Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:11036

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
15-11-2017
Datum publicatie
15-11-2017
Zaaknummer
03/702671-15 en 03/700267-14 (ttg)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor brandstichting, poging tot brandstichting, poging oplichting, verduistering en valse aangifte tot een gevangenisstraf van 7 jaar. Beroep op psychische overmacht verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 03/702671-15 en 03/700267-14 (ter terechtzitting gevoegd)

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 15 november 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens verdachte] ,

wonende te [adresgegevens verdachte] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. B.M.A. Jegers, advocaat kantoorhoudende te Heerlen.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 1 november 2017. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

parketnummer 03/702671-15:

feit 1: samen met anderen brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht waardoor personen of goederen in gevaar werden gebracht;

feit 2: samen met anderen heeft geprobeerd om brand te stichten en/of een ontploffing teweeg te brengen waardoor personen of goederen in gevaar werden gebracht;

feit 3: samen met anderen heeft geprobeerd verzekeringsmaatschappij [benadeelde] op te lichten;

parketnummer 03/700267-14:

feit 1: goederen van zijn werkgever heeft verduisterd;

feit 2: een valse aangifte heeft gedaan.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat alle ten laste gelegde feiten in beide parketnummers worden bewezenverklaard. Daartoe heeft de officier van justitie – zoals vervat in het overgelegde schriftelijke requisitoir – het volgende aangevoerd:

Parketnummer 03/702671-15:

De officier van justitie heeft ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde verwezen naar de bekennende verklaringen van verdachte, de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] , de getuigenverklaringen van [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] alsmede naar de verklaringen van de brandweerlieden met de forensische onderzoeken betreffende het gevaar voor goederen en personen.

Met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde heeft de officier van justitie verwezen naar de aangifte van [benadeelde] , de bekennende verklaring van verdachte en de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 5] .

Parketnummer 03/700267-14:

De officier van justitie heeft ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde verwezen naar de verklaringen van de getuigen [getuige 6] , [getuige 7] , [getuige 8] en [getuige 9] en naar het proces-verbaal van bevindingen betreffende het aantreffen van de trekker.

Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde heeft de officier van justitie verwezen naar de bekennende verklaring van verdachte en de valse aangifte.

3.2

Het standpunt van de verdediging

Parketnummer 03/702671-15:

De verdediging heeft zich – zoals vervat in de overgelegde pleitnota – op het standpunt gesteld dat het onder 1 ten laste gelegde kan worden bewezenverklaard, met uitzondering van het onderdeel ‘levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen’. De raadsman heeft onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 17 februari 2009 (ECLI:NL:HR:2009: BG1653) bepleit dat zich ten tijde van de brand en ontploffing geen personen in de directe nabijheid van het pand bevonden, zodat verdachte van dit onderdeel partieel dient te worden vrijgesproken.

Met betrekking tot het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft de raadsman geen bewijsverweer gevoerd.

Parketnummer 03/700267-14:

De raadsman heeft – zoals vervat in de overgelegde pleitnota – bepleit dat verdachte van de onder 1 ten laste gelegde verduistering dient te worden vrijgesproken, wegens het ontbreken van de wederrechtelijkheid. Daartoe heeft de raadsman de verklaringen van de getuigen [getuige 8] en [getuige 9] betwist en een alternatief scenario aangevoerd, dat de getuigen [getuige 7] en [getuige 6] met verdachte in het complot zaten en dat hij, verdachte, toestemming had om de trekker en oplegger te laten verdwijnen.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

3.3.1

Parketnummer 03/702671-15 1

De brandstichting aan de [adres 1] te Heerlen

Evenals de officier van justitie en de verdediging, acht de rechtbank het onder parketnummer 03/702671-15 onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Omdat verdachte bij de politie en ter terechtzitting van 1 november 2017 het feit heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen, te weten:

- de bekennende verklaringen van verdachte;2

- de processen-verbaal van bevindingen;3

- het proces-verbaal van sporenonderzoek;4

- de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 1] ;5

- de verklaringen van de getuigen [getuige 4]6, [getuige 3]7 en [getuige 2]8;

Gelet op bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 15 februari 2015 brand heeft gesticht en een ontploffing teweeg heeft gebracht in het pand aan de [adres 1] te Heerlen. Anders dan de raadsman acht de rechtbank, gelet op de bevindingen van de forensische opsporing en het feit dat er kennelijk woningen in de directe omgeving van het pand zijn geëvacueerd, wettig en overtuigend bewezen dat deze brand en ontploffing zowel gemeengevaar voor goederen als levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen heeft veroorzaakt.

