Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:11324

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
22-11-2017
Datum publicatie
22-11-2017
Zaaknummer
03/994519-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Milieustrafrecht. Rechtbank verwerpt het verweer dat OM niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Geen schending van het gelijkheidsbeginsel, vertrouwensbeginsel of verbod van willekeur. Geen strijd met het fair trial beginsel. Vrijspraak van het feitelijk leidinggeven aan een rechtspersoon, welke rechtspersoon niet heeft voldaan aan de zorgplicht zoals vervat in artikel 13 van de Wet Bodembescherming. Gelet op feit dat de rechtspersoon is vrijgesproken van hetgeen ten laste is gelegd, kan van strafbaar opdracht of leiding geven door verdachte geen sprake zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 03/994519-13

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige economische kamer d.d. 22 november 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens verdachte] ,

wonende te [adresgegevens verdachte] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. Th.J.H.M. Linssen en mr. M.J.J.E. Stassen, advocaten kantoorhoudende te Tilburg.

1 Inleiding

Om inzichtelijk te maken waar het in deze strafzaak om gaat, wordt op deze plaats in het kort beschreven waarop het strafrechtelijk onderzoek zich richtte en wat daaraan vooraf ging.

Het strafrechtelijk onderzoek in deze zaak richtte zich op de activiteiten die plaatsvonden op het bedrijfsterrein aan de [adres] te Heel, gemeente Maasgouw. Op het bedrijfsterrein waren een tweetal bedrijven gevestigd, te weten [medeverdachte 4] (hierna te noemen: [medeverdachte 4] ) en [medeverdachte 5] (hierna te noemen: [medeverdachte 5] ). [medeverdachte 4] hield zich van oudsher bezig met het verwerken van afvalstoffen en de productie van verf. De activiteiten met betrekking tot verf zijn in de loop der jaren overgenomen door [medeverdachte 5] .

Daarnaast bestaat er een vestiging van [medeverdachte 4] in België, te weten [medeverdachte 2] (hierna te noemen: [medeverdachte 2] ). Dit bedrijf houdt zich eveneens bezig met de verwerking van afvalstoffen en was handelspartner van [medeverdachte 4] .

[medeverdachte 4] heeft lange tijd een vergunning op grond van de Wet milieubeheer gehad voor de afvalverwerking en de productie van verf. Deze vergunning is in 2004 verlopen. Op 16 november 2004 heeft de provincie Limburg (hierna te noemen: de Provincie) bestuursdwang toegepast, gericht op beëindiging van de activiteiten op het bedrijfsterrein van [medeverdachte 4] . Vervolgens is de inrichting stilgelegd, waarna de Provincie op 4 februari 2005 [medeverdachte 4] heeft meegedeeld dat het beheer, het onderhoud en de verzorging van het terrein na de stillegging geheel voor rekening en risico van het bedrijf blijft, evenals het waterbeheer. In de jaren die volgen, dient [medeverdachte 4] meermalen nieuwe aanvragen in voor verlening van een milieuvergunning dan wel een omgevingsvergunning. Deze aanvragen hebben, ook na een beroep op de bestuursrechter, niet geleid tot verlening van een vergunning. In de jaren na de stillegging van het bedrijf en de verzegeling van het terrein hebben toezichthouders van de Provincie en nadien de gemeente Maasgouw (hierna te noemen: de Gemeente) frequent het terrein bezocht om de staat van het terrein te controleren op gevaarzettende situaties. Ook het Waterschap voerde inspecties uit. Naar aanleiding van controles heeft de Provincie in 2006 (onder meer) [medeverdachte 4] opgedragen een aantal gevaar scheppende situaties op te heffen. In 2009 heeft de Provincie de bestuurder van [medeverdachte 4] laten weten dat na de buitenwerkingstelling van de zich op het terrein bevindende (gevaarlijke) afvalstoffen in onvoldoende mate zijn afgevoerd en dat de toestand van de opslag verslechtert. De Provincie heeft echter tot 16 augustus 2012 geen bestuursdwang toegepast om een einde te maken aan de situatie op het bedrijfsterrein. Onderhandelingen in 2011 met de Provincie over gebiedsontwikkeling inclusief sanering, leidden niet tot resultaat. Naar aanleiding van het rapport van een inspectie op 8 augustus 2012 heeft de Provincie op 16 augustus 2012 spoedeisende bestuursdwang toegepast in verband met de aanwezigheid van (nog steeds) een grote hoeveelheid gevaarlijke afvalstoffen op het perceel [adres] in Heel. Dit besluit hield in de staking van de exploitatie en de afgrendeling van het terrein. Deze afgrendeling werd ondersteund door een door de Gemeente afgegeven noodbevel en een noodverordening. Over deze besluiten is door de betrokken rechtspersonen en hun bestuurders tot in hoogste instantie geprocedeerd. De Afdeling Rechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) oordeelde echter onder meer dat de Provincie wel bevoegd was om bestuursdwang toepassen, maar niet aannemelijk had gemaakt dat de situatie op het terrein geen begunstigingstermijn toeliet. In 2013 werd door de Provincie alsnog een termijn van 22 weken gegund om zelf afvalstoffen af te voeren.

