Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:11747

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
01-12-2017
Datum publicatie
12-12-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 2302 en AWB - 16 _ 2324 en AWB - 16 _ 2335 en AWB - 16 _ 2404
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Betreft beroepen van omwonenden tegen een omgevingsvergunning eerste fase die is verleend voor het uitbreiden van een pluimveehouderij met een nieuwe pluimveestal buiten het agrarisch bouwblok en het gebruik van een perceel en (voormalige bedrijfs-)woning dat tot de inrichting behoorde voor woondoeleinden. De rechtbank stelt in navolging van het advies van de StAB vast dat het akoestisch onderzoek ondeugdelijk is uitgevoerd en dat de geluidbelasting is onderschat. Verweerder heeft de juistheid van dat advies onderschreven. Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. Verweerder heeft naar aanleiding van het StAB advies een nieuw akoestisch onderzoek laten uitvoeren. De rechtbank ziet hierin geen aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten. Bij de behandeling van de beroepen ter zitting is terecht aangevoerd dat ook het nieuwe akoestisch onderzoek gebreken vertoont. In de omstandigheid dat dit eerst ter zitting is aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om deze gronden wegens strijd met de goede procesorde niet in de beoordeling te betrekken. Verweerder zal een nieuw besluit op de aanvraag moeten nemen dat met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure dient te worden voorbereid en waarbij de dan geldende feiten en omstandigheden ten aanzien van de aspecten volksgezondheid en geurhinder in de oordeelsvorming dienen te worden betrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/6491
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB/ROE 16/2302, 16/2324, 16/2335 en 16/2404

uitspraak van de meervoudige kamer van 1 december 2017 in de zaken tussen

16 2302: [naam 1] , te [woonplaats] , eiser 1,

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

16 2324: [naam 2] , te [woonplaats] , eiser 2,

(gemachtigde: mr. M.M. Breukers),

16 2335: [naam 3] , te [woonplaats] , eiser 3,

(gemachtigde: mr. T. Pothast),

16/2404: [naam 4] , [naam 5] , [naam 6] , [naam 7] en [naam 8], allen te [woonplaats] , eisers 4,

(gemachtigde: mr. D. van de Weerdt),

hierna gezamenlijk te noemen: eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Peel en Maas, verweerder,

(gemachtigden: drs. A.P. Langerak, mr. R.F.E. Kees, ing. J.M. Vestjens en ing. E.P.M. Giebelen).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Pluimveebedrijf [naam vergunninghouder], te [vestigingsplaats] ,

(gemachtigde: mr. W.J.F. Geertsen).

Procesverloop

Bij besluit van 20 juni 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan Pluimveebedrijf [naam bedrijf] (hierna: vergunninghouder) met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3˚, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) een omgevingsvergunning eerste fase verleend voor het mogelijk maken van de bouw van een nieuwe pluimveestal en het gebruik van het perceel en de woning aan de [adres woning] ten behoeve van woondoeleinden. Tevens is met toepassing van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, in verbinding met artikel 2.6 van de Wabo een omgevingsvergunning verleend voor het uitbreiden en veranderen van een pluimveebedrijf aan de [adres] .

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Eiser 2 en eisers 4 hebben een aanvullend beroepschrift ingediend met daarbij een contra-expertise van W. Schoonderbeek van Schoonderbeek Advies en Beheer B.V. (WSAB), respectievelijk van ir. A.K.M. van Hoof van Het Groene Schild.

Op verzoek van de rechtbank heeft de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (StAB) een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 2 mei 2017. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Eisers hebben een reactie gegeven voormeld StAB-rapport. Eisers 4 hebben op het StAB-rapport gereageerd door verwijzing naar een rapport van ir. A.K.M. van Hoof.

Verweerder heeft een reactie gegeven op het StAB-rapport en daarbij een aanvullend akoestisch onderzoek en een aangepaste tekening gevoegd.

Naar aanleiding van de reactie van eiser 3 heeft de rechtbank de StAB verzocht om te laten weten of deze reactie aanleiding geeft tot een andere conclusie.

