Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:1170

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
13-02-2017
Datum publicatie
16-02-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 563u
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2018:908, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft een omgevingsvergunning verleend voor het veranderen van een varkenshouderij. De verandering ziet met name op het realiseren van een twee-etage varkensstal voor in totaal 10.360 varkens. Eisers, omwonenden van de te realiseren varkensstal, hebben tegen de verlening beroep ingesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is de bouw niet in strijd met het bestemmingsplan, nu, anders dan eisers stellen, de te realiseren stal is gesitueerd binnen het bouwvlak. Voorts heeft verweerder voor zowel de hoogte van de stal als de ligging binnen de vrijwaringszones van de autosnelweg aanleiding kunnen zien om af te wijken van het bestemmingsplan. Ook zover het bestreden besluit ziet op de milieugevolgen van de inrichting kan dat de toets van de rechtbank doorstaan. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/924
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/563

uitspraak van de meervoudige kamer van 13 februari 2017 in de zaak tussen

[eiser 1] , [eiser 2], [eiser 3], [eiser 4] en [eiseres], te [woonplaats], eisers

(gemachtigde: mr. drs. J. Rutteman),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nederweert, verweerder

(gemachtigden: [naam gemachtigde 1] en [naam gemachtigde 2]).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [vergunninghouder], vergunninghouder

(gemachtigde: mr. dr. J.J.J. de Rooij).

Procesverloop

Bij besluit van 5 januari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan vergunninghouder

een omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) verleend voor het veranderen van een varkenshouderij aan [straat nr. 21] en [straat nr. 23].

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2016. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Vergunninghouder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1], [naam 2] en zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Vergunninghouder is eigenaar van de inrichting aan [straat nr. 21] en [straat nr. 23]. Voor de inrichting aan [straat nr. 23] is op 9 juni 1992 op grond van de Wet milieubeheer (Wm) een revisievergunning verleend voor een rundvee- en varkensmesterij. Op 15 oktober 1996 is voor de inrichting aan [straat nr. 21] een

Wm-revisievergunning verleend voor een varkensfokkerij. Bij besluit van 28 februari 2013 is aan de rechtsvoorganger van vergunninghouder, [besloten vennootschap], een omgevingsvergunning (eerste fase) verleend voor onder meer het samenvoegen van de inrichtingen aan [straat nr. 21] en [straat nr. 23] tot één inrichting (een varkenshouderij). Bij besluit van 23 april 2013 is aan vergunninghouder een omgevingsvergunning (tweede fase) verleend voor het veranderen van de varkenshouderij aan [straat nr. 21] en [straat nr. 23], meer in het bijzonder voor het plaatsen van twee luchtwassers en het vergroten van één van de varkensstallen. De vergunde situatie bestond op dat moment uit twee bedrijfswoningen (met bergingen), een paardenstal voor twaalf paarden (stal 4) en zeven varkensstallen (genummerd 2, 3, 5, 6a, 6b, 7a en 7b) voor in totaal 1335 varkens. Nadat de belangrijkste varkensstallen (5 en 6a) op 1 maart 2013 door een brand zijn verwoest, heeft vergunninghouder op 30 oktober 2014 bij verweerder een aanvraag ingediend voor het veranderen van de inrichting aan [straat nr. 21] en [straat nr. 23]. De veranderingen ten opzichte van de vergunde situatie zien op het realiseren van een twee-etage varkensstal voor in totaal 10.360 varkens en een loods die ingericht wordt als werktuigenberging en brijvoerkeuken. De twee-etage varkensstal is fictief in vieren gedeeld, waarbij elk deel wordt aangesloten op een luchtwasser. De overige stallen, behoudens stal 2 die wordt ingezet als noodstal, komen te vervallen. Voorts worden in het verlengde van de [....straat] en aan de oost- en zuidzijde van de twee-etage varkensstal bosplantsoenen gerealiseerd.

2. Verweerder heeft naar aanleiding van voormelde aanvraag op grond van artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo in verbinding met afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op 30 oktober 2015 een ontwerpbesluit tot het verlenen van de omgevingsvergunning ter inzage gelegd. Eisers hebben over het ontwerpbesluit zienswijzen naar voren gebracht. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de omgevingsvergunning verleend op basis van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, b, c en e, van de Wabo.

