Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:11098

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
15-11-2017
Datum publicatie
16-11-2017
Zaaknummer
6008696 \ CV EXPL 17-4603
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdelingsperikelen. Geen onderbouwd verweer en ook geen eis in reconventie ingesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 6008696 \ CV EXPL 17-4603

Vonnis van de kantonrechter van 15 november 2017

in de zaak van:

[eisende partij] ,

wonend [adres eisende partij] ,

[woonplaats eisende partij] ,

eisende partij,

gemachtigde mr. R.M.E. Geraats,

tegen:

[gedaagde partij] ,

wonend [adres gedaagde partij] ,

[woonplaats gedaagde partij] ,

gedaagde partij,

procederende in persoon.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de conclusie van repliek

  • -

    de akte inbrengen productie 21

  • -

    de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

De kantonrechter gaat uit van de volgende gestelde en erkende dan wel niet betwiste feiten:

2.1.

Partijen hebben geruime tijd een affectieve relatie gehad. Bij het uit elkaar gaan hebben zij afspraken gemaakt over de verdeling van zaken welke zij privé in gedeeld bezit en gemeenschappelijk eigendom hadden, alsmede over de verdeling van de kosten.

2.2.

Partijen hielden en gebruikten een onroerend goed in erfpacht. Het betrof een vakantiehuisje staande en gelegen te Rekem, gemeente Lanaken, in België. [eisende partij] heeft haar deel in de gemeenschap aan [gedaagde partij] verkocht voor een bedrag van € 20.000,00.

2.3.

De kosten van het passeren van de transportakte van bovenbedoelde erfpacht bedragen € 3.520,94. [eisende partij] heeft deze kosten voldaan.

2.4.

[eisende partij] heeft de kosten van de voorlopige erfpachtcanon van het tweede halfjaar van 2016 ad € 1.900,43 voor voornoemd vakantiehuisje voldaan.

2.5.

[eisende partij] heeft verder de aan [gedaagde partij] gerichte factuur betreffende het energieverbruik tot en met het eerste kwartaal 2016 ad € 543,14 betaald.

2.6.

[gedaagde partij] dient nog aan [eisende partij] een bedrag van € 1.125,00 te voldoen, zijnde het deel van [eisende partij] in de gemeenschap van de inboedel van het vakantiehuisje.

2.7.

[eisende partij] heeft verder een aanslag onroerende voorheffing van de Vlaamse overheid ad € 269,11 voldaan.

2.8.

Op 15 september 2016 en 21 oktober 2016 heeft [gedaagde partij] respectievelijk € 500,00 en € 250,00 aan [eisende partij] voldaan.

2.9.

[gedaagde partij] heeft aan [eisende partij] een deel van zijn vordering op een vriend overgedragen aan [eisende partij] en aldus een bedrag van € 10.000,00 voldaan.

2.10.

[gedaagde partij] heeft aan het begin van 2017 aan [eisende partij] een vordering welke zij gezamenlijk hadden op een (voormalige) klant overgedragen. Uit dien hoofde is een bedrag van € 3.830,04 voldaan.

2.11.

[eisende partij] heeft conservatoir beslag gelegd op het onroerend goed dat [gedaagde partij] in eigendom heeft, zulks tot een bedrag van € 12.381,18, vermeerderd met de forfaitaire opslag van 30%, derhalve in totaal een bedrag van € 16.095,54.

2.12.

Tussen partijen is verder in debat de afwikkeling en afrekening van hun beider zakelijke portefeuilles.

2.13.

Partijen hebben over en weer gecorrespondeerd.

3 Het geschil

3.1.

[eisende partij] vordert – samengevat – veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van € 12.381,18, vermeerderd met rente en kosten.

3.2.

