Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:11323

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
22-11-2017
Datum publicatie
22-11-2017
Zaaknummer
03/994520-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Milieustrafrecht. Rechtbank verwerpt het verweer dat OM niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Geen schending van het gelijkheidsbeginsel, vertrouwensbeginsel of verbod van willekeur. Geen strijd met het fair trial beginsel. Vrijspraak van het (mede-)plegen van het zonder vergunning in werking hebben van een inrichting in de zin van artikel 8.1 Wet milieubeheer/artikel 2.1 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en het schenden van de zorgplicht zoals vervat in artikel 13 van de Wet Bodembescherming alsmede van het feitelijk leidinggeven. Verdachte had als werknemer geen zeggenschap over de tenlastegelegde activiteiten of over de gang van zaken binnen de inrichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 03/994520-13

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige economische kamer d.d. 22 november 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens verdachte] ,

wonende te [adresgegevens verdachte] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. Th.J.H.M. Linssen en mr. M.J.J.E. Stassen, advocaten kantoorhoudende te Tilburg.

1 Inleiding

Om inzichtelijk te maken waar het in deze strafzaak om gaat, wordt op deze plaats in het kort beschreven waarop het strafrechtelijk onderzoek zicht richtte en wat daaraan vooraf ging.

Het strafrechtelijk onderzoek in deze zaak richtte zich op de activiteiten die plaatsvonden op het bedrijfsterrein aan de [adres] te Heel, gemeente Maasgouw. Op het bedrijfsterrein waren een tweetal bedrijven gevestigd, te weten [medeverdachte 4] (hierna te noemen: [medeverdachte 4] ) en [medeverdachte 5] (hierna te noemen: [medeverdachte 5] ). [medeverdachte 4] hield zich van oudsher bezig met het verwerken van afvalstoffen en de productie van verf. De activiteiten met betrekking tot verf zijn in de loop der jaren overgenomen door [medeverdachte 5] .

Daarnaast bestaat er een vestiging van [medeverdachte 2] in België, te weten [medeverdachte 2] (hierna te noemen: [medeverdachte 2] ). Dit bedrijf houdt zich eveneens bezig met de verwerking van afvalstoffen en was handelspartner van [medeverdachte 4] .

[medeverdachte 4] heeft lange tijd een vergunning op grond van de Wet milieubeheer gehad voor de afvalverwerking en de productie van verf. Deze vergunning is in 2004 verlopen. Op 16 november 2004 heeft de provincie Limburg (hierna te noemen: de Provincie) bestuursdwang toegepast, gericht op beëindiging van de activiteiten op het bedrijfsterrein van [medeverdachte 4] . Vervolgens is de inrichting stilgelegd, waarna de Provincie op 4 februari 2005 [medeverdachte 4] heeft meegedeeld dat het beheer, het onderhoud en de verzorging van het terrein na de stillegging geheel voor rekening en risico van het bedrijf blijft, evenals het waterbeheer. In de jaren die volgden, diende [medeverdachte 4] meermalen nieuwe aanvragen in voor verlening van een milieuvergunning dan wel een omgevingsvergunning. Deze aanvragen hebben, ook na een beroep op de bestuursrechter, niet geleid tot verlening van een vergunning. In de jaren na de stillegging van het bedrijf en de verzegeling van het terrein hebben toezichthouders van de Provincie en nadien de gemeente Maasgouw (hierna te noemen: de Gemeente) frequent het terrein bezocht om de staat van het terrein te controleren op gevaarzettende situaties. Ook het Waterschap voerde inspecties uit. Naar aanleiding van controles heeft de Provincie in 2006 (onder meer) [medeverdachte 4] opgedragen een aantal gevaar scheppende situaties op te heffen. In 2009 heeft de Provincie de bestuurder van [medeverdachte 4] laten weten dat na de buitenwerkingstelling de zich op het terrein bevindende (gevaarlijke) afvalstoffen in onvoldoende mate zijn afgevoerd en dat de toestand van de opslag verslechtert. De Provincie heeft echter tot 16 augustus 2012 geen bestuursdwang toegepast om een einde te maken aan de situatie op het bedrijfsterrein. Onderhandelingen in 2011 met de Provincie over gebiedsontwikkeling inclusief sanering, leidden niet tot resultaat. Naar aanleiding van een rapport van de inspectie op 8 augustus 2012 heeft de Provincie op 16 augustus 2012 spoedeisende bestuursdwang toegepast in verband met de aanwezigheid van (nog steeds) een grote hoeveelheid gevaarlijke afvalstoffen op het perceel [adres] in Heel. Dit besluit hield in de staking van de exploitatie en de afgrendeling van het terrein. Deze afgrendeling werd ondersteund door een door de Gemeente afgegeven noodbevel en een noodverordening. Over deze besluiten is door de betrokken rechtspersonen en hun bestuurders tot in hoogste instantie geprocedeerd. De Afdeling Rechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) oordeelde echter onder meer dat de Provincie wel bevoegd was om bestuursdwang toe te passen, maar niet aannemelijk had gemaakt dat de situatie op het terrein geen begunstigingstermijn toeliet. In 2013 werd door de Provincie alsnog een termijn van 22 weken gegund om zelf afvalstoffen af te voeren.