De StAB heeft op 14 juli 2017 een aanvullend deskundigenbericht uitgebracht.

Eisers 4 hebben aanvullende stukken ingediend en daarna nog een brief van ir. A.K.M. van Hoof aan de rechtbank gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2017.

Eiser 1 is verschenen, bijgestaan door mr. T. Pothast als waarnemer van zijn gemachtigde. Eiser 2 is verschenen, bijgestaan door mr. B.A.L. Dinjens als waarnemer van zijn gemachtigde en door W. Schoonderbeek van WSAB. Eiser 3 heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Van eisers 4 zijn [naam 4] , [naam 5] en [naam 6] verschenen, bijgestaan door ir. A.K.M. van Hoof als waarnemer van hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Vergunninghouder is verschenen, vertegenwoordigd door U.P.M.H. [naam vergunninghouder] , bijgestaan door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Voor de onderhavige inrichting aan de [adres pluimveebedrijf] te [vestigingsplaats] is op 23 maart 2004 een revisievergunning ingevolge de Wet milieubeheer verleend voor een pluimveehouderij. Omdat de bij dat besluit vergunde nieuwe stal niet (binnen 3 jaar) is gebouwd, is de vergunning voor die stal en de daarin te houden kippen vervallen. Op basis van genoemde revisievergunning mogen in de bestaande stal 8 maximaal 28.000 kippen (legkippen en (groot)ouderdieren van legrassen) worden gehouden.

2. Op 20 juni 2012 heeft vergunninghouder een aanvraag eerste fase ingediend die ziet op de uitbreiding van het pluimveebedrijf door het realiseren van een nieuwe stal buiten het agrarisch bouwvlak. Deze aanvraag is later nog aangevuld.

3. Verweerder heeft op 16 juli 2015 een ontwerpbesluit tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor de in fase 1 aangevraagde situatie vastgesteld. Naar aanleiding van onder meer de daartegen ingediende zienswijzen heeft vergunninghouder de oorspronkelijke aanvraag na het vaststellen van het ontwerpbesluit op een aantal punten aangepast. Zo zijn bijvoorbeeld enkele emissiepunten verlaagd, is het aantal te houden kippen verminderd en is omgevingsvergunning gevraagd voor het gebruik van de woning aan de [adres woning] als burgerwoning. Na de aanvulling heeft de aanvraag betrekking op de activiteiten het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo). Meer concreet ziet dit op het realiseren van een nieuwe pluimveestal (11) buiten het agrarisch bouwvlak en het mogen gebruiken van de (tweede bedrijfs-)woning aan de [adres woning] voor (burger) bewoning. De aanvraag heeft tevens betrekking op het veranderen of veranderen van de werking of het in werking hebben van een pluimveehouderij als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo. Fase 2 van de aanvraag voor de omgevingsvergunning zal betrekking hebben op de activiteit bouwen (van stal 11).

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning eerste fase, op grond van artikel 2.5 van de Wabo, verleend. Gelet op de wijzigingen in de aanvraag die onder meer betrekking hebben op een verlaging van emissiepunten van de stallen 8 en 11 en het lager bouwen van stal 11, is door G&O Consult een nieuw akoestisch rapport: 3537ao0214 d.d. 2 december 2015 opgesteld. Uit de resultaten van dat onderzoek blijkt dat in de representatieve bedrijfssituatie (RBS) bij alle omliggende woningen aan de [straatnaam 1] en aan [straatnaam 2] wordt voldaan aan de richtwaarde van 40 dB(A) die op grond van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening uit 1998 geldt voor een landelijke omgeving. Verweerder heeft bij het bestreden besluit in de voorschriften 6.2.1 en 6.2.2 de exact op de gevel van de woningen berekende waarden vergund onder de overweging dat niet meer geluidruimte dient te worden vergund dan strikt nodig.