Naar aanleiding van het verslag van de milieucontrole op 8 augustus 2012 en de (aankondiging van) de aangifte van de Provincie heeft het Openbaar Ministerie op

14 september 2012 besloten tot het instellen van een strafrechtelijk onderzoek. Als verdachten werden aangemerkt onder anderen: de verdachte, zijnde de bestuurder van [medeverdachte 2] , zijn vader [medeverdachte 1] , directeur van [medeverdachte 4] , zijn moeder [medeverdachte 6] , directeur van [medeverdachte 5] , zijn broer [medeverdachte 3] , werknemer van [medeverdachte 5] en de bedrijven [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] . De strafzaken van deze verdachten zijn gelijktijdig door de rechtbank behandeld.

2 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 19, 20 en 21 januari 2016,

22, 23, 24 en 31 mei 2017 en 25 en 26 oktober 2017. De verdachte werd bijgestaan door

mr. Th.J.H.M. Linssen en mr. M.J.J.E. Stassen, beiden advocaat kantoorhoudend te Tilburg. De verdachte en mr. Th.J.H.M. Linssen zijn telkens ter terechtzitting verschenen.

Mr. M.J.J.E. Stassen is, met uitzondering van 31 mei 2017 en 26 oktober 2017, eveneens telkens ter terechtzitting verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

3 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte opdracht of feitelijk leiding heeft gegeven aan [medeverdachte 2] , welke rechtspersoon (met anderen) niet heeft voldaan aan de zorgplicht, die gold voor degenen die op of in de bodem van het perceel [adres] in Heel handelingen hebben verricht, wetende of redelijkerwijs kunnende vermoeden dat door die handelingen de bodem kon worden verontreinigd of aangetast.

4 De voorvragen

4.1

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

4.1.1

Het standpunt van de verdediging

Ter terechtzitting is namens de verdachte bepleit de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren, zoals uiteengezet in de pleitnota. De verdediging heeft hiertoe

in de eerste plaats aangevoerd dat het handelen van de officier van justitie in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, nu enkel een strafrechtelijk onderzoek is ingesteld naar de verdachte en aan enkele medeverdachten, hetgeen heeft geleid tot strafrechtelijke vervolging. Er is geen onderzoek ingesteld naar mogelijk strafbare gedragingen van de Provincie. De Provincie is als bestuursorgaan niet gevrijwaard van strafrechtelijke vervolging. Voor onderzoek naar de rol van de Provincie was aanleiding, omdat zij betrokken was bij een ‘feitelijk normidentiek gedragingscomplex’. Zij heeft een beheersopdracht gegeven voor het doen voortbestaan van een situatie die de oorzaak van strafbare feiten zou kunnen zijn. De officier van justitie heeft afgezien van een strafrechtelijk onderzoek naar en vervolging van de Provincie, zonder daarvoor een rechtvaardiging te geven.