Naar aanleiding van het verslag van de milieucontrole op 8 augustus 2012 en de (aankondiging van) de aangifte van de Provincie heeft het Openbaar Ministerie op

14 september 2012 besloten tot het instellen van een strafrechtelijk onderzoek. Als verdachten werden aangemerkt onder anderen: de verdachte, werknemer van [medeverdachte 5] , zijn broer [medeverdachte 7] , bestuurder van [medeverdachte 2] , zijn vader [medeverdachte 1] , directeur van [medeverdachte 4] , zijn moeder [medeverdachte 6] , directeur van [medeverdachte 5] en de bedrijven [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] . De strafzaken van deze verdachten zijn gelijktijdig door de rechtbank behandeld.

2 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 19, 20 en 21 januari 2016,

22, 23, 24 en 31 mei 2017 en 25 en 26 oktober 2017. De verdachte wordt bijgestaan door mr. Th.J.H.M. Linssen en mr. M.J.J.E. Stassen, beiden advocaat kantoorhoudend te Tilburg. De verdachte en mr. Th.J.H.M. Linssen zijn telkens ter terechtzitting verschenen.

Mr. M.J.J.E. Stassen is, met uitzondering van 31 mei 2017 en 26 oktober 2017, eveneens telkens ter terechtzitting verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

3 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

Feit 1: al dan niet samen met een ander zonder vergunning een inrichting in werking heeft gehad althans opdracht of feitelijk leiding aan deze inrichting heeft gegeven;

Feit 2: al dan niet samen met een ander zonder omgevingsvergunning een project heeft uitgevoerd, bestaande uit het in werking hebben van een inrichting althans opdracht of feitelijk leiding aan deze inrichting heeft gegeven;

Feit 3: niet heeft voldaan aan de zorgplicht (al dan niet samen met een ander) die geldt voor ieder die op of in de bodem bepaalde handelingen verricht, waarbij stoffen de bodem kunnen verontreinigen of aantasten, terwijl hij wist of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door die handelingen de bodem kon worden verontreinigd of aangetast dan wel opdracht of feitelijk leiding aan deze handelingen door [medeverdachte 5] heeft gegeven.

Ten gevolge van kennelijke schrijffouten staat op diverse plaatsen in de tenlastelegging “cogulaat” in plaats van “coagulaat”. De rechtbank herstelt deze fouten, aangezien dit mogelijk is zonder dat de verdachte daardoor in zijn verdediging wordt geschaad.

4 De voorvragen

4.1

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

4.1.1

Het standpunt van de verdediging

Ter terechtzitting is namens de verdachte bepleit de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren, zoals uiteengezet in de pleitnota. De verdediging heeft hiertoe

in de eerste plaats aangevoerd dat het handelen van de officier van justitie in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, nu enkel een strafrechtelijk onderzoek is ingesteld naar de verdachte en aan enkele medeverdachten, hetgeen heeft geleid tot strafrechtelijke vervolging. Er is geen onderzoek ingesteld naar mogelijk strafbare gedragingen van de Provincie. De Provincie is als bestuursorgaan niet gevrijwaard van strafrechtelijke vervolging. Voor onderzoek naar de rol van de Provincie was aanleiding, omdat zij betrokken was bij een ‘feitelijk normidentiek gedragingscomplex’. Zij heeft een beheersopdracht gegeven voor het doen voortbestaan van een situatie die de oorzaak van strafbare feiten zou kunnen zijn. De officier van justitie heeft afgezien van een strafrechtelijk onderzoek naar en vervolging van de Provincie, zonder daarvoor een rechtvaardiging te geven.

In de tweede plaats is vervolging van de verdachte in strijd met het fair trial beginsel. Hiertoe heeft de verdediging aangevoerd dat de officier van justitie zonder eigen nader onderzoek is uitgegaan van onjuiste informatie van de Provincie. Deze heeft de zaak aantoonbaar aangedikt. Er zou acuut gevaar zijn voor mens en milieu, wat achteraf niet waar bleek te zijn. Door van deze informatie uit te gaan, is het belang van de verdachte dermate geschaad dat de officier van justitie het recht op vervolging van de verdachte ontnomen dient te worden.

In de derde plaats heeft de verdediging aangevoerd dat vervolging in strijd is met het vertrouwensbeginsel. Het openbaar ministerie had al sinds het jaar 2000 de beschikking over controlerapporten met betrekking tot [medeverdachte 4] en is in al die jaren nooit tot enige actie overgegaan. Reeds hierom heeft zij niet het recht om, na zoveel jaren waarin zij op de hoogte was van de situatie ter plekke, de vervolging van de verdachte in te zetten. Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat ook door de Provincie gedurende een groot aantal jaren geen actie is ondernomen om een einde te maken aan de situatie zoals die bestond op het bedrijfsterrein van [medeverdachte 4] , terwijl zij ervan op de hoogte was dat op dit terrein activiteiten plaatsvonden zonder de benodigde vergunningen en er frequent door of namens haar controles plaatsvonden waardoor zij wist hoe de situatie ter plaatse was en welke stoffen er lagen opgeslagen. Volgens de verdediging was er hierdoor sprake van een zogenaamde ‘putatieve vergunning’: ‘alles bij elkaar was de toestand onwettig, maar niet zó onrechtmatig en schadelijk, dat de toestand per direct door finaal ingrijpen beëindigd moest worden. Edelchemie kon denken: wat ik hier doe en laat voortbestaan, mág.’1

4.1.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat zij wel ontvankelijk is. Zij stelt zich ten eerste op het standpunt dat, indien al zóu zijn gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel door de Provincie niet te vervolgen, dat vormverzuim niet onherstelbaar is. Alleen al daarom kan dit niet leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie. Daarnaast is de belangenafweging over al dan niet vervolging niet ter beoordeling van de rechtbank. Het vervolgingsrecht is op grond van het opportuniteitsbeginsel, zowel volgens de wet als volgens de heersende jurisprudentie, exclusief aan het openbaar ministerie toebedeeld. In deze zaak heeft het openbaar ministerie geoordeeld dat de Provincie geen bijdrage heeft geleverd aan de strafbare gedragingen zoals die in de tenlastelegging van de verdachte zijn opgenomen. De Provincie voerde slechts haar handhavingstaak uit en vervolging is daarom niet aan de orde.