De poging tot brandstichting aan de [adres 2] te Kerkrade

Evenals de officier van justitie en de verdediging, acht de rechtbank het bij 03/702671-15 onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Omdat verdachte bij de politie en ter terechtzitting van 1 november 2017 het feit heeft bekend en zijn raadsman geen bewijsverweer heeft gevoerd, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen, te weten:

- de bekennende verklaringen van verdachte;9

- het proces-verbaal van bevindingen;10

- het proces-verbaal van sporenonderzoek;11

- de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 1] ;12

- de verklaringen van de getuigen [getuige 4]13, [getuige 3]14 en [getuige 2]15.

Gelet op bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte omstreeks 15 februari 2015 heeft geprobeerd om brand te stichten en een ontploffing teweeg te brengen in het pand aan de [adres 2] te Kerkrade ten gevolge waarvan gemeengevaar gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen is ontstaan.

Medeplegen

Verdachte heeft verklaard dat hij deze brandstichting en poging daartoe heeft uitgevoerd in opdracht van medeverdachte [medeverdachte 2] . Met betrekking tot de rol van medeverdachte [medeverdachte 2] overweegt de rechtbank als volgt:

Voor medeplegen van een strafbaar feit is vereist dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking gericht op de totstandkoming van het delict. Daarnaast moet sprake zijn van een materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit, die van voldoende gewicht zal moeten zijn. Daarbij is niet doorslaggevend dat de van medeplegen verdachte persoon ook daadwerkelijk uitvoerder is geweest of alle handelingen van het strafbare feit zelf moet hebben verricht. Ook een andere rol kan tot de conclusie leiden dat de betrokkene een wezenlijke bijdrage aan de voltooiing van het delict heeft geleverd.

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van medeverdachte [medeverdachte 2] bij de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten het volgende af.

Medeverdachte [medeverdachte 2] is eigenaar van de panden aan de [adres 1] te Heerlen en [adres 2] te Kerkrade. Voorafgaand aan de branden heeft medeverdachte [medeverdachte 2] de verzekeringen op de panden laten controleren door Dortangs, heeft hij alle waardevolle goederen uit het pand aan de [adres 1] laten halen en heeft hij verschillende personen benaderd om in beide panden brand te stichten. Uiteindelijk heeft hij verdachte opdracht gegeven om de branden te stichten en hem daarbij voorzien van instructies over de manier waarop dit uitgevoerd diende te worden. Nadat de eerste poging tot brandstichting was mislukt, heeft medeverdachte [medeverdachte 2] verdachte met nadere instructies teruggestuurd om de brandstichting te laten slagen.

Het voorgaande rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank geen andere conclusie dan dat medeverdachte [medeverdachte 2] degene is geweest die de plannen heeft gemaakt voor de door verdachte uitgevoerde brandstichting en de poging daartoe en dat [medeverdachte 2] hem heeft voorzien van de noodzakelijke informatie. Onder deze omstandigheden is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen medeverdachte [medeverdachte 2] en verdachte, ook al heeft medeverdachte [medeverdachte 2] geen daadwerkelijk uitvoeringshandelingen verricht. Daarmee acht de rechtbank het onder 1 en 2 tenlastegelegde medeplegen bewezen.

De oplichting van [benadeelde]

Evenals de officier van justitie en de verdediging, acht de rechtbank het bij 03/702671-15 onder 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Omdat verdachte bij de politie en ter terechtzitting van 1 november 2017 het feit heeft bekend en zijn raadsman geen bewijsverweer heeft gevoerd, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen, te weten:

