Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:11429

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
22-11-2017
Datum publicatie
24-11-2017
Zaaknummer
5884936 \ CV EXPL 17-3304
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewijs aflossing lening niet geleverd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 5884936 \ CV EXPL 17-3304

Vonnis van de kantonrechter van 22 november 2017

in de zaak van:

[eisende partij] ,

wonend [adres eisende partij] ,

[woonplaats eisende partij] ,

eisende partij,

gemachtigde mr. R.H.G.M. Kerckhoffs,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[X] HOLDING B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats gedaagde partij] ,

gedaagde partij,

gemachtigde mr. V.H.A. Griffioen.

Partijen zullen hierna “ [eisende partij] ” en “ [gedaagde partij] ” genoemd worden.

1 De verdere procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 27 september 2017;

  • -

    de akte van [gedaagde partij] ;

  • -

    de akte van [eisende partij] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

De kantonrechter verwijst naar voormeld tussenvonnis en volhardt bij hetgeen hij daarin heeft overwogen.

2.2.

In dat vonnis heeft de kantonrechter [gedaagde partij] toegelaten te bewijzen dat de koopsom van de aan haar door [eisende partij] op 12 oktober 2011 geleverde aandelen aan [eisende partij] is betaald door middel van salarisbetalingen.

2.3.

[gedaagde partij] heeft naar aanleiding van deze bewijsopdracht bij akte laten weten geen getuigen te kunnen aandragen die meer of anders kunnen verklaren dan reeds bij de conclusie van antwoord ingebrachte schriftelijke verklaring heeft plaatsgevonden. [gedaagde partij] heeft voorts aangegeven evenmin over andere bewijsmiddelen te beschikken ter voldoening aan de bewijsopdracht. Tot slot heeft [gedaagde partij] de kantonrechter verzocht vonnis te wijzen.

2.4.

De kantonrechter heeft in zijn tussenvonnis ten aanzien van het bij conclusie van antwoord reeds aangedragen bewijs overwogen dat op basis van (enkel) de overgelegde e-mails niet kan worden aangenomen dat [gedaagde partij] de lening heeft afgelost of kwijtgescholden.

Ten aanzien van de onder punt 2.3 bedoelde schriftelijke verklaring van de heer [A] overweegt de kantonrechter als volgt. In de eerste plaats blijkt uit de verklaring niet dat de heer [A] uit eigen wetenschap heeft verklaard dat partijen de loonsverhoging zijn overeengekomen ter aflossing van de lening. In de tweede plaats gaat het om een verklaring waarvan [eisende partij] heeft gesteld dat deze is gebaseerd op een e-mail met een onjuiste inhoud. Gelet op dit verweer en hetgeen in het tussenvonnis is overwogen over de aangedragen e-mails had het voor de hand gelegen de heer [A] en/of de heer [B] (aan wie de bewuste e-mail is gericht) op te roepen als getuigen, zodat dit aan de orde had kunnen worden gesteld bij het getuigenverhoor. Nu echter geen nader getuigenbewijs is aangeboden kan dit niet worden onderzocht. Gelet op dit alles kan de schriftelijke verklaring niet als (steun)bewijs dienen. De conclusie moet dan ook zijn dat [gedaagde partij] niet is geslaagd in de aan haar verstrekte bewijsopdracht.

2.5.

[gedaagde partij] heeft, afgezien van haar verweer dat de lening zou zijn terugbetaald, niet althans onvoldoende gemotiveerd betwist de stelling van [eisende partij] dat sprake is van een opeisbare schuld. Nu [gedaagde partij] geen gehoor heeft gegeven aan de terugbetalingsverzoeken van [eisende partij] , leidt dit, gelet op het bepaalde in artikel 6:38 van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW), tot het oordeel dat [gedaagde partij] (toerekenbaar) tekort is geschoten in haar verplichting tot terugbetaling. Dit betekent dat de gevorderde verklaring voor recht toewijsbaar is. De gevorderde hoofdsom is eveneens toewijsbaar.

2.6.

[gedaagde partij] betwist wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten verschuldigd te zijn omdat zij niet in verzuim zou zijn. De kantonrechter kan dit verweer niet volgen, nu vast staat dat [gedaagde partij] bij brief van 10 oktober 2016 door [eisende partij] in gebreke is gesteld voor de terugbetaling van het schuldig gebleven bedrag. [gedaagde partij] is dan ook wettelijke rente verschuldigd vanaf de datum van verzuim. De rente zal dan ook vanaf de betreffende datum worden toegewezen.

Met het oog op de verzonden ingebrekestelling kan de kantonrechter evenmin het verweer volgen dat [gedaagde partij] geen buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zou zijn. Op grond van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten acht de kantonrechter het gevorderde bedrag van € 825,00 toewijsbaar.

2.7.

[gedaagde partij] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van [eisende partij] worden begroot op:

  • -

    dagvaarding € 102,10

  • -

    griffierecht 223,00

  • -

    salaris gemachtigde 500,00 ( 2 x tarief € 250,00)

totaal € 825,10

De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot aan de voldoening.

De gevorderde nakosten zullen worden toegewezen overeenkomstig de richtlijnen van het LOVCK&T en worden begroot op een half salarispunt conform het liquidatietarief proceskosten met een maximum van € 100,00 aan nakosten salaris.

3 De beslissing

De kantonrechter

3.1.

verklaart voor recht dat [gedaagde partij] toerekenbaar tekortgeschoten is in haar contractuele verplichting jegens [eisende partij] ,

3.2.

veroordeelt [gedaagde partij] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisende partij] te betalen een bedrag van € 9.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid tot aan de voldoening, alsmede te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten ad € 825,00, aan [eisende partij] te voldoen binnen twee dagen na betekening aan [gedaagde partij] van dit vonnis,

3.3.

veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten aan de zijde van [eisende partij] gevallen en tot op heden begroot op € 825,10, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

3.4.

veroordeelt [gedaagde partij] onder de voorwaarde dat deze niet binnen 2 weken na aanschrijving door [eisende partij] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 100,00 aan salaris gemachtigde,

- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis,

3.5.

verklaart dit vonnis wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

3.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A.J. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken.

type: EB

coll: