Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:11110

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
15-11-2017
Datum publicatie
20-11-2017
Zaaknummer
Zaaknummer 5961039 CV EXPL 17-3995
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Partijen achten een oordeel van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (in kort geding!) leidend voor de typering van de aard van haar rechtsverhouding. Ook de kantonrechter gaat in de onderhavige bodemprocedure uit van een door het arbeidsovereenkomstenrecht beheerste arbeidsverhouding. Tijdens Hofprocedure gemaakte afspraak van € 25,00 netto per gewerkt uur wordt gemodificeerd in € 25,00 bruto per gewerkt uur. Waar art. 7:625 BW ook het oog heeft op vakantiebijslag, het niet naar tijdruimte vastgestelde loon, provisie, tantième, bedongen gratificatie en de vergoeding wegens niet-genoten vakantie- of verlofdagen, ziet het periodeloon uitsluitend op het ‘kale loon’, de primaire arbeidsvoorwaarde die gerelateerd is aan het aantal gewerkte uren. Voor zover dit ‘kale’ periodeloon als ‘bruto’ gekwalificeerd wordt, heeft te gelden dat deze directe naar tijdsduur bepaalde tegenprestatie voor de arbeidsverrichting slechts tot uitbetaling komt nadat het aldus verkregen loonbedrag per periode - in een loonspecificatie verantwoord - onderworpen is aan inhouding van loonbelasting (loonheffing), pensioenpremie en werknemersdeel van de premie sociale verzekeringen, zodat een nettobedrag resteert.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer 5961039 CV EXPL 17-3995

Vonnis van de kantonrechter van 15 november 2017 (bij vervroeging)

in de zaak

[eiseres in conventie, verweerster in reconventie]

wonend te [woonplaats] aan de [adres]

verder ook aan te duiden als “ [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] ”

eisende partij in conventie / verwerende partij in reconventie

gemachtigde mr. A. van den Eshoff, advocaat te Echt (gemeente Echt-Susteren)

tegen

STICHTING KOM LEREN

statutair gevestigd te Maastricht en aldaar kantoor houdend aan het adres (6224 KV) Oranjeplein 201

verder ook aan te duiden als “SKL”

gedaagde partij in conventie / eisende partij in reconventie

gemachtigde mr. A.L.W.G. Houtakkers, advocaat te Maastricht

1 De procedure in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie

[eiseres in conventie, verweerster in reconventie] heeft SKL bij dagvaarding van 1 mei 2017 in rechte betrokken voor vorderingen als omschreven in het exploot van dagvaarding. Tegelijk daarmee zijn aan SKL in fotokopievorm drie producties (waarvan er één meervoudig was) betekend.

SKL heeft - na herhaald uitstel - op 5 juli 2017 schriftelijk geantwoord. SKL heeft bij die gelegenheid ook een (voorwaardelijke?) eis in reconventie ingesteld. Verwezen is voor een en ander tevens naar zeven harerzijds bijgevoegde producties.

Door [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] is op 9 augustus 2017 gerepliceerd in conventie en geantwoord in reconventie.

Nadat SKL op 6 september 2017 voor dupliek / repliek geconcludeerd had, heeft [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] op 4 oktober 2017 het schriftelijke debat afgerond met een dupliek in reconventie.

Hierna is vonnis bepaald. De uitspraak is - bij vervroeging - op vandaag gesteld.

2 Het geschil in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie

2.1

[eiseres in conventie, verweerster in reconventie] vordert de veroordeling van SKL - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - tot betaling aan haar van:

  • -

    achterstallig loon tot een bedrag van € 1 037,40 exclusief vakantiebijslag over het tijdvak 1 oktober 2016 tot en met (31) maart 2017, te vermeerderen met de (maximale) wettelijke verhoging (€ 518,70) op de voet van art. 7:625 BW en met de wettelijke rente over de som van deze bedragen vanaf de datum van opeisbaarheid tot de datum van algehele voldoening;

  • -

    verdere loonbedragen naar een bruto maandniveau van € 1 733,25 ‘inclusief’ (bedoeld zal zijn exclusief) vakantiebijslag over het tijdvak 1 april 2017 tot datum (toekomstig) einde arbeidsovereenkomst;

  • -

    achterstallige vakantiebijslag tot een bedrag van € 2 912,00 bruto over het tijdvak 24 augustus 2014 tot en met 31 mei 2016, te vermeerderen met de (maximale) wettelijke verhoging (€ 1 456,00) en met de wettelijke rente over de som van deze bedragen vanaf de datum van opeisbaarheid tot de datum van algehele voldoening;

  • -

    de kosten van dit geding en de nadere uitvoeringskosten bij executie van een veroordelend vonnis, alsmede de wettelijke rente over het te vergoeden kostenbedrag indien dit niet binnen veertien dagen na dagtekening vonnis voldaan mocht zijn.