- de bekennende verklaringen van verdachte bij de politie;16

- de aangifte van [getuige 5] , mede namens [benadeelde] .17

3.3.2

Parketnummer 03/700267-14 18

De verduistering

[getuige 6] , eigenaar van [bedrijf] , heeft verklaard dat hij op dinsdag 21 april 2014 werd gebeld door [getuige 7] met het verzoek om op woensdag voor hem een lading naar Litouwen te transporteren. Deze lading bestond gedeeltelijk uit parfum en cosmetica uit zijn bedrijf. Daarnaast zou de lading worden aangevuld met parfum uit India. Verdachte wilde die rit wel doen voor [getuige 6] . Op woensdag omstreeks 21:45 uur reed verdachte met de vrachtwagen en oplegger weg. [getuige 6] vroeg aan verdachte of hij de trekker en oplegger wilde parkeren op de vaste parkeerplaats, het industrieterrein te Nuth. Daar kon hij wachten op de laadbrief en tanken. [getuige 6] wachtte ondertussen bij [getuige 7] nog op de laadbrief. Toen hij vervolgens verdachte belde, kreeg hij hem niet te pakken. Vervolgens is hij met [getuige 7] naar Nuth gereden om te kijken of de vrachtwagen daar stond. Daar stond deze niet. De volgende dag werd [getuige 6] gebeld door de politie met de mededeling dat verdachte bij de politie was. Verdachte was ontvoerd en de trekker met oplegger was verdwenen.19

Op 24 april 2014 heeft verdachte op het politiebureau te Heerlen, mede namens [getuige 6] , bij verbalisant [verbalisant] aangifte gedaan van diefstal met geweld van een trekker met oplegger met het kenteken [kenteken] , en de daaraan gekoppelde oplegger bevattende een lading parfum, alsmede van vrijheidsberoving.20

Verdachte heeft vervolgens verklaard dat deze aangifte van diefstal vals is. Voorts heeft hij verklaard dat hij af en toe als vrachtwagenchauffeur voor [getuige 6] een lading vervoerde. Op enig moment kwamen [getuige 7] en [getuige 10] in contact met [getuige 6] . Verdachte kreeg van hen een folder met nagellak en nagellakremover. [getuige 6] vertelde verdachte vervolgens dat die lading moest verdwijnen. Verdachte heeft toen tegen [getuige 6] gezegd dat hij wel iemand wist die dat wilde kopen. In de oplegger zaten de nagellak en vijf pallets parfum. Verdachte heeft de hele lading te koop aangeboden. Verdachte heeft de oplegger zelf gereden. De oplegger is in Stein Urmond omgeladen, daarbij zag verdachte dat de lading niet klopte met de papieren. De koper wilde toen niet meer. De lege oplegger heeft hij naar een industrieterrein in Duitsland gebracht. De trekker heeft hij in Koningsbosch achtergelaten. [getuige 8] en [getuige 9] weten ook van deze zaak.21

Getuige [getuige 9] heeft verklaard dat verdachte vertelde dat hij parfum moest gaan laden en dat hij de lading met [getuige 6] , de schoonvader van getuige, zou verduisteren. De gehuurde trekker en de oplegger met spullen zou op vrijdag verduisterd worden. Verdachte heeft echter op woensdag zijn eigen plan getrokken en heeft de trekker van [getuige 6] en de oplegger met spullen weggemaakt.22

Getuige [getuige 8] heeft eveneens verklaard dat verdachte en [getuige 6] op vrijdag een trekker zouden gaan huren en de lading dan zouden verdoezelen. Verdachte zei echter dat hij [getuige 6] een streepje voor was. Verdachte had zich zogenaamd laten overvallen en moest naar het politiebureau gebracht worden. De getuige heeft verdachte vervolgens vlakbij het politiebureau te Heerlen afgezet.23

Gelet op bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 24 april 2014 valse aangifte heeft gedaan van diefstal met geweld van een trekker met oplegger, gekentekend [kenteken] (inclusief lading) en wederrechtelijke vrijheidsberoving.

Eveneens acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 22 april 2014 tot en met 24 april 2014 opzettelijk de vrachtwagen van [getuige 6] met daaraan gekoppeld een oplegger bevattende een lading parfum en cosmetica heeft verduisterd.

Daarbij overweegt de rechtbank dat zij – anders dan de raadsman – de verklaringen van de getuigen [getuige 9] en [getuige 8] geloofwaardig acht, nu deze verklaringen stroken met de handelwijze van verdachte en de rechtbank ook op basis van het dossier geen aanleiding ziet om aan deze verklaringen te twijfelen. Het feit dat getuige [getuige 9] bij zijn verhoor bij de rechter-commissaris minder zeker lijkt te zijn van zijn eerdere verklaring, acht de rechtbank, gelet op de verstreken tijd en de familieband met getuige [getuige 6] , niet vreemd en bovendien onvoldoende om zijn verklaring bij de politie afgelegd korte tijd na het gebeuren in twijfel te trekken. Overigens ondersteunt de verklaring van getuige [getuige 8] die van [getuige 9] .

