Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:11550

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
28-11-2017
Datum publicatie
28-11-2017
Zaaknummer
03/700105-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voorwaardelijk opzet: De rechtbank is van oordeel dat de verdachte met zijn gedragingen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer ten gevolge van de messteek in diens buik zou overlijden.

Geen voorwaardelijk opzet: Gelet op de vastgestelde feiten en op het gebrek aan wetenschap over de snelheid waarmee en de omstandigheden waaronder de verdachte op het slachtoffer is ingereden, is de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat sprake is van een aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer of op zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer.

In de regel legt het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch voor een voltooide enkelvoudige doodslag geen lagere straf op dan een gevangenisstraf voor de duur van acht jaar. De rechtbank houdt vast aan dit uitgangspunt. Omdat in deze zaak sprake is van een poging, gaat de rechtbank uit van een gevangenisstraf van minimaal vijf jaar.

Veroordeling voor poging tot doodslag en voor twee bedreigingen met enig misdrijf tegen het leven gericht tot een gevangenisstraf van zes jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0930
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 03/700105-17

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 28 november 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] ,

preventief gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Zuid Oost, HvB Roermond te Roermond.

De verdachte wordt bijgestaan door mr. A.N. Slijters, advocaat kantoorhoudende te Amsterdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 28 juni 2017 en 14 november 2017. Op de zitting van 28 juni 2017 zijn de verdachte en zijn (vervangende) raadsvrouw, mr. J. Verstegen, verschenen. Op de zitting van 14 november 2017 zijn de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. A.N. Slijters, verschenen. Op beide zittingen hebben de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar gemaakt.

Voorts is ter terechtzittingen van 28 juni 2017 en 14 november 2017 de vordering behandeld van de benadeelde partij [slachtoffer] . Hiertoe heeft [medewerker slachtofferhulp] , werkzaam bij Slachtofferhulp Nederland, als gemachtigde van de benadeelde partij het woord gevoerd.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

Feit 1: heeft geprobeerd [slachtoffer] van het leven te beroven door met een mes in zijn buik te steken;

Feit 2: meermalen met aanzienlijke snelheid met een auto tegen en/of in de richting van [slachtoffer] heeft gereden en op deze wijze heeft geprobeerd die [slachtoffer] van het leven te beroven, dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, dan wel dat hij op deze wijze die [slachtoffer] heeft bedreigd;

Feit 3: [slachtoffer] heeft bedreigd met een vuurwapen.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

3.1.1

Inleiding

De officier van justitie acht feit 2 primair en 2 subsidiair niet bewezen en heeft gevorderd de verdachte hiervan vrij te spreken.

De officier van justitie acht de feiten 1, 2 meer subsidiair en 3 wel bewezen. De rechtbank zal eerst aangeven op grond van welke bewijsmiddelen de officier van justitie meent dat de verdachte de dader is geweest. Daarna zal zij uiteenzetten op grond waarvan de officier van justitie de feiten bewezen acht.

3.1.2

Het daderschap

Het standpunt van de officier van justitie dat de verdachte de persoon is die de feiten 1, 2 meer subsidiair en 3 heeft gepleegd, is gebaseerd op de herkenning van de verdachte door verbalisant [naam verbalisant 1] , alsmede op de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] . De officier van justitie acht de herkenning van de verdachte door verbalisant [naam verbalisant 1] zeer betrouwbaar. Daarnaast heeft de getuige [getuige 2] verklaard dat hij de verdachte al van kleins af aan kent. Deze getuige heeft diverse feiten en omstandigheden opgesomd waaruit zou blijken dat de verdachte degene is over wie hij heeft verklaard.

3.1.3

Feit 1

De officier van justitie acht het onder 1 tenlastegelegde bewezen, onder meer op grond van de aangifte van [slachtoffer] en de verklaringen van diverse getuigen over de wijze waarop het feit is gepleegd. Volgens de officier van justitie was bij de verdachte in ieder geval sprake van voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer] , omdat zich op de plaats in de buik waar het slachtoffer met een mes is gestoken, vitale, voor het leven van belang zijnde, lichaamsdelen bevinden. Bovendien heeft zij erop gewezen dat het mes diep in het lichaam van [slachtoffer] is gestoken, waarbij zijn darmen zijn geraakt.

3.1.4

Feit 2

De officier van justitie acht het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde niet bewezen, omdat uit de stukken onvoldoende blijkt met welke snelheid de verdachte met zijn auto op het slachtoffer is ingereden en het slachtoffer niet heeft verklaard of hij door de auto is geraakt.

De officier van justitie acht het onder 2 meer subsidiair tenlastegelegde wel bewezen en heeft hiertoe verwezen naar de aangifte van [slachtoffer] en de verklaringen van de getuigen [getuige 3] en [getuige 4] .

3.1.5

Feit 3

De officier van justitie acht het onder 3 tenlastegelegde bewezen, gelet op de verklaringen van getuigen waaruit blijkt dat de verdachte bewust is teruggelopen naar zijn auto om een vuurwapen uit de kofferbak te pakken en vervolgens dit vuurwapen op [slachtoffer] te richten of aan hem te tonen.

3.1.6

Ten slotte

Indien de rechtbank afwijkt van uitdrukkelijk onderbouwde standpunten van de officier van justitie, zal zij dit hieronder nader motiveren.

3.2

Het standpunt van de verdediging

Primair heeft de verdediging verzocht de verdachte, bij gebrek aan voldoende bewijs, van alle feiten vrij te spreken. Hiertoe heeft zij onder meer aangevoerd dat:

  • -

    de verdachte ontkent dat hij degene is geweest die de feiten heeft gepleegd;

  • -

    de verklaring van [getuige 2] over de dader geen betrekking heeft op de verdachte;

  • -

    de herkenning van de verdachte door verbalisant [naam verbalisant 1] onvoldoende betrouwbaar is om als deugdelijk bewijs te dienen.

Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat er onvoldoende bewijs is voor feit 2 primair en subsidiair, omdat geen sprake is geweest van een aanmerkelijke kans dat de aangever door de onder 2 tenlastegelegde handelingen zou komen te overlijden, dan wel zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.

Indien de rechtbank afwijkt van uitdrukkelijk onderbouwde standpunten van de verdediging, zal zij dit hieronder nader motiveren.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

3.3.1

De bewijsmiddelen I: wat is er gebeurd?

In zijn aangifte van poging tot doodslag van 10 mei 2016 heeft [slachtoffer] onder meer het volgende verklaard. Op 9 mei 2016 omstreeks 19:30 uur liep hij op de [adres 1] in Heerlen. Er ontstond een woordenwisseling tussen hem en een jongen die hij daar zag; er werd over en weer gescholden. Op enig moment liep de jongen naar een zwarte personenauto van het merk/type Volkswagen Golf 5 en pakte er iets uit. Toen hij weer op [slachtoffer] afliep, had de jongen een vuurwapen in zijn hand. [slachtoffer] was bang dat de jongen hem zou neerschieten. De jongen stond voor [slachtoffer] met het wapen en zwaaide met de loop in zijn richting. Verder maakte hij een beweging alsof hij het wapen doorlaadde.

Nadat omstanders hadden geroepen dat de politie zou komen, stapte de jongen aan de bestuurderskant in de auto. Met de auto reed hij op [slachtoffer] af en reed het trottoir op. Hij reed meerdere keren op [slachtoffer] in. [slachtoffer] kon hem telkens ontwijken door aan de kant te springen.

Vervolgens stapte de jongen uit de auto en liep op [slachtoffer] af met een mes in zijn hand. De jongen maakte direct een stekende beweging in de richting van zijn buik. [slachtoffer] werd met het mes in zijn buik geraakt. Op het moment dat de jongen het mes uit de buik van [slachtoffer] trok, stak zijn darm uit de wond. Vervolgens maakte de jongen nog twee of drie keer een stekende beweging in de richting van [slachtoffer] lichaam, dan wel buik.2

Deze verklaring van [slachtoffer] vindt op onderdelen steun in de verklaringen van diverse getuigen, te weten [getuige 4] , [getuige 5] , [getuige 6] , [getuige 3] , [getuige 7] en [getuige 8] , alsmede in de medische informatie van Zuyderland, Maatschap Heelkunde Zuid-Limburg.

Getuige [getuige 4] bevond zich op 9 mei 2016 omstreeks 19:30 uur in zijn woning, gelegen aan de [adres 1] in Heerlen. Hij zag dat op straat twee mannen aan het vechten waren. Eén van de mannen liep naar een zwarte Volkswagen Golf en pakte uit de achterbak een zwart pistool dat hij vervolgens doorlaadde. [getuige 4] , die in militaire dienst vuurwapens heeft gezien, zag duidelijk dat de man een pistool vast had. Vervolgens stapte de man in de Volkswagen Golf en reed hij in op de andere man.3

Getuige [getuige 5] bevond zich op 9 mei 2016 in zijn woning aan de [adres 1] te Heerlen. Omstreeks 20:00 uur zag hij drie personen staan van wie er twee ruzie hadden met elkaar. Op enig moment pakte een van de mannen een handvuurwapen uit de kofferbak van een zwarte Volkswagen Golf. De man maakte een beweging alsof hij het vuurwapen laadde. Vervolgens richtte hij het vuurwapen op de andere persoon. Nadat iemand had geschreeuwd dat de politie eraan kwam, stapte de man met het vuurwapen in de Volkswagen Golf en reed richting de [adres 2] .4

Getuige [getuige 6] bevond zich op 9 mei 2016 omstreeks 19:45 uur in zijn woning aan de [adres 1] te Heerlen. Hij zag twee mannen die tegen elkaar schreeuwden. Een van de mannen liep richting een zwarte Volkswagen Golf, voorzien van het kenteken [kentekennummer] en haalde een vuurwapen uit de kofferbak. De man laadde het vuurwapen door en richtte het op de andere man. De man op wie het vuurwapen werd gericht, liep weg in de richting van de T-splitsing met de [adres 2] , waarop de man met het pistool op de bestuurdersplaats van de auto ging zitten. De auto accelereerde snel en reed in de richting van de T-splitsing met de [adres 2] . De auto remde niet en accelereerde door. De man die was weggelopen kon ternauwernood wegspringen.5

Op 9 mei 2016 omstreeks 19:40 uur bevond getuige [getuige 3] zich in zijn woning aan de [adres 1] te Heerlen. Hij zag op straat twee mannen die ruzie hadden met elkaar. Plotseling liep een van de mannen, de man met de lange broek en het tasje om zijn schouder, naar een Volkswagen Golf, maakte de kofferbak open en deed hierin een greep, waarna een wapen tevoorschijn kwam. [getuige 3] zag dat de man een pistool in zijn handen hield en dit doorlaadde. Nadat iemand had geroepen dat de politie was gebeld, zag [getuige 3] dat de man met het pistool in de auto stapte. Het slachtoffer liep over de [adres 1] in de richting van de [adres 2] . De Volkswagen Golf trok met veel gas op en reed in de richting van het slachtoffer. Het slachtoffer probeerde de auto te ontwijken.6

Op 9 mei 2016 tussen 19:00 uur en 19:30 uur bevond getuige [getuige 7] zich in zijn woning aan de [adres 2] te Heerlen. Op enig moment hoorde hij geschreeuw op straat. Opeens zag hij een negroïde persoon uit de zijstraat komen. Daarnaast hoorde hij dat iemand met piepende banden optrok en de zijstraat kwam uitrijden. Het was een zwarte Volkswagen Golf, type 5. De bestuurder, een donkere man, parkeerde zijn auto en stapte uit. Deze man had in zijn rechterhand een mes en liep af op de negroïde man. De man maakte een zwaaiende beweging en raakte de negroïde man in zijn buik. Daarna maakte de man nog een zwaaiende beweging. De negroïde man probeerde af te weren met zijn hand en werd hieraan geraakt. Vervolgens stapte de donkere man in zijn auto en reed weg.7

