Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:11518

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
24-11-2017
Datum publicatie
27-11-2017
Zaaknummer
03/721553-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak (poging tot) begunstiging. Overschrijding redelijke termijn leidt niet tot niet-ontvankelijkheid OM. Bewijs voor concrete wetenschap van opsporingsonderzoek ontbreekt. Evenmin bevat het dossier bewijs dat – ingeval van voorwaardelijk opzet – de nasporing daadwerkelijk werd geobstrueerd door de gedragingen van verdachte. Niet voldaan aan de bestanddelen van artikel 189 Sr.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 03/721553-13

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 24 november 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] ,

wonende te [adres verdachte] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. R. Gijsen, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 10 november 2017. De verdachte en haar raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte een ander – te weten een verdachte van het medeplegen van moord – heeft geholpen in het ontkomen aan de nasporing of aanhouding door justitie of politie dan wel een poging daartoe.

3 De voorvragen

3.1

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsman heeft betoogd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in haar vervolging. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna EVRM) is overschreden. Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat er sprake is van andere vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek en schendingen van beginselen van een goede procesorde. Al dan niet in samenhang bezien dienen deze argumenten volgens de raadsman te leiden tot een niet-ontvankelijkheidverklaring van het openbaar ministerie.

Redelijke termijn

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de redelijke termijn zonder goede reden is geschonden. De vervolging van verdachte is aangevangen met de doorzoeking van haar woning. Dat heeft vier jaar en vier maanden geleden plaatsgevonden, te weten op 8 juli 2013.

Ondanks talloze pogingen van de verdediging om voortgang in de zaak te krijgen, heeft het openbaar ministerie met onderhavige zaak gedraald. Het openbaar ministerie heeft geen enkele valide of redelijke verklaring gegeven voor de vertraging. Hierdoor is tevens de waarheidsvinding ernstig in het gedrang gekomen. Diverse getuigen hebben eind 2016 en begin 2017 immers moeten verklaren dat zij zich zaken niet meer kunnen herinneren, waardoor het recht op een eerlijk proces van verdachte ernstig tekort is gedaan.

De officier van justitie heeft een schending van de redelijke termijn erkend en heeft aangegeven dit tot uitdrukking te brengen in haar strafeis. Het is volgens de officier van justitie evenwel geen reden tot niet-ontvankelijkheidverklaring van het openbaar ministerie te concluderen. Als aanvangspunt van de vervolging wordt door de officier van justitie het verhoor van verdachte genomen, te weten 9 januari 2014. Tijdens de eerdere doorzoeking van haar woning is verdachte slechts gezegd dat het betrekking had op de verdenking tegen [betrokkene 1] (hierna [betrokkene 1] ). De termijn van vervolging kan derhalve worden vastgesteld op drie jaar en tien maanden. De reden voor het tijdsverloop is onder meer gelegen in het aanvankelijk eerst willen afdoen van de samenhangende moordzaak. Dit liep echter anders dan verwacht. Vervolgens zijn er twee sepotverzoeken in onderhavige zaak behandeld en heeft er een mini-instructie plaatsgevonden. Het gestelde dralen van het openbaar ministerie is volgens de officier van justitie niet aan de orde geweest, nu de verdediging – onder meer – niet altijd een correct e-mailadres heeft aangeschreven en meerdere malen heeft verzocht om een heroverweging van de vervolgingsbeslissing, hetgeen tijd heeft gekost. Naar het oordeel van de officier van justitie kan de waarheidsvinding zijn beïnvloed door het tijdsverloop, maar is deze niet ernstig in het gedrang gekomen.