Uit deze verklaringen leidt de rechtbank af dat verdachte - hoewel er wellicht afspraken zijn gemaakt met [getuige 6] over het laten verdwijnen van de lading op vrijdag - op woensdag reeds zijn eigen plan heeft getrokken en zich de door hem vervoerde lading op eigen initiatief op woensdag heeft toegeëigend, zodat sprake is van verduistering.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

parketnummer 03/702671-15:

1.

op 15 februari 2015 in de gemeente Heerlen tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk brand heeft gesticht en een ontploffing heeft teweeggebracht in een pand gelegen aan de [adres 1] , immers heeft verdachte toen aldaar in voornoemd pand -opzettelijk van een gastoestel de gastoevoerleiding gedemonteerd en een slang en buis hieraan gemonteerd en die slang en buis de woning in geleid en de gaskraan opengedraaid en benzine in een ontluchtingsbuis en in pand gegoten en vervolgens met een lont aangestoken, ten gevolge waarvan dat pand geheel is verbrand en ten gevolge waarvan een ontploffing heeft plaatsgevonden, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten nabij gelegen woningen, en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen, te weten bewoners van de nabij gelegen woningen, te duchten was.

2.

omstreeks 15 februari 2015 in de gemeente Kerkrade ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf heeft geprobeerd om tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk brand te stichten en een ontploffing te weeg te brengen in een pand gelegen aan de [adres 2] , immers heeft verdachte toen aldaar in voornoemd pand - opzettelijk van een gastoestel de gastoevoerleiding gedemonteerd en buis hieraan gemonteerd en die buis de woning in geleid en de gaskraan opengedraaid terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten nabij gelegen woningen, en levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een anderen, te weten bewoners van de nabij gelegen woningen, te duchten was, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

in de periode van 15 februari 2015 tot en met 29 juni 2015 te Heerlen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels, medewerkers van verzekerings-maatschappij [benadeelde] . te bewegen tot de afgifte van een geldbedrag (ter hoogte van 46.706,81 euro) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - in strijd met de waarheid met een schade aangifte in verband met een inbraak heeft ingediend, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

parketnummer 03/7000267-14

1.

in de periode van 22 april 2014 tot en met 24 april 2014 in de gemeente Kerkrade opzettelijk een vrachtwagen met oplegger met lading (parfum en/of cosmetica) toebehorende aan [getuige 6] en welke goederen verdachte uit hoofde van zijn beroep als vrachtwagen-chauffeur (van [bedrijf] ) onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

2.

op 24 april 2014, in de gemeente Heerlen, aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit was gepleegd, wetende dat dat feit niet was gepleegd, immers heeft verdachte toen aldaar ten overstaan van [verbalisant] , hoofdagent van politie Eenheid Limburg, opzettelijk in strijd met de waarheid aangifte gedaan van diefstal met geweld van een trekker met oplegger, gekentekend [kenteken] (inclusief lading) en wederrechtelijke vrijheidsberoving.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

parketnummer 03/702671-15:

feit 1 primair: medeplegen van opzettelijk brand stichten en een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeengevaar voor goederen te duchten is

en

medeplegen van opzettelijk brand stichten en een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;

feit 2: medeplegen van poging tot opzettelijk brand stichten en een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeengevaar voor goederen te duchten is

en

medeplegen van poging tot opzettelijk brand stichten en een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;

feit 3: poging tot oplichting;

parketnummer 03/700267-14:

feit 1: verduistering;

feit 2: aangifte doen dat een strafbaar feit is gepleegd, wetende dat het niet gepleegd is.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

Psycholoog drs. B.Y. van Toorn heeft over de geestvermogens van verdachte op 18 december 2015 een rapport uitgebracht. Er is volgens de deskundige bij verdachte sprake van een persoonlijkheidsstoornis met ontwijkende en antisociale trekken. Dit was ten tijde van het tenlastegelegde ook het geval. Het tenlastegelegde kan mede hieruit verklaard worden. De deskundige adviseert de rechtbank verdachte licht verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren.

De rechtbank komt op basis van de in het rapport vervatte bevindingen en het daarin vervatte advies niet tot de conclusie dat bij verdachte sprake is van een omstandigheid die de strafbaarheid geheel uitsluit.

