Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:11566

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
29-11-2017
Datum publicatie
20-12-2017
Zaaknummer
4704 6427146 cv expl 17-8530
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Spoorwisseling ex art.69 Rv ter zitting; nakoming vaststellingsovereenkomst die in kader van beëindiging arbeidsovereenkomst is gesloten, is niet gegrond op afdeling 9 titel 10 boek 7 BW en kon niet ingevolge art. 7:686a BW lid 2 BW als nevenvordering via een verzoekschrift worden ingeleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0072
AR 2017/6695
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 6427146/CV EXPL 17-8530

Vonnis van de kantonrechter van 29 november 2017

in de zaak van:

[eisende partij] ,

wonend [adres eisende partij] ,

[woonplaats eisende partij] ,

eisende partij,

gemachtigde ARAG RECHTSBIJSTAND ROERMOND,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [X] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats gedaagde partij] ,

gedaagde partij,

gemachtigde mr. S.J.M. Peters.

Partijen worden hierna [eisende partij] en [X] B.V. genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift (geregistreerd onder zaaknr 6298018/AZ/17-178)

  • -

    de brief van de griffier van 8 september 2017 waarin de mondelinge behandeling is bepaald

  • -

    het verweerschrift

  • -

    de zijdens [eisende partij] ingezonden aanvullende productie

  • -

    de mondelinge behandeling op 26 oktober 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eisende partij] is op 1 september 2011 bij [X] B.V. - een groothandel in metaal recycling en afvalstoffen verwerking - in dienst getreden en was daar laatstelijk werkzaam in de functie van productieleider / manager Operations.

2.2.

Bij beëindigings-/vaststellingsovereenkomst d.d. 31 mei 2017 zijn partijen overeengekomen dat de tussen hen bestaande arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvindingen eindigt met ingang van 1 augustus 2017.

2.3.

In artikel 6 van deze overeenkomst is vastgelegd dat werkgever aan werknemer uiterlijk in de maand augustus 2017 een vergoeding betaalt van € 25.000,00 bruto.

2.4.

Artikel 15 daarvan bepaalt:

Het is Werknemer verboden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Werkgever, gedurende twee jaar na datum einde dienstverband, op enigerlei wijze werkzaam en/of betrokken te zijn, bij de hierna te noemen (concurrerende) ondernemingen: (..). Voorts is het Werknemer gedurende dezelfde periode, zonder voorafgaande schriftelijk toestemming van Werkgever, verboden om binnen een straal van 30 km rondom de gemeente Venlo op enigerlei wijze werkzaam en/of betrokken te zijn bij een onderneming die soortgelijke en/of aanverwante activiteiten (recycling en inzameling van afval- en reststoffen) verricht als Werkgever. Indien Werknemer voornemens is om bij een dergelijke onderneming te solliciteren, dan zal hij op voorhand Werkgever hierin kennen, terwijl Werkgever hierbij toezegt ieder concreet verzoek tot ontheffing uit het concurrentiebeding ruimhartig te beoordelen. Een en ander op verbeurte van een onmiddellijk opeisbare boete van € 5.000,-- per overtreding, vermeerderd met een bedrag van € 500,-- voor iedere dag dat de overtreding voortduurt, door Werknemer aan Werkgever te voldoen.”

2.5.

Bij brief van 26 juli 2017 heeft [X] B.V. [eisende partij] gesommeerd om binnen 8 dagen een bedrag van € 5.000,00 te betalen in verband met overtreding van het concurrentiebeding, bij gebreke waarvan [X] B.V. dit bedrag zal verrekenen met de eindafrekening.

2.6.

[eisende partij] heeft hiertegen geprotesteerd.

2.7.

[X] B.V. heeft in augustus 2017 aan [eisende partij] terzake voornoemde vaststellingsovereenkomst een bedrag van € 20.000,00 bruto betaald.

3 Het geschil

3.1.

[eisende partij] verzoekt veroordeling van [X] B.V. tot betaling van de overeengekomen vergoeding ad bruto € 25.000,00 onder aftrek van de reeds betaalde bruto € 20.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 25.000,00 althans € 5.000,00 vanaf 1 september 2017 althans een andere datum, onder afgifte van een (gecorrigeerde) bruto-netto specificatie binnen uiterlijk 3 dagen na dagtekening van de beschikking, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag voor elke dag of gedeelte dat [X] B.V. nalatig is om hieraan te voldoen, met een maximum van € 2.500,00, met veroordeling van [X] B.V. in de kosten van de procedure.

3.2.

[X] B.V. voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

In het verzoekschrift heeft [eisende partij] feitelijk nakoming van de tussen hem en [X] B.V. gesloten vaststellingsovereenkomst verzocht. Hoewel deze vaststellingsovereenkomst is gesloten in het kader van een beëindiging van een arbeidsovereenkomst, is het verzoek, anders dan [eisende partij] heeft betoogd, naar het oordeel van de kantonrechter niet gegrond op hetgeen is bepaald in afdeling 9, titel 10, boek 7 BW. Het aanhangig maken van een dergelijke vordering door middel van een verzoekschrift, zoals toegelaten c.q. bepaald is in artikel 7:686a lid 2 BW is dan ook niet juist; een en ander had bij dagvaarding moeten worden ingeleid.