In de tweede plaats is vervolging van de verdachte in strijd met het fair trial beginsel. Hiertoe heeft de verdediging aangevoerd dat de officier van justitie zonder eigen nader onderzoek is uitgegaan van onjuiste informatie van de Provincie. Deze heeft de zaak aantoonbaar aangedikt. Er zou acuut gevaar zijn voor mens en milieu, wat achteraf niet waar bleek te zijn. Door van deze informatie uit te gaan, is het belang van de verdachte dermate geschaad, dat de officier van justitie het recht op vervolging van de verdachte ontnomen dient te worden.

In de derde plaats heeft de verdediging aangevoerd dat vervolging in strijd is met het vertrouwensbeginsel. Het openbaar ministerie had al sinds het jaar 2000 de beschikking over controlerapporten met betrekking tot [medeverdachte 4] en is in al die jaren nooit tot enige actie overgegaan. Reeds hierom heeft zij niet het recht om, na zoveel jaren waarin zij op de hoogte was van de situatie ter plekke, de vervolging van de verdachte in te zetten. Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat ook door de Provincie gedurende een groot aantal jaren geen actie is ondernomen om een einde te maken aan de situatie zoals die bestond op het bedrijfsterrein van [medeverdachte 4] , terwijl zij ervan op de hoogte was dat op dit terrein activiteiten plaatsvonden zonder de benodigde vergunningen en er frequent door of namens haar controles plaatsvonden waardoor zij wist hoe de situatie ter plaatse was en welke stoffen er lagen opgeslagen. Volgens de verdediging was er hierdoor sprake van een zogenaamde ‘putatieve vergunning’: ‘alles bij elkaar was de toestand onwettig, maar niet zó onrechtmatig en schadelijk, dat de toestand per direct door finaal ingrijpen beëindigd moest worden. Edelchemie kon denken: wat ik hier doe en laat voortbestaan, mág.’1

4.1.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat zij wel ontvankelijk is. Zij stelt zich ten eerste op het standpunt dat, indien al zóu zijn gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel door de Provincie niet te vervolgen, dat vormverzuim niet onherstelbaar is. Alleen al daarom kan dit niet leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie. Daarnaast is de belangenafweging over al dan niet vervolging niet ter beoordeling van de rechtbank. Het vervolgingsrecht is op grond van het opportuniteitsbeginsel, zowel volgens de wet als volgens de heersende jurisprudentie, exclusief aan het openbaar ministerie toebedeeld. In deze zaak heeft het openbaar ministerie geoordeeld dat de Provincie geen bijdrage heeft geleverd aan de strafbare gedragingen zoals die in de tenlastelegging van de verdachte zijn opgenomen. De Provincie voerde slechts haar handhavingstaak uit en vervolging is daarom niet aan de orde.

Ten tweede is door de raadsman aangevoerd dat de officier van justitie is uitgegaan van onjuiste informatie zonder nader onderzoek te verrichten. Deze aanname van de verdediging is naar het oordeel van de officier van justitie niet juist. Nadat door de Provincie aangifte was gedaan heeft de officier van justitie zelfstandig onderzoek verricht door het horen van getuigen en het doen verrichten van onderzoeken door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna te noemen: NFI). Daaruit bleek dat de aangifte van de Provincie in voldoende mate werd gesteund door de bevindingen uit het onderzoek dat door de officier van justitie was verricht. De officier van justitie is dus niet misleid door de aangifte van de Provincie. Zij heeft haar recht tot vervolging dan ook niet verloren.

Het is juist dat sinds het jaar 2000 controlerapporten betreffende het bedrijfsterrein naar het Openbaar Ministerie zijn gezonden, zoals de raadsman onder ten derde heeft aangevoerd. Het Openbaar Ministerie heeft de handhaving op het bedrijfsterrein sinds het verlopen van de vergunningen overgelaten aan de betrokken bestuursorganen. Pas in 2012 is aangifte van diverse feiten gedaan en raakte het Openbaar Ministerie inhoudelijk betrokken bij de onderhavige zaak. Het Openbaar Ministerie was van oordeel dat er een voldoende mate van verdenking bestond om de verdachte te vervolgen en is hiertoe rechtmatig overgegaan. Ook dit verweer van de raadsman kan niet leiden tot niet-ontvankelijkheid.

