Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:11209

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
20-11-2017
Datum publicatie
08-12-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 571
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

AWB 17/571 (schadeverzoek)

Afwijzing verzoek om schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:88 Awb. De rechtbank volgt verweerder in het door hem ingenomen standpunt dat in het geval van verzoeker van concrete afspraken tussen verzoeker en de (ex-)werkgever over loondoorbetaling in het derde ziektejaar onweersproken geen sprake is. Dergelijke afspraken zijn immers niet terug te vinden in de individuele arbeidsovereenkomst en van een collectieve arbeidsovereenkomst was in deze situatie uitdrukkelijk geen sprake. De ex-werkgever zou derhalve, anders dan door verzoeker gesteld, indien een loonsanctie zou zijn opgelegd, contractueel niet gehouden zijn geweest verzoeker 70% van zijn contractuele loon door te betalen gedurende de loonsanctieperiode. Dat de (ex )werkgever na het einde van de wachttijd nog enige tijd 70% van het contractuele loon heeft doorbetaald, rechtvaardigt voorts ook niet de door verzoeker voorgestane conclusie dat de (ex-)werkgever dat deed omdat hij daartoe verplicht was jegens verzoeker.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 17/571

uitspraak van de meervoudige kamer van 20 november 2017 in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats], verzoeker

(gemachtigde: mr. C.W. Kock),

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (locatie Venlo), verweerder

(gemachtigde: W.J.M.H. Lagerwaard).

Procesverloop

Bij primair besluit van 9 december 2016 heeft verweerder aan verzoeker per 3 november 2016 een uitkering toegekend op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Hierbij is tevens meegedeeld dat verweerder aan de (toenmalige) werkgever van verzoeker geen loonsanctie zal opleggen.

Bij besluit op bezwaar van 8 februari 2017 heeft verweerder het bezwaar van verzoeker tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Verzoeker heeft tegen het besluit op bezwaar van 19 januari 2017 beroep ingesteld bij brief van 28 februari 2017. Dit beroep is geregistreerd onder het procedurenummer AWB/ROE 17/570.

Gelijktijdig met het bezwaar tegen het primaire besluit van 9 december 2016 heeft verzoeker

aan verweerder gevraagd om door hem beweerdelijk geleden schade te vergoeden. Bij besluit van 8 februari 2017 heeft verweerder dit verzoek afgewezen. Bij eerder genoemde brief van 28 februari 2017 heeft verzoeker (tevens) beroep ingesteld tegen het besluit tot afwijzing van schadevergoeding van 8 februari 2017. Dit beroep is door de rechtbank aangemerkt als een verzoekschrift voor het verkrijgen van een schadevergoeding, als bedoeld in artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het verzoek om schadevergoeding is, gevoegd met de beroepszaak AWB/ROE 17/750, behandeld ter zitting op 12 oktober 2017. Zoals vooraf schriftelijk is aangekondigd, zijn verzoeker en zijn gemachtigde niet ter zitting verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank de zaken gesplitst en doet zij in iedere zaak afzonderlijk uitspraak.

Overwegingen

1. Verzoeker was werkzaam bij [bedrijfsnaam] als directeur business operations. Op 6 november 2014 is hij uitgevallen wegens psychische klachten. Op 16 augustus 2016 heeft hij een WIA-uitkering aangevraagd. Deze is bij het primaire besluit van 9 december 2016 aan verzoeker toegekend. Hierbij is tevens meegedeeld dat er geen loonsanctie aan de werkgever wordt opgelegd. Weliswaar vindt verweerder dat de werkgever niet voldoende heeft gedaan aan de re-integratie van verzoeker, maar omdat de zogeheten WIA-wachttijd reeds op 2 november 2016 is verstreken, is het volgens verweerder niet meer mogelijk om de werkgever een loondoorbetalingsverplichting op te leggen.

2. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit, uitsluitend voor zover hierbij is beslist dat geen loonsanctie wordt opgelegd. Dit bezwaar is bij het eerder genoemde besluit op bezwaar van 19 januari 2017 ongegrond verklaard, waarna verzoeker het in de vorige rubriek genoemde beroep heeft ingesteld. Dit beroep is bij uitspraak van heden niet-ontvankelijk verklaard.

3. Tevens heeft verzoeker de rechtbank verzocht om verweerder te veroordelen tot het vergoeden van de materiële schade die hij lijdt als gevolg van het feit dat geen loonsanctie is opgelegd. Immers, zo stelt hij, bij loondoorbetaling in het derde ziektejaar had hij aanspraak kunnen maken op 70% van het contractuele salaris, vermeerderd met het vakantiegeld en de pensioenbijdrage. De WIA-uitkering daarentegen is gebaseerd op 70% van het gemaximeerde dagloon.

4. Verweerder heeft bij brief van 8 februari 2017 aan verzoeker laten weten dat hij geen aanleiding ziet om tot schadevergoeding over te gaan. Volgens verweerder is er voorshands geen sprake van schade omdat er geen grond bestaat om te concluderen dat de werkgever gehouden zou zijn geweest tot een loondoorbetalingsverplichting ter hoogte van 70% van het contractuele loon.