5. Door alle eisers zijn beroepsgronden aangevoerd, waarin kanttekeningen zijn geplaatst bij de deugdelijkheid van het akoestisch onderzoek dat aan het bestreden beluit ten grondslag ligt. Namens eiser 2 en eisers 4 zijn rapporten ingediend waarin onderbouwd is aangegeven dat de geluidmodellering van de ventilatoren in de kokers (schoorstenen) onjuist is uitgevoerd, waardoor de geluidbelasting van de geluidkokers is onderschat. In het rapport van WASB dat eiser 2 bij zijn aanvullend beroepschrift heeft gevoegd is tevens aangevoerd dat in het ruimtelijk spoor niet kan worden volstaan met een meting op de gevel van de maatgevende woningen.

6. Naar aanleiding van de door eisers ten aanzien van het geluidaspect aangevoerde beroepsgronden overweegt de rechtbank als volgt.

7. De StAB heeft in het deskundigenbericht van 2 mei 2017 vermeld dat de bron van de ventilatoren in de kokers inderdaad op een onjuiste hoogte is gemodelleerd. Door de fouten in de modellering is de geluidemissie onderschat. Verder heeft de StAB de juistheid van het standpunt van eisers onderschreven dat in het kader van het ruimtelijk spoor bij een maximale invulling van het bouwvlak bij eisers de door verweerder gehanteerde geluidrichtwaarde van 40 dB(A) etmaalwaarde om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te garanderen zal worden overschreden.

8. De rechtbank onderschrijft deze conclusies van de StAB. De rechtbank stelt voorts vast dat verweerder bij het bestreden besluit, noch in ruimtelijke onderbouwing, noch in het daarbij gevoegde akoestisch onderzoek, een afweging heeft gemaakt of het woon- en leefklimaat door afwijking van het geldend bestemmingsplan onaanvaardbaar wordt aangetast. De rechtbank is van oordeel dat verweerder dit ten onrechte heeft nagelaten. Tevens is de rechtbank van oordeel dat eisers aldus terecht hebben aangevoerd dat het akoestisch onderzoek ondeugdelijk is uitgevoerd, waardoor de geluidbelasting bij de woningen en percelen van eisers is onderschat.

9. Op grond van het vorenstaande zijn de beroepen gegrond en komt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht voor vernietiging in aanmerking. Aan de overige beroepsgronden wordt niet toegekomen. Ten aanzien van de vraag of er aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of een bestuurlijke lus toe te passen, overweegt de rechtbank het volgende.

10. Verweerder heeft in reactie op het deskundigenbericht bij brief van 29 juni 2017 aan de rechtbank kenbaar gemaakt dat hij zich in de conclusie van de StAB kan vinden. Verweerder heeft gemeld dat op verzoek van vergunninghouder door G&O Consult een nieuw akoestisch rapport met nummer 3537ao0315 v3 van 27 juni 2017 is opgesteld en heeft de rechtbank verzocht om te bepalen dat dit onderzoek onderdeel uitmaakt van de onderhavige omgevingsvergunning. Dit met de kennelijke bedoeling dat de rechtbank, gelet op de resultaten van dat onderzoek, de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand zou (kunnen) laten. Desgevraagd heeft verweerders gemachtigde bij de behandeling van de beroepen ter zitting bevestigd dat de bij het bestreden besluit gestelde geluidvoorschriften niet zijn gewijzigd.

11. De rechtbank stelt vast dat eisers eerst bij de behandeling van de beroepen ter zitting hebben aangevoerd dat ook het akoestisch rapport van 27 juni 2017 gebreken vertoont. Zij hebben erop gewezen dat de bij het bestreden besluit gestelde geluidvoorschriften niet zijn gewijzigd en dat uit het rapport blijkt dat de bij de woningen van eisers en een aantal andere maatgevende woningen maximale geluidniveaus zijn berekend die de in voorschrift 6.2.2 gestelde normen overschrijden. Zo is bij de woning van eiser 1 aan [straatnaam 2] 53 in de dagperiode sprake van een overschrijding van 1 dB(A), in de avond van 22 dB(A) en in de nacht van 7 dB(A). Bij de woning van eiser 2 aan [straatnaam 2] 57 is overdag sprake van een overschrijding van 1 dB(A) en in de avond van 3 dB(A). Bij [naam 4] aan [straatnaam 2] 67 is overdag sprake van een overschrijding van 5 dB(A). Bij de woningen van derden aan [straatnaam 2] 65 is overdag sprake van een overschrijding van 16 dB(A) en in de avond van 10 dB(A).