Voorbereidend onderzoek

Volgens de raadsman hebben zich ernstige en onherstelbare vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek voorgedaan. Ten eerste zijn de tapgesprekken van verdachte in de periode van 13 februari 2013 tot en met 24 april 2013 onrechtmatig aan het dossier toegevoegd. Verdachte betrof immers als reclasseringsmedewerker een geheimhouder tot 8 juli 2013 (datum einde dienstverband bij Stichting Vincent van Gogh Verslavingszorg) en toestemming van de rechter-commissaris voor het gebruiken van deze geheimhoudersgesprekken is pas op 24 april 2013 verkregen. Vóór die datum bestond er echter al een verdenking tegen verdachte welke op 13 februari 2013 volgens de politie verder is uitgebouwd. Dit duidt op een eerdere toevoeging van de gesprekken aan het dossier dan 24 april 2013. Er is dan ook – onherstelbaar – in strijd gehandeld met artikel 126aa van het Wetboek van Strafvordering (hierna Sv). Hiermee is het verschoningsrecht van verdachte doorbroken en geschonden, alsmede haar telefoongeheim. Ten tweede kan het openbaar ministerie worden verweten dat zij (doelbewust) relevante en ontlastende feitelijke informatie buiten het dossier heeft gehouden. Het openbaar ministerie beschikte door het dossier van [betrokkene 1] over informatie over diens opsporing, verblijfplaats en aanhouding. Deze informatie is ook van belang in de zaak tegen verdachte en ondanks verzoeken van de verdediging daartoe, heeft het openbaar ministerie de stukken niet in het dossier van verdachte gevoegd. Hiermee is voorbij gegaan aan het verdedigingsbelang van verdachte.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het gebruik van de geheimhoudersgesprekken conform de voorschriften is uitgevoerd. Mededelingen die door een geheimhouder worden gedaan en niet van dergelijke aard zijn, kunnen in het onderzoek worden gebruikt na het raadplegen van een deskundige uit de beroepsgroep en toestemming van de rechter‑commissaris. Die procedure is juist doorlopen. De opmerking van de politie dat zij reeds eerder een verdenking hadden tegen verdachte, wijst enkel op het opmaken van een proces‑verbaal van verdenking. Voorts verwerpt de officier van justitie de stelling van de verdediging dat zij stukken uit het dossier heeft gehouden. De stukken waarop de verdediging doelt hebben betrekking op het gekozen moment van aanhouding van [betrokkene 1] en die beslissing is uitsluitend aan het openbaar ministerie voorbehouden. Daarbij behelst het tenlastegelegde in onderhavige zaak méér dan alleen het behulpzaam zijn in het ontkomen aan aanhouding en nasporing.

Beginselen van een goede procesorde

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie in strijd met het gelijkheidsbeginsel handelt door de moeder van [betrokkene 1] , [moeder van betrokkene 1] , met wie verdachte veelvuldig contact had, niet te vervolgen. De aan verdachte verweten gedragingen zouden immers samen met [moeder van betrokkene 1] zijn gepleegd. Voorts is ook afgezien van vervolging van de heren [betrokkene 2] en [betrokkene 3] , hetgeen niet in verhouding staat tot het handhaven van de vervolging tegen verdachte. Daarnaast mag van het openbaar ministerie extra zorgvuldigheid worden verwacht wanneer zij een zaak aanmerkt als ‘gevoelige zaak’. Toch zijn er verschillende slordigheden en onzorgvuldigheden voorgevallen, zoals onder meer het ‘kwijtraken’ van onderhavig dossier in een ander onderzoek, het niet of zeer laat reageren op verzoeken van de verdediging en het toezenden van stukken naar het oude adres van verdachte. Dat strookt niet met het zorgvuldigheidsbeginsel. Tot slot is het beginsel van redelijke en billijke belangenafweging door het openbaar ministerie geschonden, omdat de persoonlijke omstandigheden van verdachte na zoveel jaren een doorslaggevende rol hadden moeten spelen gelet op de negatieve gevolgen van de zaak voor het leven van verdachte.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat een beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel onvoldoende is onderbouwd en niet leidt tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Voorts betwist de officier van justitie de door de verdediging genoemde onzorgvuldigheden. Het dossier was niet kwijt, maar tijdelijk gevoegd in een ander dossier dat nog in behandeling was en niet naar derden is gezonden, en één specifieke brief is gestuurd naar het oude adres van verdachte omdat door haar geen adreswijziging was doorgegeven. Tot slot acht de officier van justitie het onbegrijpelijk dat de persoonlijke omstandigheden van verdachte worden genoemd in het kader van een schending van de beginselen van een goede procesorde.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat elke verdachte op grond van artikel 6, eerste lid, EVRM recht heeft op afdoening van de zaak binnen een redelijke termijn, te weten in beginsel twee jaar nadat de termijn een aanvang heeft genomen. De rechtbank stelt vast dat die termijn in onderhavig geval is gaan lopen op 8 juli 2013, te weten de dag waarop de woning van verdachte is doorzocht en haar blijkens het proces-verbaal is gevraagd om het afleggen van een verklaring als verdachte in haar eigen zaak. Onderhavige zaak werd op 10 november 2017 op zitting aangebracht. Uit vorenstaande volgt dat in totaal op de datum van dit vonnis ruim vier jaar en vier maanden is verstreken sinds 8 juli 2013. Dit betekent dat er in deze zaak sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn van ruim twee jaar en vier maanden.

