Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:11599

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
29-11-2017
Datum publicatie
15-12-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 3689
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Maatwerkvoorschriften met betrekking tot geluidgrenswaarden café. Geen reden om een begrenzer met c-weging voor te schrijven. Geen nieuw akoestisch onderzoek nodig. Verweerder had geen andere maatwerkvoorschriften dienen op te nemen, nu de akoestische onderzoeken de conclusie kunnen dragen dat wordt voldaan aan het wettelijke kader inzake geluid uit het Activiteitenbesluit. Voorts heeft verweerder in redelijkheid kunnen afzien van het opleggen van maatwerkvoorschriften ten aanzien van feestzaal.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/6586
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

Zaaknummer: ROE 16 / 3689

Uitspraak van de meervoudige kamer van 29 november 2017 in de zaak tussen

[naam 1] , wonend te [woonplaats] , eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Voerendaal, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 11 november 2014 heeft verweerder maatwerkvoorschriften vastgesteld voor de inrichting (café) van [naam 2] (hierna: belanghebbende).

Bij besluit van 4 oktober 2016 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 11 november 2014 ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Met toepassing van artikel 8:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft de rechtbank belanghebbende in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen, van welke gelegenheid gebruik is gemaakt.

Verweerder heeft de stukken die op de zaak betrekking hebben ingezonden en heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 september 2017, waar eiser, bijgestaan door mr. B.A.L. Dinjens, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. J.L.E. Laudy en M. Ramackers, beiden werkzaam bij de gemeente, en J.J.H.L. Segers, werkzaam bij de Regionale uitvoeringsdienst Zuid-Limburg (hierna: de RUD), zijn verschenen. Voorts is ter zitting belanghebbende gehoord.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende, door partijen niet betwiste feiten en omstandigheden. Belanghebbende is uitbater van café [naam 3] , gelegen aan de [straatnaam] te [woonplaats] . Die inrichting valt onder de werking van het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit) en bestaat uit een cafégedeelte van circa 36 m² en een achter het café gelegen (feest)zaal. Het cafégedeelte grenst aanpandig aan de woning van eiser. In het café staat een vaste geluidsinstallatie, waarmee versterkte muziek ten gehore wordt gebracht.

2. Bij besluit van 10 mei 2011 zijn aan de vennootschap onder firma [naam 3] met toepassing van artikel 2.20, vijfde lid, van het Activiteitenbesluit maatwerkvoorschriften opgelegd teneinde te bewerkstelligen dat wordt voldaan aan de in artikel 2.17, eerste lid, van het Activiteitenbesluit opgenomen geluidgrenswaarden. Het hiertegen gerichte beroep heeft deze rechtbank bij uitspraak van 27 november 2013 (AWB 11/1132) gegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat in het aan het besluit van 10 mei 2011 ten grondslag liggende akoestisch onderzoek van Bureau Geluid van 24 november 2010 geen rekening is gehouden met andere geluidbronnen dan de geluidsinstallatie. Gelet hierop heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom met de opgelegde maatwerkvoorschriften het geluidniveau van het café tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt. De rechtbank heeft overwogen dat voor het opleggen van goede maatwerkvoorschriften een nieuw akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd, waarbij rekening moet worden gehouden met het (in opdracht van de rechtbank opgestelde) rapport van 23 november 2012 van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (hierna: de StAB). Verweerder is opgedragen om op basis daarvan opnieuw te beslissen of, en zo ja, welke maatwerkvoorschriften worden opgelegd.

3. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft bij uitspraak van 16 juli 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:2684) de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

4. Naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank heeft verweerder bij het besluit van 11 november 2014 nieuwe maatwerkvoorschriften opgelegd. In het in dit besluit opgenomen maatwerkvoorschrift 1.1 is bepaald dat op geen enkel moment binnen de inrichting gelegen lokaliteit(en) (café en zaal) hogere, voor versterkte muziek- of spraakgeluidniveaus, mogen worden geproduceerd dan:

  • -

    85 dB(A) tussen 07:00 en 19:00 uur (dagperiode);

  • -

    80 dB(A) tussen 19:00 uur en 23:00 uur (avondperiode);

  • -

    75 dB(A) tussen 23:00 uur en 07:00 uur (nachtperiode).