2.2

[eiseres in conventie, verweerster in reconventie] baseert haar vordering op de als eerste productie ingebrachte ‘arbeidsovereenkomst’ (‘Overeenkomst Coördinatie Tussenschoolse Opvang’) d.d. 14 oktober 2014 tussen haar en openbare bassischool “ [naam basisschool] ”, op een arrest dat het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch op 19 juli 2016 wees in het hoger beroep van een vonnis in kort geding van de kantonrechter / voorzieningenrechter Maastricht waarbij [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] en SKL partij waren (prod.2) en op loonspecificaties voor de maanden oktober 2016 tot en met februari 2017 (prod.3). Zij beschouwt - in lijn met het vonnis en het arrest waarop zij zich beroept - haar rechtsrelatie met SKL als een verhouding die berust op een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur in de zin van art. 7:610 BW. Waar eerder in de overeenkomst van 14 oktober 2014 de beloning (‘uurprijs’) contractueel op € 25,00 netto per uur gesteld was, hebben partijen in het kader van een comparitie bij het Hof overeenstemming bereikt over een brutoloon van € 25,00 als uurbedrag. Bij een werkweek van zestien uren had dit moeten resulteren in een maandloon van € 1 733,33 in plaats van het door SKL betaalde brutoloon van € 1 560,43. [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] heeft bij SKL tot dusver vergeefs aangedrongen op aanvulling van het tot en met februari 2017 betaalde loon. Ook over de maand maart 2017 is SKL te weinig loon blijven betalen. SKL stelt zich ten onrechte op het standpunt dat in het overeengekomen uurloon van € 25,00 bruto alle extra vergoedingen / emolumenten zoals vakantiebijslag begrepen geacht moeten worden. Volgens [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] dienen die extra’s op elk hun eigen titel (conform bijvoorbeeld art. 15 Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, Wmm), dus afzonderlijk en niet bij gelegenheid van de maandelijkse loonbetaling uitgekeerd te worden. Bijgevolg is SKL [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] in ieder geval over de voorbije twee vakantiejaren (24 augustus 2014 tot en met 31 mei 2015 en 1 juni 2015 tot en met 31 mei 2016) nog bedragen aan vakantiebijslag tot in totaal € 2 912,00 bruto verschuldigd. Omdat loon en vakantiebijslag steeds te laat betaald zijn (art. 7:623 BW), komt [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] tot slot de wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW toe (maximum 50%) en tevens wettelijke rente over de optelsom van bedragen.

2.3

In voortgezet debat weerspreekt [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] de bij antwoord / repliek tegen de vordering ingebrachte stellingen en verweren. Zij verwerpt de redenering van werkgeefster dat diverse componenten verwerkt geacht moeten worden in het bedrag van € 25,00 bruto dat als uurloon aangemerkt is. Ten onrechte vraagt SKL de kantonrechter om voor recht te verklaren dat in een uurbeloning van € 25,00 bruto niet alleen af te dragen loonbelasting en sociale premies begrepen zijn, maar ook emolumenten als vakantiebijslag en eindejaarsuitkering, vanuit de veronderstelling dat een uurloon van deze omvang te hoog geacht moet worden voor de vervulling van de bewuste coördinatiefunctie. De uitspraak van het Hof rechtvaardigt dit standpunt van SKL niet. Ook is het niet in overeenstemming met de bedoeling die partijen met de loonafspraak hadden (‘bruto voor [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] en netto voor de Stichting’). De latere eenzijdig door SKL tot stand gebrachte inschaling van de functie in loonschaal 4 (ondersteunend personeel) is niet gebaseerd op een onafhankelijk onderzoek naar de juiste functiewaardering, maar miskent ook de loonafspraak van partijen zelf. Het komt [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] voor dat het standpunt dat SKL opeens in deze procedure inneemt, de schijn wekt dat zij wenst terug te komen van haar acceptatie van het bestaan van een arbeidsovereenkomst, waarvan echter niet alleen in de twee voorafgegane procedures door de rechter uitgegaan is, maar waarnaar SKL zich tot dusver ook gedragen heeft. Van dit respecteren kan zij nu niet meer terugkomen. SKL dient bovenop het loon van € 1 733,33 bruto per maand geld te reserveren voor het voldoen van vakantiebijslag en (eventuele) andere emolumenten.