Getuige [getuige 8] heeft niets van het voorval gezien, maar een arts vertelde haar over het door [slachtoffer] op 9 mei 2016 opgelopen letsel. [slachtoffer] had een diepe snee aan de rechterzijde van zijn lichaam, ter hoogte van zijn darmen. Er waren geen vitale delen geraakt. Verder had [slachtoffer] verwondingen aan de vingers van zijn rechterhand.8

Op 9 mei 2016 werd [slachtoffer] in verband met een steekverwonding in zijn buik, waarbij het darmpakket naar buiten is gekomen, opgenomen in het Zuyderland Medisch Centrum. Bij [slachtoffer] werd een exploratieve buikoperatie uitgevoerd. De ingreep en het post operatieve beloop verliepen ongecompliceerd. Op 13 mei 2016 is [slachtoffer] in goede conditie ontslagen.9

3.3.2

De bewijsoverweging I: Wat is er gebeurd?

Op grond van de aangifte van [slachtoffer] en de getuigenverklaringen van [getuige 4] , [getuige 5] , [getuige 6] , [getuige 3] en [getuige 7] stelt de rechtbank het volgende vast:

Op 9 mei 2016 kwam [slachtoffer] op straat een man tegen die hem eerst bedreigde met een vuurwapen, die vervolgens meermalen dreigend met een auto in zijn richting reed waardoor hij opzij moest springen en die hem ten slotte met een mes in zijn buik stak.

Daarnaast stelt de rechtbank op grond van de aangifte van [slachtoffer] , de verklaring van getuige [getuige 8] en de brief van het Zuyderland Medisch Centrum vast dat [slachtoffer] als gevolg van de steekpartij een diepe steekverwonding had in zijn buik, waarbij een deel van zijn darmen door de wond naar buiten kwam.

3.3.3

De bewijsmiddelen II: wie is de dader?

Op 16 mei 2016 heeft verbalisant [naam verbalisant 1] onder meer het volgende gerelateerd:

Op 9 mei 2016 omstreeks 19:30 uur had op de [adres 2] te Heerlen een steekpartij plaatsgehad. Uit onderzoek bleek dat op de [adres 1] te Heerlen twee camera’s aanwezig waren. Op 16 mei 2016 bekeek de verbalisant de opgenomen beelden. Het waren beelden van de camera die vanaf de [adres 1] te Heerlen zicht had op de hoekwoning gelegen op de kruising [adres 2] met de [adres 1] .

Op deze beelden is te zien dat op 9 mei 2016 te 18:41:47 uur twee personen in beeld verschijnen die de verbalisant herkende. Een van hen herkende de verbalisant als de hem ambtshalve bekende [verdachte] , geboren op [geboortedatum verdachte] te Heerlen. Deze persoon was gekleed in een lichtkleurig shirt en donkerkleurige broek.10 Ook had hij een tas om.11 De verbalisant kent [verdachte] uit zijn werk als gebiedsgebonden politiemedewerker met als aandachtsgebied de wijk Meezenbroek waarbinnen de [adres 1] en [adres 2] gelegen zijn. Verbalisant [naam verbalisant 1] is tijdens zijn werkzaamheden regelmatig in contact geweest met [verdachte] . Hij heeft met hem nog contact gehad in de week voorafgaande aan 9 mei 2016.12

De werkelijke tijd van het beeld van 9 mei 2016 te 18:41:47 is 19:41:47, omdat er een tijdverschil van een uur is met de werkelijke tijd.13

Verder heeft verbalisant [naam verbalisant 1] verklaard dat hij ten tijde van het incident wijkagent was. Hij zat al enkele jaren in het wijkcluster en kende de wijk heel goed, omdat hij ook kartrekker bestrijding overlast was. Hij heeft de verdachte herkend aan zijn baardje, houding, postuur en zijn bewegingen.14

Op de betreffende camerabeelden van 9 mei 2016 is onder meer te zien

- te 19:41:47 (werkelijke tijd): Een man, gekleed in een licht shirt met een schoudertasje15.

- te 19:42:04 uur (werkelijke tijd): De man gekleed in het lichte T-shirt en met het schoudertasje heeft iets vast in zijn rechterhand en houdt deze hand naar voren16.

- te 19:43:09 uur (werkelijke tijd): Een zwarte Volkswagen Golf rijdt weg over het trottoir van de [adres 2] en rijdt in op een persoon17.

Getuige [getuige 2] heeft tegenover de politie onder meer het volgende verklaard.

Op 9 mei 2016 bevond hij zich in de woonkamer van zijn woning die uitzicht geeft op de [adres 1] . Rond 20:00 uur zag hij op straat een aantal personen onder wie de Somaliër en de Antilliaan die ruzie met elkaar aan het maken waren. [getuige 2] kent de Somaliër van kleins af aan. Hij weet dat deze Somaliër met ongeveer 16 jaar naar Engeland vertrok en daar heeft vastgezeten. Ook in Nederland heeft deze Somaliër vast gezeten. De Somaliër rijdt rond in een zwarte Golf en de mensen in de buurt noemen hem ‘ [roepnaam verdachte] ’.

[getuige 2] liep even de woonkamer/keuken in. Toen hij weer terugkwam zag hij opeens die Antilliaanse jongen op de grond liggen.18

Op 9 mei 2016 stelde verbalisant [naam verbalisant 2] een onderzoek in naar een steekincident op de [adres 2] te Heerlen. Op de plaats delict sprak de verbalisant met een buurtbewoner die anoniem wenste te blijven. Deze buurtbewoner verklaarde dat de dader van het steekincident reed in een zwarte Volkswagen Golf 5 met het Nederlandse kenteken [kentekennummer] . Na bevraging in het politiesysteem Integrale Bevraging bleek dat dit voertuig op naam stond van [verdachte] , geboren op [geboortedatum verdachte] te Heerlen.19

De verdachte heeft ter terechtzitting d.d. 28 juni 2017 verklaard dat zijn familie van Somalische afkomst is.