3. Kort en zakelijk weergegeven hebben eisers zich in hun gronden van beroep op het standpunt gesteld dat, nu de bouw van de te realiseren twee-etage varkensstal is voorzien buiten het bouwvlak, sprake is van strijdigheid met het geldende bestemmingsplan. Voorts heeft verweerder, wat betreft de situering van de twee-etage varkensstal binnen de vrijwaringszone van de nabijgelegen autosnelweg A2 en de bouwhoogte van de stal, ten onrechte aanleiding gezien om op grond van artikel 2.12 van de Wabo af te wijken van het bestemmingsplan. Ter onderbouwing van hun standpunt dat geen sprake is van een goede ruimtelijke onderbouwing en mitsdien niet mocht worden afgeweken van het bestemmingsplan hebben eisers zich bij faxbericht van 25 november 2016 beroepen op de publiekssamenvatting en samenvatting van het rapport “Veehouderij en Gezondheid Omwonenden” van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) uit 2016. Voorts hebben zij in dit verband gesteld dat na het realiseren van de twee-etage varkensstal sprake zal van een toename van de geur- en fijnstofemissie. Die emissies komen bovenop de emissies van de A2 en de aan de andere zijde van die weg gelegen intensieve veehouderij. Tot slot zijn eisers van mening dat ten aanzien van de hoogte en de plaatsing van de emissiepunten niet de Best Beschikbare Technieken (BBT) zijn toegepast.

4. De rechtbank overweegt allereerst dat eisers woonachtig zijn in de directe omgeving van de inrichting en dat voorts aannemelijk is dat eisers als gevolg van de te realiseren twee-etage varkensstal, naar objectieve maatstaven gemeten, milieugevolgen van enige betekenis zullen ondervinden en als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht zijn aan te merken. De rechtbank overweegt verder als volgt.

5. Ingevolge artikel 2.1 van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

b. het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bepaald,

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan (…),

(…)

e. 1°. het oprichten, 2°. het veranderen of veranderen van de werking of 3°. het in werking hebben van een inrichting of mijnbouwwerk, (…).

6. De rechtbank stelt vast dat de omgevingsvergunning voor zover die ziet op de activiteit als bedoeld onder artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo tussen partijen niet ter discussie staat. Evenmin is in geschil dat de aanvraag van vergunninghouder in overeenstemming is met het Bouwbesluit 2012, de gemeentelijke Bouwverordening en de redelijke eisen van welstand. De rechtbank overweegt verder als volgt.

7. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo wordt de omgevingsvergunning ingevolge artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo geweigerd indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan. De aanvraag wordt in dat geval op grond van het tweede lid mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, en de vergunning wordt op de grond, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 van de Wabo niet mogelijk is.

8. De rechtbank overweegt dat op 24 november 2009 het bestemmingsplan “Buitengebied Nederweert” is vastgesteld. Bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 19 oktober 2011 is dit bestemmingsplan onherroepelijk geworden. Het bestemmingsplan “Buitengebied Nederweert” is gevolgd door een eerste herziening, vastgesteld op 24 april 2012 en onherroepelijk geworden door de uitspraak van de Afdeling van 3 april 2013, en een tweede herziening, vastgesteld op 13 mei 2015. De voormelde bestemmingsplannen zijn raadpleegbaar op www.ruimtelijkeplannen.nl. Voorts is door verweerder overgelegd “het bestemmingsplan Buitengebied Nederweert werkdocument inclusief herzieningen 1 t/m 3 van de gemeente Nederweert”. Over dit werkdocument is op de website van de gemeente Nederweert het volgende vermeld:

Wegens het grote aantal herzieningen van het bestemmingsplan Buitengebied Nederweert is er een versie van de planregels gemaakt waarin alle wijzigingen zijn verwerkt. Deze versie is niet vastgesteld door de gemeenteraad en heeft geen status. Het is enkel een referentiedocument voor de overzichtelijkheid. Er kunnen geen rechten aan ontleend worden.

Nu aan het werkdocument geen status toekomt, zal de rechtbank dit stuk buiten beschouwing laten en in het navolgende uitgaan van het bestemmingsplan “Buitengebied Nederweert” inclusief de eerste en de tweede herziening.

9. De rechtbank stelt vast dat – voor zover van belang – ter plaatse van de te realiseren twee-etage varkensstal de bestemming “Agrarisch met waarden – Esdorpen” en de aanduiding “intensieve veehouderij” geldt.

