Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:11475

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
23-11-2017
Datum publicatie
29-12-2017
Zaaknummer
C/03/239495 / FA RK 17-3193
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

Wijziging hoofdverblijf noodzakelijk en beperking van co-ouderschapsregeling, voortdurende klemsituatie 15-jarige, groeiende zorgen over haar ontwikkeling, opvoedingsklimaat bij vader komt meer tegemoet aan belangen 15-jarige en deze ouder is bereid tot samenwerking met GI en tot nakoming van zorgregeling met moeder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Familie en jeugd

Datum uitspraak: 23 november 2017

Zaaknummer: C/03/239495 / FA RK 17-3193

De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven inzake:

[verzoeker],

verzoeker, verder te noemen: de vader,

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. A.J. Crombag, gevestigd te Beek,

en:

[verweerster],

wederpartij, verder te noemen: de moeder,

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. T.M.T.M. Lindeman, gevestigd te Sittard, gemeente Sittard-Geleen.

Met toepassing van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, is

de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Zuidoost Nederland, locatie Maastricht,

verder te noemen: de raad, gevestigd te Maastricht, door de rechtbank als adviseur bij deze zaak betrokken.

1 Het verloop van de procedure

Op 14 augustus 2017 is een verzoekschrift van de vader ter griffie ontvangen, strekkend tot wijziging van de hoofdverblijfplaats en onder vaststelling van de invulling van de zorgregeling tussen de minderjarige [minderjarige] en haar moeder.

De zaak is behandeld ter zitting van 16 november 2017. Verschenen zijn de ouders en hun advocaten, de gezinsvoogd en een vertegenwoordiger van de raad. [minderjarige] is ook verschenen en heeft een gesprek met de kinderrechter gehad buiten aanwezigheid van de procesdeelnemers. De kinderrechter heeft het gesprek in aanwezigheid van de procesdeelnemers samengevat en zij hebben gelegenheid gekregen om daarop te reageren.

2 De feiten

[minderjarige] (roepnaam: [minderjarige]) is geboren te [geboorteplaats] op [2002] uit de inmiddels beëindigde relatie tussen de moeder en de vader.

[minderjarige] is erkend door de vader. De ouders hebben gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige]. [minderjarige] verblijft bij de moeder.

3. Het verzoek van de vader

De vader heeft verzocht de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] te wijzigen, in die zin dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] voortaan bij de vader is, zo gewenst onder vaststelling van de invulling van de zorgregeling met de moeder.

De vader heeft aan het verzoek in essentie het volgende ten grondslag gelegd. De vader heeft naast de moeder het gezag over [minderjarige] gekregen bij beschikking van de rechtbank van

29 december 2015. Deze beschikking is bekrachtigd door het Hof bij beschikking van

22 september 2016.

Na een melding van de gemeente Brunssum d.d. 29 november 2016 is er een nieuw raadsonderzoek geweest en heeft de raad de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verzocht. De zorgen over [minderjarige] waren en zijn groot. Zij zat en zit zodanig klem tussen haar ouders dat zij niet toekomt aan haar ontwikkelingstaken. Er is bij [minderjarige] grote problematiek ontstaan en haar cognitieve ontwikkeling stagneert. Daarbij is een complicerende factor dat de hulpverlening voor [minderjarige] stagneert omdat haar moeder daarvoor geen toestemming geeft. De ondertoezichtstelling voor 1 jaar is uitgesproken door de kinderrechter in een beschikking van 7 maart 2017 en daarbij heeft de kinderrechter uitgesproken dat er zeer ernstige zorgen over [minderjarige] zijn, dat [minderjarige] zelf doodongelukkig is door de hele situatie en dat het van groot belang is dat de situatie rond [minderjarige] zo snel mogelijk stabiel wordt met behulp en onder begeleiding van de gezinsvoogdijwerker. De vader heeft ter toelichting van hetgeen is aangevoerd verwezen naar de drie beschikkingen en het raadsrapport van 13 februari 2017.