Psychische overmacht

Namens de verdediging is ten aanzien van parketnummer 03/702671-15 ontslag van alle rechtsvervolging bepleit wegens psychische overmacht, nu verdachte deze feiten heeft gepleegd onder druk van medeverdachte [medeverdachte 2] . De raadsman heeft ter onderbouwing van dit verweer – zoals vervat in de overgelegde pleitnota – verschillende getuigenverklaringen aangehaald met betrekking tot de persoon van medeverdachte [medeverdachte 2] en de druk die hij uitoefende op verdachte. Voorts heeft de raadsman verwezen naar de psychologische rapportage van drs. B.Y. van Toorn d.d. 18 december 2015, waaruit in zijn visie kan worden afgeleid dat verdachte, gelet op de bij hem geconstateerde persoonlijkheidsstoornis met ontwijkende en antisociale trekken, geen weerstand heeft kunnen bieden aan de door medeverdachte [medeverdachte 2] uitgeoefende druk.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.

In de eerste plaats biedt hetgeen is aangevoerd onvoldoende aanknopingspunten voor de stelling van de raadsman dat er sprake was van psychische overmacht. Weliswaar concludeert de psycholoog dat er bij verdachte sprake is van een persoonlijkheidsstoornis met vermijdende en antisociale trekken, waardoor hij zich mogelijk kritiekloos en volgzaam jegens de medeverdachte [medeverdachte 2] heeft opgesteld, maar heeft dit slechts in beperkte mate invloed gehad op het handelen van verdachte ten tijde van het ten laste gelegde.

Voorts wordt in de betreffende rapportage vastgesteld dat niet is gebleken van aanwijzingen dat verdachte onvoldoende doordrongen is geweest van de wederrechtelijkheid van zijn handelden, dat hij de consequenties daarvan niet heeft kunnen overzien of dat hij geen alternatieven had.

De rechtbank leidt hieruit af dat er geen sprake is geweest van een situatie waarin verdachte in het geheel geen weerstand heeft kunnen bieden tegen de druk van medeverdachte [medeverdachte 2] . Ook rekening houdend met de persoonlijkheidsproblematiek van verdachte had van hem verwacht kunnen en mogen worden dat hij tot een andere oplossing was gekomen dan het plegen van de strafbare feiten, zoals hij heeft gedaan.

Verdachte is dan ook strafbaar.

6 De straf en/of de maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. Daarbij heeft de officier van justitie rekening gehouden met de ernst van de feiten, de gevaarzetting van de branden en de rol van verdachte.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft in het kader van de strafoplegging gesteld dat sprake is van een lichte overschrijding van de redelijke termijn. Voorts heeft de raadsman gewezen op de nadelige gevolgen van deze zaak die verdachte nog dagelijks ondervindt. Verdachte leeft – gelet op de verklaringen die hij heeft afgelegd – in angst om geliquideerd te worden en komt nauwelijks nog buiten de deur. Gelet op deze omstandigheden in combinatie met het advies van de deskundige om verdachte als licht verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen, heeft de raadsman verzocht de gevorderde straf te matigen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft in opdracht van een ander brand gesticht en een ontploffing teweeggebracht in een bedrijfspand en een poging daartoe ondernomen in een tweede pand. Brandstichting behoort tot één van de ernstigste misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent, omdat als gevolg van dit delict onbeheersbare, zeer gevaarzettende situaties voor personen of goederen kunnen ontstaan. In casu was er zeker sprake van gemeen gevaar voor goederen en gevaar voor personen: in het pand aan de [adres 1] is een ontploffing ontstaan waarna het pand volledig is afgebrand en in het pand in de [adres 2] heeft de graskraan meer dan een volledige dag opengestaan waardoor eveneens een verwoestende gasexplosie had kunnen ontstaan. Dergelijke brandstichtingen of pogingen daartoe veroorzaken grote angst en onrust in de samenleving en bij de omwonende in het bijzonder. Te meer, nu de brandstichting en de poging daartoe in de avonduren tijdens het carnavalsweekend hebben plaatsgevonden (in welke periode het in het algemeen drukker is op straat) en hebben geleid tot evacuatie van de omwonenden en afzetting van de openbare weg.

Voorts heeft verdachte na de poging tot brandstichting aan [adres 2] doen voorkomen dat de vermeende brandstichters ook goederen uit het pand hadden gestolen en heeft hij getracht deze vergoed te krijgen tot een bedrag van ruim 46.000 euro. Verdachte heeft daarmee misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in schademeldingen door de verzekeringsmaatschappij wordt gesteld en dient te kunnen worden gesteld in het economische verkeer.