Op grond van artikel 5 van de planregels van de tweede herziening blijven – voor zover van belang – de regels van de bestemming “Agrarisch met waarden – Esdorpen” van de eerste herziening van toepassing. Op grond van artikel 5 van de planregels van de eerste herziening blijven – voor zover van belang – de regels van de bestemming “Agrarisch met waarden – Esdorpen” van het bestemmingsplan “Buitengebied Nederweert” van toepassing.

De voor “Agrarisch met waarden – Esdorpen” aangewezen gronden zijn op grond van artikel 5.1 van de planregels van het bestemmingsplan “Buitengebied Nederweert” bestemd voor een intensief veehouderijbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding intensieve veehouderij (“iv”).

Op grond van artikel 5.2.1 van de planregels van het bestemmingsplan “Buitengebied Nederweert” dienen gebouwen op de voor “Agrarisch met waarden – Esdorpen” aangewezen gronden binnen het bouwvlak te worden gebouwd.

In artikel 1.20 van de planregels van het bestemmingsplan “Buitengebied Nederweert” wordt “bouwvlak” gedefinieerd als een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid waar ingevolge de planregels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten. In zowel de eerste als de tweede herziening is de definitie van “bouwvlak” ongewijzigd gebleven.

De definitie van “agrarisch bouwblok” is opgenomen in de tweede herziening. Op grond van artikel 1.3 van de planregels wordt “agrarisch bouwblok” – voor zover van belang – gedefinieerd als de gronden ter plaatse van de aanduiding ‘intensieve veehouderij (“iv”)’.

10. De rechtbank overweegt dat tussen in partijen in geschil is of de te realiseren twee-etagestal, die de originele bebouwing overschrijdt, zich al dan niet binnen een bouwvlak in de zin van artikel 5.2.1 van het bestemmingsplan “Buitengebied Nederweert” bevindt.

10.1.

Verweerder is van opvatting dat het gehele perceel van vergunninghouder mag worden bebouwd en hiertoe heeft hij verwezen naar een bijlage van het bestemmingsplan “Buitengebied Nederweert” waarin alle agrarische bouwkavels zijn opgenomen, het zogenoemde “bouwkavelboek”. Die bijlage maakt geen onderdeel uit van het vastgestelde bestemmingsplan. Uit die bijlage volgt dat het gehele perceel van vergunninghouder is aangemerkt als “agrarisch bouwkavel”, hetgeen volgens verweerder, indien wordt uitgegaan van wat in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk is, synoniem is aan het in het bestemmingsplan gebruikte begrip “bouwvlak”. Verweerder ziet voor zijn standpunt dat het gehele perceel mag worden bebouwd een bevestiging in de tweede herziening van het bestemmingsplan. In artikel 1.3 van de planregels van die herziening worden de gronden ter plaatse van de aanduiding “intensieve veehouderij” aangeduid als “agrarisch bouwblok”. Ook in de planregels, bijvoorbeeld in de bouwregels, is het begrip “bouwvlak” gekoppeld aan de agrarische bestemming.

10.2.

Eisers hebben zich op het standpunt gesteld dat het begrip “bouwvlak” uit de planregels van het bestemmingsplan “Buitengebied Nederweert” niet gelijk is aan het in het bouwkavelboek gebezigde begrip “agrarisch bouwkavel”. Niet alleen wordt dit laatste begrip niet gebruikt in de planregels, binnen de “agrarische bouwkavels” op de kaarten in het bouwkavelboek zijn ook andere vlakken geduid, hetgeen er op duidt dat er ook bouwvlakken zijn die niet samenvallen met bouwkavels. Het woord “kavel” heeft daarnaast een meer algemene betekenis dan “bouwvlak”. Dat een stuk grond als “bouwkavel” wordt aangeduid, betekent nog niet dat het ook geheel mag worden bebouwd. Het begrip “bouwvlak” heeft een meer specifieke betekenis. Op grond van het vorenstaande stellen eisers zich op het standpunt dat de te realiseren twee-etagestal niet valt binnen het “bouwvlak” dan wel dat sprake is van rechtsonzekerheid daarover. Bij dit laatste is relevant dat het bouwkavelboek digitaal geen onderdeel uitmaakt van het bestemmingsplan, waar in de toelichting bij het plan toch staat vermeld dat de digitale versie uitwisselbaar is met de fysieke versie. Het bestemmingsplan voldoet door voormeld niet eenduidig woordgebruik niet aan het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening 2008 (IMRO2008), met rechtsonzekerheid als gevolg.