De vader heeft gesteld dat zowel tijdens het raadsonderzoek als de zitting op 7 maart 2017 is gebleken dat [minderjarige] het liefst bij haar vader wil wonen met een uitgebreid contact met haar moeder. [minderjarige] geeft aan dat zij niet zelf de keuze kan maken en daarbij geholpen moet worden. [minderjarige] geeft verder aan het graag goed te willen doen voor beide ouders en zich zorgen te maken over haar moeder als ze de keuze voor wonen bij haar vader zou maken. Ze heeft in januari 2017 maar een compromis gesloten om afwisselend een week bij ieder van haar ouders te gaan wonen. Ze wil dat iemand anders beslist over belangrijke zaken, zoals bij wie ze woont, zodat zij geen keuze hoeft te maken.

Ondanks alle inspanningen van gezinsvoogd en vader lukt het niet om rust voor [minderjarige] te creëren. Vader loopt steeds aan tegen de weerwil en weerstand van de moeder. Door het ontbreken van medewerking door moeder aan het huiswerkbegeleidingstraject voor [minderjarige] is [minderjarige] afgehaakt. Het gevolg is dat [minderjarige] noodgedwongen naar een andere school moest met ingang van het schooljaar 2017/2018. Ook bij de inschrijving bij een nieuwe school weigert moeder mee te werken, ondanks de interventie van de gezinsvoogd. Ook bij de uitvoering van de zorgregeling zitten veel strubbelingen waardoor de tijd dat [minderjarige] bij vader verblijft onder druk komt te staan of zonder geldige reden wordt bekort door de moeder. Voor [minderjarige] zorgt dit alles voor veel onrust, dreiging en angst. Het maakt dat de uitvoering van de zorgregeling voor haar zeer belastend is.

Vader ziet zich genoodzaakt, hoewel hij daar niet op uit is geweest, om voor [minderjarige] de beslissing te nemen omdat zij dat zelf niet kan. Vader wil een einde maken aan het voortduren van de situatie van [minderjarige]. Vader wil met de wijziging van het hoofdverblijf van [minderjarige] een laatste noodgreep maken om voor zijn dochter [minderjarige] meer rust en stabiliteit te creëren. Aan dat verzoek koppelt de vader om, zo gewenst, tot vaststelling van de invulling van de zorgregeling met de moeder te komen.

4 De standpunten van de belanghebbenden, de raad en [minderjarige] tijdens de zitting

[minderjarige] heeft in een gesprek met de kinderrechter verteld dat zij graag bij haar moeder wil blijven wonen. Ze vertelt dat ze met vader ruzies heeft gehad omdat hij haar te strak hield, maar dat het nu beter gaat tussen hen. Ze mist haar vrienden van de oude school nadat ze door teveel verliespunten naar een nieuwe school moest. De huiswerkbegeleiding is misgelopen omdat ze een vriend had waar ze meer in geïnteresseerd was. Ze vertelt verder zo’n 3 maanden, vanaf augustus 2017, niet meer bij haar vader te zijn geweest. Ze kan niet aangeven waarom ze niet meer naar haar vader is gegaan. Ze wil haar vader beter leren kennen vóórdat ze een beslissing over het verhuizen naar hem toe zal kunnen nemen. [minderjarige] heeft haar vader onlangs gesproken en die heeft gezegd altijd achter haar keuze te zullen staan.