De rechtbank stelt vast dat de vervolging van verdachte in onderhavige zaak een moeizaam en traag verlopen traject heeft afgelegd. Dit heeft onder meer te maken gehad met de ontwikkelingen in het onderzoek naar de moord op [betrokkene 4] waarin [betrokkene 1] één van de verdachten is. Naar het oordeel van de rechtbank had het openbaar ministerie voortvarender te werk kunnen gaan, maar een overschrijding van de redelijke termijn leidt niet tot niet‑ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging, ook niet in uitzonderingsgevallen. Regel is dat die overschrijding in beginsel wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden.

Het overige dat door de verdediging is aangevoerd leidt naar het oordeel van de rechtbank evenmin tot niet-ontvankelijkheidverklaring van het openbaar ministerie. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt:

Nog daargelaten dat het reclasseringstoezicht door verdachte op [betrokkene 1] reeds was afgelopen op 26 december 2012, ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor twijfel aan de naleving van de voorschriften van artikel 126aa Sv door politie en justitie bij het gebruik van de tapgesprekken van verdachte vanaf 13 februari 2013. Over hetgeen de verdediging heeft gesteld over het onthouden van ontlastende informatie aan het dossier overweegt de rechtbank als volgt. Het openbaar ministerie is in eerste instantie verantwoordelijk voor dossiervorming- en opbouw. De onderhavige discussie over de positie van verdachte in relatie tot het moment van de aanhouding van [betrokkene 1] en op welke wijze dit uit stukken zou moeten blijken die al dan niet in het dossier van verdachte zijn gevoegd, acht de rechtbank een kwestie van de weging van het bewijs tegen verdachte en niet een kwestie van dossiersamenstelling. Dat betekent dat hetgeen verdachte in dit kader naar voren heeft gebracht, niet kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Ten slotte overweegt de rechtbank dat het openbaar ministerie exclusief bepaalt welke verdachten worden vervolgd en welke niet (artikel 167 Sv). De (zittings)rechter kan een dergelijke beslissing slechts marginaal toetsen. De enkele stelling van de raadsman dat andere verdachten die nauw samenhangen met de eerder genoemde moordzaak niet worden vervolgd, geven de rechtbank onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat er een dusdanige schending van het gelijkheidsbeginsel is dat het vervolgen van verdachte hiermee onverenigbaar is. De rechtbank acht evenmin een zodanige schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en het beginsel van redelijke en billijke belangenafweging aan de orde dat het dient te leiden tot de door de verdediging voorgestelde sanctionering van het openbaar ministerie.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman. Verder heeft de rechtbank ambtshalve geen andere beletselen geconstateerd. Gelet hierop acht de rechtbank het openbaar ministerie ontvankelijk in de strafvervolging van verdachte.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat het subsidiair tenlastegelegde wordt bewezenverklaard en heeft daartoe – samengevat weergegeven – het volgende aangevoerd.