11. De rechtbank overweegt dat ter plaatse op de plankaart een omlijning is aangebracht. Binnen die omlijning is de aanduiding “iv” (intensieve veehouderij) vermeld. Hieruit volgt dat, gelet op voormeld artikel 1.3, de omlijning het “agrarisch bouwblok” betreft waarbinnen agrarische bebouwing mag worden gerealiseerd. Ingevolge artikel 1.20 van de planregels is het “agrarisch bouwblok” daarmee tevens een bouwvlak. Nu de te realiseren twee-etage varkensstal zich binnen de omlijning en dus binnen het bouwvlak bevindt, is de rechtbank van oordeel dat op dit punt van strijdigheid met het bestemmingsplan geen sprake is. Hetgeen eisers hebben aangevoerd over de toelaatbaarheid van de bouw van de twee-etage varkensstal ingevolge het bestemmingsplan “Buitengebied Nederweert” en het daarbij behorende bouwkavelboek behoeft, gezien het vorenstaande, geen bespreking meer.

12. De rechtbank overweegt ten aanzien van de door verweerder verleende vergunning tot afwijking van het bestemmingsplan verder als volgt.

13. Op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, van de Wabo kan de omgevingsvergunning voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo slechts worden verleend, indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking (sub 1°, de binnenplanse afwijking) en in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat (sub 3°, de buitenplanse afwijking) .

Voor bouwwerken gelegen binnen het bouwvlak met de aanduiding agrarisch bedrijf, waaronder begrepen een intensief veehouderijbedrijf, geldt op grond van artikel 5.2.2 van de planregels van het bestemmingsplan “Buitengebied Nederweert” een maximale bouwhoogte van 10 meter. Dit is onder de herzieningen van het bestemmingsplan ongewijzigd gebleven.

Verweerder kan op grond van artikel 5.4.1 van de planregels van het bestemmingsplan “Buitengebied Nederweert” ontheffing verlenen van het bepaalde in artikel 5.2.2 en een maximale bouwhoogte van 12 meter voor bedrijfsgebouwen bij een agrarisch bedrijf toestaan, onder de voorwaarden dat

1. een doelmatige bedrijfsvoering deze grotere hoogte noodzakelijk maakt;

2. de bedrijfsvoering en de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende agrarische bedrijven niet onevenredig worden beperkt;

3. de bouwhoogte vanuit landschappelijk oogpunt aanvaardbaar is.

Een in artikel 5.4.1 van de planregels van het bestemmingsplan “Buitengebied Nederweert” genoemde ontheffing kan op grond van artikel 5.4.2 van de planregels bovendien slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

a. het straat- en bebouwingsbeeld;

b. de milieusituatie;

c. de verkeersveiligheid;

d. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;

e. de sociale veiligheid.

14. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat de bouwhoogte van de voorgenomen twee-etage varkensstal de maximaal toegestane bouwhoogte van 10 meter overschrijdt. In geschil is of verweerder gebruik had mogen maken van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid van artikel 5.4.1 van de planregels om een bouwhoogte van 11,3 meter mogelijk te maken. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat om te kunnen bouwen in twee lagen, wat een voorwaarde voor de gewenste bedrijfsgrootte is, een bouwhoogte van 11,3 meter noodzakelijk is.

14.1.

Eisers hebben betoogd dat niet is gebleken dat is voldaan aan de voorwaarde dat een doelmatige bedrijfsvoering deze grotere hoogte (+ 1,3 meter) noodzakelijk maakt. Eisers verstaan onder het begrip “doelmatige bedrijfsvoering”, dat niet in het bestemmingsplan is gedefinieerd, een bedrijfsvoering die voldoende rendement biedt om het voortbestaan van het bedrijf mogelijk te maken. Uitgegaan moet worden van een minimaal noodzakelijke omvang. Eisers betrekken daarbij dat de verhoging onwenselijk is uit onder meer milieuperspectief. Niet is gebleken dat voor een doelmatige bedrijfsvoering in voormelde zin een verhoging van de bouwhoogte noodzakelijk is.