Ten tweede is door de raadsman aangevoerd dat de officier van justitie is uitgegaan van onjuiste informatie zonder nader onderzoek te verrichten. Deze aanname van de verdediging is naar het oordeel van de officier van justitie niet juist. Nadat door de Provincie aangifte was gedaan heeft de officier van justitie zelfstandig onderzoek verricht door het horen van getuigen en het doen verrichten van onderzoeken door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna te noemen: NFI). Daaruit bleek dat de aangifte van de Provincie in voldoende mate werd gesteund door de bevindingen uit het onderzoek dat door de officier van justitie was verricht. De officier van justitie is dus niet misleid door de aangifte van de Provincie. Zij heeft haar recht tot vervolging dan ook niet verloren.

Het is juist dat sinds het jaar 2000 controlerapporten betreffende het bedrijfsterrein naar het Openbaar Ministerie zijn gezonden, zoals de raadsman onder ten derde heeft aangevoerd. Het Openbaar Ministerie heeft de handhaving op het bedrijfsterrein sinds het verlopen van de vergunningen overgelaten aan de betrokken bestuursorganen. Pas in 2012 is aangifte van diverse feiten gedaan en raakte het Openbaar Ministerie inhoudelijk betrokken bij de onderhavige zaak. Het Openbaar Ministerie was van oordeel dat er een voldoende mate van verdenking bestond om de verdachte te vervolgen en is hiertoe rechtmatig overgegaan. Ook dit verweer van de raadsman kan niet leiden tot niet-ontvankelijkheid.

Ten derde stelt de officier van justitie dat er door het Openbaar Ministerie geen gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat van vervolging zou worden afgezien. Een handelen of nalaten van een overheidsorgaan dat niet verantwoordelijk is voor het strafvervolgingsbeleid, raakt niet het recht van het Openbaar Ministerie om tot strafvervolging over te gaan. Alleen in expliciete gedoogsituaties waarbij het Openbaar Ministerie of een voor de vervolging verantwoordelijke instantie daadwerkelijk is betrokken, heeft dat tot gevolg dat strafvervolging niet langer mogelijk is. Van een expliciete gedoogsituatie was evenwel geen sprake. De verdachte mocht er niet op vertrouwen dat zijn handelen werd toegestaan. Er is geen sprake van een concrete, duidelijke en ondubbelzinnige toezegging of een gedraging waarin zo’n toezegging in redelijkheid geacht kon worden besloten te liggen. Er was evenmin zicht op legalisatie, zoals blijkt uit de uitspraken in het bestuursrechtelijk traject. Het verweer dat door de vervolging het vertrouwensbeginsel is geschonden, dient dan ook te worden verworpen.

4.1.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat in artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van de officier van justitie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin, dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de vervolging op grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde, zoals het gelijkheidsbeginsel, het beginsel van fair trial of het vertrouwensbeginsel.

Een uitzonderlijk geval waarin plaats is voor niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie, doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld terwijl geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de verdere vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur (dat in de strafrechtspraak in dit verband ook wel wordt omschreven als het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging).2

In de eerste plaats is door de raadsman aangevoerd dat de officier van justitie heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel, nu zij wel de verdachte en zijn medeverdachten, maar niet de Provincie heeft vervolgd.

De rechtbank is van oordeel dat de rol van de Provincie in deze zaak een wezenlijk andere is dan de rol van de verdachte en de medeverdachten. De Provincie had een toezichthoudende taak, terwijl de (mede)verdachte(n) moest(en) voldoen aan de beheersopdracht van de Provincie, inhoudende – kort samengevat – dat het bedrijfsterrein van [medeverdachte 4] moest worden opgeschoond en de daar aanwezige materialen en (afval)stoffen moesten worden afgevoerd. Dat de rol van de Provincie door de wetenschap van de situatie op het bedrijfsterrein en door dit lange tijd in stand te laten, een min of meer gelijke is, is niet juist en is geen min of meer gelijk geval. Daarom is van schending van het gelijkheidsbeginsel of het verbod van willekeur geen sprake en wordt dit verweer verworpen.

In de tweede plaats heeft de raadsman aangevoerd dat de officier van justitie is uitgegaan van onjuiste informatie zonder nader onderzoek te verrichten. Uit het dossier blijkt dat in opdracht van de officier van justitie op 14 september 2012 een strafrechtelijk onderzoek is gestart op basis van informatie afkomstig van de Provincie, de Gemeente en het Regionaal milieuteam Limburg Noord. Gedurende dit onderzoek is ook de verdenking ten aanzien van de verdachte ontstaan. Het onderzoek dat in opdracht van de officier van justitie is verricht bestond onder meer uit de doorzoeking van woningen en het bedrijfsterrein, het horen van getuigen en de verdachten. Ook zijn er op aanvraag van de officier van justitie op het bedrijfsterrein onderzoeken verricht en monsters genomen door het NFI, waarover uitvoerig is gerapporteerd. De stelling dat de officier van justitie geen dan wel onvoldoende eigen onderzoek heeft verricht en zich bij haar vervolgingsbeslissing geheel heeft laten leiden door onjuiste informatie van de Provincie en zo doende in strijd met het fair trial beginsel heeft gehandeld, moet dan ook worden verworpen.