De gezinsvoogd heeft verklaard niet achter het verzoek van de vader te staan. Ze heeft er te weinig zicht op of die wijziging tegemoet komt aan de belangen van [minderjarige]. De gezinsvoogd heeft circa 6 maanden geleden bij Plinthos in Schinnen jeugdzorg geregeld voor ouders en [minderjarige]. Het aanbod van Plinthos omvatte ouderbegeleiding bij zowel moeder als vader thuis gericht op de relatie tussen moeder-[minderjarige] en vader-[minderjarige]. Daarnaast omvatte heeft traject individuele begeleiding van [minderjarige] door gesprekken van haar met een kinderpsycholoog. Er moest zicht worden gekregen op de bestaande relatie tussen ouder en kind en handvaten worden aangereikt om die relatie te verbeteren. Er is gestart door Plinthos in de situatie van [minderjarige] bij haar moeder. Na enkele bijeenkomsten heeft de moeder de deur voor Plinthos dicht gedaan. Ook [minderjarige] is in haar begeleiding na enkele gesprekken afgehaakt. Gebleken is dat moeder, zolang ze met haar hoofd blijft denken en werken, een goede opvoeder is maar ook dat zij zich regelmatig in haar emotie verliest. Die emotie zit verweven met haar eigen levensgeschiedenis en hetgeen ze daarvan nog meedraagt. Doordat [minderjarige] inmiddels niet meer bij haar vader kwam, is Plinthos niet bij de vader kunnen starten. Vader stond open voor de begeleiding door Plinthos. De begeleiding bij de vader is nodig omdat hij nooit opvoeder van [minderjarige] is geweest en [minderjarige] een puber is met puberaal en zorgelijk gedrag. Met de begeleiding moet zicht worden gekregen op de mogelijkheden van vader als opvoeder van [minderjarige]. De ervaring heeft geleerd dat vader vanuit zijn zorgen voor [minderjarige] soms zaken die spelen heel groot kan maken, terwijl die voor de omgeving minder groot zijn. Hij heeft de neiging om soms te pushen in plaats van te stimuleren. Waarom de zorgregeling met vader niet meer wordt nagekomen, is voor de GI vaag gebleven. Moeder zei daarover “[minderjarige] wil het zo” en daar bleef het bij. De gezinsvoogd mag van moeder niet (meer) alleen met [minderjarige] en vader in gesprek gaan. Recent heeft de gezinsvoogd bij moeder een vooraankondiging van een aanwijzing gedaan om dat gesprek met vader en [minderjarige] weer mogelijk te maken. De loyaliteitsproblematiek van [minderjarige] werkt door op alle levensgebieden.

De vader heeft verklaard dat hij vanaf augustus 2017 zijn dochter niet meer thuis kreeg en daardoor het zicht op haar kwijt dreigde te raken. Waarom dat eerste is gebeurd, is vader niet duidelijk geworden. In de grote vakantie is onrust rond [minderjarige] en de zorgregeling ontstaan mede door het optreden van de GI. Er had tijdens haar vakantie geen overdracht plaatsgevonden en de GI besliste op basis van hetgeen op het beeldscherm stond over [minderjarige]. Vanaf het moment dat vader met het gezag de kans heeft gekregen om voor zijn dochter te zorgen, heeft hij die rol en taak serieus opgepakt. Maar de instanties hebben vader daarbij tegengewerkt. Vader is met [minderjarige] bij Plinthos geweest en wilde samen met zijn dochter met Plinthos starten maar dat is niet van de grond gekomen. Er is een heropvoeding van [minderjarige] nodig omdat ze door haar verleden beschadigd is. Vader heeft geen, althans een gering, vertrouwen in de instanties omdat ze te vaak zijn afgehaakt bij het ondersteunen van of daadwerkelijk bieden van de hulp die [minderjarige] nodig heeft. Vader heeft met het indienen van het verzoek zijn keuze voor zijn dochter gemaakt. [minderjarige] moet straks niet de dupe worden van de situatie en naar een pleeggezin moeten. In de maanden dat [minderjarige] bij vader was ging het heel goed met [minderjarige]: ze deed goed mee in het huishouden, deed haar huiswerk, hield zich aan de huisregels. Er was regelmaat, reinheid, rust en stabiliteit. De dag vóórdat ze naar haar moeder moest, was [minderjarige] depressief. Vader sprak op advies van derden op een volwassenniveau met [minderjarige]. [minderjarige] zat goed in haar vel bij haar vader en kon het ook goed met de partner van vader vinden. Zijn partner werkt als professional in de begeleiding van jonge autistische mensen.