De verdachte is op 30 juni 2006 uitgeschreven uit de Nederlandse Basisregistratie Personen (BRP) met een onbekend adres in Groot-Brittannië. Op 17 juni 2010 is hij weer ingeschreven in de BRP op een adres in Nederland.20

Uit een stuk van de autoriteiten van Groot-Brittannië blijkt dat de verdachte in dat land op 26 juni 2007 is veroordeeld voor diefstal en op 7 april 2009 voor onder meer mishandeling.21

3.3.4

De bewijsoverweging II: Wie is de dader?

Op grond van bovenvermelde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat de verdachte degene is geweest die op 9 mei 2016 [slachtoffer] met een mes in zijn buik heeft gestoken, die met een auto meermalen op [slachtoffer] is ingereden en die een pistool op [slachtoffer] heeft gericht. Hiertoe overweegt de rechtbank het volgende.

3.3.4.1 De herkenning door verbalisant [naam verbalisant 1]

Verbalisant [naam verbalisant 1] heeft de videobeelden van (een gedeelte van) het incident bekeken en heeft hierop de verdachte herkend als de dader.

De verdediging heeft aangevoerd dat deze herkenning onvoldoende betrouwbaar is om als deugdelijk bewijs te dienen. In dit verband heeft zij het volgende gesteld:

  • -

    De camerabeelden zijn van dermate slechte kwaliteit dat een deugdelijke herkenning aan de hand van gezichtskenmerken onmogelijk is.

  • -

    De verbalisant heeft de verdachte niet herkend aan zijn gezicht; hij stelt hem te hebben herkend aan zijn postuur, baardje en bewegingen, hetgeen geen voldoende betrouwbare herkenning oplevert.

  • -

    Door de verbalisant is niet onbevangen naar de camerabeelden gekeken.

  • -

    De herkenning door de verbalisant kan zijn ingegeven door het zien van de auto van de verdachte.

De rechtbank verwerpt dit verweer van de verdediging. Verbalisant [naam verbalisant 1] kende de verdachte al vóór 9 mei 2016 vanwege zijn werk als gebiedsgebonden politiemedewerker met als aandachtsgebied de wijk Meezenbroek. Tijdens zijn werkzaamheden heeft deze verbalisant regelmatig contact gehad met de verdachte, zelfs nog in de week voorafgaande aan 9 mei 2016. De rechtbank twijfelt er dan ook niet aan dat verbalisant [naam verbalisant 1] de verdachte als dader heeft kunnen herkennen aan zijn baardje, houding, postuur en zijn bewegingen. De stelling van de verdediging dat de verbalisant niet onbevangen naar de camerabeelden heeft gekeken en dat de herkenning kan zijn ingegeven door het zien van de auto van de verdachte, is niet aannemelijk geworden; het is slechts een gissing.

3.3.4.2 De verklaring van getuige [getuige 2]

Daarnaast merkt de rechtbank op dat de herkenning van de verdachte door verbalisant [naam verbalisant 1] steun vindt in de verklaring van getuige [getuige 2] die op haar beurt steun vindt in andere voor het bewijs gebezigde stukken. Getuige [getuige 2] , die heeft verklaard dat hij de dader van kleins af aan kent, heeft immers verklaard dat:

  • -

    de dader een Somaliër is, terwijl de familie van de verdachte van Somalische afkomst is;

  • -

    de dader op ongeveer zestienjarige leeftijd naar Engeland is vertrokken en daar heeft vastgezeten, terwijl uit de Informatiestaat SKDB-persoon blijkt dat de verdachte op veertienjarige leeftijd is verhuisd naar Groot-Brittannië en uit het document van de UKCA-ECR blijkt dat de verdachte in Engeland op vijftien- en zeventienjarige leeftijd is veroordeeld;

  • -

    de dader ook in Nederland heeft vastgezeten, terwijl uit het Uittreksel Justitiële Documentatie blijkt dat de verdachte in Nederland verschillende keren is veroordeeld tot een gevangenisstraf;

  • -

    de dader rijdt in een zwarte Golf, terwijl de verdachte op 9 mei 2016 een zwarte Volkswagen Golf op zijn naam had staan;

  • -

    de dader door mensen in de buurt ‘ [roepnaam verdachte] ’ wordt genoemd, hetgeen een passende bijnaam van de verdachte zou kunnen zijn, nu zijn familie van Somalische afkomst is en zijn voornaam ‘ [verdachte] ’ luidt.

De verdediging heeft aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat getuige [getuige 2] over de verdachte heeft verklaard, nu de verdachte betwist dat hij ‘ [roepnaam verdachte] ’ wordt genoemd, dat hij in Engeland heeft gewoond en dat hij daar gedetineerd heeft gezeten. Daarnaast heeft de verdediging naar voren gebracht dat de getuige wellicht alleen de auto van de verdachte heeft herkend.

De rechtbank verwerpt dit verweer van de verdediging en overweegt hiertoe het volgende.

De verdachte kan betwisten dat hij in Engeland heeft gewoond, maar op grond van de voor het bewijs gebezigde stukken stelt de rechtbank vast dat de verdachte op 30 juni 2006 - dus op veertienjarige leeftijd - is uitgeschreven uit de BRP met vermelding van een onbekend adres in Groot-Brittannië. Verder blijkt dat de verdachte in ieder geval op vijftien- en op zeventienjarige leeftijd in Engeland is veroordeeld. Uit het dossier blijkt weliswaar niet onomwonden dat de verdachte in Engeland in detentie heeft gezeten, maar vast staat dat hij er veroordeeld is.