In de derde plaats heeft de raadsman gesteld dat vervolging in strijd is met het vertrouwensbeginsel. Hij heeft aangevoerd dat het Openbaar Ministerie jarenlang niets heeft gedaan met de controlerapporten die het ontving van de Provincie en de Provincie jarenlang geen actie heeft ondernomen om een einde te maken aan de situatie op het bedrijfsterrein van [medeverdachte 4] .

Strijd met het vertrouwensbeginsel doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet nadat door het Openbaar Ministerie gedane, of aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen, uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) bij de verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat hij niet (verder) zal worden vervolgd. Aan uitlatingen of gedragingen van functionarissen aan wie geen bevoegdheden in verband met de vervolgingsbeslissing zijn toegekend – zoals ambtenaren van de Provincie – kan gerechtvaardigd vertrouwen dat (verdere) vervolging achterwege zal blijven evenwel in de regel niet worden ontleend.

De situatie dat door het Openbaar Ministerie of door aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen uitlatingen of gedragingen van functionarissen, in deze zaak concrete toezeggingen zijn gedaan aan de (mede)verdachte(n) van niet-vervolging ter zake de tenlastegelegde feiten, doet zich in deze strafzaak niet voor. Het is invoelbaar dat de verdachte en zijn medeverdachten zich overrompeld voelden toen pas na vele jaren na het expireren van de milieuvergunning en na vele controles door onder meer de Provincie, door de Provincie is besloten om tot handhaving over te gaan en tot het doen van aangifte. Maar de vervolgingsbeslissing die mede op basis van het nadien verrichte onderzoek is genomen kan niet worden opgevat als strijdig met een gerechtvaardigd vertrouwen dat niet tot vervolging zou worden gegaan. De rechtbank verwerpt het verweer.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

4.2

De overige voorvragen

Bij het onderzoek ter terechtzitting:

  • -

    is gebleken dat de dagvaarding geldig is;

  • -

    is voorts gebleken dat de rechtbank krachtens de wettelijke bepalingen bevoegd is van het ten laste gelegde kennis te nemen;

  • -

    zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

5 De beoordeling van het bewijs

5.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de aan de verdachte tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.

De in de tenlastelegging genoemde verweten gedragingen kunnen redelijkerwijs aan de verdachte worden toegerekend, nu deze zijn verricht in de sfeer van de rechtspersonen [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] , die samen één inrichting vormden. De gedragingen pasten in de normale bedrijfsvoering dan wel taakuitoefening van de rechtspersonen ten behoeve waarvan ook de verdachte werkzaam was. De verdachte was immers technisch directeur van [medeverdachte 5] en was werkzaam in de vergunningplichtige bedrijfsactiviteiten met betrekking tot verf van [medeverdachte 5] .

Van de verdachte mag volgens de officier van justitie worden verwacht dat hij uit hoofde van zijn functie, zijn positie en zijn wetenschap van hetgeen zich op het bedrijfsterrein afspeelde op de hoogte was dan wel had moeten zijn van de verweten gedragingen alsmede dat hij de verweten overtreding voorkwam en/of beëindigde.

De officier van justitie is van oordeel dat de verdachte, eveneens uit hoofde van zijn functie, werkzaamheden, kennis, ervaring en bezit (recht van opstal), beschikte over de bevoegdheid om maatregelen te nemen met betrekking tot de situatie op het bedrijfsterrein van [medeverdachte 4] en redelijkerwijs gehouden is geweest de benodigde maatregelen te treffen ter voorkoming en/of beëindiging van de verweten gedragingen. Nu de verdachte dit desondanks achterwege heeft gelaten, heeft hij daarmee op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de verboden gedragingen en daarmee het gevaar van bodemverontreiniging zich (daadwerkelijk) zou voordoen. Er was geen vergunning en er werd niet aan voorschriften voldaan en de bedrijfsvoering schoot ernstig tekort in het ontmantelen, sterker nog de bedrijfsvoering schoot ernstig te kort met alle milieurisico’s van dien. Gelet op de nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachten is er sprake van het willens en wetens medeplegen van de feiten 1, 2 en 3.

5.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat de verdachte slechts een werknemer was van [medeverdachte 5] en zich slechts bezig hield met activiteiten met betrekking tot de verkoop van verf, welke activiteiten volgens de verdediging niet vergunningplichtig zijn. Verder heeft de verdachte gedurende de tenlastegelegde periode enkele hand- en spandiensten verricht, hetgeen volstrekt te weinig is om te kunnen spreken van een intellectuele dan wel materiële inbreng van voldoende gewicht en dus te weinig om te kunnen spreken van medeplegen. Hij had geen beheerstaken en hij wist niets van de werking van [medeverdachte 4] af. Het feit dat de verdachte opstalhouder is wil niet zeggen dat hij verantwoordelijk kan worden gehouden voor wat binnen de betreffende gebouwen plaatsvond. Hij wist dat er laboratoria aanwezig waren, maar van hem kon niet worden verwacht dat hij op de hoogte was van eventuele overtredingen met betrekking tot die laboratoria. Ook het uitvoeren van hand- en spandiensten op het terrein van de inrichting in het kader van het beheer daarvan is volstrekt te weinig om van medeplegen te kunnen spreken.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

In de uitspraken van de van 13 april 2016 en 20 april 20163 laat de Afdeling zich onder meer uit over wat als de inrichting wordt aangemerkt, de vergunningplicht, de vergunningplichtigen, de overtreding van deze verplichting, de op het terrein aanwezige afvalstoffen en de zorgplicht van artikel 13 van de Wet bodembescherming.