2.4

Het verweer van SKL tegen de vordering van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] stoelt op een andere lezing van zowel het arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch d.d. 19 juli 2016 als de oorspronkelijke en nadere afspraak van partijen over de uurbeloning (€ 25,00 netto zou in het vervolg - en met terugwerkende kracht - gelezen worden als € 25,00 bruto). Wat SKL precies bedoelt met het voorwaardelijk maken van haar eis in reconventie (en van welk voorwaarde zij die eis afhankelijk wenst te maken), is niet geheel duidelijk. De vordering van haar kant behelst dat zij een verklaring van recht vraagt “dat de beloning ad EUR 1.733,33 die [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] thans ontvangt niet passend is bij de functie van coördinator ‘tussenschoolse’ opvang, hetgeen rechtvaardigt dat belasting, sociale premies, vakantiegeld, eindejaarsuitkering en overige emolumenten (secundaire arbeidsvoorwaarden) dienen te worden voldaan door kom Leren aan [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] uit de beloning van EUR 1.733,33 bruto”. In wezen is die reconventionele eis het spiegelbeeld of tegendeel van hetgeen [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] vordert en daarmee een herhaling in andere woorden van het verweer dat SKL tegen de vordering van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] inbrengt. Sterk samengevat komt de stellingname van SKL er op neer dat zij voor de functie van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] verwijst naar de cao primair onderwijs en de daarin genoemde voorbeeldfuncties en dat de functie van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] dan vergeleken zou moeten worden met de normfunctie ‘assistent’ (in schaal 5), terwijl haar loon op het niveau van adjunct-directeur dan wel leraar uitkomt. SKL meent daarvoor steun te kunnen vinden in het arrest van 19 juli 2016, in het bijzonder rechtsoverweging 6.8.4. van die uitspraak. Hoewel SKL zegt dat zij zich na het arrest van het Hof en het daarin vervatte ‘oordeel’ dat de overeenkomst van opdracht als arbeidsovereenkomst beschouwd moet worden, ‘in haar lot (dient) te schikken’, wenst zij niet nog meer aan [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] te betalen dan dit bedrag van € 25,00 per uur bruto (neerkomend op € 1 733,33 bruto per maand). Op basis van een in opdracht van SKL uitgevoerd onderzoek wordt de functie van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] gewaardeerd op een indeling in schaal 5 met een maximum van € 2 357,00 bruto (bij een volledige werkweek) per 1 januari 2017. Dat leidt voor [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] tot een maandbeloning van 16/40 x € 2 357,00 maakt € 942,80 bruto.

2.5

SKL rekent vervolgens voor hoe zij - in aanvulling op dat bedrag van € 942,80 - bedragen in mindering op het aan [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] verschuldigde maandbedrag van € 1 733,33 aan derden afdraagt dan wel voor [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] reserveert. Zij reserveert tot een totaal van € 180,75 per maand vakantiebijslag, eindejaarsuitkeringen en bijdragen dag van de leraar, terwijl per maand aan inkomensvergoeding en levensloopbijdrage een bedrag van € 21,33 maandelijks boven het vaste loonbedrag van € 942,80 uitbetaald wordt. De rest wordt aangemerkt als ‘toelage’ en is voorlopig op € 588,59 bruto bepaald. Het totaalbedrag van € 1 552,72 bruto waarop SKL per 1 maart 2017 het aldus bepaalde brutoloon wil(de) laten uitkomen, zou verklaard worden door het feit dat zij eigenlijk (door de ‘toelage’) de reserveringen voor vakantiebijslag en eindejaarsuitkeringen te laag gesteld had, hetgeen pas bij uitbetaling op de daarvoor bepaalde tijdstippen - mei respectievelijk december als ook de belastinginhouding plaatsvindt - tot uiting zal komen.