Daarnaast heeft verdachte een vrachtwagen met een lading ter waarde van 300.000 euro verduisterd. Verdachte heeft met dit handelen de eigenaren van de betreffende lading voor een aanzienlijk bedrag benadeeld. Vervolgens heeft verdachte ten overstaan van de politie aangifte gedaan van diefstal met geweld en vrijheidsberoving, terwijl hij wist dat dit feit niet gepleegd was. Als gevolg van zijn gedrag heeft de politie onderzoek verricht, waardoor door toedoen van verdachte zonder noodzaak kostbare politiecapaciteit is ingezet.

De rechtbank houdt bij de strafoplegging in strafmatigende zin tevens rekening met het advies van de deskundige Van der Toorn, hiervoor onder 5.2 besproken, om verdachte licht verminderd toerekeningsvatbaar te achten. Door de deskundige wordt tevens aangegeven dat het recidiverisico als matig tot hoog wordt ingeschat, hetgeen zal oplopen wanneer verdachte zijn levenswandel niet zal wijzigen en zich blijft begeven in een crimineel milieu. Volgens de deskundige kan de kans op recidive alleen worden teruggedrongen wanneer verdachte zich niet meer zal begeven in een crimineel milieu en op rationeel niveau de beslissing zal nemen niet meer over te gaan tot wederrechtelijk handelen. Een dergelijk besluit kan het beste tot stand komen door een leerervaring van verdachte zelf. Het is de inschatting van de deskundige dat van een strafrechtelijke afhandeling in de zin van een heldere, sanctionerende reactie meer risico dempend effect zal uitgaan dan van een behandeltraject.

De ernst van de feiten, in combinatie met het gevaar en de angst die de brand en de poging tot brandstichting hebben veroorzaakt en de bevindingen van de deskundige, rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank is echter van oordeel dat het enorme gevaarzettende karakter van de brand en de poging tot brandstichting in de door de officier van justitie gevorderde straf onvoldoende tot uitdrukking is gebracht en zal daarom een hogere straf opleggen dan geëist. Alle omstandigheden in aanmerking genomen acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaar met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden.

Voorlopige hechtenis:

Op 13 mei 2016 is de voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van 17 mei 2016 onder voorwaarden geschorst. In aanmerking genomen dat de verdachte thans tot een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt veroordeeld, dienen naar het oordeel van de rechtbank de met de voorlopige hechtenis te dienen strafvorderlijke belangen zwaarder te wegen dan de belangen van de verdachte. De schorsing van de voorlopige hechtenis zal derhalve worden opgeheven.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 45, 47, 57, 157, 188, 321, 326 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte voor tot een gevangenisstraf van 7 jaren;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Voorlopige hechtenis

- heft op het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.A.M. de Loo, voorzitter, mr. V.P. van Deventer en

mr. L. Feuth, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.M.E. de Beukelaer, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 15 november 2017.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

parketnummer 03/702671-15:

1.

hij op of omstreeks 15 februari 2015 in de gemeente Heerlen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft/hebben gesticht en/of een ontploffing heeft/hebben teweeggebracht in een pand gelegen aan de [adres 1] , immers heeft/hebben verdachte(n) en/of een van zijn mededader(s) toen aldaar in voornoemd pand -opzettelijk van een gastoestel/gasmeter de gastoevoerleiding gedemonteerd en/of een slang en/of buis hieraan gemonteerd en/of die slang en/of buis de woning in geleid en/of de gaskraan opengedraaid en/of een tijdschakelaar met daaraan gekoppeld een electrische ontsteker in dat pand geplaatst (ten gevolge waarvan een vonk(je) is ontstaan) en/of benzine in een ontluchtingsbuis en/of in pand gegoten en/of (vervolgens) met een lont aangestoken, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met gas, althans met (een) brandbare stof(fen) ten gevolge waarvan dat pand geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en/of ten gevolge waarvan een ontploffing heeft plaatsgevonden, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten nabij gelegen woning(en), en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te weten (onder andere) diens mededader(s) en/of bewoners van de nabij gelegen woning(en), te duchten was

2.