Voor de rechtbank is de formele én materiële rechtskracht van de bestuursrechtelijke besluitvorming een gegeven. In verband met een behoorlijke taakverdeling tussen de strafrechter en de bestuursrechter en ter voorkoming van tegenstrijdige uitspraken, is de strafrechter in beginsel gebonden aan de beslissing van de bestuursrechter die in hoogste instantie heeft geoordeeld. De strafrechter moet dus van de rechtmatigheid van de bestuursbesluiten in deze zaak uitgaan, tenzij deze evident in strijd zijn met het recht. Die gebondenheid aan het oordeel van de bestuursrechter geldt echter niet bij uitspraken over de van belang zijnde feiten.4 De rechtbank zal dan ook zelf de feiten onderzoeken en waarderen.

De rechtbank zal allereerst het wettelijk kader met betrekking tot de feiten 1 en 2 bespreken.

Wettelijk kader

Vergunningplichtige activiteiten op grond van het Besluit Algemene Regels Milieubeheer in de periode van 1 januari 2009 tot 1 oktober 2010 (feit 1):

  • -

    Voor het vervaardigen van verf (Bijlage I onder i);

  • -

    Alwaar een laboratorium aanwezig is (Bijlage I onder p);

  • -

    Voor – kortgezegd – het opslaan of storten van al dan niet gevaarlijke afvalstoffen (Bijlage I onder ll).

Vergunningplichtige activiteiten op grond van het Besluit omgevingsrecht in de periode van 1 oktober 2010 tot en met 26 september 2012 (feit 2):

  • -

    Voor het vervaardigen van verf (Bijlage I, onderdeel C, onder 4.4.b);

  • -

    Voor de nuttige toepassing of verwijdering van afvalstoffen (bijlage I, onderdeel C, onder 28.10).

Vergunningplichtige activiteiten

De Afdeling heeft geoordeeld dat het aanwezig hebben van afvalstoffen waarover het hier gaat, naar schatting 12.500 ton, staat voor het in werking hebben van een vergunningplichtige afvalstoffeninrichting voor hetzij het opslaan hetzij het storten van afvalstoffen.5

Uit de inventarisaties van [naam 1] van de aanwezige afvalstoffen is gebleken dat op het bedrijfsterrein te Panheel (al dan niet gevaarlijke) afvalstoffen lagen opgeslagen, terwijl er eveneens stoffen werden bewerkt en verwerkt. Gezien de hoeveelheid afvalstoffen en de verrichte handelingen is ook de rechtbank van oordeel dat er sprake is van het in werking hebben van een inrichting in de zin van artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer in de periode van 1 januari 2009 tot en met 30 september 2010 respectievelijk in de zin van artikel 1, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in de periode van 1 oktober 2010 tot en met 26 september 2012.

Daarnaast waren – gelet op de omvang ervan bedrijfsmatig – ook het aanwezig hebben van een laboratorium (onder feit 1 tenlastegelegd) en het vervaardigen van verf (onder feiten 1 en 2 tenlastegelegd) vergunningplichtige activiteiten.

Anders dan door de verdediging ter zitting meermalen is betoogd, is het niet zo dat alleen van vervaardiging van verf gesproken wordt bij een productieproces waarin een chemische omzetting plaats vindt (en derhalve niet bij het alleen maar mengen, roeren of afvullen). Deze door de verdediging gepresenteerde definitie van vervaardigen is afkomstig uit de Nota van toelichting bij het BARIM en heeft geen betrekking op het vervaardigen van verf, maar op de “gevaarlijke stoffen”. Destijds luidde categorie i:

‘inrichtingen voor het vervaardigen van gevaarlijke stoffen of stoffen die bij of krachtens het Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten zijn ingedeeld in een categorie als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffen of voor het vervaardigen van verf, lak, drukinkt, lijm, waspoeder of enzymen’

In de toelichting bij deze categorie staat onder meer:

‘(…) Gezien de definitie van gevaarlijke stof vallen hieronder niet alleen stoffen maar ook voorwerpen. Door de brede definitie valt hieronder niet alleen de productie van basischemicaliën en producten die als gevaarlijke stoffen zijn ingedeeld, maar ook de productie van halffabrikaten, farmaceutica, en dergelijke. Relevant is dat alleen van vervaardiging gesproken wordt bij een productieproces waarin een chemische omzetting plaats vindt, niet alleen maar mengen, roeren of afvullen.

Bij categorie i zijn enkele specifieke producten zoals verf apart genoemd. Het gaat hier om producten die vaak, maar niet altijd, vallen onder het begrip «gevaarlijke stoffen» of onder de etiketteringsplicht van de Wet milieugevaarlijke stoffen. Aangezien voor deze productieprocessen specifieke voorschriften nodig zijn, zijn ze hier expliciet benoemd, zodat duidelijk is dat ze vergunningplichtig blijven.’

Eén inrichting?

De vraag waarvoor de rechtbank zich vervolgens gesteld ziet, houdt in of er ten aanzien van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] sprake is van één inrichting.

De Afdeling heeft geoordeeld dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] één inrichting vormen in de zin van de Wet Milieubeheer.

