Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:11224

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
16-11-2017
Datum publicatie
20-11-2017
Zaaknummer
96/221048-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overtreding van artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994: als beginnend bestuurder in een auto rijden onder invloed van alcohol. Wanneer gaat de beginnerstermijn lopen? De verdachte was ten tijde van de afgifte van zijn eerste rijbewijs (het AM-rijbewijs) minderjarig. Daarom gold voor hem een beginnerstermijn van zeven jaren. Deze termijn was ten tijde van de pleegdatum nog niet verlopen. Dat hij meerderjarig was toen hij zijn B-rijbewijs behaalde, betekent niet dat toen een (kortere) beginnerstermijn inging. De verdachte was dus op de datum van het tenlastegelegde feit een beginnend bestuurder conform de tenlastelegging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2018/17
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Team stafrecht

Parketnummer: 96/221048-16

Datum uitspraak: 16 november 2017

Vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingslocatie Maastricht,

in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboortedatum] ,

wonende te [adres verdachte] .

1 Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is op tegenspraak ex artikel 279 van het Wetboek van Strafvordering gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 2 november 2017, waarbij de officier van justitie en de raadsman, mr. J.W.E. Luiten, hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte op 21 oktober 2016 te Heerlen als beginnend bestuurder onder invloed van alcohol heeft gereden.

3 De voorvragen

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan de daaraan krachtens de wet te stellen eisen voldoet. Krachtens de wettelijke bepalingen is de politierechter bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen. Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan; de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op het proces-verbaal ter zake artikel 8 Wegenverkeerswet 1994 en de kopie van het rijbewijs van de verdachte, waaruit blijkt dat hij een beginnend bestuurder was ten tijde van de pleegdatum. Immers, het eerste rijbewijs, het rijbewijs AM, is afgegeven op 29 juni 2010. De zevenjaarstermijn voor beginnend bestuurders die hier van toepassing is, zou in het geval van de verdachte daarom op 19 juni 2017 verstrijken en de datum waarop het feit gepleegd is, is 21 oktober 2016.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman bepleit vrijspraak. Hij is van mening dat bij het bepalen of de verdachte een beginnend bestuurder was, moet worden gekeken naar de rijbewijscategorie die van toepassing is. Dat is hier de categorie B, het autorijbewijs, en niet de categorie AM, het bromfietsrijbewijs. Het rijbewijs B is afgegeven op 12 september 2012. Op dat moment was de verdachte meerderjarig en ving de wettelijke vijfjaarstermijn voor beginnend bestuurders aan. In de tenlastelegging wordt ten onrechte uitgegaan van de zevenjaarstermijn die geldt voor beginnend bestuurders die minderjarig waren ten tijde van de afgifte van het eerste rijbewijs. Het tenlastegelegde kan daarom niet worden bewezen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De feiten1

Uit het proces-verbaal van bevindingen2 blijkt dat het operationeel centrum in Maastricht op 21 oktober 2016 melding maakte van een bestuurder die vermoedelijk dronken een voertuig bestuurde op de Willem Barentzweg te Heerlen. De verdachte werd staande gehouden. Uit een blaastest volgde het resultaat A. Voorts werd medewerking gevorderd aan een ademanalyse op het politiebureau. Aan de verdachte is het resultaat van de ademanalyse medegedeeld, te weten 460 µg/l. De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij vijf blikken bier van een halve liter had gedronken en dat hij daarna als bestuurder was opgetreden.

Bij het proces-verbaal is een kopie gevoegd van het rijbewijs van de verdachte. Hieruit blijkt dat het rijbewijs voor de categorie AM voor het eerst is afgegeven op 29 juni 2010 toen de verdachte 17 jaar oud was en het rijbewijs voor de categorie B voor het eerst is afgegeven op 12 september 2012 toen de verdachte 19 jaar oud was.

De politierechter ziet zich gesteld voor de vraag van welke datum moet worden uitgegaan bij de bepaling van het begin van de vijf- dan wel de zevenjaarstermijn.

4.3.2

De wetsgeschiedenis

In de Memorie van toelichting behorende bij het wetsvoorstel Wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met de invoering van een bromfietsrijbewijs kwam dezelfde kwestie aan de orde als in deze zaak door de raadsman is aangedragen. De politie vroeg zich in haar advies bij het concept-wetsvoorstel – dat nog slechts een vijfjaarstermijn voor beginnend bestuurders bevatte – af vanaf welk moment de termijn van vijf jaar voor een beginnend bestuurder in zou gaan.3 Was dat al op het moment van het verkrijgen van het bromfietsrijbewijs of pas vanaf het moment waarop een rijbewijs voor een andere categorie zou worden verkregen? Ook het OM had in zijn advies bij dat concept-wetsvoorstel kritiek op de vijfjaarstermijn die zou ingaan bij het behalen van het AM-rijbewijs. Het antwoord van de minister luidde als volgt:

“In antwoord op de vraag van de politie merk ik op dat de periode aanvangt op het moment waarop aan iemand voor het eerst een rijbewijs is afgegeven. In de meeste gevallen zal dat inderdaad gaan om een rijbewijs voor de categorie AM. Dat heeft tot gevolg dat voor veel personen de termijn vanaf dat moment, en dat moment zal veelal op of kort na de zestiende verjaardag liggen, gaat lopen. Dit zou derhalve inderdaad tot gevolg hebben dat bestuurders al kort na hun eenentwintigste niet meer als beginnende bestuurder worden aangemerkt. Bij nader inzien is dit onwenselijk. (…)

[Ik heb,] tezamen met mijn ambtgenoot van Justitie, aanleiding gezien een wijziging van het bestaande artikel 8, derde lid, voor te stellen. De inhoud van de voorgestelde wijziging komt hierop neer dat indien het eerste rijbewijs dat aan een persoon wordt afgegeven, een rijbewijs is voor de categorie AM en dit rijbewijs wordt behaald voordat de betrokkene de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, de houder niet gedurende vijf jaar na datum van afgifte van het eerste rijbewijs, maar gedurende zeven jaar na die datum, wordt aangemerkt als beginnende bestuurder. Met deze aanvulling wordt enerzijds het voordeel bereikt dat voor alle bestuurders hetzelfde regime geldt, maar anderzijds tevens het door het OM aangegeven bezwaar wordt ondervangen.” 4

De voorgestelde wijziging van artikel 8, derde lid van de Wegenverkeerswet 1994 trad in werking op 1 oktober 20065 en sindsdien is de wet op dit punt niet meer aangepast.

