Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:11576

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
28-11-2017
Datum publicatie
06-12-2017
Zaaknummer
C/03/236931 / FA RK 17-2328
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wijzigingsverzoek kinderalimentatie met terugwerkende kracht tot en met 2003. De rechtbank wijst de verzoeken slechts toe voor de periode dat de man gedetineerd heeft gezeten en voor het jaar 2014 aangezien de belastinginspecteur zijn verzamelinkomen op nihil heeft bepaald. Voor het overige wordt het wijzigingsverzoek afgewezen. Dat man heeft in de periode van 2003-2007 zijn inkomsten uit criminele activiteiten verworven. Dat de man ervoor gekozen heeft om met zijn inkomen niet aan zijn onderhoudsverplichting jegens de minderjarige te voldoen, is een keuze die niet op de vrouw en de minderjarige afgewenteld dient te worden Het feit dat de man sinds 2015 met een ontnemingsvordering en sinds 2013 met belastingaanslagen over de jaren 2004 tot en met 2007 wordt geconfronteerd, doet daar niets aan af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2018/50
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Limburg

Zittingsplaats Roermond

Familie en jeugd

Zaaknummer : C/03/236931 / FA RK 17-2328

Beschikking van 28 november 2017 betreffende alimentatie

in de zaak van:

[de man] ,

wonende te [woonplaats man] , [adres man] ,

hierna te noemen de man,

advocaat: mr. D. Dronkers;

tegen:

[de vrouw] EN

[de meerderjarige dochter] ,

wonende te [woonplaats vrouw] , [adres vrouw] ,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat: mr. C.C.J. van Pol.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Dit blijkt uit het volgende:

- het verzoekschrift, binnengekomen bij de rechtbank op 14 juni 2017;

- het verweerschrift, binnengekomen bij de rechtbank op 9 augustus 2017;

- de brief van mr. Dronkers d.d. 22 september 2017, met een bijlage;

- de brief van mr. Dronkers d.d. 12 oktober 2017, met bijlagen;

- de op 12 oktober 2017 ontvangen produkties van mr. van Pol;

- de mondelinge behandeling, welke heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2017 en waarbij zijn verschenen:

- de man, bijgestaan door mr. Teeuwen en mr. Dronkers;

- de vrouw, bijgestaan door mr. van Pol.

1.2.

Mr. van Pol heeft ter zitting een brief van [de meerderjarige dochter] in het geding gebracht met haar standpunt, omdat [de meerderjarige dochter] vanwege een stage in het buitenland niet in staat is de zitting bij te wonen.

2 De vaststaande feiten

2.1.

Op grond van de overgelegde - niet weersproken - producties gaat de rechtbank uit van de navolgende feiten.

2.2.

De meerderjarige dochter is op [geboortedag meerderjarige dochter] 1995 geboren uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk van de moeder en de vader.

2.3.

Bij de echtscheidingsuitspraak d.d. 17 februari 2000 heeft deze rechtbank aan de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding, en met ingang van 7 november 2013 tot 7 november 2016 - vanwege de leeftijd van de jongmeerderjarige - aan te merken als bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie en verder ook te noemen onderhoudsbijdrage, opgelegd van Fl. 385,= per maand.

Ingevolge wettelijke indexering bedraagt die bijdrage in 2016 € 248,97 per maand.

3 Het verzoek

3.1.

Het verzoekschrift houdt in dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, de onderhoudsbijdrage zal wijzigen en deze in de periode van 1 januari 2003 tot en met augustus 2009 en in de periode van 1 september 2011 tot 7 november 2016 op nihil zal bepalen, althans op het wettelijk minimum van € 25,= per maand zal bepalen.

3.2.

De man stelt dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden op grond waarvan de eerdere rechterlijke uitspraak niet langer aan de wettelijke maatstaven voldoet en voert daartoe het volgende aan.

De man heeft vanaf eind 2007 tot september 2009 gedetineerd gezeten en in die periode geen inkomen genoten. Daarnaast is aan de man een ontnemingsmaatregel opgelegd van

€ 452.682,=. Naar aanleiding van de ontnemingsvordering zijn er door de belastingdienst grote belastingaanslagen aan de man opgelegd.

Vanaf september 2009 tot september 2011 heeft de man weer een inkomen genoten van

€ 24.000,= netto per jaar. Daarna is de situatie gewijzigd en is het inkomen van de man gedaald, waardoor hij een inkomen onder de bijstandsgrens heeft.

