Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:11552

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
27-11-2017
Datum publicatie
27-11-2017
Zaaknummer
03/720628-15 en 03/661209-17 (ttzgev)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens het medeplegen van brandstichting, witwassen en beïnvloeding van een getuige. Gevangenisstraf van 54 maanden, met aftrek van het voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 03/720628-15 en 03/661209-17 (ttzgev)

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 27 november 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens verdachte] ,

wonende te [adresgegevens verdachte] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. J.W. Heemskerk, advocaat kantoorhoudende te Roermond.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 29 mei 2017 en 13 november 2017. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

Feit 1 (720628-15): samen met een ander brand heeft gesticht in een woning;

Feit 2 (720628-15): een geldbedrag (€ 6.830,-) heeft witgewassen;

Feit (661209-17): zich schuldig heeft gemaakt aan beïnvloeding van getuige [getuige 1] .

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de feiten 1 en 2 primair (720628-15) bewezen.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de verklaring van verdachte van 4 september 2015 niet betrouwbaar is. De officier van justitie heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid van de eerder door verdachte op 22 juli 2015 en 4 augustus 2015 afgelegde verklaringen in de tijd dat hij zich in voorlopige hechtenis bevond, nu die op belangrijke punten consistent zijn en steun vinden in andere bewijsmiddelen. Deze verklaringen rijmen bovendien niet met de verklaring van verdachte van 4 september 2015 en ook met de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte] , zodat laatstgenoemde verklaringen niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd. Verdachte heeft bij de brandstichting nauw en bewust samengewerkt met medeverdachte [medeverdachte] , waardoor medeplegen kan worden bewezen.

Ter zake feit 2 heeft de officier van justitie gewezen op het aangetroffen geldbedrag bij de doorzoeking in de woning van de ouders van verdachte, de verklaring van de vader van verdachte en de getuigenverklaring van [getuige 2] . Verdachte heeft bovendien zelf verklaard dat het geld van [medeverdachte] is en dat hij wel had kunnen weten en uiteindelijk zelfs dat hij wist dat het geld afkomstig was van de drugshandel.

De officier van justitie acht voorts het feit met parketnummer 03/661209-17 bewezen, in die zin dat verdachte de vrijheid van de getuige [getuige 1] heeft beïnvloed door haar whats-appberichten te sturen over wat zij moest verklaren in haar verhoor bij de rechter-commissaris.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van de feiten 1 en 2 (720628-15) en het feit met parketnummer 03/661209-17 moet worden vrijgesproken.

Ter zake van feit 1 heeft de raadsman aangevoerd dat de laatste verklaring die verdachte heeft afgelegd betrouwbaar en de enige juiste is. Verdachte heeft bij zijn eerdere verklaringen niet de waarheid gesproken, omdat hij angst had voor medeverdachte [medeverdachte] . De raadsman heeft in dit verband verwezen naar een tapgesprek (pag. 347 van het dossier), waarin ook medeverdachte [medeverdachte] zegt ‘dat [verdachte] het niet is’. Het enkel meerijden en in de auto blijven zitten is onvoldoende voor een bewezenverklaring van medeplegen.

Ter zake van feit 2 heeft de raadsman bepleit dat het enkel bewaren van geld geen verhullend karakter heeft. Verdachte heeft louter uit vriendendienst gehandeld en het geldbedrag bewaard voor medeverdachte [medeverdachte] . Bovendien heeft [medeverdachte] niet expliciet aan verdachte aangegeven waar het geldbedrag van afkomstig was.

Ter zake van het feit met parketnummer 03/661209-17 heeft de raadsman ten slotte aangevoerd dat het woord ‘moeten’ in deze context niet letterlijk moet worden gelezen. In dit geval heeft verdachte het bedoeld als een advies en had het geen dwingend karakter. Derhalve was geen sprake van beïnvloeding van een getuige.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Parketnummer 03/720628-15

3.3.1

Feit 1 – brandstichting

3.3.1.1 De bewijsmiddelen

Op 22 maart 2015 omstreeks 00.32 uur kreeg de politie een melding om naar het adres [adres 1] te Haelen te gaan, waar een woningbrand zou zijn. Om 00:39 uur ter plaatse aangekomen, zagen de verbalisanten geen vuur, maar constateerden wel dat in de hal achter de voordeur nog rook aanwezig was. Bovendien zagen de verbalisanten dat deze hal roetschade had opgelopen en zwart geblakerd was. Voorts zagen zij dat de voordeur aan de binnenzijde, ter hoogte van de brievenbus en de onderzijde van de deur eveneens zwart geblakerd was en dat de mat in de hal van de woning brandschade had. Aan de overzijde van de straat trof de politie nabij de lantaarn een verbrand/gesmolten goedje kunststof aan, dat in beslag werd genomen.2