De moeder heeft verklaard dat de vader zijn rol als gezaghebbende ouder serieus heeft genomen. Door het pushen van vader voelde moeder zich regelmatig buiten spel gezet. Dat leidde ertoe dat zij soms met bepaalde stappen niet akkoord kon gaan. Dat werd door vader uitgelegd als dat zij tegenwerkte. Helaas is er geen echte samenwerking tussen de ouders tot stand gekomen. Het verzoek van vader moet worden afgewezen. Allereerst omdat [minderjarige] het zelf niet wil. Ten tweede omdat uit het standpunt van de vader kan worden begrepen dat hij het verzoek als noodkreet heeft bedoeld. Net als vader maakt ook moeder zich zorgen over het welzijn en de ontwikkeling van [minderjarige]. Ten derde omdat moeder, zoals ze al haar hele leven heeft gedaan, voor [minderjarige] wil blijven zorgen. Ten vierde omdat een wijziging als verzocht niet in het belang van [minderjarige] is. Er moet eerst rust en duidelijkheid voor [minderjarige] komen. [minderjarige] heeft teveel aan haar hoofd. Moeder zegt dat zij Plinthos niet heeft afgezegd.

De raad heeft naar voren gebracht dat primair de door de GI ingezette hulpverlening voor [minderjarige] en ouders van de grond moet komen. [minderjarige] is kind van haar ouders en niet van de hulpverlenende instanties. Er is veel wantrouwen van de ouders naar de hulpverlening en de GI. [minderjarige] wordt deels in de steek gelaten en desondanks komt hulpverlening voor haar niet op gang. Een wijziging van het hoofdverblijf lost de problemen van [minderjarige] niet op. De raad heeft niet de overtuiging dat [minderjarige] bij de een of andere ouder beter op haar plaats is. Het co-ouderschap moet worden gehandhaafd.

5 De beoordeling

Aan de orde is de vraag of het hoofdverblijf van [minderjarige] bij vader en een daarbij passende zorgregeling met de moeder moet worden bepaald.

Als een paal boven water staat dat de zorgen over [minderjarige], ondanks de inzet van de GI in het kader van de ondertoezichtstelling, groot zijn en zich op vele levensgebieden van [minderjarige] manifesteren, met alle mogelijke gevolgen voor de ontwikkeling en de toekomst van [minderjarige].

Dat [minderjarige] het bij het oplossen van die zorgen niet moet hebben van de samenwerking tussen haar ouders is ook duidelijk geworden ter zitting. Iedereen is het daarover eens. Dat die samenwerking niet echt van de grond is gekomen, heeft ook te maken met het verleden en het ontbreken van de inzet van professionele hulpverlening in het kader van ouderschapsreorganisatie op maat, die noodzakelijk is om verbetering te brengen in de situatie. Het hof heeft in zijn beschikking van 22 september 2016, in navolging van de rechtbank, nog nadrukkelijk aandacht daarvoor gevraagd. De GI heeft daaraan vooralsnog geen prioriteit gegeven casu quo kunnen geven. De kinderrechter kan zich niet aan de indruk onttrekken dat van een dergelijk hulptraject, gegeven de geschiedenis van deze ouders en de persoon die zij zijn, bepaald geen wonderen op korte of middellange termijn hoeven te worden verwacht. Meer nog lijkt het noodzakelijk commitment daarvoor bij beide ouders te ontbreken. Dat betekent voor [minderjarige] dat zij het voorlopig moet doen zonder echte duurzame samenwerking tussen haar ouders.