2.6

Nader heeft SKL bij dupliek benadrukt dat het nooit de bedoeling van SKL geweest is om een arbeidsovereenkomst met [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] aan te gaan. Nu daarvan toch uitgegaan moet worden, kan slechts tot uitgangspunt genomen worden dat het netto uurloon van € 25,00 hetzelfde bedrag bruto mocht zijn, maar er zijn nimmer afspraken gemaakt over ‘toekenning van vakantiegeld, eindejaarsuitkering en overige uitkeringen’. Die zijn aanvang 2015 ook niet betaald noch door [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] gedeclareerd. [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] declareerde - net als de vrijwilligers aan wie zij naar eigen zeggen ‘leiding’ gaf - de gemaakte uren. Het plannen dat de taak van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] behelst, kan niet als leidinggeven aangemerkt worden, al is het maar omdat zij geen selectie doet, noch beoordelings- en functioneringsgesprekken voert of zich anderszins in een gezagsverhouding tot de vrijwilligers bevindt.

2.7

Waar nuttig en nodig - en voor zover al niet tot uitdrukking komend in het voorgaande - zullen specifiekere en/of meer in detail tredende stellingen van partijen aan de orde komen en gewogen worden bij de overwegingen in het volgende onderdeel van deze uitspraak (‘de beoordeling’).

3 De beoordeling in conventie en (‘voorwaardelijke’) reconventie

3.1

Direct valt op dat partijen het oordeel van het Bossche Gerechtshof d.d. 19 juli 2017 (een bevestiging van het in eerste aanleg gewezen vonnis in kort geding d.d. 22 december 2015 van de kantonrechter in Maastricht) leidend achten voor de typering van de aard van haar rechtsverhouding. In een kort geding wordt echter nu eenmaal geen verklaring van recht gegeven en zelfs aan een bekrachtiging in appèl van het impliciete en zonder al te nadrukkelijk voorbehoud gegeven oordeel dat de rechtsverhouding [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] / SKL niet door een overeenkomst van opdracht doch door een arbeidsovereenkomst beheerst wordt, komt geen gezag van gewijsde toe (HR 16 december 1994, NJ 1995/213). Partijen hebben klaarblijkelijk nooit haar toevlucht genomen tot een bodemprocedure, doch zijn zich na 19 juli 2016 gaan gedragen naar de door voorzieningenrechter en Hof tot uitgangspunt genomen opvatting dat zij zich dienen te houden aan de regels die de arbeidsovereenkomst als bedoeld in art. 7:610 BW beheersen. Partijen lijken zich de beperking van de gevolgde rechtsgang niet of onvoldoende te realiseren, want beide menen aan het arrest van 19 juli 2016 meer betekenis te kunnen verlenen dan het in realiteit toekomt. Het hof heeft niet meer gedaan dan de door de voorzieningenrechter - voorlopig oordelend - getroffen onmiddellijke voorzieningen te sanctioneren op basis van het (vooralsnog) niet weerlegd zijn van het rechtsvermoeden van het bestaan van een arbeidsovereenkomst. Mede door de opstelling van beide partijen in de thans gevoerde procedure en de gevolgde praktijk in de sedert 1 augustus 2015 (ondanks eerdere opzegging) gecontinueerde arbeidsrelatie, moet ten tijde van deze beslissing van de feitelijke aanwezigheid van een door het arbeidsovereenkomstenrecht beheerste arbeidsverhouding uitgegaan worden. Terecht werpt [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] SKL dan ook tegen dat zij niet de indruk mag wekken daar in de gebruikte argumentatie in dit betalingsgeschil van terug te komen. Het gaat niet aan dat SKL thans doet alsof zij zich weinig aantrekt van de consequenties die dit uitgangspunt nu eenmaal heeft.