In het proces-verbaal van het nader ingestelde brandonderzoek is gerelateerd dat het inbeslaggenomen gesmolten goedje kunststof een restant van een kunststof flesje was. De verbalisanten hebben daarin voorts gerelateerd dat zij op 22 maart 2015 om 10.30 uur op de plaats waar eerder het flesje werd aangetroffen ook een wit/geel kunststof schroefdopje hebben aangetroffen, met op de bovenzijde met rode letters het opschrift “Saskia vitamine water”. De geur van het dopje leek sterk op die van benzine. Het meest aannemelijke scenario is volgens de verbalisanten, dat sprake is geweest van brandstichting door middel van het inbrengen van een ontbrandbare vloeistof en vuur. De voordeur werd daarbij door één of meerdere personen benaderd. Vervolgens werd de briefplaat aan de buitenzijde van de voordeur geopend. Mogelijk werd ook de briefplaat aan de binnenzijde van de deur geopend. Vervolgens werd een ontbrandbare vloeistof naar binnen geschud/gespoten waarbij ook een gedeelte van deze vloeistof aan de buitenzijde van de deur is terechtgekomen. Vervolgens werd de damp van deze vloeistof, door het inbrengen van een ontstekingsbron ontstoken. Indien de brand niet tijdig geblust was, zou een volledige binnenbrand van deze ruimte alsmede alle aangrenzende ruimtes mogelijk zijn geweest. Het lijkt zeer aannemelijk dat het een uitslaande brand had kunnen worden, waarbij de aangrenzende woningen mogelijk ook in brand hadden kunnen geraken.3

Getuige [getuige 3] , bevelvoerder van de brandweer, heeft verklaard dat wanneer het vuur niet gedoofd was, uiteindelijk de ruit van de voordeur kapot was gesprongen, waardoor zuurstof bij de brand had kunnen komen en de brand zich flink had kunnen ontwikkelen. De vluchtweg voor de bewoners was dan belemmerd geweest. De bewoners hadden dan enkel via een raam op de bovenverdieping de woning kunnen verlaten. De bevelvoerder heeft het verder over het reële gevaar voor belendende percelen door de brand en over de kans dat de bewoners waren komen te overlijden door koolmonoxidevergiftiging.4

Aangeefster [slachtoffer 1] was ten tijde van de brand samen met haar dochter [slachtoffer 2] thuis en heeft daarover in haar aangifte onder meer het volgende verklaard. De avond voor de brand verliet zij omstreeks 23.15 uur met haar twee dochters de verjaardag van haar moeder en werd zij thuis afgezet. Op dat moment was haar niks opgevallen. Haar dochter [naam dochter] ging omstreeks 23.30 uur stappen, haar dochter [slachtoffer 2] bleef thuis. Toen [slachtoffer 2] en zij in bed lagen, hoorde ze de brandmelders afgaan. Die hingen op de overloop en beneden in de kamer. Op dat moment waren ze drie kwartier thuis. Toen ze beneden kwam, zag ze dat de mat voor de voordeur binnen brandde. Ze zag dat het ook buiten brandde. Met een emmer heeft ze vervolgens de brand geblust. Hetzelfde geldt voor de brand buiten. Ze zag ook resten branden aan de overkant van de straat. Verder heeft ze verklaard dat [slachtoffer 2] werd bedreigd door [verdachte] [de rechtbank begrijpt [verdachte] , verdachte].5

[slachtoffer 2] , de dochter van aangeefster, heeft verklaard dat zij op haar slaapkamer was en de tv aan had staan, toen zij een auto hoorde stoppen. Deze stopte op de straat voor de woning. Hierna hoorde ze iets rommelen bij de voordeur. Ze hoorde het klepperen met de brievenbus, mensen buiten en ze heeft ook voetstappen gehoord. Daarop hoorde ze een auto snel optrekken en wegrijden.6