Ter zitting voert de man aan dat de vrouw op de hoogte was van zijn situatie. Door toewijzing van zijn verzoek tot nihilstelling met terugwerkende kracht, ontstaan er geen ingrijpende gevolgen voor de vrouw. De reeds betaalde bedragen zullen niet door de man teruggevorderd worden. De man verzoekt dan ook de alimentatie voor [de meerderjarige dochter] te bepalen op het bedrag dat hij reeds heeft betaald.

De man heeft dit verzoek niet eerder willen indienen, uit angst dat hij het contact met [de meerderjarige dochter] zou verliezen. Doordat de schulden van de man inmiddels zijn opgelopen tot 1 miljoen euro, heeft hij het verzoek moeten indienen, waarna [de meerderjarige dochter] het contact met hem heeft verbroken. Tot 2003 heeft de man steeds aan zijn alimentatieverplichting voldaan.

De man erkent dat hij in de periode van 2003 tot en met 2007 zijn inkomen heeft verkregen uit criminele activiteiten. Dit geld heeft hij helemaal opgesoupeerd.

De man heeft tevergeefs zijn situatie proberen te bespreken met de vrouw.

Een van de kinderen uit een ander huwelijk van de man woont bij hem. Voor dit kind ontvangt de man toeslagen. De man verdient nu zijn inkomen uit Time-Sharing. Onlangs is er een onderzoek door de FIOD gedaan naar de werkzaamheden van de man. Uit dat onderzoek is naar voren gekomen dat de man zijn inkomen op legale wijze verkrijgt.

4 Het verweer

4.1.

De vrouw en [de meerderjarige dochter] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van de man in het verzoek, althans tot afwijzing daarvan, met veroordeling van de man in de proceskosten, en voeren daartoe het volgende aan.

De man dient niet ontvankelijk te worden verklaard in zijn verzoek, nu hij zijn verzoek rauwelijks heeft ingediend en op geen enkele wijze getracht heeft in overleg te treden met de vrouw en [de meerderjarige dochter] . Verder is [de meerderjarige dochter] inmiddels meerderjarig en heeft de beschikking waarvan de man wijziging verzoekt geen rechtskracht meer, zodat de man ook om die reden niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Subsidiair betwisten de vrouw en [de meerderjarige dochter] dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden. De man verzoekt wijziging met ingang van 2003 onder meer in verband met de ontnemingsvordering, welke pas in 2015 is opgelegd. Gezien de belastingaanslagen kan de man niet volhouden dat hij in de periode na 2003 geen inkomen had. De man heeft zijn inkomsten zowel over de periode van 2003 tot 2007 als de periode van 2009 tot en met 2016 niet inzichtelijk gemaakt.

Ten aanzien van de door de man verzochte terugwerkende kracht voeren de vrouw en [de meerderjarige dochter] aan dat met dit soort verzoeken uiterst terughoudend dient te worden omgegaan. De man had eerder een wijzigingsverzoek kunnen indienen. De vrouw en [de meerderjarige dochter] hadden geen rekening hoeven te houden met het verzoek, te meer nu [de meerderjarige dochter] inmiddels meerderjarig is.

Niet gebleken is dat de man geen draagkracht heeft. Uit de stukken lijkt eerder naar voren te komen dat de draagkracht van de man hoger is dan waarvan in de echtscheidingsbeschikking is uitgegaan.

Het steekt de vrouw en [de meerderjarige dochter] dat de man wel voor zijn andere kinderen een bijdrage voldoet.

De vrouw stelt ter zitting dat de man zijn verzoek nauwelijks heeft onderbouwd met stukken. Niet duidelijk is welke schulden de man allemaal heeft en wat zijn inkomen precies is. Op basis van de door de man overgelegde stukken is het niet mogelijk om een draagkrachtberekening te maken.

De man heeft nooit met de vrouw overleg gehad over een nihilstelling van de alimentatie. Het verzoek is rauwelijks door de man ingediend.

De vrouw en [de meerderjarige dochter] hebben wel degelijk gerekend op betaling van de achterstallige alimentatie. De vrouw en [de meerderjarige dochter] hebben leningen moeten aangaan om het onderhoud voor [de meerderjarige dochter] en haar opleiding te kunnen betalen, terwijl de man een luxe leven leidde en wel voor zijn andere kinderen betaalde. Het feit dat de man al zijn geld heeft opgemaakt is geen reden om de onderhoudsverplichting op nihil te stellen.