De stelling van de verdediging dat getuige [getuige 2] wellicht alleen de auto van de verdachte heeft herkend, doet geen recht aan de verklaring van deze getuige. Hij heeft immers verklaard dat hij de dader, die hij van kleins af aan kent, op straat ruzie heeft zien maken met een ander. Bovendien is alleen het bezit van een zwarte Volkswagen Golf niet echt een onderscheidend kenmerk.

Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat de betwisting door de verdachte dat hij ‘ [roepnaam verdachte] ’ wordt genoemd, niets afdoet aan de herkenning.

3.3.4.3 De aanwezigheid van de auto van de verdachte

Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat de herkenning van de verdachte door verbalisant [naam verbalisant 1] steun vindt in de verklaring van getuige [getuige 6] en van een onbekend gebleven buurtbewoner. Beiden hebben verklaard dat de dader reed in een zwarte Volkswagen Golf met het kenteken [kentekennummer] . Deze auto stond ten tijde van het voorval op naam van de verdachte.


De rechtbank hecht geen geloof aan de verklaring van de verdachte ter terechtzitting d.d. 28 juni 2017, inhoudende dat hij de betreffende personenauto een week voor 9 mei 2016 aan een ander had verkocht. In de eerste plaats stond de auto op 9 mei 2016 nog op naam van de verdachte. Bovendien heeft de verdachte geweigerd om te verklaren aan wie hij de auto zou hebben verkocht. Het is dan ook niet aannemelijk geworden dat de personenauto op 9 mei 2016 aan een ander dan de verdachte toebehoorde.

3.3.4.4 Tot slot

De verdediging heeft nog aangevoerd dat er alle reden was om diverse getuigen middels een (foto-)confrontatie te confronteren met de verdachte, maar dat dit niet is gebeurd. De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat dit een gebrek is dat kleeft aan het strafrechtelijk onderzoek. Dit gebrek doet echter geen afbreuk aan het aanwezige bewijs in deze zaak dat de verdachte de dader is.

3.3.5

De bewijsoverweging III: Welke feiten kunnen worden bewezen?

3.3.5.1 Inleiding

Nu de rechtbank op grond van de gebezigde bewijsmiddelen heeft vastgesteld wat er is gebeurd en wie de dader is, dient zij nog vast te stellen welke feiten bewezenverklaard kunnen worden.

3.3.5.2 Ten aanzien van feit 1

De verdachte heeft het slachtoffer [slachtoffer] met een mes in diens buik gestoken ten gevolge waarvan een gedeelte van de darm(en) van het slachtoffer door de buikwond naar buiten kwam. Naar aanleiding hiervan is het slachtoffer aan zijn buik geopereerd en heeft hij vijf dagen in het ziekenhuis verbleven.

De vraag die de rechtbank in dit verband dient te beantwoorden is of de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer.

De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier de dood van het slachtoffer - aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.

Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo’n kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. De rechtbank is gelet op de feiten en omstandigheden, zoals hierboven omschreven, van oordeel dat de verdachte met zijn gedragingen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer ten gevolge van de messteek in diens buik zou overlijden. Het mag immers als algemeen bekend worden verondersteld dat zich in de zachte, kwetsbare buikstreek veel vitale organen bevinden. Door met een mes in de buikstreek van het slachtoffer te steken, heeft de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat een of meer van deze vitale organen zou(den) worden geraakt en dat het slachtoffer hieraan zou overlijden.

Bovendien is de rechtbank van oordeel dat de gedraging van de verdachte - het steken van een mes in de buik van het slachtoffer - naar haar uiterlijke verschijningsvorm kan worden aangemerkt als zozeer op de dood van het slachtoffer gericht te zijn dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Van dergelijke aanwijzingen is de rechtbank niet gebleken. Integendeel, uit de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen blijkt immers dat de verdachte voorafgaande aan het steekincident een vuurwapen op het slachtoffer heeft gericht en met een auto dreigend in de richting van het slachtoffer heeft gereden.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank het onder 1 tenlastegelegde bewezen, zoals is weergegeven onder het kopje ‘De bewezenverklaring’.

3.3.5.3 Ten aanzien van feit 2

De verdachte heeft met zijn personenauto meerdere keren gereden in de richting van het slachtoffer [slachtoffer] . Het lukte het slachtoffer telkens om de auto te ontwijken door op tijd aan de kant te springen.

Primair wordt de verdachte verweten dat hij door met aanzienlijke snelheid tegen en/of in de richting van het slachtoffer te rijden, heeft geprobeerd hem te doden. Subsidiair wordt hem verweten dat hij op deze wijze heeft geprobeerd het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Meer subsidiair is de bedreiging van het slachtoffer tenlastegelegd.

In de eerste plaats stelt de rechtbank vast dat het onderdeel ‘met aanzienlijke snelheid’ niet kan worden bewezenverklaard. Op basis van het dossier kan immers op geen enkele wijze - ook niet bij benadering - worden vastgesteld met welke snelheid de verdachte heeft gereden. De verdachte dient dan ook van dit onderdeel te worden vrijgesproken.

In de tweede plaats stelt de rechtbank vast dat zij er niet van overtuigd is dat de verdachte met zijn auto tegen het slachtoffer is gereden. Weliswaar hebben diverse getuigen verklaard dat zij hebben gezien dat het slachtoffer door de auto werd geraakt, maar het slachtoffer heeft verklaard dat hij de auto telkens kon ontwijken door aan de kant te springen. De rechtbank hecht op dit punt meer waarde aan de verklaring van het slachtoffer. Hij is immers bij uitstek degene die kan weten of hij door de auto is geraakt.

De concrete gedraging die bewezenverklaard zou kunnen worden, is dat de verdachte met een door hem bestuurde personenauto in de richting van het slachtoffer heeft gereden. De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden is of de verdachte hierbij (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het doden van het slachtoffer, dan wel op het toebrengen aan het slachtoffer van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend.

Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen is voorwaardelijk opzet aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Gelet op de vastgestelde feiten en op het gebrek aan wetenschap over de snelheid waarmee en de omstandigheden waaronder - hoe is de concrete verkeerssituatie ter plaatse? - de verdachte op het slachtoffer is ingereden, is de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat sprake is van een aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer of op zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer. De rechtbank zal de verdachte daarom van het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde vrijspreken.

Wel acht de rechtbank het onder 2 meer subsidiair tenlastegelegde bewezen, nu de verdachte met zijn personenauto meermalen dreigend in de richting van het slachtoffer heeft gereden. Het dreigende van deze situatie houdt niet slechts verband met het dreigend rijden door de verdachte, maar ook met de hieraan voorafgegane bedreiging met een vuurwapen. De rechtbank acht dit feit bewezen, zoals hieronder weergegeven onder het kopje ‘De bewezenverklaring’.

3.3.5.4 Ten aanzien van feit 3

De verdachte heeft een vuurwapen gepakt uit zijn auto en vervolgens heeft hij hiermee dreigend gericht op het slachtoffer. Het slachtoffer was bang dat de verdachte hem zou neerschieten. Gelet hierop acht de rechtbank feit 3 bewezen, zoals hieronder weergegeven onder het kopje ‘De bewezenverklaring’.

3.3.6

Ten slotte

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

feit 1

op 9 mei 2016 in de gemeente Heerlen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] met een mes in diens buik heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 2 meer subsidiair

op 9 mei 2016 in de gemeente Heerlen [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend meermalen met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto gereden in de richting van die [slachtoffer] ;

feit 3

op 9 mei 2016 in de gemeente Heerlen [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een vuurwapen gericht op die [slachtoffer] .

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is tenlastegelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

feit 1

poging tot doodslag

feit 2 meer subsidiair

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

feit 3

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf van zes jaar. Hiertoe is naar voren gebracht dat de verdachte een poging tot doodslag heeft gepleegd met voor het slachtoffer blijvende ernstige gevolgen en dat het daarnaast gaat om twee forse bedreigingen. Bij deze eis heeft de officier van justitie er bovendien rekening mee gehouden dat de feiten in het begin van de avond in een woonwijk zijn gepleegd en dat de rechtsorde door dergelijke feiten ernstig wordt geschokt.

Ten slotte heeft de officier van justitie bij de vordering rekening gehouden met het strafblad van de verdachte.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om in geval van strafoplegging uit te gaan van een lagere straf dan de straf die de officier van justitie heeft gevorderd. Hiertoe heeft zij onder meer aangevoerd dat dient te worden aangehaakt bij straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd. In dit verband heeft de raadsvrouw verwezen naar een elftal uitspraken waarbij is gestoken met een mes en waarbij in negen gevallen poging tot zware mishandeling dan wel zware mishandeling is bewezenverklaard.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft op 9 mei 2016 het slachtoffer [slachtoffer] eerst bedreigd met een vuurwapen, vervolgens bedreigd door meermalen op hem in te rijden en ten slotte heeft hij geprobeerd het slachtoffer te doden door hem met een mes in zijn buik te steken. Dit zijn drie ernstige strafbare feiten, waarvan de poging tot doodslag vanzelfsprekend het meest ernstige feit is.

Bij het bepalen van de passende en geboden straf voor deze feiten ligt het zwaartepunt uiteraard bij de poging tot doodslag.

De strafmaat voor poging tot doodslag

De verdachte heeft [slachtoffer] met een mes een diepe steekwond in de buik toegebracht. Dit levert een poging tot doodslag op. Doodslag is een van de ernstigste strafbare feiten die het Wetboek van Strafrecht kent, omdat hierbij het leven van een ander, het meest fundamentele rechtsgoed dat een mens bezit, wordt afgenomen. Alleen hieruit blijkt al dat ook een poging tot doodslag een zeer ernstig strafbaar feit is.

Naar het oordeel van de rechtbank kan ten aanzien van de strafsoort en strafmaat voor dit feit niet worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. De rechtbank heeft bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf acht geslagen op rechterlijke uitspraken met betrekking tot feiten die met het onderhavige geval vergelijkbaar zijn. Met name heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, de hoger beroepsinstantie van deze rechtbank. In de regel legt het hof voor een voltooide enkelvoudige doodslag geen lagere straf op dan een gevangenisstraf voor de duur van acht jaar. De rechtbank houdt vast aan dit uitgangspunt. Omdat in deze zaak sprake is van een poging, gaat de rechtbank uit van een gevangenisstraf van minimaal vijf jaar.

De rechtbank heeft geen reden om aansluiting te zoeken bij de strafmaat in de door de verdediging aangehaalde uitspraken, nu in vrijwel al die zaken, anders dan in deze zaak, geen sprake was van een poging tot doodslag.

De strafmaat voor de bedreigingen

Ten aanzien van de bedreigingen met enig misdrijf tegen het leven gericht zoekt de rechtbank aansluiting bij de door de Rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten voor straftoemeting. Het oriëntatiepunt voor zowel een bedreiging door in te rijden op een persoon als een bedreiging met een vuurwapen is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden.

In het nadeel van de verdachte houdt de rechtbank bovendien rekening met het volgende:

  1. Het slachtoffer is ten gevolge van de messteek in zijn buik succesvol geopereerd. Niettemin had hij veel pijn. Een maand lang kon hij zich nauwelijks bewegen. Om die reden is hij gedurende een maand niet naar buiten kunnen gaan.
    Naast het fysieke letsel, twee grote littekens op zijn buik en de fysieke pijn heeft dit feit voor het slachtoffer ook angst tot gevolg gehad. Hij is bang om naar buiten te gaan, omdat hij, weerloos als hij is door zijn letsel, de verdachte en/of zijn vrienden zou kunnen tegenkomen.
    Sinds het misdrijf slaapt het slachtoffer slecht en heeft hij last van zeer intensieve herbelevingen.
    Na de eerste operatie is het slachtoffer nog twee keer geopereerd vanwege een breuk in de operatiewond. Die breuken zijn weliswaar niet direct aan de verdachte te wijten, maar het staat wel vast dat de verdachte het slachtoffer in een dergelijke kwetsbare toestand heeft gebracht.
    Op dit moment is het slachtoffer nog altijd niet vrij van pijn en kan hij zich niet bewegen zoals hij kon vóór het misdrijf. Ook het stoeien en spelen met zijn zoontje kan hij niet meer zoals voorheen. De kwaliteit van zijn leven is dan ook aanzienlijk verminderd.