Verdachte heeft op onder meer 22 juli 2015 en 4 augustus 2015 tegenover de politie verklaard dat hij de brand samen met medeverdachte [medeverdachte] heeft gesticht. Op 22 juli 2015 verklaarde hij dat hij ongeveer vijf jaar geleden een maand een relatie met [slachtoffer 2] heeft gehad. Verdachte verklaarde voorts dat er heel wat moet gebeuren om hem boos te krijgen, maar dat [slachtoffer 2] hem erg boos heeft gemaakt en zelfs tot waanzin heeft gedreven. Waarom er iets in hem is geknapt en waarom hij uiteindelijk de voordeur van [slachtoffer 2] in brand heeft gestoken, kan verdachte zich niet meer herinneren. Op zaterdag 21 maart 2015 zat hij met vrienden in een loods in Heel, toen hij met de auto naar [medeverdachte] is gegaan. Hij was opgefokt en heeft zich door [medeverdachte] laten meeslepen. [medeverdachte] sprak over het probleem met [slachtoffer 2] en heeft toen op hem ingepraat dat hij er iets aan moest doen. [medeverdachte] kwam op het idee van brandstichting. Hij heeft zijn auto bij [slachtoffer 2] in de straat geparkeerd. Verdachte is daarop uitgestapt. [medeverdachte] had hem een flesje benzine gegeven, dat hij was gaan halen voordat ze naar de woning van [slachtoffer 2] reden. Het was een klein drinkflesje dat je in de supermarkt kunt kopen. Hij rook dat er benzine in zat. Hij heeft de klep van de brievenbus geopend en het flesje met benzine tegen de geopende brievenbus gezet. Hij heeft het flesje toen omgekiept zodat er een beetje benzine in de brievenbus terecht kwam. Hij heeft een aansteker onder de brievenbus gehouden, waarop het vlam vatte. Hij zag ook dat de brand naar binnen sloeg. Hij dacht dat iedereen die er woonde, in de woning aanwezig was.7 In zijn verhoor op 4 augustus 2015 verklaarde hij aanvullend wat kort aan het voorval vooraf ging en wat [medeverdachte] ’s rol was in het geheel. Hij verklaarde dat [medeverdachte] hem had gevraagd of hij wilde komen, omdat hij geen vervoer had. Hij had ruzie met een jongen uit Kessel en wilde daarnaartoe. [medeverdachte] heeft daarbij gezegd dat hij de auto van die jongen in de fik wilde steken. Onderweg hebben ze nog gesproken met [getuige 4] en [getuige 5] [de rechtbank begrijpt [getuige 5]] in Horn. Daar heeft verdachte ook een aansteker gekregen. Vervolgens zijn ze naar Kessel gereden. [medeverdachte] zei dat hij de auto van de jongen in brand wilde steken. Omdat de auto er niet stond, zijn ze teruggereden naar Heel. Toen ze Neer uitreden vroeg [medeverdachte] of hij niet iets aan de ruzie met [slachtoffer 2] wilde doen. Hij zei dat ze die fles nu toch bij zich hadden en dat hij haar kon pakken door haar voordeur in brand te steken. Onderweg heeft verdachte [getuige 1] [de rechtbank begrijpt [getuige 1]] gebeld om te vragen waar [slachtoffer 2] woonde. [medeverdachte] is uitgestapt en heeft gekeken welke woning het was. Hij zei het huisnummer en gaf verdachte het flesje met benzine. Daarop heeft verdachte de benzine in de brievenbus en bij de deur gegoten en aangestoken.8

Medeverdachte [medeverdachte] heeft op 28 juli 2015 verklaard dat [verdachte] hem de avond van 21 maart 2015 met de auto is komen ophalen en dat ze samen via Kessel naar de woning van [slachtoffer 2] zijn gereden.9

Getuige [getuige 4] heeft op 18 augustus 2015 verklaard dat ze de avond van 21 op 22 maart 2015 aan het chillen was met [getuige 5] . Die avond vroeg [medeverdachte] haar of ze ergens aan het chillen was. Hij liet weten dat hij langs zou komen. [verdachte] heeft vervolgens een aansteker van haar gekregen.10 [getuige 5] heeft hierover op 30 augustus 2015 verklaard dat [getuige 4] werd opgebeld door één van hen en vroeg of ze een aansteker had. Ze heeft een aansteker gegeven. Het ging om verdachte en [medeverdachte] .11

Getuige [getuige 1] heeft op 4 juli 2017 tegenover de rechter-commissaris verklaard dat zij aanvankelijk bij de politie heeft verklaard dat zij niemand uit de loods heeft zien weggaan, omdat ze [verdachte] een alibi wilde verschaffen. [verdachte] was haar vriend en ze wilde alles doen om hem in bescherming te nemen. Wat zij in het tweede verhoor heeft verklaard weet ze niet meer, maar ze weet wel dat ze daar tijdens het derde verhoor op is teruggekomen en toen heeft gezegd dat [medeverdachte] haar heeft bedreigd, maar dit klopte niet. Zij was die avond in de loods met onder andere [verdachte] . [verdachte] heeft haar verteld dat hij bij de loods was weggegaan met [medeverdachte] . [verdachte] heeft vervolgens nog contact met haar gehad met de telefoon van [getuige 6] om te vragen waar het huis van [slachtoffer 2] lag. Toen [verdachte] terugkwam heeft hij verteld dat hij het had gedaan op een manier dat het ook geen grapje was. Dat zag je ook aan hem. Hij was toen ook zenuwachtig. Hij rook naar benzine. De geur kwam echt van hem af.12

Op 27 juli 2015 heeft de rechter-commissaris doorzoeking ter inbeslagneming verricht op het toenmalige woonadres van [medeverdachte] . Daarbij zijn in de garage/berging behorende bij de woning diverse jerrycans aangetroffen. Voorts werd onder andere op de zolder een flesje Saskia vitamine water aangetroffen.13

Op 22 mei 2016 heeft een verbalisant gerelateerd dat [naam vader medeverdachte] , de vader van [medeverdachte] , diezelfde dag tegenover hem heeft verklaard dat hij de dag na de mogelijke brandstichting in Haelen in de garage kwam en meteen een scherpe benzinelucht rook. Hij kreeg daarop uiteindelijk van [medeverdachte] te horen dat ze een meisje in Haelen de stuipen op het lijf hadden willen jagen en er brand hebben gesticht. Hij verklaarde met zekerheid te kunnen vertellen dat de benzine die gebruikt is bij de brandstichting uit zijn garage komt. Hij had toentertijd in de garage een crossmotor staan en er stond dus ook altijd een kan met benzine.14