Verdachte heeft getracht de politie tegen te werken door gedurende een periode de nasporing van [betrokkene 1] te bemoeilijken. Het is niet relevant dat verdachte hierbij geen direct contact had met [betrokkene 1] . Blijkens het dossier wist verdachte dat [betrokkene 1] iets te maken had met de moord en dat politie en justitie hem in het vizier hadden. Ze heeft dat laten blijken door een politieambtenaar een paar dagen na de moord te vragen naar de verdenking jegens [betrokkene 1] . Als juridisch onderlegd reclasseringsmedewerker weet verdachte dat een verdenking kan groeien. Daarbij had verdachte wetenschap van de vlucht van [betrokkene 1] naar Letland direct na de moord en was zij door getuige [naam X] geïnformeerd over de mogelijke betrokkenheid van [betrokkene 1] met betrekking tot het moordwapen. Dit maakt dat verdachte ernstig rekening hield met een strafvervolging van [betrokkene 1] en dat er derhalve sprake is van (minimaal) voorwaardelijk opzet. De tegenwerking door verdachte heeft onder meer bestaan uit het (proberen te) creëren van een veilige telefoonlijn tussen [betrokkene 1] , diens moeder en verdachte die voor de politie moeilijk traceerbaar was. Hiertoe heeft verdachte een telefoon toegestuurd aan [betrokkene 1] .

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft inleidend aangevoerd dat het contact tussen verdachte en [betrokkene 1] voortkwam uit een toezichthoudersrelatie en een opdracht tot aanvullend contact in verband met diens voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna VI). Het contact was tot februari 2013 puur zakelijk. Daarna is een vriendschappelijk contact ontstaan.

De raadsman heeft – hierna samengevat weergegeven – betoogd dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken.

Bewijsuitsluiting

Allereerst zijn volgens de raadsman in het voorbereidend onderzoek vormen verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld, waardoor bewijsuitsluiting moet plaatsvinden ex artikel 359a Sv. Met verwijzing naar zijn verweer onder 3.1 heeft de raadsman gesteld dat de inhoud van de tapgesprekken in de periode van 13 februari 2013 tot en met 24 april 2013 niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt.

Begunstiging niet mogelijk

Voorts heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie wist waar [betrokkene 1] zich bevond van november 2012 tot en met eind maart 2013, maar doelbewust niet is overgegaan tot diens aanhouding. Pas op 19 maart 2013 is [betrokkene 1] over de moordzaak gehoord. Verdachte kan in voornoemde periode en daarna aldus geen hulp aan [betrokkene 1] hebben geboden met het concrete doel activiteiten van politie en justitie in de opsporing en aanhouding tegen te werken.

Geen wetenschap

Daarnaast was verdachte gedurende de gehele tenlastegelegde periode er niet van op de hoogte dat [betrokkene 1] verdachte was in de moordzaak. De wetenschap van verdachte kan niet worden afgeleid uit de – voor zover niet voor het bewijs uitgesloten – tapgesprekken en de – voor zover bewezen – feitelijke gedragingen in de tenlastelegging. Bovendien is verdachte door de politie op 1 november 2012 uitdrukkelijk medegedeeld dat [betrokkene 1] geen verdachte was. Door [betrokkene 1] kan verdachte evenmin op de hoogte zijn gebracht, aangezien hij zelf pas rond 19 maart 2013 op de hoogte was van de verdenking en hij met verdachte niet over de moordzaak heeft gesproken. De moeder van [betrokkene 1] wist het niet eerder dan 14 februari 2013. Ten slotte heeft getuige [naam X] verklaard dat hij pas een hele poos na de moord met verdachte heeft gesproken over de mogelijke betrokkenheid van [betrokkene 1] . Zonder de wetenschap van de verdenking van [betrokkene 1] kan verdachte geen (voorwaardelijk) opzet hebben gehad op (een poging tot) begunstiging.

Feitelijke gedragingen

Voor zover al wetenschap aan verdachte kan worden toegeschreven, ontbreekt bij de feitelijke gedragingen – voor zover bewezen – volgens de raadsman eveneens het (voorwaardelijk) opzet op (een poging tot) begunstiging. Met betrekking tot de tenlastegelegde gedragingen heeft de raadsman in het bijzonder aangevoerd dat:

  • -

    de reden dat verdachte op 1 november 2012 navraag heeft gedaan bij de politie niet is gelegen in begunstiging van [betrokkene 1] , maar in de rol van verdachte als toezichthouder en haar controle op het naleven van de VI-voorwaarden door [betrokkene 1] ;