Volgens artikel 1.1, derde lid, juncto vierde lid, van de Wet milieubeheer wordt in de in feit 1 tenlastegelegde periode onder inrichting verstaan ‘een inrichting, behorende tot een categorie die krachtens algemene maatregel van bestuur is aangewezen, die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken. Daarbij worden als één inrichting beschouwd de tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties die onderling technische, organisatorische of functionele bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen.’

Het begrip ‘inrichting’ in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, geldend ten tijde van de in feit 2 tenlastegelegde periode sluit aan bij het begrip ‘inrichting’ in de Wet Milieubeheer.

Op het bedrijfsterrein aan de [adres] te Heel waren in de tenlastegelegde perioden een tweetal bedrijven gevestigd, te weten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] . De vraag is nu, of beide bedrijven zodanige technische, organisatorische en/of functionele bindingen hebben dat zij als één inrichting moeten worden beschouwd.

Naar het oordeel van de rechtbank moet deze vraag bevestigend worden beantwoord.

Beide bedrijven maakten gebruik van gemeenschappelijke voorzieningen en er vond uitwisseling van goederen, personeel en bedrijfsmiddelen plaats. Er is daarom ook naar het oordeel van de rechtbank sprake van één inrichting in de zin van artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer respectievelijk artikel 1, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Dat betekent dat [medeverdachte 4] / [medeverdachte 5] zonder vergunning vergunningplichtige activiteiten verrichtten in de periode van 1 januari 2009 tot en met 26 september 2012

De beoordeling van de betrokkenheid van de verdachte bij de feiten 1 en 2

Uit het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte betrokken was bij de activiteiten op het terrein van [medeverdachte 4] . Hij was op de hoogte van de situatie ter plekke en van de werkzaamheden die op het bedrijfsterrein van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] werden verricht, zonder dat de inrichting in het bezit was van de daarvoor benodigde vergunningen.

Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij met de laboratoria - hoewel één van de laboratoria gelegen was in het gebouw van [medeverdachte 5] - niets te maken had. Ook bij het beheer van de in de dagvaarding genoemde stoffen was de verdachte niet betrokken. De instructies van [medeverdachte 1] , zijnde de vader van de verdachte, met betrekking tot het waterbeheer waren slechts bedoeld om actie te ondernemen wanneer er iets aan de hand zou zijn tijdens de afwezigheid van [medeverdachte 1] . Hand- en spandiensten werden verricht op verzoek van [medeverdachte 1] , om deze te ontlasten aangezien hij, gelet op zijn gevorderde leeftijd, geen zware arbeid meer kon verrichten.

De rechtbank beschrijft allereerst de rol van de betrokkenen bij deze activiteiten:

  • -

    de verdachte was werknemer van [medeverdachte 5] en had geen bestuursfunctie bij [medeverdachte 4] of [medeverdachte 5] ;

  • -

    de vader van de verdachte, medeverdachte [medeverdachte 1] , was bestuurder van [medeverdachte 4] en de drijvende kracht achter [medeverdachte 5] ;

  • -

    de vader van de verdachte verrichtte laboratoriumwerkzaamheden voor [medeverdachte 2] en factureerde voor [medeverdachte 5] ;

  • -

    de vader van de verdachte bestelde de grondstoffen voor verf, bedacht nieuwe soorten verf en was degene die vrijwel uitsluitend anderen opdrachten gaf om zaken voor [medeverdachte 5] te regelen;

  • -

    de verdachte hield zich bezig met het mengen en verkopen van verf, Polykit en Edelcoat voor [medeverdachte 5] ;

  • -

    de verdachte verrichtte in opdracht van zijn vader administratieve werkzaamheden voor [medeverdachte 5] ;

  • -

    de verdachte verrichtte op aanwijzing van zijn vader hand- en spandiensten bij het beheer van het bedrijfsterrein van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] , waarvoor [medeverdachte 4] [medeverdachte 5] betaalde;

  • -

    de verdachte kreeg instructies van zijn vader met betrekking tot het waterbeheer op het bedrijfsterrein.

De vraag die beantwoording van de rechtbank behoeft is of de verdachte door bovenstaande activiteiten kan worden aangemerkt als pleger c.q. medepleger. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Die vraag laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval.

Ook indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.

Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

Op grond van de bewijsmiddelen overweegt de rechtbank dat om als medepleger te worden beschouwd het onvoldoende dat de verdachte een arbeidsovereenkomst had met [medeverdachte 5] en wist wat zich op het terrein afspeelde. Hij had immers geen bestuursfunctie bij [medeverdachte 5] of [medeverdachte 4] . Ook feitelijk gezien was hij niet de persoon die zeggenschap had over de vergunningplichtige activiteiten van [medeverdachte 4] of [medeverdachte 5] . Het was zijn vader, [medeverdachte 1] , die bepaalde wat er op het bedrijfsterrein gebeurde. Nu de verdachte geen zeggenschap had over de te verrichten activiteiten, is zijn rol naar het oordeel van de rechtbank te karakteriseren als het behulpzaam zijn. Weliswaar heeft de verdachte nauw samengewerkt met zijn vader, maar gelet op de rol van vader en de gezagsverhouding tussen vader en zoon is de bijdrage van de verdachte van onvoldoende gewicht om te kunnen spreken over medeplegen van de tenlastegelegde feiten.

Daarom zal de verdachte worden vrijgesproken van het (mede-) plegen van de primair onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten.

Gezien de omstandigheid dat de verdachte geen zeggenschap had over de gang van zaken bij [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] en hierop evenmin invloed had, is de rechtbank van oordeel dat er ook geen sprake is van feitelijk leiding geven. Alleen al hierom zal de verdachte ook van de subsidiair tenlastegelegde feiten worden vrijgesproken.