3.3.1.2 De bewijsoverweging

De rechtbank acht gelet op de hiervoor in essentie weergegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte, samen met medeverdachte [medeverdachte] , brand heeft gesticht aan de woning aan de [adres 1] te Haelen. Daarbij was allereerst gevaar voor goederen te duchten, namelijk (i) voor de woning zelf, (ii) voor de zich in de woning bevindende goederen en (iii) voor de belendende percelen. Er was echter ook sprake van levensgevaar. Uit het brandonderzoek en de verklaring van de bevelvoerder van de brandweer blijkt immers dat het zeer aannemelijk is dat het een uitslaande brand had kunnen worden, waarbij de vluchtweg voor de bewoners dan belemmerd was geweest. De bewoners hadden dan enkel via een raam op de bovenverdieping de woning kunnen verlaten. Op basis hiervan acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat ook sprake was van levensgevaar voor de bewoners [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , die zich op dat moment in de nacht in de woning bevonden en (bijna) sliepen.

De rechtbank is voorts van oordeel dat sprake is van medeplegen. Medeplegen vereist namelijk een nauwe en bewuste samenwerking en dat is hier het geval.

Uit de gedetailleerde verklaringen van verdachte van 22 juli 2015 en 4 augustus 2015, in samenhang met de bevindingen van het brandonderzoek, de verklaringen van [slachtoffer 2] , [getuige 1] , [getuige 4] en [getuige 5] , het aangetroffen flesje Saskia vitamine water bij [medeverdachte] thuis en de verklaring van [medeverdachte] ’s vader volgt immers dat verdachte die avond [medeverdachte] heeft opgehaald, waarbij hij toen zei dat hij brand wilde gaan stichten en in dat verband een flesje met benzine bij zich had. Vervolgens zijn zij gezamenlijk een aansteker gaan halen bij [getuige 4] en [getuige 5] , waarna zij eerst naar Kessel en vervolgens – toen dit plan niet door kon gaan – naar Haelen zijn gereden, waarop verdachte [getuige 1] heeft gebeld om te vragen waar [slachtoffer 2] precies woonde. Toen zij in de straat van [slachtoffer 2] reden, heeft [medeverdachte] gezocht om welk huis(nummer) het ging. Vervolgens heeft verdachte op initiatief van [medeverdachte] en met het door [medeverdachte] gevulde flesje de brand gesticht, waarna zij snel zijn teruggereden. Deze gang van zaken rechtvaardigt geen andere conclusie dan dat van een nauwe en bewuste samenwerking sprake was.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen, als beschreven onder 3.4.

Bespreking van de verweren

Verdachte heeft zich op 4 september 2015 uit eigen beweging bij de politie vervoegd en daar verklaard dat de verklaringen die hij eerder bij de politie heeft afgelegd niet kloppen en dat hij deze enkel heeft afgelegd omdat hij eerder niet de waarheid durfde te zeggen. [medeverdachte] zou hem namelijk hebben bedreigd. De waarheid zou zijn dat niet hij, maar [medeverdachte] de brand heeft gesticht. Ze reden naar [slachtoffer 2] om met haar te gaan praten. [medeverdachte] is daarop de auto uitgegaan om precies te zien waar [slachtoffer 2] woonde en heeft vervolgens zonder medeweten van verdachte de brand gesticht. De verdachte is in de auto blijven zitten. Zijn rol is enkel hiertoe beperkt gebleven.

De rechtbank acht deze verklaring van verdachte, waaraan hij ter terechtzitting consequent is blijven vasthouden, volstrekt ongeloofwaardig.De rechtbank stelt daartoe voorop dat verdachte op 22 juli 2015, 23 juli 2015 en 4 augustus 2015 tijdens zijn voorlopige hechtenis drie gedetailleerde verklaringen heeft afgelegd, waarin hij zowel zichzelf als [medeverdachte] heeft belast. Die verklaringen zijn op wezenlijke onderdelen in voldoende mate consistent en gelijkluidend en vinden bovendien steun in overige bewijsmiddelen, niet in de laatste plaats in de bevindingen van het brandonderzoek. Op 4 september 2015, verdachte is dan weer in vrijheid gesteld, gaat hij uit eigen beweging naar de politie waar hij ineens een compleet andere verklaring aflegt, waarin hij enkel naar [medeverdachte] als schuldige van de brandstichting wijst en waarin hij zichzelf probeert te ontlasten. Als reden voor zijn kentering voert verdachte op dat hij bang was voor [medeverdachte] en dat die angst hem ervan heeft weerhouden eerder de waarheid te vertellen. De door verdachte gegeven verklaring overtuigt de rechtbank in het geheel niet. De angst voor medeverdachte [medeverdachte] heeft immers niet belet dat verdachte reeds in zijn eerste (voor het bewijs gebezigde) verklaringen, belastend over medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard. Bovendien strookt de verklaring van 4 september 2015 niet met de verklaring van [getuige 1] , namelijk dat verdachte die avond direct bij terugkomst in de loods in Heel naar benzine rook. De rechtbank acht voorts nog van belang dat de getuige [getuige 1] haar aanvankelijk bij de politie afgelegde verklaring dat [medeverdachte] de schuldige was en dat zij dat niet eerder had durven zeggen omdat [medeverdachte] haar bedreigde, bij de rechter-commissaris heeft ingetrokken omdat die aanvankelijk afgelegde verklaring volgens haar in strijd met de waarheid was. Gelet op al het voorgaande houdt de rechtbank verdachte aan zijn eerder op 22 juli 2015 en 4 augustus 2015 afgelegde verklaringen en hecht zij geen geloof aan zijn nadien gedane intrekking daarvan.