  • -

    verdachte contact heeft onderhouden met de advocaat van [betrokkene 1] op advies van de politie aan [betrokkene 1] . Verdachte begrijpt dan ook niet waarom dit contact haar als begunstiging verweten wordt. Daarbij ging het contact uitsluitend over de zaak in Letland en blijkt het verstrekken van een verblijfplaats van [betrokkene 1] niet uit het dossier. Met een persoon die ‘de mazen van de wet kende’ doelde verdachte op een persoon die [betrokkene 1] wegwijs kon maken in het Letse rechtssysteem, bijvoorbeeld door een Letse advocaat te zoeken;

  • -

    onduidelijk is hoe het enkele zeggen dat ‘zaken niet over de telefoon besproken kunnen worden’ het onderzoek tegen [betrokkene 1] heeft belemmerd, waardoor hieruit geen begunstiging kan worden afgeleid;

  • -

    de uiting ‘kop houden’ was ingegeven door de Letse zaak, omdat [betrokkene 1] daarin voor de keuze stond of hij al dan niet schuld zou bekennen. Het heeft daarom niets te maken met begunstiging in de moordzaak;

  • -

    verdachte in februari 2013 aan [betrokkene 1] een telefoon heeft gezonden met de bedoeling om [betrokkene 1] in de gelegenheid te stellen te bellen met zijn moeder en verdachte. Andere telefoons werden namelijk telkens uit jaloezie stukgemaakt door zijn (ex)partner [betrokkene 4] . Dit had geen begunstiging tot doel, maar slechts persoonlijk contact met zijn naasten;

  • -

    niet uit het dossier blijkt dat [moeder van betrokkene 1] de telefoon op 31 mei 2013 aan verdachte heeft doorgegeven. Om die reden kan niet worden bewezen dat verdachte uitspraken heeft gedaan als ‘blauw’ en ‘zo blauw als het maar kan’. Het proces-verbaal van stemherkenning is hiertoe onvoldoende, omdat het niet specifiek ziet op genoemd gesprek. Daarbij blijken voornoemde uitspraken een reactie op mededelingen van [betrokkene 1] , waardoor het voor hem niet nieuw was.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht, gelet op het procesdossier, aannemelijk dat verdachte de verweten gedragingen, zoals opgenomen onder 1 tot en met 7 in de tenlastelegging, heeft begaan. Voor zover verdachte heeft gesteld dat niet is vast te stellen dat het telefoongesprek dat [betrokkene 1] op 31 mei 2013 voert, met verdachte is geweest of dat iemand anders aan de telefoon was, overweegt de rechtbank dat enkele betwisting dat verdachte op deze dag het bewuste gesprek voerde, onvoldoende is tegen de achtergrond en inhoud van alle overige getapte gesprekken tussen verdachte en [betrokkene 1] dan wel diens moeder en de herkenning van de stem van verdachte door een verbalisant.

De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of met het begaan van deze gedragingen sprake is van begunstiging in de zin van artikel 189 van het Wetboek van Strafrecht (hierna Sr).

De rechtbank overweegt op de eerste plaats dat, wil er aan de delictsomschrijving in artikel 189 Sr zijn voldaan, sprake moet zijn van wetenschap in enigerlei mate van het strafbare feit waarvan de ander, in dit geval [betrokkene 1] , wordt verdacht. Zonder wetenschap kan er geen sprake zijn van opzet op begunstiging in de zin van artikel 189 Sr. Dit betekent in het geval van verdachte dat zij enige wetenschap zou moeten hebben van de verdachtenstatus van [betrokkene 1] in het opsporingsonderzoek naar de moord op [betrokkene 4] .

De rechtbank ziet in het procesdossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor deze wetenschap aan de zijde van verdachte. Nergens blijkt uit dat zij concrete wetenschap had van het opsporingsonderzoek tegen [betrokkene 1] ter zake van moord, voordat haar dit expliciet werd medegedeeld op 8 juli 2013. Op die dag, tijdens de doorzoeking van haar eigen woning, is verdachte door betrokken verbalisanten medegedeeld dat er een onderzoek tegen [betrokkene 1] gaande was en dat zij werd verdacht van begunstiging van [betrokkene 1] . [betrokkene 1] zelf is blijkens het dossier door de politie op de hoogte gesteld van zijn verdachtenstatus medio maart 2013 toen hij in een gevangenis in Riga verbleef.