3.2

Partijen zijn het er over eens dat zij in het kader van de Hofprocedure de beloningsafspraak die op 14 oktober 2014 gemaakt was (€ 25,00 netto per gewerkt uur bij een 16-urige werkweek) hebben gemodificeerd in € 25,00 bruto. Tevens staat vast dat in dat kader geen nadere afspraken gemaakt zijn, zoals uit het door SKL bij conclusie van 5 juli 2017 overgelegde proces-verbaal d.d. 17 februari 2016 van de comparitiezitting ten overstaan van raadsheer-commissaris Venner-Lijten ondubbelzinnig blijkt. Naast voornemens omtrent een nog te plannen mediation is slechts tot uitdrukking gebracht dat partijen beide voor het vervolg van de procedure uitgaan van een bruto uurloon van € 25,00. Wat onder ‘bruto’ verstaan wordt, is niet gezegd, maar in elk geval is van een van beide zijden of gezamenlijk ook niet gestipuleerd dat ook secundaire arbeidsvoorwaarden (behorend bij een eventueel aan te nemen arbeidsovereenkomst) in dat uurloon begrepen geacht moesten worden. Dat zou ook wat vreemd geweest zijn, waar partijen op het moment van deze comparitie na aanbrengen van de zaak over die hoofdvraag nog volop tegengestelde opvattingen hadden. Anders dan SKL meent, kan noch aan dit proces-verbaal noch aan r.o. 6.8.4. beslissende betekenis toegekend worden voor de vraag wat onder ‘€ 25,00 bruto per gewerkt uur’ in de verhouding tussen partijen verstaan zou moeten worden. Ten aanzien van het proces-verbaal is dit hiervoor al geoordeeld. Aan het slot van r.o. 6.8.4. van het bijna een halfjaar later gewezen arrest is ten aanzien van de beloning van € 25,00 per uur slechts overwogen dat het Hof niet kan vaststellen (en daar in het bestek van een kort geding ook geen oplossing voor kan bieden in de vorm van een opdracht tot onderzoek naar de waardering van de functie) of de beloning van € 25,00 per uur ‘zonder vakantiegeld, eindejaarsuitkering en overige emolumenten en voordelen uit hoofde van secundaire arbeidsvoorwaarden (zoals doorbetaling van loon tijdens ziekte), passend is bij de functie van coördinator’. Nadat partijen uit het Hof-arrest de gevolgtrekking gemaakt hadden dat zij met elkaar verder moesten op het pad van een gecontinueerde arbeidsovereenkomst, had het op de weg van SKL gelegen om de beloningskwestie alsnog prominent op de agenda te plaatsen en daarover met [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] tot afspraken te komen, al dan niet op basis van een op gezamenlijk initiatief te starten functiewaarderingsonderzoek. In plaats daarvan heeft SKL gekozen voor de weg van eenzijdigheid, aldus miskennend dat zij nu te maken had met een werknemer in loondienst die de bescherming genoot van het arbeidsovereenkomstenrecht en ten aanzien van wier overeenkomst niet veel meer vastlag dan een (niet in de cao / het ‘functiegebouw’ ondergebrachte) functie met bijbehorende werkzaamheden, de omvang van de werkweek en de beloning van ieder werkuur met een bedrag van € 25,00 (sinds 17 februari 2016 door beide partijen als ‘bruto’ gedefinieerd). Deze opstelling van SKL verdraagt zich ook niet met de aanwijzing die het Hof aan het slot van r.o. 6.12. aan partijen gaf, dat het ‘aan hen’ (meervoud!) was om uitvoeringsafspraken te maken over eventuele wijziging van ‘de betalingsverplichting’ en het daarvoor noodzakelijk / wenselijk te achten ‘onderzoek’ (bijvoorbeeld in de vorm van functiewaardering) te (laten) verrichten.