Gelet op bovenstaande bewijsmiddelen en bewijsoverweging acht de rechtbank feit 1 bewezen, zoals weergegeven onder het kopje ‘De bewezenverklaring’.

3.3.2

Feit 2

Op 21 juli 2015 vond in de woning van de ouders van verdachte gelegen aan de [adresgegevens verdachte] , gemeente Maasgouw, een doorzoeking plaats. Tijdens de doorzoeking werd op de slaapkamer van de verdachte in een kluis een geldbedrag van in totaal € 6.830,- (131x 50 euro, 2 x 100 euro en 4x 20 euro) aangetroffen.15

De getuige [naam vader verdachte] , de vader van verdachte, verklaarde op 25 juli 2017 dat het geldbedrag van € 6.830,- dat in de slaapkamer van [verdachte] in een kluis is aangetroffen van [medeverdachte] is. Hij verklaarde verder dat hij op 20 juli 2015 rond 19.00 uur heeft gezien dat [medeverdachte] aan verdachte een stapel biljetten gaf.16

Op 4 augustus 2015 verklaarde verdachte bij de politie, zakelijk weergegeven: “Het geld is van [medeverdachte] . Dat krijgt hij door het overtreden van de Opiumwet. Hij handelt in drugs, weed, pillen, pep (speed) en MDMA-poeder.”

Gelet op voornoemde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen, met dien verstande dat verdachte wist dat het geldbedrag € 6.830,- onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is.

Parketnummer 03/661209-17

3.3.3

Feit

Op 11 juli 2017 heeft [getuige 1] , wonende aan de [adres getuige 1] , aangifte gedaan. Zij verklaarde, zakelijk weergegeven: “Ik wens aangifte te doen van het feit dat ik ben beïnvloed om bij de rechter-commissaris, de officier van justitie en de advocaten van [medeverdachte] en [verdachte] , een getuigenverklaring af te leggen. Deze aangifte is gericht tegen de mij bekende [verdachte] . Ik heb ongeveer twee maanden geleden een oproep gekregen van de rechtbank Roermond om als getuige te worden gehoord op dinsdag 4 juli 2017 om 14 uur in de genoemde zaak van de brandstichting in de woning van [slachtoffer 2] , [adres 1] te Haelen. Op 29 mei en 30 mei 2017 had ik onderstaand whatsapp gesprek met [verdachte] . Ik ontving op mijn mobiele telefoon, IPhone 6S, nummer [telefoonnummer 1] , de app-berichten. Ik zag dat deze berichten afkomstig waren van [verdachte] . [verdachte] wist al in mei 2017 dat ik nog als getuige zou worden gehoord bij de RC. Hieronder geef ik de whatsapp-berichten weer.

Bericht [verdachte] aan [getuige 1] :

Ma, 29 mei 17.41.

In ieder geval probeert [medeverdachte] zijn haggie te redden Door jullie opnieuw te laten ondwrvragen Je moet dit zwggen als ze je dat vragen.

Bericht [getuige 1] aan [verdachte] :

Ma, 29 mei 17.42.

Ik zeg niks sorry.

Bericht [verdachte] aan [getuige 1] :

Ma, 29 mei 17.42.

Ik blijf bij mijn laatste verklaring het is me te lang geleden, het is me verwaterd voor de rest zeg ik niks

[verdachte] probeerde me in dit whatsapp-gesprek te beïnvloeden door de te verklaren bij de rechter-commissaris wat hij wilde dat ik zou verklaren. Ik zou dus als het aan [verdachte] lag niet vrij kunnen verklaren wat ik zou willen verklaren.”17

Uit onderzoek is gebleken dat het mobiele nummer [telefoonnummer 2] op naam staat van

[verdachte] , [adresgegevens verdachte] , zijnde verdachte.18

De chatgesprekken tussen aangeefster en verdachte zijn veiliggesteld. Uit onderzoek naar de whats-appgesprekken blijkt dat verdachte met het nummer [telefoonnummer 2] op 29 mei 2017 onder meer de volgende apps heeft verzonden:19

Ma, 29 mei 17.41.

In ieder geval probeert [medeverdachte] zijn haggie te redden Door jullie opnieuw te laten ondwrvragen Je moet dit zwggen als ze je dat vragen.

Ma, 29 mei 17.42.

Ik blijf bij mijn laatste verklaring het is me te lang geleden, het is me verwaterd voor de rest zeg ik niks.