15. De rechtbank deelt het standpunt van verweerder dat blijkens artikel 5.4.1 van de planregels slechts relevant is of een doelmatige bedrijfsvoering de hogere bouwhoogte noodzakelijk maakt. De rechtbank ziet in de tekst of strekking van de desbetreffende planregel geen aanknopingspunt om eisers te volgen in hun opvatting dat sprake zou moeten zijn van een economische noodzaak. Dat een twee-etage stal in het geval van vergunninghouder om doelmatigheidsredenen noodzakelijk is, acht de rechtbank aannemelijk. Het doel betreft het houden van een bepaald aantal dieren en dat kan op deze wijze gerealiseerd worden. Op een relatief kleine oppervlakte kan zo een grote hoeveelheid dieren worden gehouden.

Verweerder heeft voorts het standpunt ingenomen dat er is sprake van zuinig ruimtegebruik en dat de wegbeheerder van de naastgelegen autosnelweg A2 niet toestaat dat de bebouwing te dicht aansluit op die autosnelweg, waardoor de beschikbare ruimte voor vergunninghouder, mede gelet op de grenzen van het bouwvlak, beperkt is. De gewenste omvang zou hierdoor bij het realiseren van een één-etage varkensstal niet worden gehaald. Ook andere aspecten, zoals de gezondheid van de dieren, maken een twee-etage varkensstal doelmatiger dan een stal van één etage met minder dieren en de noodzaak om fokzeugen extern te betrekken. De rechtbank is van oordeel dat dit een toereikende motivering van verweerder is in dezen.

15.1.

Voor zover eisers hebben betoogd dat de milieusituatie onevenredig wordt aangetast, als bedoeld in artikel 5.4.1 van de planregels, verwijst de rechtbank naar rechtsoverweging 22.

16. Voorts is niet in geschil dat de te realiseren varkensstal deels zal komen te liggen binnen de zogenoemde vrijwaringszone van de autosnelweg A2, een vanwege veiligheidsoverwegingen ingestelde zone. Blijkens de plankaart is op dit gedeelte de gebiedsaanduiding “vrijwaringszone – weg” van toepassing. De zone tussen 50 en 100 meter uit het hart van de Rijksweg A2 wordt volledig benut, de stal overschrijdt slechts voor een klein deel (240m²) de zone binnen de 50 meter.

Ingevolge artikel 29.1.1 van de planregels van het bestemmingsplan “Buitengebied Nederweert”, ongewijzigd gebleven onder de eerste en tweede herziening, is het verboden nieuwe bebouwing te situeren binnen een afstand van 100 meter uit het hart van de Rijksweg A2. Verweerder kan op grond van artikel 29.1.2 van de planregels ontheffing verlenen teneinde de afstand van de bebouwing tot de Rijksweg A2 te verkleinen tot 50 meter. Hiertoe dient de wegbeheerder te worden gehoord.

17. Bij brief van 22 augustus 2013 heeft de wegbeheerder meegedeeld dat om een inbreuk te maken op de bebouwingsvrije zone onomstotelijk moet worden aangetoond dat er geen alternatief bestaat voor de inbreuk en het bouwwerk de weg- en verkeersbelangen niet schaadt. Aan het vorenstaande is, aldus de wegbeheerder, voldaan, nu vergunninghouder inzichtelijk maakt dat:

- door de bestaande ligging van het bedrijf tussen de A2 en de belendende bedrijfsbebouwing uitbreiding alleen mogelijk is richting de A2;

- dat de huidige bebouwing reeds een inbreuk maakt op de bebouwingsvrije zone langs de A2;

- dat de nieuwe stal en loods deze inbreuk slechts met een paar meters overschrijden;

- dat de initiatiefnemer de inbreuk zo klein mogelijk houdt door in twee etages te bouwen;

- dat bij het volledig vermijden van een inbreuk de gewenste en noodzakelijke bedrijfsomvang niet kan worden gerealiseerd.

De wegbeheerder stemt dan ook in met de voorgestelde bebouwingscontouren, waarbij hij er vanuit gaat dat:

- de inbreuk beperkt blijft tot de voorgestelde inbreuk waarbij de bebouwing op ongeveer 39,5 meter vanuit de as van de dichtst bijgelegen rijbaan van de A2 komt te liggen;

- dat de vormgeving en het materiaalgebruik van de nieuwe bebouwing niet afleidend is voor de weggebruiker;

- dat er op de bedrijfsbebouwing geen hinderlijke verlichting en/of afleidende reclame wordt aangebracht.