[gedaagde partij] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter merkt allereerst dat hij zich beperkt tot het rechtsgeschil dat bij dagvaarding aan hem is voorgelegd, en al hetgeen partijen verder hebben aangevoerd maar dat geen onderdeel uitmaakt van het rechtsgeschil buiten beschouwing zal laten. [gedaagde partij] stelt nog het een en ander van [eisende partij] te vorderen te hebben, maar verzuimt een eis in reconventie in te stellen. Bij dupliek stelt [gedaagde partij] weliswaar een tegenvordering te hebben, maar hetgeen in de conclusie van antwoord hierover is gesteld is onvoldoende om als een deugdelijke eis in reconventie te worden beschouwd. Hiermee kan in deze procedure daarom geen rekening worden gehouden, nog afgezien van het feit dat de hoogte van een eventuele vordering de bevoegdheid van de kantonrechter te boven gaat.

4.2.

De kantonrechter constateert verder dat [gedaagde partij] geen concreet en onderbouwd verweer voert tegen de vordering dan wel de aparte onderdelen daarvan, zoals geformuleerd in de dagvaarding. Hetgeen is gesteld en gevorderd met betrekking tot het erfpacht (vakantiehuisje) en alle daarmee gepaard gaande kosten en bedragen laat [gedaagde partij] onweersproken, met uitzondering van de koopsom. Ten aanzien hiervan voert [gedaagde partij] aan het niet eens te zijn met de koopprijs. De kantonrechter verwerpt dit verweer. Uit de bij dagvaarding overgelegde notariële akte en de afrekening laten niets aan duidelijkheid te wensen over en uit niets blijkt dat [gedaagde partij] hiertegen heeft geprotesteerd dan wel dat [gedaagde partij] gedwaald heeft.

4.3.

Voor zover uit het verweer afgeleid kan worden dat [gedaagde partij] zich op het standpunt stelt dat er nog geen (volledige) overeenstemming is bereikt over de verdeling, verwerpt de kantonrechter ook dit verweer. Als productie 15 bij conclusie van antwoord in repliek is immers een door beide partijen ondertekende vaststellingsovereenkomst overgelegd, waarin zij onder meer verklaren dat zij hun gemeenschappelijke boedel verdelen en dat de gemeenschappelijke vakantiewoning met een waarde van € 40.000,00 in Rekem zal worden toebedeeld aan [gedaagde partij] .

4.4.

Alle vorderingen betrekking hebben op de erfpacht, zoals de koopprijs, inboedel, kosten passeren transportakte, voorlopige erfpachtcanon en voorheffing worden daarom bij gebrek aan (onderbouwd) verweer toegewezen. Over het toe te wijzen bedrag van € 12.381,18 zal de wettelijke rente worden toegewezen vanaf 17 februari 2017.

4.5.

[eisende partij] maakt verder aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim op/na 1 juli 2012 is ingetreden. Het ter zake gevorderde bedrag is overeenkomstig de daarvoor geldende tarieven en wordt toegewezen.

4.6.

De kantonrechter acht geen termen aanwezig partijen toe te laten tot nadere bewijslevering.

4.7.

[gedaagde partij] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van [eisende partij] worden begroot op:

  • -

    dagvaarding € 97,31

  • -

    griffierecht 183,00

  • -

    kosten conservatoire beslaglegging 917,41

  • -

    salaris gemachtigde 600,00 ( 2 x tarief € 300,00)

totaal € 1.797,72

De gevorderde nakosten zullen worden toegewezen overeenkomstig de richtlijnen van het LOVCK&T en worden begroot op een half salarispunt conform het liquidatietarief proceskosten met een maximum van € 100,00 aan nakosten salaris.

4.8.

De kantonrechter zal dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde partij] om binnen zeven dagen na heden en tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisende partij] te betalen een bedrag van € 13.273,13, vermeerderd met de wettelijke rente over € 12.381,81 vanaf 18 februari 2017 en over € 891,95 vanaf 11 mei 2017, telkens tot aan de voldoening,

5.2.

veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten aan de zijde van [eisende partij] gevallen en tot op heden begroot op € 1.797,72, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na betekening tot aan de voldoening,

5.3.

veroordeelt [gedaagde partij] onder de voorwaarde dat hij niet binnen 2 weken na aanschrijving door [eisende partij] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 100,00 aan salaris gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving,

- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening tot aan de voldoening,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Rijksen en in het openbaar uitgesproken.

type: PL

coll: HM