Gelet op bovenstaande bewijsmiddelen had verdachte de intentie om getuige [getuige 1] een bepaalde verklaring te laten afleggen. Anders dan de verdediging acht de rechtbank gelet daarop wettig en overtuigend bewezen dat verdachte getuige [getuige 1] heeft willen beïnvloeden.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

Parketnummer: 03/702677-15:

Feit 1:

op 22 maart 2015, in de gemeente Leudal, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk brand heeft gesticht, in/aan een woning gelegen aan de [adres 1] te Haelen, door open vuur in aanraking te brengen met een (brandbare) vloeistof, ten gevolge waarvan genoemde woning gedeeltelijk is verbrand, en daarvan gemeen gevaar voor die woning en de inboedel van die woning en belendende percelen en levensgevaar voor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , zijnde de bewoners van genoemde woning, te duchten was;

Feit 2 primair:

op 21 juli 2015, in Nederland, van een voorwerp, te weten geld (6830,- Euro), de herkomst heeft verhuld, terwijl hij wist dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

Parketnummer 03/661209-17:

op 29 mei 2017 in Nederland, opzettelijk bij geschrift zich jegens [getuige 1] heeft geuit, kennelijk om diens vrijheid om naar waarheid te verklaren of geweten ten overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij, verdachte, wist dat die verklaring zou worden afgelegd, door in een Whatsapp-chat/gesprek met genoemde [getuige 1] , deze [getuige 1] , navolgende boodschap door te geven: "Je moet dit zwggen als ze je dat vragen" en "Ik blijf bij mijn laatste verklaring het is me te lang geleden, het is me verwaterd voor de rest zeg ik niks".

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

Parketnummer: 03/702677-15:

T.a.v. feit 1:

medeplegen van opzettelijk brandstichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten is

T.a.v. feit 2:

witwassen

Parketnummer 03/661209-17:

beïnvloeding van een getuige in diens verklaringsvrijheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes jaar. De officier van justitie heeft bij het formuleren van haar strafeis ten nadele van verdachte rekening gehouden met de omstandigheden dat er sprake is van medeplegen, dat verdachten geen hulp hebben geboden aan de slachtoffers en het onderzoek hebben belemmerd door het beïnvloeden van getuigen. Verdachte heeft zelfs een getuige die bij de rechter-commissaris werd gehoord, beïnvloed. Het beschermde belang dat de getuige onbelemmerd kan verklaren, heeft de verdachte hiermee aangetast. De officier van justitie rekent het verdachte verder zwaar aan dat brand in de eigen woning een van de meest bedreigende zaken is die mensen kunnen meemaken. De persoonlijke veiligheid is in het geding op een plek waar een mens zich veilig hoort te voelen. Een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf is daarom passend en geboden.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ter zake van feit 1, 2 (720628-15) en het feit met parketnummer 03/661209-17 geconcludeerd tot vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de reclassering te volgen in haar advies van 1 februari 2016 om aan verdachte een geheel voorwaardelijke straf op te leggen. De raadsman heeft aangevoerd bij de strafmaat rekening te houden met de jonge leeftijd van verdachte ten tijde van de brandstichting, dat hij op dit moment een baan heeft en een HBO-opleiding volgt. Meer subsidiair heeft de raadsman bepleit voor een gedeeltelijk onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, waarbij het onvoorwaardelijk gedeelte van de gevangenisstraf wordt omgezet in een taakstraf.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van het toepasselijke sanctierecht en de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een zeer ernstig strafbaar feit, een van de ernstigste die het Wetboek van Strafrecht kent. Verdachte heeft immers samen en in vereniging met medeverdachte [medeverdachte] in de nacht van 22 maart 2015 brand gesticht in de hal van de woning waar een ex-vriendin woonde, door een brandbare vloeistof tegen de voordeur en door de brievenbus te gieten en dit brandversnellend middel vervolgens aan te steken. Verdachte heeft vervolgens toen de voordeur en de hal vlam vatten niets gedaan om de beginnende brand te blussen noch heeft hij getracht de bewoners te waarschuwen. In plaats daarvan heeft verdachte zich snel uit de voeten gemaakt. Niet alleen heeft verdachte hierdoor schade veroorzaakt aan de woning, maar meer nog dan dat heeft hij bewust het leven van de bewoners, die, naar verdachte nota bene wist, zich ten tijde van de brandstichting in de slaapkamer van de woning bevonden, op het spel gezet. Brandstichting is zeer gevaarlijk, omdat het tot oncontroleerbare en snel uit de hand lopende situaties kan leiden. Ook hier geldt dat de brand enorme materiele en personele schade had kunnen toebrengen. Dat dat uiteindelijk niet is gebeurd en dat de bewoners het er levend van af hebben gebracht, is niet aan verdachte te danken maar aan het doortastend optreden van het slachtoffer [slachtoffer 1] . Deze handelwijze van verdachte rekent de rechtbank hem zwaar aan.