Beoordeling van de betrokkenheid van de verdachte bij feit 3

Wat er ook zij van de schending van de zorgplicht, onder verwijzing naar wat hiervoor is overwogen, is de betrokkenheid van de verdachte bij het nakomen van de zorgplicht voor de bodem van onvoldoende gewicht om deze als medeplegen of feitelijk leiding geven. De rechtbank zal de verdachte ook van dit feit, primair en subsidiair, vrijspreken.

6 De beslissing

De rechtbank:

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging;

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van de onder de feiten 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Schutte, voorzitter, mr. J.H.M. Engels en

mr. P. van Blaricum, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Schuwirth en

mr. K.J.M. Voncken, griffiers, en uitgesproken ter openbare zitting van 22 november 2017.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij in de periode 1 januari 2009 tot en met 30 september 2010 te Heel, gemeente Maasgouw tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, opzettelijk zonder daartoe verleende vergunning een op het perceel [adres] gevestigde inrichting

-voor het vervaardigen van verf en/of lak en/of

-waar een laboratorium aanwezig was en/of

-voor het opslaan, behandelen of reinigen van afvalwater en/of

-voor het opslaan van meer dan 35 kubieke meter van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen, te weten latex coagulaat en/of bluspoeder en/of geconditioneerd gips, niet zijnde gevaarlijke afvalstoffen en/of -voor het opslaan van gevaarlijke afvalstoffen, te weten indampresten fixeer en/of ongeconditioneerd gips en/of zwavelslib, die van buiten de inrichting afkomstig zijn en/of

-voor het opslaan en/of bewerken en/of verwerken van afvalstoffen, te weten vloeibare fotografische en/of vloeibare galvanische afvalstoffen en/of gaswasvloeistof en/of gaswasslurry en/of slib en/of

-voor het storten of het anderszins op of in de bodem brengen van afvalstoffen, te weten indampresten fixeer en/of obsidiaan en/of latex coagulaat en/of ongeconditioneerd gips en/of zwavelslib en/of geconditioneerd gips,

zijnde een inrichting genoemd in Categorie 4 en/of 21 en/of 28 van de bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer behorende Bijlage I, in elk geval een inrichting genoemd in voormelde Bijlage I en tevens behorende tot (een) categorie(ën) van inrichtingen, aangewezen in Bijlage I onder categorie i, p en/of ll van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer, in elk geval tot (een) categorie(ën) aangewezen in laatstgenoemde Bijlage I, in werking heeft/hebben gehad,

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

[medeverdachte 5] in de periode 1 januari 2009 tot en met 30 september 2010 te Heel, gemeente Maasgouw tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, opzettelijk zonder daartoe verleende vergunning een op het perceel [adres] gevestigde inrichting

-voor het vervaardigen van verf en/of lak en/of

-waar een laboratorium aanwezig was en/of

-voor het opslaan, behandelen of reinigen van afvalwater en/of

-voor het opslaan van meer dan 35 kubieke meter van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen, te weten latex coagulaat en/of bluspoeder en/of geconditioneerd gips, niet zijnde gevaarlijke afvalstoffen en/of

-voor het opslaan van gevaarlijke afvalstoffen, te weten indampresten fixeer en/of ongeconditioneerd gips en/of zwavelslib, die van buiten de inrichting afkomstig zijn en/of

-voor het opslaan en/of bewerken en/of verwerken van afvalstoffen, te weten vloeibare fotografische en/of vloeibare galvanische afvalstoffen en/of gaswasvloeistof en/of gaswasslurry en/of slib en/of

-voor het storten of het anderszins op of in de bodem brengen van afvalstoffen, te weten indampresten fixeer en/of obsidiaan en/of latex coagulaat en/of ongeconditioneerd gips en/of zwavelslib en/of geconditioneerd gips,

zijnde een inrichting genoemd in Categorie 4 en/of 21 en/of 28 van de bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer behorende Bijlage I, in elk geval een inrichting genoemd in voormelde Bijlage I en tevens behorende tot (een) categorie(ën) van inrichtingen, aangewezen in Bijlage I onder categorie i, p en/of ll van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer, in elk geval tot (een) categorie(ën) aangewezen in laatstgenoemde Bijlage I, in werking heeft/hebben gehad,

hebbende hij, verdachte, tot dat/die feit(en) opdracht gegeven, althans feitelijke leiding gegeven aan voormelde verboden gedraging(en);

2.

hij in de periode 1 oktober 2010 tot en met 26 september 2012 te Heel, gemeente Maasgouw tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk zonder omgevingsvergunning een project heeft uitgevoerd, geheel of gedeeltelijk bestaande uit het in werking hebben van een op het perceel [adres] gevestigde inrichting

-voor het vervaardigen van verf en/of lak en/of

-voor nuttige toepassing en/of verwijdering van afvalstoffen, te weten afvalwater en/of latex coagulaat en/of bluspoeder en/of geconditioneerd gips en/of indampresten fixeer en/of ongeconditioneerd gips en/of zwavelslib en/of vloeibare fotografische en/of vloeibare galvanische afvalstoffen en/of gaswasvloeistof en/of gaswasslurry en/of slib en/of obsidiaan,

zijnde genoemde inrichting een inrichting, aangewezen in Onderdeel C categorie 4.4 en/of 28.10 van bijlage I van het Besluit omgevingsrecht, in elk geval aangewezen in bijlage I van het Besluit omgevingsrecht,