hij op of omstreeks 15 februari 2015 in de gemeente Kerkrade ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand te stichten en/of een ontploffing te weeg te brengen in een pand gelegen aan de [adres 2] , immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar in voornoemd pand -opzettelijk van een gastoestel/gasmeter de gastoevoerleiding gedemonteerd en/of een slang en/of buis hieraan gemonteerd en/of die slang en/of buis de woning in geleid en/of de gaskraan opengedraaid en/of een tijdschakelaar met daaraan gekoppeld een electrische ontsteker in dat pand geplaatst en/of benzine in een ontluchtingsbuis en/of in pand gegoten en/of (vervolgens) met een lont aangestoken, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met gas, althans met (een) brandbare stof(fen) en daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten nabij gelegen woning(en), en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te weten (onder andere) diens mededader(s) en/of bewoners van de nabij gelegen woning(en), te duchten was, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij in of omstreeks de periode van 15 februari 2015 tot en met 29 juni 2015 te Heerlen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, medewerker(s) van verzekeringsmaatschappij [benadeelde] . te bewegen tot de afgifte van een geldbedrag (ter hoogte van 46.706,81 euro), in elk geval van enig goed, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen, een schade aangifte (in verband met een inbraak )heeft ingediend, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

parketnummer 03/7000267-14

1.

hij in of omstreeks de periode van 22 april 2014 tot en met 24 april 2014 in de gemeente Kerkrade, in elk geval in het arrondissement Limburg, opzettelijk een vrachtwagen met oplegger met lading (parfum en/of cosmetica en/of verpakkingsmateriaal), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan [getuige 6] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk(e) goed(eren) verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking of van zijn beroep van/als vrachtwagenchauffeur (van [bedrijf] ), in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

2.

hij op of omstreeks 24 april 2014, in de gemeente Heerlen, aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit was gepleegd, wetende dat dat feit niet was gepleegd, immers heeft verdachte toen aldaar ten overstaan van [verbalisant] , hoofdagent van politie Eenheid Limburg, opzettelijk in strijd met de waarheid aangifte gedaan van diefstal met geweld van een trekker met oplegger, gekentekend [kenteken] (inclusief lading) en/of wederrechtelijke vrijheidsberoving;

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie eenheid Limburg TGO, proces-verbaalnummer 2015029776, gesloten d.d. 27 augustus 2015, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 1474.

2 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 14 juli 2015, pagina 203-208, en proces-verbaal van bevindingen 5e verhoor [verdachte] d.d. 29 juli 2015, pagina 209-232.

3 Processen-verbaal van bevindingen d.d. 16 februari 2015, pagina 455 en 456.

4 Proces-verbaal van sporenonderzoek d.d. 23 februari 2015, pagina 1396-1399.

5 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] d.d. 7 juli 2015, pagina 313-317 en proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] d.d. 13 juli 2015, pagina 323-329.

6 Proces-verbaal getuigenverhoor d.d.10 augustus 2015, pagina 746-764.

7 Proces-verbaal van verhoor getuige 22 juli 2015, pagina 807-811.

8 Proces-verbaal van verhoor getuige 22 juni 2017, pagina 794-804.

9 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 14 juli 2015, pagina 203-208, en proces-verbaal van bevindingen 5e verhoor [verdachte] d.d. 29 juli 2015, pagina 209-232.

10 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 februari 2015, pagina 983-984.

11 Proces-verbaal van sporenonderzoek d.d.19 februari 2015, pagina 1211-1217.

12 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] d.d. 7 juli 2015, pagina 313-317 en proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] d.d. 13 juli 2015, pagina 323-329.

13 Proces-verbaal getuigenverhoor d.d.10 augustus 2015, pagina 746-764.

14 Proces-verbaal van verhoor getuige 22 juli 2015, pagina 807-811.

15 Proces-verbaal van verhoor getuige 22 juni 2017, pagina 794-804.

16 Proces-verbaal van uitwerking 2de verhoor verdachte d.d. 15 juli 2015, pagina 248-249.

17 Een geschrift met als opschrift ‘Aangifte van een (vermoedelijk) strafbaar feit d.d. 29 juni 2015, pagina 1088-1129.

18 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie eenheid Limburg District Parkstad districtsrecherche, proces-verbaalnummer 22014045837, gesloten d.d. 4 november 2014, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 373.

19 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 25 april 2014, pagina 25-28.

20 Proces-verbaal van aangifte d.d. 24 april 2014, pagina 169-173.

21 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 7 mei 2015, pagina 161-165.

22 Proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 9] d.d. 14 mei 2014, pagina 191-204.

23 Proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 8] d.d. 14 mei 2014, pagina 216-233.