Uit de slachtofferverklaring die het slachtoffer [slachtoffer 1] ter terechtzitting heeft voorgelezen, komt op indrukwekkende wijze naar voren welke gevoelens van angst en onzekerheid de brand bij haar en haar dochter teweeg heeft gebracht. Het continue leven in angst heeft vergaande psychische en lichamelijke gevolgen voor haar en haar dochter [slachtoffer 2] gehad, waarvoor ze psychische hulp nodig hebben gehad. Een woning is de plek bij uitstek waar men zich veilig moet voelen. Verdachte heeft zich op geen enkel moment voldoende rekenschap gegeven van het feit dat het wel eens anders zou kunnen uitpakken dan gepland. Enig excuus is nooit over zijn lippen gekomen.

Het feit op zich is al ernstig en rechtvaardigt een zware straf, maar de rechtbank overweegt bovendien dat zij in het geval van verdachte geen verzachtende omstandigheden ziet die in dit verband in zijn voordeel kunnen meewegen. Integendeel. De berekenende en dwingende wijze waarop de verdachte na de brand te werk is gegaan, weegt zwaar mee in zijn nadeel. Er was verdachte veel aan gelegen zijn rol in het geheel weg te poetsen. Zo heeft hij zich meteen na de brand, bij terugkeer in de loods in Heel, verstaan met de daar aanwezige leden van de jeugdgroep die hem op zijn verzoek, toen de verdenkingen van de politie steeds sterker in de richting van verdachte gingen, een vals alibi hebben bezorgd. Weliswaar heeft verdachte meteen na zijn aanhouding en inverzekeringstelling wel openheid van zaken gegeven, maar die openheid kan de bedenkelijke rol die hij heeft gespeeld nadat hij weer in vrijheid was gesteld, niet verbloemen. Uit het dossier is het beeld gerezen van een verdachte die zich na zijn invrijheidsstelling in allerlei bochten heeft gewrongen om de schuld zo veel mogelijk in de schoenen van zijn medeverdachte [medeverdachte] te schuiven. Zo heeft verdachte zich op 4 september 2015 geheel uit eigen beweging bij de politie gemeld met wat volgens hem ‘het echte verhaal’ was en ook tijdens de terechtzitting is verdachte krampachtig en wat de rechtbank betreft tegen beter weten in blijven vasthouden aan de verklaring van 4 september 2015 waarin hij de schuld voor de brand volledig bij medeverdachte [medeverdachte] legt. Op ongerijmdheden met eerdere verklaringen of verklaringen van getuigen, is hij niet ingegaan.

De rechtbank rekent het verdachte verder zwaar aan dat hij in zijn pogingen de zaak een voor hem gunstige wending te geven, althans zijn eigen rol zo beperkt mogelijk te laten lijken, zelfs niet heeft geschroomd om het onderzoek te belemmeren. Zo heeft verdachte getuigen beïnvloed door hen te laten verklaren over bedreigingen die jegens hen zouden zijn geuit door de medeverdachte [medeverdachte] en als klap op de vuurpijl heeft verdachte, nadat hij diezelfde dag ter terechtzitting had vernomen dat een aantal getuigen, waaronder [getuige 1] , opnieuw door de rechter-commissaris zouden worden gehoord, getracht de verklaring van de getuige [getuige 1] naar zijn hand te zetten. De WhatsApp-berichten die tussen hem en de getuige [getuige 1] die avond zijn gewisseld hebben naar het oordeel van de rechtbank geen andere strekking dan dat verdachte daarmee heeft willen voorkomen dat de getuige [getuige 1] in voor hem belastende zin zou verklaren.

Verdachte heeft zich ten slotte schuldig gemaakt aan witwassen. Verdachte heeft door zijn handelen eraan bijgedragen dat opbrengsten van misdrijven aan het zicht worden onttrokken en daaraan een schijnbaar legale herkomst wordt verschaft.

Gelet op de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten is de rechtbank van oordeel dat voor deze feiten en dan met name voor de brandstichting, een forse gevangenisstraf op zijn plaats is. Alles afwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 54 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.

7 De benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

7.1

De vordering van de benadeelde partijen

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 1.467,87, waarvan

€ 67,87 ziet op materiële schade en € 1.400,00 op immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Voorts vordert zij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Sr.

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert een schadevergoeding van € 1.500,00, ter zake immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Voorts vordert zij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Sr.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de integrale toewijzing van beide vorderingen gevorderd, met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Sr .

7.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft inzake beide vorderingen niet-ontvankelijk bepleit gelet op de bepleite vrijspraak.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] door het hiervoor bewezen verklaarde strafbare feit 1 (03/720628-15) rechtstreeks schade is toegebracht. Verdachte is hoofdelijk aansprakelijk voor deze schades.

De gevorderde vergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] van materiële schade ziet op een bedrag van € 67,87 en de immateriële schade op een bedrag van € 1.400,00. De gevorderde vergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] van immateriële schade ziet op een bedrag van € 1.500,00. De vorderingen zijn afdoende onderbouwd en door de verdediging niet weersproken. De rechtbank zal derhalve de vorderingen toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 22 maart 2015. De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 47, 57, 157, 285a, 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten opleveren zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 54 maanden;

  • -

    beveelt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe en veroordeelt de verdachte die, evenals de medeverdachte, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen een bedrag van € 1.467,87, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 22 maart 2015 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer, [slachtoffer 1], van een bedrag van € 1.467,87, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 24 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 22 maart 2015 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe en veroordeelt de verdachte, die, evenals de medeverdachte, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen een bedrag van € 1.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 22 maart 2015 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer, [slachtoffer 2], van een bedrag van € 1.500,00, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 25 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 22 maart 2015 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.L.G. Geisel, voorzitter, mr. M.J.M. Goessen en mr. I.C.A. Wilschut, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. Zijlstra, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 27 november 2017.

Buiten staat:

Mr. M.J.M. Goessen is niet in de gelegenheid om dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging – ten laste gelegd dat

T.a.v. parketnummer: 03/720628-15:

1.

hij op of omstreeks 22 maart 2015, in de gemeente Leudal, in elk geval in het arrondissement Limburg, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht, in/aan een woning gelegen aan de [adres 1] te Haelen, door open vuur in aanraking te brengen met een (brandbare) vloeistof, ten gevolge waarvan genoemde woning geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor die woning en/of de inboedel van die woning en/of belendende percelen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , zijnde de bewoners van genoemde woning en/of bewoners van belendende percelen, in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , zijnde de bewoners van genoemde woning en/of bewoners van belendende percelen, in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;

2.

hij op of omstreeks 21 juli 2015,in de gemeente Leudal, althans in Nederland, van een voorwerp, te weten geld (6830,- Euro), de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of

heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp, te weten geld (6830,- Euro), was, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie een voorwerp, te weten geld (6830,- Euro), voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 21 juli 2015, in de gemeente Leudal, in elk geval in het arrondissement Limburg, van een voorwerp, te weten geld (6830,- Euro), de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, en/of

heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp, te weten geld (6830,- Euro) was, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie een voorwerp, te weten geld (6830,- Euro) voorhanden had, terwijl hij redelijkerwijs moest vermoeden dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

T.a.v. parketnummer: 03/661209-17:

1.

hij op of omstreeks 29 mei 2017 te Beegden, in elk geval in de gemeente Maasgouw, in elk geval in Nederland, opzettelijk mondeling, door gebaren, bij geschrift en/of afbeelding zich jegens [getuige 1] heeft geuit, kennelijk om diens vrijheid om naar waarheid te verklaren of geweten ten overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen

te beïnvloeden, terwijl hij, verdachte, wist of ernstige reden had te vermoeden dat die verklaring zou worden afgelegd, door in een Whatsapp-chat/gesprek met genoemde [getuige 1] , deze [getuige 1] , navolgende boodschap door te geven: "Je moet dit zwggen als ze je dat vragen" en/of "Ik blijf bij mijn laatste verklaring het is me te lang geleden, het is me verwaterd voor de rest zeg ik niks".

1 De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de hierna opgenomen bewijsmiddelen, verwijzen – tenzij anders vermeld – naar de doorlopende paginanummering in het in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde verbalisanten van de politie eenheid Limburg, district Noord- en Midden-Limburg, basisteam Weert opgemaakte proces-verbaal, genummerd PL2300-201505335 d.d. 17 december 2015, doorgenummerd van pagina 1 tot en met 519 (parketnummer 720628-15) en naar de doorlopende paginanummering in het in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde verbalisanten van de politie eenheid Limburg, districtsrecherche Noord- en Midden-Limburg, opgemaakte proces-verbaal, genummerd PL2300-2017108935 d.d. 16 december 2017, doorgenummerd van pagina 1 tot en met 27 (parketnummer 661209-17).

2 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 juli 2015, p. 30 en 31.

3 Het proces-verbaal van brandonderzoek d.d. 24 juni 2015, p. 72 en 74.

4 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] d.d. 5 juni 2015, p. 96.

5 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] d.d. 22 maart 2015, p. 44 en 45.

6 Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] d.d. 22 maart 2015, p. 52.

7 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 22 juli 2015, p. 247 tot en met 255.

8 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 4 augustus 2015, p. 264 tot en met 271.

9 Het proces-verbaal van verhoor medeverdachte J.J.F. [medeverdachte] d.d. 28 juli 2015, p. 340.

10 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] d.d. 18 augustus 2015, p. 428 tot en met 431.

11 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5] d.d. 30 augustus 2015, p. 432 en 434.

12 Het proces-verbaal van verhoor van getuigenverhoor op 4 juli 2017 van [getuige 1] . Dit proces-verbaal maakt geen deel uit van het proces-verbaal van de politie, genoemd in voetnoot 1.

13 Het proces-verbaal van doorzoeking door de rechter-commissaris d.d. 27 juli 2015, p. 310 tot en met 320.

14 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 juli 2015, p. 30 en 31.

15 Proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming d.d. 21 juli 2015, p. 224-232.

16 Proces-verbaal van verhoor getuige [naam vader verdachte] d.d. 25 juli 2015, p. 156-158.

17 Proces-verbaal van verhoor aangever [getuige 1] d.d. 11 juli 2017, p. 5-8.

18 Proces-verbaal vordering verstrekking gebruikersgegevens d.d. 13 juli 2017, p. 17-18.

19 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 juli 2017, p. 10-16.