Ter comparitie heeft de kantonrechter dan ook op grond van artikel 69 lid 2 Rv bevolen dat de procedure in de stand waarin zich deze bevindt wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure. Een bevel tot verbetering danwel aanvulling van processtukken, zoals bedoeld in lid 1 van laatstgenoemd artikel, kan naar het oordeel van de kantonrechter achterwege blijven. Partijen zijn immers verschenen ter comparitie, zijn in de gelegenheid gesteld hun stellingen (eventueel) aan te passen en hebben desgevraagd aangegeven geen belang te hebben bij uitstel van de zaak door eventuele bepaling van een nieuwe c.q. andere mondelinge behandeling.

4.2.

Partijen zijn in voornoemde vaststellingsovereenkomst overeengekomen dat [X] B.V. een bedrag van € 25.000,00 betaalt aan [eisende partij] . [X] B.V. is deze overeenkomst niet volledig nagekomen omdat zij een bedrag van € 5.000,00 heeft verrekend met de boete die [eisende partij] - in de optiek van [X] B.V. - verschuldigd is vanwege overtreding van het in voornoemde overeenkomst vastgelegde concurrentiebeding. Volgens [X] B.V. heeft [eisende partij] immers op 10 juli 2017 bij [A] gesolliciteerd, hetgeen hij niet heeft gemeld aan [X] B.V. Dat maakt dat [eisende partij] een boete van € 5.000,00 aan [X] B.V. verschuldigd is geworden, aldus [X] B.V.

[eisende partij] heeft erkend toen dat bedrijf bezocht te hebben, doch ontkend dat gedaan te hebben in het kader van een sollicitatie. [eisende partij] stelt zich op het standpunt dat hij het concurrentiebeding niet heeft overtreden. Ter mondelinge behandeling heeft hij de bevoegdheid om te verrekenen betwist.

Artikel 6:136 BW bepaalt dat een beroep op verrekening met succes kan worden ingeroepen indien er sprake is van een tegenvordering die op eenvoudige wijze is vast te stellen en die overigens voor toewijzing vatbaar is. Dat is (in het algemeen) niet het geval wanneer een tegenvordering wordt betwist en voor de vaststelling daarvan bewijslevering nodig is.

In casu is daarvan naar het oordeel van de kantonrechter van dat laatste sprake. [eisende partij] heeft immers de (tegen)vordering van [X] B.V. uitdrukkelijk betwist. Nu deze tegenvordering daardoor thans niet is komen vast te staan, gaat het (door [X] B.V. gedane) beroep op verrekening reeds om die reden niet op. Nu er ter zake ook geen vordering in reconventie is ingesteld, dient de vordering van [eisende partij] mitsdien te worden toegewezen.

4.3.

[eisende partij] vordert tevens wettelijke rente. Deze acht de kantonrechter toewijsbaar over een bedrag van € 5.000,00 vanaf 1 september 2017, nu blijkens voornoemde overeenkomst het overeengekomen bedrag uiterlijk in augustus 2017 betaald had moeten worden.

De gevorderde afgifte van een bruto/netto specificatie en de daaraan verbonden dwangsom zal eveneens worden toegewezen.

4.4.

[X] B.V. zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van [eisende partij] worden begroot op:

  • -

    dagvaarding nihil

  • -

    griffierecht 223,00 (€ 78,00 en € 145,00)

  • -

    salaris gemachtigde 500,00 (2 x tarief € 250,00)

totaal € 723,00

5. De beslissing

De kantonrechter

5.1.

verstaat -voor zover nodig- dat de procedure in de stand waarin deze zich bevindt is voortgezet volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure,

5.2.

veroordeelt [X] B.V. om aan [eisende partij] te betalen de overeengekomen vergoeding ad bruto € 25.000,00 onder aftrek van de reeds betaalde bruto € 20.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 5.000,00 met ingang van 1 september 2017 tot de dag der algehele voldoening,

5.3.

veroordeelt [X] B.V. om binnen 30 dagen na betekening van dit vonnis [eisende partij] een (gecorrigeerde) bruto-netto specificatie te verschaffen,

5.4.

bepaalt dat [X] B.V. bij niet voldoening aan de veroordeling sub 5.3. een dwangsom van € 100,00 per dag of gedeelte van een dag verbeurt, zulks tot een maximum van € 2.500,00 is bereikt,

5.5.

veroordeelt [X] B.V. in de proceskosten aan de zijde van [eisende partij] gevallen en tot op heden begroot op € 723,00,

5.6.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A.J. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken.

type: mjp

coll: NO