Ten derde stelt de officier van justitie dat er door het Openbaar Ministerie geen gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat van vervolging zou worden afgezien. Een handelen of nalaten van een overheidsorgaan dat niet verantwoordelijk is voor het strafvervolgingsbeleid, raakt niet het recht van het Openbaar Ministerie om tot strafvervolging over te gaan. Alleen in expliciete gedoogsituaties waarbij het Openbaar Ministerie of een voor de vervolging verantwoordelijke instantie daadwerkelijk is betrokken, heeft dat tot gevolg dat strafvervolging niet langer mogelijk is. Van een expliciete gedoogsituatie was evenwel geen sprake. De verdachte mocht er niet op vertrouwen dat zijn handelen werd toegestaan. Er is geen sprake van een concrete, duidelijke en ondubbelzinnige toezegging of een gedraging waarin zo’n toezegging in redelijkheid geacht kon worden besloten te liggen. Er was evenmin zicht op legalisatie, zoals blijkt uit de uitspraken in het bestuursrechtelijk traject. Het verweer dat door de vervolging het vertrouwensbeginsel is geschonden, dient dan ook te worden verworpen.

4.1.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat in artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van de officier van justitie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin, dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de vervolging op grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde, zoals het gelijkheidsbeginsel, het beginsel van fair trial of het vertrouwensbeginsel.

Een uitzonderlijk geval waarin plaats is voor niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie, doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld terwijl geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de verdere vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur (dat in de strafrechtspraak in dit verband ook wel wordt omschreven als het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging).2

In de eerste plaats is door de raadsman aangevoerd dat de officier van justitie heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel, nu zij wel de verdachte en zijn medeverdachten, maar niet de Provincie heeft vervolgd.

De rechtbank is van oordeel dat de rol van de Provincie in deze zaak een wezenlijk andere is dan de rol van de verdachte en de medeverdachten. De Provincie had een toezichthoudende taak, terwijl de (mede)verdachte(n) moest(en) voldoen aan de beheersopdracht van de Provincie, inhoudende – kort samengevat – dat het bedrijfsterrein van [medeverdachte 4] moest worden opgeschoond en de daar aanwezige materialen en (afval)stoffen moesten worden afgevoerd. Dat de rol van de Provincie door de wetenschap van de situatie op het bedrijfsterrein en door dit lange tijd in stand te laten, een min of meer gelijke is, is niet juist en is geen min of meer gelijk geval. Daarom is van schending van het gelijkheidsbeginsel of het verbod van willekeur geen sprake en wordt dit verweer verworpen.

In de tweede plaats heeft de raadsman aangevoerd dat de officier van justitie is uitgegaan van onjuiste informatie zonder nader onderzoek te verrichten. Uit het dossier blijkt dat in opdracht van de officier van justitie op 14 september 2012 een strafrechtelijk onderzoek is gestart op basis van informatie afkomstig van de Provincie, de Gemeente en het Regionaal milieuteam Limburg Noord. Gedurende dit onderzoek is ook de verdenking ten aanzien van de verdachte ontstaan. Het onderzoek dat in opdracht van de officier van justitie is verricht bestond onder meer uit de doorzoeking van woningen en het bedrijfsterrein, het horen van getuigen en de verdachten. Ook zijn er op aanvraag van de officier van justitie op het bedrijfsterrein onderzoeken verricht en monsters genomen door het NFI, waarover uitvoerig is gerapporteerd. De stelling dat de officier van justitie geen dan wel onvoldoende eigen onderzoek heeft verricht en zich bij haar vervolgingsbeslissing geheel heeft laten leiden door onjuiste informatie van de Provincie en zodoende in strijd met het fair trial beginsel heeft gehandeld, moet dan ook worden verworpen.

In de derde plaats heeft de raadsman gesteld dat vervolging in strijd is met het vertrouwensbeginsel. Hij heeft aangevoerd dat het Openbaar Ministerie jarenlang niets heeft gedaan met de controlerapporten die het ontving van de Provincie en de Provincie jarenlang geen actie heeft ondernomen om een einde te maken aan de situatie op het bedrijfsterrein van [medeverdachte 4] .