Zo al aangenomen moet worden dat verdachte voorwaardelijk opzet had op begunstiging door [betrokkene 1] met allerlei zaken ter wille en behulpzaam te zijn, enkel om het de politie ‘moeilijk te maken’, zonder wetenschap van de precieze status van [betrokkene 1] in het moordonderzoek, dan nog is er onvoldoende bewijs voor begunstiging in de zin van artikel 189 Sr nu nergens uit het procesdossier blijkt dan wel hieruit kan worden afgeleid dat door de gedragingen van verdachte de nasporing van [betrokkene 1] daadwerkelijk werd geobstrueerd.

De rechtbank wijst daartoe op het onderdeel ‘ontkomen aan de nasporing’ van artikel 189 Sr. De rechtbank ziet geen bewijs voor het standpunt van de officier van justitie dat verdachte [betrokkene 1] daadwerkelijk heeft geholpen te ontkomen aan nasporing of deze te bemoeilijken. Dit geldt te meer nu [betrokkene 1] nimmer buiten beeld is geweest bij politie en justitie. Daar waar verdachte tegenover [betrokkene 1] spreekt over iemand die ‘zo blauw als het maar kan’ zou zijn, blijkt nergens uit het dossier dat er ook daadwerkelijk sprake was van politie die trachtte te infiltreren bij [betrokkene 1] . Daarmee blijft dit verwijt hangen in de sfeer van onoorbaar gedrag van verdachte in haar hoedanigheid als reclasseringsmedewerker, maar wordt hiermee niet voldaan aan de bestanddelen van artikel 189 Sr. Op geen enkele plek in het dossier dan wel in het requisitoir van de officier van justitie is aangegeven op welke wijze het gedrag van verdachte het onderzoek naar [betrokkene 1] heeft bemoeilijkt of gedwarsboomd. Evenmin is van de zijde van het openbaar ministerie gesteld dat er omstandigheden of aanwijzingen zijn voor een op algemene ervaringsregels gebaseerde aanmerkelijke kans op het ontkomen aan de nasporing door [betrokkene 1] als gevolg van gedragingen van verdachte.

Hoewel over het gedrag van verdachte en haar - uit het procesdossier gebleken - uitlatingen naar [betrokkene 1] en diens moeder [moeder van betrokkene 1] zoals ‘beter maar niet door de telefoon bespreken’, ‘kop houden’ en ‘zo blauw als het maar kan’ gesteld kan worden dat verdachte volstrekt niet heeft gehandeld zoals het een professioneel en integer reclasseringsmedewerker betaamt, is hierin onvoldoende bewijs gelegen dat verdachte [betrokkene 1] behulpzaam is geweest bij het ontkomen aan nasporing door politie en justitie in het opsporingsonderzoek naar de moord op [betrokkene 4] .

Gelet op het vorenstaande ontbreekt naar het oordeel van de rechtbank zowel het vereiste opzet voor begunstiging, als (een begin van) bewijs voor het ontkomen aan de nasporing zo al uitgegaan moet worden van voorwaardelijk opzet. Het voorgaande leidt er evenzeer toe dat de subsidiair tenlastegelegde poging tot begunstiging niet bewezen kan worden.

De rechtbank acht derhalve niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair dan wel subsidiair tenlastegelegde. Zij zal haar dan ook integraal vrijspreken.

5 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van het primair en subsidiair tenlastegelegde.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A.M.M. Gijselaers, voorzitter, mr. W.L.J. Voogt en mr. C.C.W.M. Aretz, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J. Dijkhoff, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 24 november 2017.