Verweerder heeft daarvoor ter zitting geen toereikende verklaring kunnen geven.

De rechtbank is gelet op dit laatste van oordeel dat ook op basis van de nieuw gepresenteerde geluidberekeningen nog steeds niet de conclusie kan worden getrokken dat de bij het bestreden besluit gestelde geluidvoorschriften door de inrichting kunnen worden nageleefd.

12. De gemachtigde van vergunninghouder heeft er weliswaar terecht op gewezen dat eisers dit een eerder stadium naar voren hadden kunnen brengen, maar de rechtbank zal in dit geval er toch van afzien om de geconstateerde gebreken wegens strijd met de goede procesorde niet in de beoordeling te betrekken. Redengevend daarvoor is dat ook belangen van derden, waaronder de bewoners van bijvoorbeeld [straatnaam 2] 65, in het geding zijn. Dat geldt ook voor de woning [straatnaam 2] 75 waar in verband met een overschrijding van het maximale geluidniveau in de dagperiode door G&O Consult is geadviseerd om een geluidscherm aan de zuidelijke erfgrens te plaatsen. Dat een dergelijk scherm wordt geplaatst en de overschrijding daardoor teniet wordt gedaan, is echter niet geborgd. Derden zouden dus worden benadeeld indien hen de mogelijkheid wordt onthouden om tegen de door verweerder voorgestelde gewijzigde akoestische onderbouwing alsnog in rechte op te komen.

13. Naar het oordeel van de rechtbank is er dan ook geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen omdat dit niet tot een versnelling van de procedure zal leiden. Indien verweerder opnieuw op de (opnieuw te wijzigen) aanvraag beslist, dient verweerder in het kader van een zorgvuldige besluitvorming een nieuw ontwerpbesluit ter inzage te leggen, waartegen door een ieder zienswijzen kunnen worden ingediend. De formele beroepsgrond van eisers dat ook vanwege de wijziging(en) van de aanvraag, die zowel zien op het milieuaspect van de inrichting als het ruimtelijke ordeningsaspect ten aanzien van de woning [straatnaam 1] 119, ten onrechte niet een nieuw ontwerpbesluit ter inzage is gelegd, behoeft om die reden geen bespreking. De rechtbank merkt ten slotte nog op dat verweerder bij het nieuw te nemen besluit de dan geldende feiten en omstandigheden ten aanzien van de aspecten volksgezondheid en geurhinder in de oordeelsvorming zal moeten betrekken.

14. Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

15. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.237,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het indienen van een reactie op het deskundigenbericht met een waarde per punt van € 495,00 en een wegingsfactor 1). De door eisers 4 geclaimde deskundigenkosten in verband met het inschakelen van De Roever Omgevingsadvies komen tot een bedrag van € 300,00 (4 uren à

€ 75,00)(zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2904) voor vergoeding in aanmerking. De reiskosten van eisers [naam 4] , [naam 5] en [naam 6] in verband met het bijwonen van de zitting komen eveneens voor vergoeding in aanmerking. Deze kosten heeft de rechtbank begroot op € 45,00 (3 maal € 15,00).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op de door eisers betaalde griffierechten van € 168,00 aan hen

te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers 1, 2 en 3 tot een bedrag van

€ 1.237,50 elk;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers 4 tot een bedrag van in

totaal € 1.582, 50 (€ 1.237,50 aan kosten van rechtsbijstand, € 300,00 aan deskundigenkosten en € 45,00 aan reiskosten).

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.G.H. Seerden, voorzitter, en mr. L.M.J.A. barones van Hövell tot Westerflier-Dassen en mr. J.M.E. Kessels, leden, in aanwezigheid van

mr. F.A. Timmers, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 december 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op: 1 december 2017

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.