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

[medeverdachte 5] in de periode 1 oktober 2010 tot en met 26 september 2012 te Heel, gemeente Maasgouw tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk zonder omgevingsvergunning een project heeft/hebben uitgevoerd, geheel of gedeeltelijk bestaande uit het in werking hebben van een op het perceel [adres] gevestigde inrichting

-voor het vervaardigen van verf en/of lak en/of

-voor nuttige toepassing en/of verwijdering van afvalstoffen, te weten afvalwater en/of latex coagulaat en/of bluspoeder en/of geconditioneerd gips en/of indampresten fixeer en/of ongeconditioneerd gips en/of zwavelslib en/of vloeibare fotografische en/of vloeibare galvanische afvalstoffen en/of gaswasvloeistof en/of gaswasslurry en/of slib en/of obsidiaan,

zijnde genoemde inrichting een inrichting, aangewezen in Onderdeel C categorie 4.4 en/of 28.10 van bijlage I van het Besluit omgevingsrecht, in elk geval aangewezen in bijlage I van het Besluit omgevingsrecht, hebbende hij, verdachte, tot dat/die feit(en) opdracht gegeven, althans feitelijke leiding gegeven aan voormelde verboden gedraging(en);

3.

hij in de periode 1 januari 2009 tot en met 26 september 2012 te Heel, gemeente Maasgouw, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) op en/of in de bodem van perceel [adres] (een) handeling(en), als bedoeld in artikel 6 tot en met 11 van de Wet bodembescherming heeft/hebben verricht, te weten handelingen, waarbij stoffen die de bodem konden verontreinigen of aantasten, op of in de bodem werden gebracht teneinde deze daar te laten, te weten

het (ter bewaring) op of in de bodem opslaan van afvalwater en/of latex coagulaat en/of bluspoeder en/of geconditioneerd gips en/of indampresten fixeer en/of ongeconditioneerd gips en/of zwavelslib en/of vloeibare fotografische en/of vloeibare galvanische afvalstoffen en/of gaswasvloeistof en/of gaswasslurry en/of slib en/of obsidiaan

en/of

het op of in de bodem brengen van afvalstoffen, te weten afvalwater en/of latex coagulaat en/of bluspoeder en/of geconditioneerd gips en/of indampresten fixeer en/of ongeconditioneerd gips en/of zwavelslib en/of vloeibare fotografische en/of vloeibare galvanische afvalstoffen en/of gaswasvloeistof en/of gaswasslurry en/of slib en/of obsidiaan en/of

het op of in de bodem doen uitstromen van verontreinigd water en/of slib en/of het uitvoeren van de ontwatering van slib

en terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) kunnen vermoeden, dat door die handeling(en) de bodem kon worden verontreinigd en/of aangetast,

toen al dan niet opzettelijk niet aan zijn/hun verplichting heeft/hebben voldaan alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem/hen kon worden gevergd, teneinde die verontreiniging en/of aantasting te voorkomen dan wel, terwijl die verontreiniging en/of aantasting zich voordeed, de verontreiniging of de aantasting en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

[medeverdachte 5] B.V in de periode 1 januari 2009 tot en met 26 september 2012 te Heel, gemeente Maasgouw, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen,

terwijl zij op en/of in de bodem van perceel [adres] (een) handeling(en), als bedoeld in artikel 6 tot en met 11 van de Wet bodembescherming heeft/hebben verricht, te weten handelingen, waarbij stoffen die de bodem konden verontreinigen of aantasten, op of in de bodem werden gebracht teneinde deze daar te laten, te weten

het (ter bewaring) op of in de bodem opslaan van afvalwater en/of latex coagulaat en/of

bluspoeder en/of geconditioneerd gips en/of indampresten fixeer en/of ongeconditioneerd gips en/of zwavelslib en/of vloeibare fotografische en/of vloeibare galvanische afvalstoffen en/of gaswasvloeistof en/of gaswasslurry en/of slib en/of obsidiaan

en/of

het op of in de bodem brengen van afvalstoffen, te weten afvalwater en/of latex coagulaat en/of bluspoeder en/of geconditioneerd gips en/of indampresten fixeer en/of ongeconditioneerd gips en/of zwavelslib en/of vloeibare fotografische en/of vloeibare galvanische afvalstoffen en/of gaswasvloeistof en/of gaswasslurry en/of slib en/of obsidiaan en/of

het op of in de bodem doen uitstromen van verontreinigd water en/of slib

en/of het uitvoeren van de ontwatering van slib

en terwijl zij wist(en), althans redelijkerwijs had(den) kunnen vermoeden, dat door die handeling(en) de bodem kon worden verontreinigd en/of aangetast,

toen al dan niet opzettelijk niet aan haar/hun verplichting heeft/hebben voldaan alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van haar/hen kon worden gevergd, teneinde die verontreiniging en/of aantasting te voorkomen dan wel, terwijl die verontreiniging en/of aantasting zich voordeed, de verontreiniging of de aantasting en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken, hebbende hij, verdachte, tot dat/die feit(en) opdracht gegeven, althans feitelijke leiding gegeven aan voormelde verboden

1 Pleitnota van de raadsman, voorgedragen ter terechtzitting van 26 oktober 2017, pagina 21, eerste alinea.

2 Zoals in HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4280 en HR 19 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:23.

3 Vindplaatsen: ECLI:NL:RVS:2016:978 en ECLI:NL:RVS:2016:1044.

4 Vindplaats: HR 11 mei 2004, NJ 2004, 606, LJN AO5690.

5 Vindplaats: ECLI:NL:RVS:2016:1065.