Strijd met het vertrouwensbeginsel doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet nadat door het Openbaar Ministerie gedane, of aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen, uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) bij de verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat hij niet (verder) zal worden vervolgd. Aan uitlatingen of gedragingen van functionarissen aan wie geen bevoegdheden in verband met de vervolgingsbeslissing zijn toegekend – zoals ambtenaren van de Provincie – kan gerechtvaardigd vertrouwen dat (verdere) vervolging achterwege zal blijven evenwel in de regel niet worden ontleend.

De situatie dat door het Openbaar Ministerie of door aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen uitlatingen of gedragingen van functionarissen, in deze zaak concrete toezeggingen zijn gedaan aan de (mede)verdachte(n) van niet-vervolging ter zake de tenlastegelegde feiten, doet zich in deze strafzaak niet voor. Het is invoelbaar dat de verdachte en zijn medeverdachten zich overrompeld voelden toen pas vele jaren na het expireren van de milieuvergunning en na vele controles door onder meer de Provincie, door de Provincie is besloten om tot handhaving over te gaan en tot het doen van aangifte. Maar de vervolgingsbeslissing die mede op basis van het nadien verrichte onderzoek is genomen kan niet worden opgevat als strijdig met een gerechtvaardigd vertrouwen dat niet tot vervolging zou worden gegaan. De rechtbank verwerpt het verweer.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

4.2

De overige voorvragen

Bij het onderzoek ter terechtzitting:

  • -

    is gebleken dat de dagvaarding geldig is;

  • -

    is voorts gebleken dat de rechtbank krachtens de wettelijke bepalingen bevoegd is van het ten laste gelegde kennis te nemen;

  • -

    zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

5 De beoordeling van het bewijs

De verdachte was zaakwaarnemer van [medeverdachte 2] . Dit bedrijf was een handelspartner van [medeverdachte 4] , zijnde een medeverdachte in deze strafzaak. De activiteiten van [medeverdachte 2] hielden onder meer in het laten verrichten van laboratoriumwerkzaamheden voor [medeverdachte 4] , het kopen en vervoeren van slurry en het leveren van worteldoek en natriumsulfide aan [medeverdachte 4] . Verder heeft [medeverdachte 2] obsidiaan van [medeverdachte 4] afgenomen en op haar terrein in België opgeslagen.

5.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het aan de verdachte tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

De officier van justitie heeft in dit verband naar voren gebracht dat [medeverdachte 2] laboratoriumwerkzaamheden door [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] heeft laten verrichten. Daarnaast heeft deze rechtspersoon slurry van [medeverdachte 4] gekocht en slurry vanaf het bedrijfsterrein van [medeverdachte 4] laten vervoeren naar een verwerker voor het terugwinnen van zilver. Ook heeft [medeverdachte 2] hypochloriet aan [medeverdachte 4] geleverd en worteldoek ten behoeve van de bouw van een ontwateringsbassin. De rechtspersoon heeft daarnaast werkzaamheden met betrekking tot het afvalwater en slib van [medeverdachte 4] door [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] georganiseerd en betaald.

De verweten gedragingen kunnen naar het oordeel van de officier van justitie aan de [medeverdachte 2] worden toegerekend, aangezien die gedragingen zijn verricht in de sfeer van deze rechtspersoon. De door haar verrichte activiteiten behoren tot de normale activiteiten van de rechtspersoon. Er is voorts niet de zorg betracht die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd ter voorkoming van die gedragingen. Zo zijn bijvoorbeeld geen maatregelen getroffen ter voorkoming van aantasting of vervuiling van de bodem met betrekking tot de werkzaamheden en leveranties ten aanzien van het afvalwater en slib.

Uit het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat de verdachte uit hoofde van zijn functie, werkzaamheden, kennis, ervaring, bezit (recht van opstal) en het ontbreken van afdoende bodembeschermende voorzieningen op het bedrijfsterrein van [medeverdachte 4] , beschikte over de bevoegdheid om maatregelen te nemen met betrekking tot de situatie op dat bedrijfsterrein en daarmee redelijkerwijs gehouden was de benodigde maatregelen te treffen ter voorkoming en/of beëindiging van de verweten gedragingen. Nu de verdachte dit desondanks achterwege heeft gelaten, heeft hij daarmee op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de verboden gedragingen en daarmee het gevaar van bodemverontreiniging zich (daadwerkelijk) zou voordoen.