  2. De bedreigingen en de poging tot doodslag vonden plaats op straat. Diverse buurtbewoners zijn getuige geweest van de ruzie op straat en een gedeelte van de bewezenverklaarde feiten. Een op straat gepleegde poging tot doodslag kan diep ingrijpen in het leven van getuigen en leidt veelal tot gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.

  3. Uit het strafblad van de verdachte - het Uittreksel JDS van 12 oktober 2017 - blijkt dat de verdachte eerder voor geweldsdelicten onherroepelijk is veroordeeld.

De op te leggen straf

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen zal zij aan de verdachte een gevangenisstraf opleggen van zes jaar met aftrek van voorarrest.

7 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een schadevergoeding gevorderd van in totaal € 19.968,2522, te vermeerderen met de wettelijke rente. De gevorderde schadevergoeding bestaat uit de posten:

materiële schade

  • -

    een shirt, een korte broek, schoenen en een zonnebril: € 309,94

  • -

    eigen bijdrage 2016 (ambulancevervoer): € 385,00

  • -

    eigen bijdrage 2017 (ambulancevervoer): € 371,76

  • -

    vergoeding voor huishoudelijke hulp: € 1.040,00

  • -

    vergoeding voor hulp bij persoonlijke verzorging: € 2.520,00

  • -

    ziekenhuis- en revalidatiedaggeldvergoeding: € 308,00

  • -

    reiskosten: € 33,55

Immateriële schade € 15.000,00

Voorts heeft de benadeelde partij verzocht om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gerekwireerd tot toewijzing van de materiële schade tot een bedrag van € 1.066,70, nu de gevorderde bedragen voor de kleding, de schoenen en de zonnebril aannemelijk en redelijk zijn en nu het slachtoffer tweemaal met een ambulance naar het ziekenhuis is vervoerd. Het ambulancevervoer in 2017 is aan de verdachte toe te rekenen, nu de navelbreuk een rechtstreeks gevolg is van het letsel dat het slachtoffer naar aanleiding van feit 1 heeft opgelopen.

De officier van justitie heeft gevorderd de benadeelde partij in haar vordering ten aanzien van de overige gevorderde materiële schade niet-ontvankelijk te verklaren, omdat deze kosten niet eenvoudig van aard zijn.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade heeft de officier van justitie gerekwireerd tot toewijzing van een bedrag van € 5.000,00 en tot de niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij in haar vordering ten aanzien van de overige gevorderde immateriële schade.

Ten slotte heeft de officier van justitie gevorderd om het toe te wijzen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente, alsmede om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij aangevoerd dat:

  • -

    de materiële schade [de rechtbank begrijpt: de kleding, de schoenen en de zonnebril] onvoldoende onderbouwd is, omdat er geen facturen zijn overgelegd;

  • -

    zij zich refereert aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de gevorderde eigen bijdrage voor de zorgverzekering voor 2016;

  • -

    de benadeelde partij in haar vordering met betrekking tot
    - de eigen bijdrage voor de zorgverzekering voor 2017,
    - de kosten voor huishoudelijke hulp,
    - de kosten voor persoonlijke verzorging en
    - de dagvergoeding wegens opname in het ziekenhuis
    niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, omdat deze kosten niet eenvoudig vastgesteld kunnen worden. De vraag is of sprake is van een causaal verband tussen het feit en de later ontstane navelbreuken en de daarop betrekking hebbende kosten;

  • -

    de benadeelde partij in haar vordering met betrekking tot de immateriële schade niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, omdat de vaststelling daarvan niet eenvoudig is.

Subsidiair heeft de verdediging verzocht het gevorderde bedrag aanzienlijk te matigen, omdat het veel te hoog zou zijn.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van de gebezigde bewijsmiddelen, de stukken met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, voldoende komen vast te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door het onder 1 bewezenverklaarde feit.

Ten aanzien van de posten shirt, korte broek, schoenen en zonnebril

De rechtbank is van oordeel dat deze posten kunnen worden aangemerkt als schade die rechtstreeks aan de benadeelde partij is toegebracht door het onder 1 bewezenverklaarde feit en zal deze schadeposten naar redelijkheid en billijkheid toewijzen zoals gevorderd (€ 309,94). De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging dat de vordering ten aanzien van deze posten onvoldoende is onderbouwd, omdat er geen facturen zijn overgelegd. De eis dat dergelijke schadeposten met facturen onderbouwd zouden moeten zijn, alvorens deze toegewezen zouden kunnen worden, vindt geen steun in het recht.

Ten aanzien van de posten eigen bijdrage 2016 en 2017 (ambulancevervoer)

De rechtbank is van oordeel dat deze posten kunnen worden aangemerkt als schade die rechtstreeks aan de benadeelde partij is toegebracht door het onder 1 bewezenverklaarde feit en zal deze schadeposten, waarvan de post met betrekking tot 2016 door de verdediging niet is betwist, naar redelijkheid en billijkheid toewijzen zoals gevorderd (€ 756,76). De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging dat de vaststelling van de schade in 2017 niet eenvoudig is. Naar het oordeel van de rechtbank is het redelijk en billijk om deze kosten aan de verdachte toe te rekenen, nu er voldoende causaal verband bestaat tussen het door hem toegebrachte letsel en de navelbreuken.