5 De beoordeling

5.1.

De grondslag van het verzoek

Op grond van het bepaalde in artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek kan een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.

De rechtbank is van oordeel dat er sinds de beschikking van deze rechtbank van 17 februari 2000 sprake is geweest van een wijziging van omstandigheden, nu de man strafrechtelijk veroordeeld is en zijn inkomen is gedaald.

5.2.

De behoefte

De behoefte van [de meerderjarige dochter] aan de door de rechtbank bepaalde onderhoudsbijdrage staat niet ter discussie.

5.3.

De periode 1 januari 2003-augustus 2009

De man verzoekt de bijdrage ten behoeve van [de meerderjarige dochter] op nihil te stellen met ingang van 1 januari 2003 tot en met augustus 2009 en voorts met ingang van 1 september 2011 tot 7 november 2016. Er is ten aanzien van beide periodes sprake van een aanzienlijk terugwerkende kracht. Weliswaar vordert de man niet terug hetgeen hij in de betreffende periode wel heeft betaald, maar de vrouw is met het oog op de nog te ontvangen bijdragen leningen aangegaan om te kunnen voorzien in de kosten van [de meerderjarige dochter] . Blijkens het overzicht van het LBIO d.d. 21 maart 2017 (produktie 5 bij het verzoekschrift) bedraagt de achterstand € 40.961,58. Niet valt in te zien waarom de man betreffende de periode 1 januari 2003-augustus 2009 niet eerder een deugdelijk onderbouwd verzoek had kunnen indienen.

De rechtbank is voorts van oordeel dat uit hetgeen de man naar voren heeft gebracht is gebleken dat de man in de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 december 2007 een aanzienlijk inkomen heeft gehad.

Uit de brief d.d. 4 september 2015 van het Centraal Justitieel Incassobureau blijkt dat aan de man een ontnemingsmaatregel is opgelegd ten bedrage van € 452.683,-. In zijn brief aan het Team Ontnemingsmaatregelen (ongedateerd, produktie 7 bij het verzoekschrift) schrijft de man:

U acht het niet aannemelijk dat het bedrag volledig is opgesoupeerd. Dit bedrag is samengesteld vanaf het jaar 2001 t/m 2007. In al deze jaren is helaas dit bedrag weg geleefd.”

Dat de man ervoor gekozen heeft om met zijn inkomen niet aan zijn onderhoudsverplichting jegens [de meerderjarige dochter] te voldoen, is een keuze die niet op de vrouw en [de meerderjarige dochter] afgewenteld dient te worden. Het feit dat de man sinds 2015 met een ontnemingsvordering en sinds 2013 met belastingaanslagen over de jaren 2004 tot en met 2007 wordt geconfronteerd, doet daar niets aan af.

De man heeft gesteld dat hij in de periode dat hij gedetineerd zat geen inkomen had. De man heeft echter nagelaten aan te tonen dat hij vanaf eind 2007 tot en met september 2009 – de periode waarover hij nihilstelling verzoekt - vast heeft gezeten. Blijkens de uitspraak van het Hof Den Bosch d.d. 29 mei 2009 is de man een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd van 15 maanden. Niet bekend is of, wanneer en hoelang de man gedetineerd is geweest. Uit het GBA uittreksel blijkt dat de man slechts kort gedetineerd heeft gezeten, te weten van 23 oktober 2008 tot 18 december 2008. Nu de man daarover geen nadere informatie heeft verschaft, hetgeen wel op zijn weg had gelegen, kan niet vastgesteld worden dat de man in de periode eind september 2007 tot en met augustus 2009, met uitzondering van de periode 23 oktober tot 18 december 2008, gedetineerd was en niet over inkomen beschikte.