5. De rechtbank oordeelt als volgt.

6. Op 1 juli 2013 is de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (gepubliceerd in Staatsblad 2013/50) in werking getreden. Op grond van deze wet is in de Awb een regeling gegeven voor de zelfstandige verzoekschriftprocedure bij de bestuursrechter voor schadevergoedingsverzoeken wegens onrechtmatige besluiten (artikel 8:88 van de Awb en verder).

7. Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, onder a, van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit.

8. Uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 28 januari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:298) volgt dat over het verzoek om schadevergoeding een oordeel kan worden gegeven door de bestuursrechter, nu de stelling van verzoeker erop neerkomt dat de beweerdelijke schadeoorzaak is gelegen in het niet opleggen van een loondoorbetalingsverplichting respectievelijk in de nalatigheid van verweerder om tijdig vóór afloop van de daarvoor geldende termijn een besluit ten aanzien van de loondoorbetalingsverplichting te nemen en verweerder dit laatste ook heeft erkend.

9. Het is vaste rechtspraak dat de bestuursrechter bij het beantwoorden van de vraag of er voldoende aanleiding is om een gevraagde schadevergoeding toe te kennen, zoveel mogelijk aansluiting moet zoeken bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Voor vergoeding van schade is, in aansluiting op de artikelen 6:162 en 6:98 van het Burgerlijk Wetboek (BW), vereist dat de gestelde schade verband houdt met een onrechtmatig besluit en dat vervolgens alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking komen die in een zodanig verband staan met dat besluit, dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend (onder meer de uitspraak van de CRvB van 18 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:446).

10. Als beginsel geldt dat de schadevergoeding de schuldeiser zoveel mogelijk in de toestand moet brengen waarin hij zou verkeren indien het schadeveroorzakende feit niet zou hebben plaatsgevonden. Dat beginsel brengt mee dat de omvang van de schade wordt bepaald door een vergelijking van de toestand zoals deze in werkelijkheid is met de toestand zoals die (vermoedelijk) zou zijn geweest indien het schadeveroorzakende feit niet zou hebben plaatsgevonden (zie ECLI:NL:HR:2010:BL0539).

11 Artikel 7:629, eerste lid van het BW luidt:

“Voor zover het loon niet meer bedraagt dan het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, met betrekking tot een loontijdvak van een dag, behoudt de werknemer voor een tijdvak van 104 weken recht op 70% van het naar tijdruimte vastgestelde loon, maar de eerste 52 weken ten minste op het voor hem geldende wettelijke minimumloon, indien hij de bedongen arbeid niet heeft verricht omdat hij in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte, zwangerschap of bevalling daartoe verhinderd was.”

12. Onder verwijzing naar jurisprudentie van de CRvB (zie onder meer ECLI:NL:CRVB:2017:2835) overweegt de rechtbank dat de wettelijke regeling van de loonsanctie in de Wet WIA en het BW de werkgever verplicht bij instandhouding van de arbeidsovereenkomst het naar tijdruimte vastgestelde loon, zoals bepaald in artikel 7:629, eerste lid, van het BW, voort te zetten. De instandhouding van de door de werkgever en de werknemer gesloten overeenkomst brengt mee dat er een rechtstreeks verband is met de loonsanctie voor zover het gaat om betalingen waartoe de werkgever uit hoofde van die overeenkomst gedurende het zogenoemde derde ziektejaar verplicht zou zijn geweest. Het gaat daarbij om betalingen die voortvloeien uit afspraken die werkgever en werknemer hebben gemaakt over de verplichtingen en inspanningen van de werkgever die zullen gelden in het derde ziektejaar en die voldoende concreet zijn en door de werknemer zijn af te dwingen.

13. De rechtbank volgt verweerder in het door hem ingenomen standpunt dat in het geval van verzoeker van concrete afspraken tussen verzoeker en de (ex-)werkgever over loondoorbetaling in het derde ziektejaar onweersproken geen sprake is. Dergelijke afspraken zijn immers niet terug te vinden in de individuele arbeidsovereenkomst en van een collectieve arbeidsovereenkomst was in deze situatie uitdrukkelijk geen sprake. De ex-werkgever zou derhalve, anders dan door verzoeker gesteld, indien een loonsanctie zou zijn opgelegd, contractueel niet gehouden zijn geweest verzoeker 70% van zijn contractuele loon door te betalen gedurende de loonsanctieperiode. Dat de (ex)werkgever na het einde van de wachttijd nog enige tijd 70% van het contractuele loon heeft doorbetaald, rechtvaardigt voorts ook niet de door verzoeker voorgestane conclusie dat de (ex-)werkgever dat deed omdat hij daartoe verplicht was jegens verzoeker.

14. Uit het voorgaande volgt dat artikel 7:629, eerste lid, van het BW leidend is en daarmee aannemelijk is dat de hoogte van het door de (ex-)werkgever door te betalen salaris bij een loonsanctie gelijk zou zijn geweest aan de hoogte van het voor verzoeker geldende WIA-dagloon, te weten 70% van het gemaximeerde dagloon. De rechtbank onderschrijft daarom het standpunt van verweerder dat de loonschade thans op nihil dient te worden gesteld.

15 De rechtbank wijst reeds daarom het verzoek om schadevergoeding af.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.E. Derks, voorzitter, en mr. N.J.J. Derks-Voncken en mr. E.M.J. Hardy, leden, in aanwezigheid van mr. W.A.M. Bocken, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 november 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op: 20 november 2017

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.