Voor [minderjarige] is haast geboden: ze is inmiddels 15 en zit al jaren in een klemsituatie tussen haar ouders en met groeiende zorgen over haar eigen ontwikkeling. Die haast bestond al vóór de ondertoezichtstelling en is daarna, door de opeenvolgende gebeurtenissen in 2017 in haar leven, alleen maar groter geworden. Ook daarover lijkt iedereen op de zitting het wel eens behalve moeder want zij lijkt zich niet echt zorgen over haar dochter te maken (zolang die maar bij haar woont) althans ontstaat op de zitting het beeld dat zij zich niet echt intrinsiek zorgen lijkt te maken. Dat laatste ligt ook besloten in het gegeven dat de moeder de zorgregeling, het co-ouderschap met vader, niet langer meer nakomt en ook niet meer ondersteunt. Moeder verschuilt zich daarbij achter [minderjarige] maar moeder ziet niet in dat zij zelf als ouder haar verantwoordelijkheid moet nemen en [minderjarige] geen ruimte moet geven om niet meer naar vader te gaan. In tegendeel, zij dient [minderjarige] daarin stevig te stimuleren. Rond de in 2014 gelaste BOR heeft moeder eenzelfde opstelling laten zien en in 2017 is haar opstelling helaas niet veranderd. Dat baart de kinderrechter zorgen. Die zorgen over het opvoedingsklimaat van moeder worden verder gevoed door, zoals onweersproken vaststaat, het gegeven dat in de maanden dat [minderjarige] geen contact meer met haar vader heeft gehad het zo noodzakelijke individuele hulpverleningstraject voor [minderjarige] door Plinthos is gestopt en niet meer is opgestart. De moeder heeft ook daarbij niet haar verantwoordelijkheid als ouder genomen door [minderjarige] de ruimte te geven om te stoppen en haar niet (effectief) te stimuleren daarmee door te gaan. Tegelijkertijd heeft moeder nagelaten om de vader, waarvan zij zal hebben geweten dat hij dat traject voor [minderjarige] wel steunde, als ouder te betrekken bij het stimuleren van [minderjarige] om het traject bij Plinthos door te zetten.

Onweersproken is gebleven dat het opvoedingsklimaat bij vader meer tegemoet komt aan de belangen van [minderjarige]. [minderjarige] heeft in de weken dat zij in de eerste helft van 2017 bij haar vader en zijn partner was goed gedijt. Zij genoot daar van de rust, reinheid, duidelijkheid en stabiliteit die haar in het gezin van haar vader is geboden. Zij had goed contact met zowel haar vader als zijn partner. Zij werd gestimuleerd om aan verbetering van haar schoolresultaten te werken, te werken aan het aanpakken van haar eigen problematiek samen met Plinthos en ze deed goed mee in het gezinsleven. Daardoor was voor vader te zien dat [minderjarige] tot rust kwam bij hem en hij heeft aan [minderjarige] gemerkt (en van haar gehoord) dat zij dat ook zo heeft beleefd.

Dat vader, bij gebreke van ervaring in het opvoeden en verzorgen van zijn dochter, nog zal moeten leren stuit bij de kinderrechter niet op bezwaren. De vader heeft steeds open gestaan voor de begeleiding van de kant van Plinthos en aangenomen moet worden dat vader dat ook in de toekomst zal laten zien. Dat vader twijfels heeft over de samenwerking met de GI kan hem niet euvel worden geduid. Hij is immers, ondanks de ondertoezichtstelling, al enkele maanden aan de zijlijn geparkeerd en heeft zijn dochter al die tijd niet meer bij zich gehad. Ondertussen vertrouwt de kinderrechter erop dat de vader in het belang van [minderjarige] bij een wijziging van het hoofdverblijf de samenwerking met de GI zal zoeken en verstevigen. Aannemelijk is dat vader wel zijn ouderlijke verantwoordelijkheid zal nemen om [minderjarige] weer aan tafel bij Plinthos te krijgen zodat haar individuele hulptraject kan worden gestart. Van [minderjarige] wordt verwacht dat zij daaraan ook meewerkt juist omdat zij als geen andere wil dat haar leven zich ten goede keert. Dat laatste vraagt ook om een stevige inspanning van [minderjarige] zelf. Kortom, aan de twijfels van de GI over de opvoedvaardigheden van vader gaat de kinderrechter voorbij.