3.3

Onder loon wordt in de verhouding werkgever / werknemer iedere vergoeding verstaan die de werkgever aan de werknemer geeft / verschuldigd is wegens het verrichten van de bedongen arbeid. In beginsel wordt het loon in bruto gedaante betaald. Onder bruto uurloon daarentegen worden niet alle in geld vastgestelde loonvormen begrepen die bijvoorbeeld voor de toepassing van art. 7:625 BW meetellen. Waar art. 7:625 BW ook het oog heeft op vakantiebijslag, het niet naar tijdruimte vastgestelde loon, provisie, tantième, bedongen gratificatie en de vergoeding wegens niet-genoten vakantie- of verlofdagen, ziet het periodeloon uitsluitend op het ‘kale loon’, de primaire arbeidsvoorwaarde die gerelateerd is aan het aantal gewerkte uren. Recente aanwijzingen zijn daarvoor ook te vinden in de wetsgeschiedenis die ten grondslag ligt aan de Wwz en aan het Besluit van 14 december 2014 tot vaststelling van regels over de inhoud van het begrip loon in het kader van de berekening van de hoogte van de vergoedingen ex art. 7:668 lid 3 BW en art. 7:673 BW. Als het loon naar tijdsduur begrensd is (zoals het geval is bij ‘uurloon’), worden andere loonelementen waarvoor een afwijkende berekeningsmethodiek en een ander betaalmoment gelden, daar niet mee geïmpliceerd. Voor zover dit kale periodeloon dan ook nog eens als ‘bruto’ gekwalificeerd wordt, heeft te gelden dat deze directe naar tijdsduur bepaalde tegenprestatie voor de arbeidsverrichting slechts tot uitbetaling komt nadat het aldus verkregen loonbedrag per periode - in een loonspecificatie verantwoord - onderworpen is aan inhouding van loonbelasting (loonheffing), pensioenpremie en werknemersdeel van de premie sociale verzekeringen, zodat een nettobedrag resteert. Dat wil in het geval van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] zeggen dat het haar per loonperiode van een maand toekomende ‘kale’ loonbedrag van 52/12 x 16 x € 25,00 bruto = € 1 733,33 bruto slechts verminderd mag worden met die in te houden posten om uiteindelijk op een nettoresultaat uit te komen. Dit ware slechts anders geweest indien partijen ter gelegenheid van de op 17 februari 2016 bij het Hof gehouden comparitiezitting dan wel direct daarna (of na kennisneming van het arrest van 19 juli 2016) uitdrukkelijk en in volle bewustzijn bedongen hadden dat zij in het uurloon van € 25,00 bruto alle secundaire beloningsvormen begrepen achten die zouden voortvloeien uit de toepassing van wettelijke regels en cao-bepalingen op haar inmiddels in een arbeidsovereenkomst getransformeerde contract. Onmiskenbaar is een dergelijke afspraak echter niet gemaakt. Daarom geldt ten volle dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] naast het periodeloon op de voet van artt. 15 tot en met 17 Wmm recht heeft op de jaarlijks in juni uit te betalen vakantiebijslag over het loon dat tot en met 31 mei voldaan en/of opeisbaar is. De andere emolumenten vloeien voort uit de bij SKL of in de sector geldende algemene arbeidsvoorwaardenregelingen, waar nodig aangevuld met hetgeen bepaald is in BW-regelingen omtrent doorbetaling van loon bij ziekte, non-activiteit en/of vakantie e.d.

3.4

Het wringt uiteraard wel, getuige de rekenvoorbeelden die SKL geeft en de vergelijking die zij maakt van het thans als vast werknemersloon in plaats van opdrachtnemersbeloning aan te merken maandbedrag van € 1 733,33. SKL zet dit af tegen de onderwijslonen die gelden voor werknemers in andere (veel hoger te kwalificeren) functies dan die van coördinator (niet ‘leidinggevende) van een groepje vrijwilligers in de ‘tussenschoolse’ opvang. Er is weinig reden om aan te nemen dat de functiewaardering die SKL heeft laten uitvoeren, ver afwijkt van de werkelijkheid of dat daarbij belangrijke factoren voor de weging van de zwaarte van de functie miskend zijn die bij directe betrokkenheid van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] met het uitvoeren van de opdracht boven water gekomen zouden zijn. Het loon van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] is immers aanzienlijk hoger dan lonen in een vergelijkbare functie in het onderwijs. SKL erkent echter min of meer impliciet dat een hoger loon dan overeenstemt met de reëel verrichte arbeid niet door enig wettelijk verbod of door een beperkende bepaling in de onderwijs-cao getroffen wordt. Er is geen sprake van een standaard-cao, zodat in het primaire onderwijs toegestaan is dat aan een werknemer in een tot nu toe overigens niet beschreven en/of gewaardeerde functie een voor haar (aanmerkelijk) gunstiger loon betaald wordt. Dat betekent in dit geval dat SKL niet veel meer resteert dan in goed overleg te streven naar loonaanpassing met verwijzing naar art. 7:611 BW in relatie tot art. 6:258 BW (en eventueel art. 7:613 BW als een nieuwe / gewijzigde arbeidsovereenkomst aangegaan wordt met een beding tot eenzijdige wijziging). Een beroep op onvoorziene omstandigheden en op de maatstaven van redelijkheid en billijkheid zou kunnen baten in het geval [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] vervolgens nalaat op een redelijk voorstel tot aanpassing van het loon (eventueel met een overgangsperiode) op redelijke wijze in te gaan. Desnoods zou de werkgever in uiterste instantie haar toevlucht kunnen nemen tot een aan de kantonrechter gericht verzoek ex art. 7:671b BW.