18. Eisers hebben zich op het standpunt gesteld dat vanwege het ontbreken van een goede ruimtelijke onderbouwing verweerder niet met toepassing van de buitenplanse afwijkingsbevoegdheid van artikel 2.12 van de Wabo bebouwing binnen 50 meter van de Rijksweg A2 had mogen toestaan. In dat verband hebben eisers gesteld dat door de uitbreiding een aantal voor de leefkwaliteit van de directe omgeving nadelige emissies zullen toenemen. Van belang is dat de uitbreiding plaatsvindt in een al zwaar belast gebied, als gevolg van de Rijksweg A2 en een aan de andere zijde van die snelweg gelegen grote intensieve veehouderij. In dat kader is een beroep gedaan op de publiekssamenvatting en samenvatting van het RIVM-rapport “Veehouderij en Gezondheid Omwonenden” uit 2016. Het vorenstaande valt niet te rijmen met de uitgangspunten van het bestemmingsplan, waaronder begrepen een toename van de ruimtelijke kwaliteit en een versterking van de gebiedswaarden.

19. De rechtbank stelt vast dat onbestreden is gebleven de door verweerder toegepaste binnenplanse afwijkingsbevoegdheid die bebouwing tussen 50 en 100 meter van de autosnelweg A2 mogelijk maakt. De rechtbank overweegt dat de in geding zijnde (buitenplanse) afwijkingsbevoegdheid van het bestemmingsplan slechts betrekking heeft op een klein gedeelte van de te realiseren stal binnen 50 meter van de autosnelweg A2. Onder verwijzing naar de brief van de wegbeheerder die instemt met de bebouwing binnen die zone, is de rechtbank van oordeel dat die afwijking is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. De door eisers aangevoerde milieuaspecten houden geen verband met specifiek dit gedeelte van de stal en hebben betrekking op de gehele twee-etage varkensstal. Voor de gehele nieuwbouw is door [adviesbureau] op 15 oktober 2015 een ruimtelijke onderbouwing opgesteld. De door eisers genoemde milieuaspecten, inclusief de emissies van de nabijgelegen intensieve veehouderij in de gemeente Weert, zijn daarin en in de bijlage “M.E.R. en aanvraag omgevingsvergunning” aan de orde gekomen. Blijkens de M.E.R. wordt aan de milieueisen voldaan. Eisers zijn er niet in geslaagd om aan de hand van algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten, aannemelijk te maken dat deze milieueisen niet toereikend zijn om onaanvaardbare risico’s voor de volksgezondheid te voorkomen. De verwijzing van eisers naar het RIVM-rapport is hiervoor onvoldoende. De ruimtelijke onderbouwing kan de aan de rechtbank toekomende toets doorstaan.

20. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder in redelijkheid voor zowel de hoogte van de stal als de ligging binnen de vrijwaringszones aanleiding kunnen zien om op grond van artikel 2.12 van de Wabo vergunning te verlenen om af te wijken van het bestemmingsplan.

21. Over de activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo overweegt de rechtbank als volgt.

Ingevolge artikel 2.14, eerste lid, aanhef en onder c, sub 1°, van de Wabo dient verweerder bij de beslissing op de aanvraag, voor zover deze betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, in acht te nemen dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken moeten worden toegepast.

Ingevolge artikel 5.4, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht houdt het bevoegd gezag bij de bepaling van de voor een inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken rekening met BBT-conclusies.

Ingevolge artikel 1 is een BBT-conclusie: een document met de conclusies over beste beschikbare technieken, vastgesteld overeenkomstig artikel 13, vijfde lid en zevende lid, van de Richtlijn Industriële Emissies.

De voor de inrichting relevante BBT-conclusies zijn neergelegd in het BREF Intensieve pluimvee- en varkenshouderij. In de bijlage bij de Regeling omgevingsrecht, zoals deze luidde ten tijde van het nemen van het besluit van 19 november 2014, is de oplegnotitie BREF Intensieve pluimvee en varkenshouderij genoemd.

22. In het bestreden besluit is verweerder ingegaan op dit BREF-document. Gesteld noch gebleken is dat verweerder onvoldoende of op onjuiste wijze rekening heeft gehouden met voornoemd BREF-document. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende onderzoek gedaan naar alternatieven die alle voldoen aan de in het BREF-document beschreven technieken en is er, nu een voldoende onderbouwde weerlegging van eisers achterwege is gebleven, geen aanleiding voor het oordeel dat niet de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

23. In het licht van het vorenstaande is het beroep ongegrond.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.G.H. Seerden, voorzitter, en mr. T.M. Schelfhout en mr. R.M.M. Kleijkers, leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 13 februari 2017

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.