Daarnaast is bij vader, anders dan bij moeder, de naleving van een bepaalde zorgregeling die in het belang is van [minderjarige], in goede handen. Dat die bij de moeder niet in goede handen is, blijkt nog eens uit het laatste rapport van de raad (pagina 5 onder punt 8 naar aanleiding van het gesprek met moeder) “[minderjarige] weet dat ze moeder kwetst door haar wens naar vader te willen, moeder reageert dan vaak primair door te zeggen “dan ga je maar.”.

Vader is van zijn kant de co-ouderschapsregeling steeds nagekomen en heeft onweersproken verklaard dat hij dat ook zal doen als [minderjarige] bij hem haar hoofdverblijf heeft. Voor vader staat daarbij het belang van [minderjarige] voorop.

De rol van moeder als opvoeder moet worden beperkt in het belang van [minderjarige]. Zij heeft geen zicht gegeven op haar opvoedersvaardigheden aan de GI en - zo is gebleken - heeft zij op cruciale momenten in het leven van haar dochter niet in het belang van haar dochter gehandeld, ondanks dat kan worden aangenomen dat zij het beste met haar dochter voor heeft. Aangenomen moet worden dat moeder het basale inzicht mist wat onder de gegeven zorgelijke omstandigheden van haar dochter werkelijk in haar belang is.

De optelsom van hetgeen is overwogen en geoordeeld leidt tot de conclusie dat het dringend noodzakelijk is dat het hoofdverblijf van [minderjarige] wordt gewijzigd zodat vader de hoofdopvoeder van [minderjarige] kan worden en in de positie wordt geplaatst om [minderjarige] in zijn gezin te laten opgroeien en [minderjarige] wordt gestimuleerd om de juiste stappen voor haarzelf te zetten. Tegelijkertijd hoort dat hoofdverblijf hand in hand te gaan met een beperkte zorgregeling voor moeder. Juist nu dient het hoofdverblijf dat de vader dient te krijgen ook te betekenen dat [minderjarige] hoofdzakelijk daar verblijft en niet wordt gecombineerd met een uitgebreide zorgregeling met moeder. Te vrezen valt dat anders niets in de situatie van de moeder verandert. Derhalve dient in het belang van [minderjarige] de zorgregeling met haar moeder te worden beperkt tot 1 weekend per 14 dagen van zaterdag 10.00 uur tot zondag 17.00 uur met dien verstande dat het, in het kader van de ondertoezichtstelling aan de GI is om, gehoord [minderjarige] en haar ouders, de omgangsduur en frequentie nader in te vullen en zodanig te bepalen dat die steeds het meest tegemoet komt aan de belangen van [minderjarige] zoals die ook uit de overwegingen van deze beschikking naar voren komen. Overigens: Dat er reden is om de bestaande co-ouderschapsregeling te wijzigen, is niet weersproken en dat er sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden die tot die wijziging noopt, is uit hetgeen is overwogen genoegzaam gebleken.

Een en ander leidt tot de volgende beslissingen.

6 Beslissing

De rechtbank:

bepaalt dat het hoofdverblijf van [minderjarige] bij haar vader zal zijn;

bepaalt dat [minderjarige] in het kader van de toedeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt bij de moeder verblijft: gedurende een weekend per 14 dagen van zaterdag 10.00 uur tot zondag 17.00 uur met dien verstande dat het in het kader van de ondertoezichtstelling aan de GI is om, gehoord [minderjarige] en haar ouders, de omgangsduur en frequentie nader in te vullen en zodanig te bepalen dat die het meest tegemoet komt aan de belangen van [minderjarige];

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.H.J. Frénay, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 november 2017, in tegenwoordigheid van

mr. H.A.M. van de Ven, griffier.

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.