4.3.3

Slotsom

Uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat iemand maar één keer beginnend bestuurder kan worden. Er gaat geen nieuwe beginnerstermijn lopen als na de afgifte van het eerste rijbewijs een rijbewijs voor een andere categorie wordt behaald, ook niet voor die andere categorie. Als minderjarigen voor het eerst een rijbewijs behalen geldt evenwel een langere beginnerstermijn dan voor meerderjarigen die voor de eerste keer een rijbewijs krijgen.

Nu is komen vast te staan dat de verdachte ten tijde van de afgifte van zijn eerste rijbewijs (het AM-rijbewijs) minderjarig was, gold voor hem een beginnerstermijn van zeven jaren. Deze termijn ving aan op 29 juni 2010 en was ten tijde van de pleegdatum nog niet verlopen. De verdachte was dus op de datum van het tenlastegelegde feit een beginnend bestuurder conform de tenlastelegging. Gelet op het voorgaande wordt het verweer van de raadsman verworpen.

4.4

De bewezenverklaring

De politierechter acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte:

op 21 oktober 2016 te Heerlen als bestuurder van een personenauto voor het besturen waarvan een rijbewijs was vereist, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 460 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl nog geen zeven jaren waren verstreken sinds de eerste afgifte aan verdachte van een rijbewijs en verdachte op het ogenblik van die afgifte nog niet de leeftijd van achttien jaren had bereikt en de eerste afgifte van het rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden.

4.5

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

overtreding van artikel 8, derde lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994.

4.6

De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

5 De op te leggen straffen en/of maatregelen

5.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een geldboete ter hoogte van € 450,- bij niet-betaling of geen verhaal te vervangen door 9 dagen hechtenis, en daarnaast een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren.

5.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit en heeft zich niet uitgelaten over eventuele straftoemeting.

5.3

Het oordeel van de politierechter

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan - kort gezegd - als beginnend bestuurder rijden onder invloed. Door zijn handelwijze heeft de verdachte de verkeersveiligheid, daaronder begrepen de veiligheid van zijn medeweggebruikers, in gevaar gebracht.

De politierechter heeft acht geslagen op het uittreksel uit het justitieel documentatieregister betreffende de verdachte. Daaruit blijkt dat verdachte niet eerder met politie of justitie in aanraking is gekomen voor een soortgelijk feit.

Voor het bestraffen van het rijden onder invloed door een beginnend bestuurder is in het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) een oriëntatiepunt vastgesteld voor first offenders, te weten een geldboete en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid. De eis van de officier van justitie is conform dit oriëntatiepunt. De politierechter ziet geen reden om van dit oriëntatiepunt af te wijken.

Alles afwegende, acht de politierechter het passend en geboden dat aan de verdachte een geldboete ter hoogte van € 450,-, bij niet-betaling of geen verhaal te vervangen door 9 dagen hechtenis, en daarnaast een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren wordt opgelegd.

6 Toepasselijke wetsartikelen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

7 De beslissing

De politierechter:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zoals hierboven onder 4.4 is omschreven;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4.5 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

- veroordeelt de verdachte tot een geldboete ter hoogte van € 450,-, bij niet-betaling of geen verhaal te vervangen door 9 dagen hechtenis;

- ontzegt de verdachte terzake van het bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden;

- bepaalt dat deze ontzegging niet wordt tenuitvoergelegd, tenzij de rechter alsnog de tenuitvoerlegging daarvan beveelt omdat de veroordeelde gedurende de proeftijd, welke wordt gesteld op twee jaren, de algemene voorwaarde heeft overtreden;

- verstaat dat de wet als algemene voorwaarde stelt dat de veroordeelde gedurende de proeftijd zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. P.H.M. Kuster, politierechter,

in tegenwoordigheid van mw. S.L.M. van Venrooij, griffier,

en is uitgesproken op 16 november 2017.

BIJLAGE 1: DE TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat hij:

op of omstreeks 21 oktober 2016 te Heerlen als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) voor het besturen waarvan een rijbewijs was vereist, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 460 microgram, in elk geval hoger dan 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl nog geen zeven jaren waren verstreken sinds de eerste afgifte aan verdachte van een rijbewijs en verdachte op het ogenblik van die afgifte nog niet de leeftijd van achttien jaren had bereikt en de eerste afgifte van het rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden.

1 Waar hierna wordt verwezen naar bewijsmiddelen, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op het proces-verbaal van politie Limburg-Zuid, proces-verbaalnummer 211020160106000673, gesloten d.d. 21 oktober 2016, met bijlagen.

2 Proces-verbaal nummer PL2300-2016198961-2, als bijlage gevoegd bij het in voetnoot 1 genoemde proces-verbaal.

3 Kamerstukken II 2005/06, 30 477, nr. 3, p. 2 (MvT).

4 Kamerstukken II 2005/06, 30 477, nr. 3, p. 6-7 (MvT).

5 Stb. 2006, 382.