5.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken.

De verdediging heeft hiertoe aangevoerd dat de verdachte slechts een geringe rol heeft gespeeld bij de bedrijfsactiviteiten van [medeverdachte 4] , bestaande uit het uitvoeren van enkele laboratoriumonderzoeken en transporten ten behoeve van [medeverdachte 4] alsmede het leveren van worteldoek. Voorts zijn slechts vier handgeschreven notities van de directeur van [medeverdachte 4] aan de verdachte aangetroffen, waarvan niet is vastgesteld of hetgeen daarop is gesteld/opgedragen daadwerkelijk is uitgevoerd.

De verdachte wist dat op het terrein van [medeverdachte 4] diverse stoffen waren opgeslagen en hij heeft enkele geringe activiteiten voor [medeverdachte 4] uitgevoerd. Dit alles is echter niet van voldoende gewicht om te spreken van een intellectuele of materiële bijdrage aan de gedragingen van [medeverdachte 4] door de verdachte. Het enkele weten is volgens vaste jurisprudentie niet voldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

Aan de verdachte is tenlastegelegd – kort gezegd – dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan [medeverdachte 2] die (met anderen) de zorgplicht voor de bodem van het bedrijfsterrein aan de [adres] in Heel heeft geschonden. Een bewezenverklaring is dus alleen mogelijk als [medeverdachte 2] het strafbare feit heeft gepleegd.

De rechtbank heeft bij vonnis van heden [medeverdachte 2] vrijgesproken van hetgeen is tenlaste gelegd. Dit maakt dat van strafbaar opdracht of feitelijk leiding geven door de verdachte aan het door [medeverdachte 2] gepleegd strafbaar feit, geen sprake kan zijn. De verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van het aan hem tenlastegelegde feit.

6 De beslissing

De rechtbank:

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging;

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van het tenlastegelegde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Schutte, voorzitter, mr. J.H.M. Engels en

mr. P. van Blaricum, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Schuwirth en

mr. K.J.M. Voncken, griffiers, en uitgesproken ter openbare zitting van 22 november 2017.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

[medeverdachte 2] in de periode 1 januari 2009 tot en met 26 september 2012 te Heel, gemeente Maasgouw, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, terwijl zij op en/of in de bodem van perceel St. [adres] (een) handeling(en), als bedoeld in artikel 6 tot en met 11 van de Wet bodembescherming heeft/hebben verricht, te weten handelingen, waarbij stoffen die de bodem konden verontreinigen of aantasten, op of in de bodem werden gebracht teneinde deze daar te laten, te weten het (ter bewaring) op of in de bodem opslaan van afvalwater en/of vloeibare fotografische en/of vloeibare galvanische afvalstoffen en/of gaswasvloeistof en/of gaswasslurry en/of slib en/of

het op of in de bodem brengen van afvalstoffen, te weten afvalwater en/of vloeibare fotografische en/of vloeibare galvanische afvalstoffen en/of gaswasvloeistof en/of gaswasslurry en/of slib en/of

het op of in de bodem doen uitstromen van verontreinigd water en/of slib en/of

het uitvoeren van de ontwatering van slib

en terwijl zij wist(en), althans redelijkerwijs had(den) kunnen vermoeden, dat door die handeling(en) de bodem kon worden verontreinigd en/of aangetast,

toen al dan niet opzettelijk niet aan haar/hun verplichting heeft/hebben voldaan alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van haar/hen kon worden gevergd, teneinde die verontreiniging en/of aantasting te voorkomen dan wel, terwijl die verontreiniging en/of aantasting zich voordeed, de verontreiniging of de aantasting en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken,

hebbende hij, verdachte, tot dat/die feit(en) opdracht gegeven, althans feitelijke leiding gegeven aan voormelde verboden gedraging(en).

1 Pleitnota van de raadsman, voorgedragen ter terechtzitting van 26 oktober 2017, pagina 21, eerste alinea.

2 Zoals in HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4280 en HR 19 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:23.