3.5

SKL heeft echter tot dusver (en ook in deze procedure) geen stap in die richting gezet en ook geen tegenvordering ingesteld die in die richting tendeert. Het vragen van een verklaring van recht (en dan ook nog ‘voorwaardelijk’) kan niet aangemerkt worden als een tot de kantonrechter gerichte vordering tot wijziging van de gevolgen van de overeenkomst of tot gehele of gedeeltelijke ontbinding (art. 6:258 BW / art. 7:671b BW), nog daargelaten dat SKL de daarvoor noodzakelijke scherpe argumentatie achterwege laat. SKL heeft er immers mee volstaan de onhoudbaar gebleken stelling te verdedigen dat de bestaande overeenkomst al impliceert dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] bij een loon van € 1 733,33 bruto per maand voor een werkweek van zestien uren zou moeten afzien van (extra) aanspraken op vakantiebijslag, eindejaarsuitkering en andere secundaire beloningselementen. Ook als SKL zou menen zich te moeten beroepen op dwaling ten aanzien van de aard en inhoud van hetgeen waartoe zij zich bij overeenkomst van 14 oktober 2014 ten opzichte van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] verplicht heeft, had zij zich processueel anders moeten opstellen. Een uitdrukkelijk beroep op dwaling en de daarvoor noodzakelijke argumentatie vallen in het verweer noch de tegenvordering van SKL te lezen.

3.6

Het voorgaande leidt onontkoombaar tot de conclusie dat de vordering in reconventie geen steun verdient en dus afgewezen wordt en dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] in het gelijk gesteld moet worden. De wel naar haar aard, maar niet naar omvang bestreden vorderingen van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] kunnen - bij verwerping van het daartegen door SKL gevoerde verweer - in volle omvang toegewezen worden. Waar geen enkele matigingsgrond aangevoerd is en zo’n grond ook niet ambtshalve aanwezig geacht wordt, wordt over de loonclaim van € 1 037,40 bruto (excl. vakantiebijslag) een bedrag van € 518,70 bruto aan wettelijke verhoging toegewezen en over de VB-claim van € 2 912,00 bruto eveneens 50% ofwel € 1 456,00 bruto.

3.7

Als geheel in het ongelijk te stellen partij wordt SKL tot slot verwezen in de proceskosten, die aan de zijde van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] voor conventie en reconventie tezamen begroot worden op in totaal € 822,15:

- Exploot van dagvaarding € 99,15

- Griffierecht € 223,00

- Salaris gemachtigde € 500,00

(2 x € 250,00, waarbij de als herhaling te beschouwen dupliek in reconventie geen punt oplevert).

Indien SKL het mocht laten aankomen op tenuitvoerlegging van dit vonnis, wordt op voorhand een daarmee gemoeid (forfaitair) bedrag van € 100,00 aan salaris aan de gemachtigde van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] toegewezen.

4 De beslissing

De kantonrechter komt tot het navolgende oordeel:

in conventie

- SKL wordt veroordeeld om aan [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] tegen bewijs van kwijting aan loon, vakantiebijslag en wettelijke verhoging in totaal € 5 924,10 bruto te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de respectieve data van opeisbaarheid van de afzonderlijke bedragen tot de datum van volledige voldoening.

- Verder wordt SKL veroordeeld om met ingang van 1 april 2017 en (vooralsnog) tot de datum waarop de arbeidsovereenkomst met [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] eindigt, € 1 733,33 bruto aan maandloon betaalbaar te stellen.

in ‘voorwaardelijke’ reconventie

- De vordering van SKL wordt afgewezen.

in conventie en in reconventie

- SKL wordt veroordeeld tot betaling van de samengevoegde proceskosten, aan de zijde van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] tot de datum van dit vonnis bepaald op een bedrag van € 822,15 en aan [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] te voldoen uiterlijk veertien dagen na dagtekening van dit vonnis, alsmede tot betaling van de wettelijke rente over dit kostenbedrag indien en vanaf het moment dat SKL nalatig mocht zijn in het respecteren van deze termijn. Ingeval tot tenuitvoerlegging van het vonnis overgegaan moet worden, zal SKL bovendien aan de gemachtigde van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] een bedrag van € 100,00 aan salaris moeten vergoeden.

- Het vonnis wordt uitvoerbaar verklaard bij voorraad.

- Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal en is in het openbaar uitgesproken.

Type: HS