Buiten staat

mr. C.C.W.M. Aretz is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging tenlastelegging – ten laste gelegd dat:

zij in of omstreeks de periode van 1 november 2012 tot en met 8 juli 2013 te Venlo, althans in Nederland, opzettelijk [betrokkene 1] , die verdachte was van het misdrijf medeplegen van moord, behulpzaam is geweest in het ontkomen aan de nasporing van of aanhouding door een of meer ambtenaren van justitie of politie, door

- op 1 november 2012 bij de wijkagent van politie navraag te doen naar de afspraak op lokatie in relatie tot [betrokkene 1] ;

- op of omstreeks 14 februari 2013 informatie over de verblijfplaats van [betrokkene 1] te verstrekken aan advocaat Heuvelmans zodat deze een persoon bij [betrokkene 1] op bezoek kon laten gaan die de mazen in de wet kende;

- hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2013 tot en met 7 juni 2013 contact te onderhouden met de advocaten/de advocaat van [betrokkene 1] , diens moeder en met [betrokkene 1] ;

- in de periode van 13 februari 2013 tot en met 31 mei 2013 met de moeder van [betrokkene 1] te bespreken dat zaken niet door de telefoon konden worden besproken;

- op 31 mei 2013 in een telefoongesprek met [betrokkene 1] deze te instrueren: "Kop houden..... Nee kop houden.... Ja, dat is in ieder geval heel belangrijk laat ik het zo zeggen";

- in of omstreeks de periode van 15 januari 2013 tot en met 4 februari 2013 een telefoon en een simcard te sturen naar [betrokkene 1] in Letland met een pincode, althans een cryptisch omschreven verwijzing naar een pincode en deze telefoon te activeren, alsmede beltegoed te laden, met welke telefoon [betrokkene 1] vervolgens naar zijn moeder en naar verdachte kon bellen, en [betrokkene 1] en diens moeder instructies te geven omtrent het gebruik van deze telefoon, namelijk dat hij/zij geen andere dan de door verdachte ingevoerde nummers moest bellen;

- op of omstreeks 31 mei 2013 in een telefoongesprek en in briefwisseling met [betrokkene 1] deze te informeren, althans te suggereren dat iemand (dat vriendje van boven in het land) van de politie is door te zeggen dat deze "blauw" en "zo blauw als het maar kan" is;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

zij in of omstreeks de periode van 1 november 2012 tot en met 8 juli 2013 te Venlo, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [betrokkene 1] , die verdachte was van het misdrijf medeplegen van moord, behulpzaam is geweest in het ontkomen aan de nasporing van of aanhouding door een of meerdere ambtenaren van justitie of politie, door

- op 1 november 2012 bij de wijkagent van politie navraag te doen naar de afspraak op lokatie in relatie tot [betrokkene 1] ;

- op of omstreeks 14 februari 2013 informatie over de verblijfplaats van [betrokkene 1] te verstrekken aan advocaat Heuvelmans zodat deze een persoon bij [betrokkene 1] op bezoek kon laten gaan die de mazen in de wet kende;

- hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2013 tot en met 7 juni 2013 contact te onderhouden met de advocaten/de advocaat van [betrokkene 1] , diens moeder en met [betrokkene 1] ;

- in de periode van 13 februari 2013 tot en met 31 mei 2013 met de moeder van [betrokkene 1] te bespreken dat zaken niet door de telefoon konden worden besproken;

- op 31 mei 2013 in een telefoongesprek met [betrokkene 1] deze te instrueren: "Kop houden..... Nee kop houden.... Ja, dat is in ieder geval heel belangrijk laat ik het zo zeggen";

- in of omstreeks de periode van 15 januari 2013 tot en met 4 februari 2013 een telefoon en een simcard te sturen naar [betrokkene 1] in Letland met een pincode, althans een cryptisch omschreven verwijzing naar een pincode en deze telefoon te activeren, alsmede beltegoed te laden, met welke telefoon [betrokkene 1] vervolgens naar zijn moeder en naar verdachte kon bellen, en [betrokkene 1] en diens moeder instructies te geven omtrent het gebruik van deze telefoon, namelijk dat hij/zij geen andere dan de door verdachte ingevoerde nummers moest bellen;

- op of omstreeks 31 mei 2013 in een telefoongesprek en in briefwisseling met [betrokkene 1] deze te informeren, althans te suggereren dat iemand (dat vriendje van boven in het land) van de politie is door te zeggen dat deze "blauw" en "zo blauw als het maar kan" is, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

artikel 189 lid 1 sub 1 Wetboek van Strafrecht juncto artikel 45 Wetboek van Strafrecht