Op grond van al het hiervoor overwogene zal de rechtbank het verzoek van de man tot nihilstelling over de periode 1 januari 2003 tot en met augustus 2009 afwijzen, met uitzondering van de periode 23 oktober tot 18 december 2008. Weliswaar is sprake van verwijtbaar inkomensverlies, hetgeen reden zou kunnen zijn uit te gaan van een fictief inkomen, maar gelet op de uitspraak van de Hoge Raad d.d. 23 januari 1998 LJN:ZC2556) mag het buiten beschouwing laten van de inkomensvermindering er niet toe leiden dat de man feitelijk niet meer over voldoende middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van zijn eigen bestaan te voorzien, en in geen geval tot het resultaat dat zijn inkomen zakt beneden het niveau van 90 % van de op hem toepasselijke bijstandsnorm.

5.4.

De periode 1 september 2011 tot 7 november 2016

Voor de periode vanaf 1 september 2011 tot 7 november 2016 overweegt de rechtbank als volgt.

De man is sinds 17 juni 2013 geconfronteerd met een executoriaal beslag van de Belastingdienst. Met de ontnemingsvordering van Justitie is de man eerst op 19 juni 2015 geconfronteerd. De man stelt dat hij van september 2011 tot en met september 2013 een inkomen had van € 1.300,= netto per maand en vanaf oktober 2013 tot heden een inkomen van € 1.100,= per maand. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft de man enkele huurovereenkomsten overgelegd, alsmede een beschikking IB 2014, een voorlopige aanslag IB 2015 en een voorlopige aanslag IB 2016 (produkties 14 tot en met 16). De vrouw heeft aangevoerd dat de man in het geheel niet inzichtelijk heeft gemaakt welke inkomsten hij geniet.

De rechtbank overweegt als volgt:

De man heeft onvoldoende gegevens overgelegd met betrekking tot zijn inkomen en lasten over de periode 1 september 2011 tot en met 2013. De rechtbank kan derhalve niet vaststellen of de man in deze periode in staat is geweest de vastgestelde bijdrage te voldoen.

Uit de Beschikking d.d. 4 oktober 2017 van de Inspecteur (produktie 14) blijkt dat het verzamelinkomen van de man in 2014 op nihil is bepaald. Hiervan uitgaande heeft de man in 2014 geen draagkracht gehad tot het betalen van een bijdrage.

Uit de voorlopige aanslagen 2015 en 2016 (produktie 15 en 16) blijkt dat het verzamelinkomen van de man in 2015 en 2016 op € 13.200,- is gesteld. Voor de periode vanaf 2015 is de rechtbank van oordeel dat het aannemelijk is dat aan de zijde van de man geen draagkracht bestaat, gelet op enerzijds zijn inkomen en anderzijds de hoogte van de schulden, waarbij de rechtbank met name doelt op de hoogte van de ontnemingsvordering en de belastingaanslagen. Ook al zijn deze schulden vermijdbaar en verwijtbaar, het buiten beschouwing laten van deze schulden mag er niet toe leiden dat de man feitelijk niet meer over voldoende middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van zijn eigen bestaan te voorzien. Nu de man er kennelijk in slaagt om voor zijn andere drie kinderen wel een bijdrage van in totaal € 50,= per maand te voldoen, is de rechtbank van oordeel dat rekening kan worden gehouden met een minimale draagkracht van € 50,= per maand, welke over de vier kinderen van de man verdeeld dient te worden. De rechtbank becijfert de draagkracht van de man over de periode vanaf 2015 tot 7 november 2016 dan ook op € 12,50 per maand.

5.5.

De proceskosten

De rechtbank acht termen aanwezig de proceskosten tussen partijen te compenseren, zodanig dat ieder van hen de eigen kosten draagt.

6 De beslissing

De rechtbank:

6.1.

wijzigt de beschikking van deze rechtbank van 17 februari 2000, waarbij aan de man een kinderbijdrage, welke later is overgegaan in een bijdrage in de kosten voor levensonderhoud en studie, werd opgelegd, in die zin dat de kinderbijdrage en later de bijdrage voor levensonderhoud en studie:

  • -

    in de periode 23 oktober 2008 tot 18 december 2008 op nihil wordt gesteld;

  • -

    voor het jaar 2014 op nihil wordt gesteld;

  • -

    met ingang van 1 januari 2015 tot 7 november 2016 wordt bepaald op een bedrag van € 12,50 per maand;

6.2.

compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat elk van hen de eigen kosten draagt;

6.3.

verklaart deze uitspraak uitvoerbaar bij voorraad;

6.4.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.TH.M. Raab, rechter, en ter openbare civiele terechtzitting van 28 november 2017 uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. I.D. Bücker, griffier.

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.