Ten aanzien van de vergoeding voor huishoudelijke hulp, de vergoeding voor hulp bij persoonlijke verzorging en de ziekenhuis- en revalidatiedaggeldvergoeding

De rechtbank stelt vast dat het slachtoffer deze gevorderde bedragen aan niemand verschuldigd is (geweest), omdat de hulp is geboden door zijn vriendin. Nader onderzoek naar de vraag in welke mate de benadeelde partij dan recht heeft op vergoeding van dergelijke kosten levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. Om die reden zal de rechtbank de vordering voor dit gedeelte niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan dit gedeelte van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Ten aanzien van de reiskosten

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde reiskosten kunnen worden aangemerkt als schade die rechtstreeks aan de benadeelde partij is toegebracht door het onder 1 bewezenverklaarde feit en zal deze schade, die door de verdediging niet is betwist, naar redelijkheid en billijkheid toewijzen zoals gevorderd (€ 33,55).

Ten aanzien van de immateriële schade

De rechtbank is van oordeel dat door de verdachte aan de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade is toegebracht door het onder 1 bewezenverklaarde en zal deze schadepost naar redelijkheid en billijkheid toewijzen tot een bedrag van € 5.000,00. Voor het overige zal de rechtbank de vordering ten aanzien van de immateriële schade afwijzen.

Conclusie

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank aan de benadeelde partij een schadevergoeding toekennen van in totaal € 6.100,25, bestaande uit € 1.100,25 aan materiële en € 5.000,00 aan immateriële schade.

Ten aanzien van de wettelijke rente

De rechtbank zal het toe te wijzen bedrag vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 9 mei 2016.

Ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen voor een bedrag van € 6.100,25, nu de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor deze schade die door het strafbare feit is toegebracht.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 45, 57, 63, 285 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van het onder 2 primair en 2 subsidiair tenlastegelegde;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het onder 1, 2 meer subsidiair en 3 tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is tenlastegelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte voor het onder 1, 2 meer subsidiair en 3 bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf van 6 jaren;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel ten aanzien van feit 1

  • -

    bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] , wonende te Roermond ten aanzien van de posten ‘vergoeding voor huishoudelijke hulp’, ‘vergoeding voor hulp bij persoonlijke verzorging’ en ‘ziekenhuis- en revalidatiedaggeldvergoeding’ niet ontvankelijk is en dat zij dit gedeelte van haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen € 6.100,25, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 9 mei 2016 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer, [slachtoffer] , van € 6.100,25, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 65 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 9 mei 2016 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.M. Goessen, voorzitter, mr. W.A.M. de Loo en mr. J.M.G. Gunsing, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Goevaerts, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 28 november 2017.

Buiten staat

Mr. M.J.M. Goessen en mr. J.M.G. Gunsing zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat

feit 1

hij op of omstreeks 09 mei 2016 in de gemeente Heerlen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] met een mes, in elk geval met een scherp voorwerp, in diens buik, in elk geval diens lichaam, heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 2 primair

hij op of omstreeks 09 mei 2016 in de gemeente Heerlen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet meermalen, althans eenmaal, met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto met aanzienlijke snelheid tegen en/of in de richting van die [slachtoffer] heeft gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 2 subsidiair

hij op of omstreeks 09 mei 2016 in de gemeente Heerlen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet meermalen, althans eenmaal, met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto met aanzienlijke snelheid tegen en/of in de richting van die [slachtoffer] heeft gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 2 meer subsidiair

hij op of omstreeks 09 mei 2016 in de gemeente Heerlen [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend meermalen, althans eenmaal, met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto met aanzienlijke snelheid gereden tegen en/of in de richting van die [slachtoffer] ;

feit 3

hij op of omstreeks 09 mei 2016 in de gemeente Heerlen [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, gericht op althans getoond aan die [slachtoffer] .

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, Districtsrecherche Parkstad, proces-verbaalnummer LB2R016082, gesloten d.d. 4 mei 2017, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 140.

2 Proces-verbaal aangifte van [slachtoffer] d.d. 10 mei 2016 op de pagina’s 19 en 20.

3 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] d.d. 9 mei 2016 op pagina 55.

4 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5] d.d. 9 mei 2016 op pagina 57.

5 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 6] d.d. 9 mei 2016 op pagina 59.

6 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] d.d. 19 mei 2016 op de pagina’s 75-77.

7 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 7] d.d. 9 mei 2016 op pagina 52.

8 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 8] d.d. 10 mei 2016 op pagina 66.

9 Brief van Zuyderland, Maatschap Heelkunde Zuid-Limburg, d.d. 13 mei 2016, als bijlage 8 gevoegd bij het verzoek tot schadevergoeding van [slachtoffer] .

10 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 mei 2016 op pagina 49.

11 Proces-verbaal van getuigenverhoor van [naam verbalisant 1] d.d. 31 mei 2017 bij de rechter-commissaris.

12 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 mei 2016 op pagina 49.

13 Proces-verbaal uitkijken camerabeelden [adres 1] d.d. 15 mei 2016 op de pagina’s 34 en 39.

14 Proces-verbaal verhoor van getuige [naam verbalisant 1] d.d. 31 mei 2017 bij de rechter-commissaris.

15 Proces-verbaal uitkijken camerabeelden [adres 1] d.d. 15 mei 2016 op de pagina’s 34 en 39.

16 Proces-verbaal uitkijken camerabeelden [adres 1] d.d. 15 mei 2016 op pagina 41.

17 Proces-verbaal uitkijken camerabeelden [adres 1] d.d. 15 mei 2016 op pagina 45.

18 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 16 mei 2016 op pagina 69.

19 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 mei 2016 op pagina 32.

20 Informatiestaat SDKB-persoon d.d. 19 oktober 2017 met betrekking tot de verdachte.

21 Document van de UK Central Authority for the Exchange of Criminal Records (UKCA-ECR), ondertekend door J. Fulton, Superintendent.

22 Dit is de optelsom van alle door de benadeelde partij gevorderde schade. In het voegingsformulier is door een foute optelling als eindbedrag abusievelijk € 19.968,05 genoemd.