Bij het bepalen van de geluidsniveaus wordt voor muziekgeluid geen bedrijfsduurcorrectie toegepast.

5. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroepschrift als bezwaarschrift doorgestuurd naar verweerder. Ter zake van het bezwaar heeft op 13 april 2015 een hoorzitting van de gemeentelijke bezwaarschriftencommissie plaatsgevonden. Als uitwerking van het door deze commissie uitgebrachte advies heeft verweerder de RUD op 8 januari 2016 en 4 maart 2016 een nieuw akoestisch onderzoek laten uitvoeren. De rapporten van deze onderzoeken (van 12 januari 2016 en 7 maart 2016) zijn door verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd.

6. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat enkel de opgelegde maatwerkvoorschriften ter discussie kunnen worden gesteld. Gezien de discretionaire bevoegdheid van verweerder dient louter te worden beoordeeld of hij in redelijkheid tot de opgelegde maatregelen heeft kunnen komen. Een toets ten aanzien van aanvullingen en alternatieven is volgens verweerder niet aan de orde. Uit de onderzoeken van de RUD blijkt dat de geluidnormen niet worden overschreden. Met de opgelegde maatwerkvoorschriften en de onderliggende akoestische onderzoeken wordt het geluidniveau binnen de inrichting tot een aanvaardbaar niveau beperkt. Verweerder heeft de voorheen geldende grenswaarden naar beneden bijgesteld met 4 dB(A) om uit te sluiten dat cumulatie van stemgeluid een te hoge geluidbelasting kan veroorzaken. Naar nu is gebleken, is het stemgeluid geen mee te wegen factor. Met de doorgevoerde geluidwerende voorzieningen is thans een marge van 3 dB(A) aanwezig.

7. Eiser stelt zich in beroep op het standpunt dat voor het opleggen van maatwerkvoorschriften ten aanzien van geluidsniveaus van het zwaarst belastende spectrum dient te worden uitgegaan. Het enkel veranderen van dB(A) als norm doet volgens eiser geen recht aan de uitspraak van de rechtbank. Eiser kan zich niet verenigen met de uitgangspunten en conclusies van de akoestische rapportage. Voorts wenst eiser dat verweerder voorschriften opneemt ten aanzien van het aantal toegestane dagen voor festiviteiten, de eindtijd van (incidentele) festiviteiten en het gebruik van een sluisconstructie.

8. De rechtbank overweegt allereerst dat verweerder beleidsvrijheid toekomt bij de beantwoording van de vraag of hij gebruik zal maken van de bevoegdheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Uit de toelichting bij het Activiteitenbesluit volgt dat de wetgever ervan uitgaat dat, gezien de specifieke werkingssfeer van het instrument maatwerkvoorschrift, het gebruik van dit instrument tot bijzondere en incidentele gevallen beperkt zal blijven; de rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling van 7 juli 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BN0498). Indien wordt besloten tot het stellen daarvan, heeft verweerder een zekere beoordelingsvrijheid bij de vaststelling van wat nodig is ter bescherming van het milieu.

9. Verder overweegt de rechtbank dat eiser ter zitting heeft aangegeven zich te kunnen vinden in het pop-spectrum dat zowel door de StAB als de RUD passend is bevonden. Derhalve is dit niet langer in geschil. Voor wat betreft het betoog van eiser dat hij graag een geluidsbegrenzer met c-weging wil, overweegt de rechtbank dat uit de onderzoeken van de RUD is af te leiden dat, indien de geluidsinstallatie in de maximale stand wordt gezet en met de limiter muziek ten gehore wordt gebracht, er geen geluid waarneembaar is in eisers slaapkamer. Aangezien er geen geluid is waargenomen in de slaapkamer heeft de RUD het uitvoeren van een geluidmeting niet mogelijk geacht. Verweerder heeft zich daarom op goede gronden op het standpunt gesteld dat er geen reden was om een begrenzer met c-weging voor te schrijven.

10. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat verweerder een nieuw akoestisch onderzoek dient te laten uitvoeren. Niet gebleken is dat de door de RUD, zijnde een deskundige op het gebied van geluid, uitgevoerde onderzoeken niet zorgvuldig tot stand zijn gekomen. Het onderzoek behelst een 0-meting en behandelt de invloed van stemgeluid, waarbij metingen zijn verricht waarbij gelijktijdig de geluidsinstallatie maximaal in werking was en stemgeluid (geschreeuw) ten gehore werd gebracht. Voorts heeft de RUD voorafgaand aan het uitvoeren van de geluidmetingen een gesprek met zowel eiser als belanghebbende gevoerd om duidelijkheid te krijgen welke aspecten nog actueel zijn. Eiser heeft zijn standpunt dat de uitgangspunten en conclusies van de akoestische rapportage niet juist zijn, niet nader gemotiveerd met – bijvoorbeeld – een contra-rapport. Het betoog faalt.

11. Voorts volgt de rechtbank eiser evenmin in zijn betoog dat verweerder ook andere maatwerkvoorschriften had dienen op te nemen, onder meer met betrekking tot een sluisconstructie. Genoemde onderzoeken van de RUD kunnen immers de conclusie dragen dat indien de geluidsinstallatie van het café wordt gebruikt via de limiter, er in elk geval wordt voldaan aan het wettelijke kader inzake geluid uit het Activiteitenbesluit. Tevens is uit het rapport van de RUD van 7 maart 2016 af te leiden dat stemgeluiden vanuit het café, terwijl de geluidsinstallatie maximaal aanstaat, niet tot hinder leiden in eisers slaapkamer. Eiser heeft geen tegenrapport overgelegd waaruit het tegendeel zou blijken, althans dat twijfel zou wekken aan de juistheid van verweerders standpunt. Voor wat betreft de stemgeluiden in de openbare ruimte overweegt de rechtbank dat deze niet kunnen worden toegerekend aan de inrichting. Op grond van artikel 2.18, derde lid, onder a, van het Activiteitenbesluit blijft immers bij het bepalen van het maximaal geluidsniveau (LAmax) buiten beschouwing het geluid als gevolg van het komen en gaan van bezoekers bij inrichtingen waar uitsluitend of in hoofdzaak horeca-activiteiten plaatsvinden.

12. Ten aanzien van eisers standpunt dat verweerder een maatwerkvoorschrift dient op te nemen omtrent festiviteiten die in de inrichting plaatsvinden, overweegt de rechtbank dat de rechtbank in haar uitspraak van 27 november 2013 uitdrukkelijk en zonder voorbehoud de grond heeft verworpen dat verweerder met betrekking tot deze festiviteiten maatwerkvoorschriften dient op te leggen. Deze grond is destijds door eiser in hoger beroep niet aangevoerd, zodat in onderhavige procedure wordt uitgegaan van de juistheid van deze overweging.

13. Voor zover eiser heeft beoogd te stellen dat verweerder tevens maatwerkvoorschriften dient op te nemen voor activiteiten in de feestzaal die niet vallen onder de incidentele festiviteiten zoals bepaald in de Algemene plaatselijke verordening, heeft verweerder onweersproken en terecht gesteld dat voor deze festiviteiten de normen van het Activiteitenbesluit van toepassing blijven. Ter zitting is door verweerder toegelicht dat het opleggen van aanvullende maatwerkvoorschriften wegens het ontbreken van een vaste geluidsinstallatie in de feestzaal geen meerwaarde heeft. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen afzien van het opleggen van maatwerkvoorschriften ten aanzien van het gebruik van de feestzaal.

14. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.M.M. Kleijkers, voorzitter, en mr. Th.M. Schelfhout en mr. E.M.J. Hardy, leden, in aanwezigheid van mr. drs. P.M. van den Brekel, griffier.

De uitspraak is openbaar gemaakt op 29 november 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 29 november 2017

Rechtsmiddel

Voor partijen staat tegen deze uitspraak hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.