vereisten voor een rechtsgeldig gewoonterechtelijk huwelijk.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat nu sprake was van een gewoonterechtelijk huwelijk tussen de heer [X] en de vrouw, het later tussen partijen gesloten burgerlijk huwelijk naar Ghanees recht nietig is. Het verzoek van de man om het tussen partijen gesloten huwelijk nietig te verklaren zal de rechtbank toewijzen.

2.7.

Het vorenstaande betekent dat de rechtbank de vrouw niet-ontvankelijk zal verklaren in haar verzoek tot echtscheiding. De rechtbank zal beslissen als hierna is vermeld.

2.8.

Proceskosten

2.8.1.

Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1.

stelt vast dat het tussen partijen op [datum huwelijk] 2002 te Accra (Ghana) gesloten huwelijk nietig is;

3.2.

verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek tot echtscheiding;

3.3.

bepaalt dat elke partij de eigen kosten van deze procedure draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.TH.M. Raab, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier H.V.M. Smeets op 1 december 2017.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden..