Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:10978

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
14-11-2017
Datum publicatie
24-11-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 277
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onvoorwaardelijk ontslag wegens ernstig plichtsverzuim. Vast staat dat eiser de verweten gedraging heeft begaan en dat deze plichtsverzuim oplevert. Enkel in geschil is of het plichtsverzuim aan eiser valt toe te rekenen en of de opgelegde straf evenredig is te achten aan het gepleegde plichtsverzuim. De rechtbank is van oordeel dat de gepleegde handelingen terecht als toerekenbaar plichtsverzuim zijn aangemerkt en dat de opgelegde disciplinaire straf daaraan niet onevenredig is. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Maastricht

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB/ROE 17/277

uitspraak van de meervoudige kamer van 14 november 2017 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. R.J. Ruiter),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Kerkrade, verweerder

(gemachtigde: mr. H.A. Martens).

Procesverloop

Bij besluit van 12 januari 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser, met onmiddellijke ingang, de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd.

Bij besluit van 14 december 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 september 2017.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is sinds 1970 in dienst bij verweerder, laatstelijk in de functie van financieel medewerker bij de afdeling [naam afdeling]. Eiser ontving in het verleden van de gemeente Kerkrade een Tegemoetkoming Chronisch Zieken (TCZ). Eiser is in juli 2015 verhuisd naar de gemeente Brunssum. Eiser kwam hierdoor niet meer in aanmerking voor de TCZ. Eiser heeft op 11 september 2015 een aanvraagformulier TCZ ingediend bij de gemeente Kerkrade. Eiser heeft hierbij de NAW-gegevens van zijn zoon, [naam] (die wel woonachtig is in Kerkrade), en een overzicht van eisers eigen ziektekosten, gebruikt.

Op 9 december 2015 ontving de gemeente Kerkrade een signaal dat de zoon van eiser een beschikking TCZ had gekregen zonder dat hij daarvoor een aanvraag had ingediend. Eiser is daar op 16 december 2015 mee geconfronteerd. Tijdens dit gesprek heeft eiser onder meer verklaard, zoals blijkt uit het gespreksverslag van 16 december 2015, dat hij het onrechtvaardig vindt dat hij niet in aanmerking komt voor de TCZ enkel en alleen omdat hij niet meer in Kerkrade woont. Daarom heeft eiser een aanvraag ingediend op naam van zijn zoon omdat zijn zoon wel woonachtig was in Kerkrade. Eiser heeft tijdens dit gesprek aangegeven dat wat hij gedaan heeft niet goed is. Eiser heeft de gegevens niet zelf verwerkt. Dit heeft een collega gedaan. Eiser heeft verder aangegeven dat de regeling TZC niet te controleren valt en er alleen gecontroleerd wordt op woonplaats.

2. Bij brief van 18 december 2015 werd aan eiser het voornemen kenbaar gemaakt om hem disciplinair te straffen omdat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan zeer ernstig plichtsverzuim. Verweerder is voornemens om aan eiser de straf van ongevraagd ontslag op te leggen. Eiser wordt verweten dat door een melding van zijn zoon aan het licht gekomen is dat eiser – ondanks het feit dat hij wist dat hij geen recht had op TCZ – een plan heeft bedacht de TCZ te krijgen. Eiser heeft dat plan tevens uitgevoerd. Eiser wist dat zijn handelswijze fout was maar heeft vanaf dat moment geen contact opgenomen met verweerder om zijn foute handelswijze te melden en heeft de € 125,- niet terugbetaald om te voorkomen dat hij daardoor weer in het vizier zou komen. Eiser is in de gelegenheid gesteld om op dit voornemen te reageren.

3. Eiser heeft op 29 december 2015 (mondeling) zijn zienswijze gegeven. Een hiertoe opgemaakt proces-verbaal werd door eiser voor akkoord ondertekend. Eiser heeft onder meer verklaard alleen maar te kunnen gissen waarom hij zo gehandeld heeft. Het zou volgens eiser te maken kunnen hebben met zijn psychische c.q. gezondheidsproblemen. Dat begon met het overlijden van zijn moeder in 2014, problemen aan zijn prostaat, incontinentie, chronische luchtweginfectie, doofheid vanwege tinnitus, de lopende echtscheiding, problemen bij de verkoop van zijn woning en de voor eiser moeilijk te verkroppen overgang van gemeentelijke belastingen naar BSGW te Roermond. De onrechtvaardigheid met betrekking tot de toekenning van de TCZ kon er blijkbaar niet meer bij. Eiser functioneerde al geruime tijd niet normaal.

4. Bij het primaire besluit heeft verweerder besloten aan eiser, met ingang van

13 januari 2016, de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag op te leggen. Eiser heeft zich schuldig gemaakt aan zeer ernstig plichtsverzuim. Er zijn geen signalen naar voren gekomen die aanleiding geven te twijfelen aan de toerekenbaarheid van het plichtsverzuim. Gelet op de aard en de ernst van het plichtsverzuim en de omstandigheden van het geval komt verweerder tot de conclusie dat eisers positie als ambtenaar onhoudbaar is geworden. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.

5. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser, in afwijking van het advies van de commissie en onder verwijzing naar het contra-advies van het hoofd van de afdeling personeel, organisatie en informatiebeleid van 2 december 2016, ongegrond verklaard.

6. Eiser voert in beroep aan dat hij de ontoelaatbaarheid van zijn handelen niet heeft kunnen inzien en overeenkomstig dit inzicht heeft kunnen handelen. Eiser had al enige tijd forse psychische en medische problemen waardoor hij niet goed functioneerde. Deze omstandigheden waren verweerder bekend. Verweerder is tekortgeschoten in zijn onderzoeksplicht naar de toerekenbaarheid. Verweerder had na moeten gaan waar dit ongewone gedrag van eiser vandaan kwam. Eiser betwist de evenredigheid. Het voorliggende feitencomplex en de verminderde toerekenbaarheid rechtvaardigen niet het opleggen van een dergelijke sanctie.

7. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er geen aanleiding was om nader onderzoek te laten instellen naar de toerekenbaarheid van het vastgestelde plichtsverzuim. Eiser heeft er volgens verweerder bewust voor gekozen om zijn ambtelijke positie te misbruiken om zichzelf te bevoordelen ten koste van de gemeente en door middel van het vervalsen van gegevens. Eiser heeft zich schuldig gemaakt aan zeer ernstig plichtsverzuim en hij is het vertrouwen van de gemeente onwaardig geworden. Verweerder is van mening dat de consequenties niet onevenredig zijn aan de ernst van het door hem gepleegde plichtsverzuim. De consequenties van het strafontslag zijn volgens verweerder relatief beperkt omdat de einddatum van eisers dienstverband niet ver af ligt van de datum waarop eiser de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.

8. Bij de beoordeling is het navolgende wettelijk kader van belang.

Artikel 8:13 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst (hierna: CAR/UWO) bepaalt dat aan de ambtenaar als disciplinaire straf ongevraagd ontslag kan worden verleend.

Artikel 16:1:1, tweede lid, van de CAR/UWO bepaalt dat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift omvat als het niet doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

9. De rechtbank overweegt als volgt.

10. Tussen partijen is niet in geschil en ook voor de rechtbank staat vast dat eiser de verweten gedraging heeft begaan en dat deze gedraging plichtsverzuim oplevert. Eiser betwist dat dit plichtsverzuim aan hem valt toe te rekenen en dat de opgelegde straf evenredig is te achten aan het gepleegde plichtsverzuim.

11. Bij de beantwoording van de vraag of het plichtsverzuim aan betrokkene kan worden

toegerekend is volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (zie bijvoorbeeld

de uitspraak van 7 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2543), van belang of betrokkene ten

tijde van de gedraging in staat was de ontoelaatbaarheid daarvan in te zien en of hij in staat

was overeenkomstig dit inzicht te handelen en de gedraging achterwege te laten.

Wat betreft de toerekenbaarheid van het vastgestelde plichtsverzuim heeft eiser aangevoerd

dat de verklaring voor zijn gedrag in zijn gezondheidstoestand ligt. Dit standpunt heeft eiser

ondersteund met een brief van GZ-psycholoog [S.] van

1 juni 2016. Uit deze brief blijkt dat eiser in januari 2016 door de huisarts is verwezen naar

haar praktijk. Uit de intake is als beschrijvende diagnose naar voren gekomen dat eiser door

een aantal life-events, waaronder het ontslag op staande voet, het overlijden van zijn moeder,

zijn echtscheiding en allerlei lichamelijke klachten, momenteel spanningsklachten en

depressieve klachten ervaart. [S.] geeft onder behandelverloop onder meer aan dat in

eerste instantie aandacht is besteed aan de traumatische ervaringen rondom eisers werk en er

vervolgens meer ruimte is gekomen om voor de andere life-events die eiser heeft

meegemaakt en waarschijnlijk een rol hebben gespeeld in hoe eiser op zijn werk gehandeld

heeft. Deze brief is naar het oordeel van de rechtbank geen begin van bewijs dat eiser in de

periode waarin de verweten gedraging heeft plaatsgevonden eiser op enig moment de

ontoelaatbaarheid van zijn gedraging(en) niet heeft kunnen inzien en niet overeenkomstig dat

inzicht heeft kunnen handelen. Eisers beroepsgrond dat verweerder is tekortgeschoten in zijn

onderzoeksplicht naar de toerekenbaarheid treft dan ook geen doel. Dat eiser bovendien al

enige tijd niet of niet goed functioneerde zoals hij stelt, is de rechtbank niet gebleken. Het

betoog van eiser dat het plichtsverzuim hem niet is toe te rekenen, slaagt, gelet op het

voorgaande, niet. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht en op goede gronden de

gepleegde handelingen als toerekenbaar plichtsverzuim heeft aangemerkt zodat verweerder

bevoegd was om eiser een disciplinaire maatregel op te leggen.

12. Eiser voert voorts aan dat de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag niet evenredig is.

13. Deze beroepsgrond faalt. De rechtbank onderkent dat deze disciplinaire straf voor eiser ingrijpende gevolgen heeft, nu eiser hierdoor zijn dienstbetrekking heeft verloren en daarmee zijn inkomen. De rechtbank acht de straf echter, gezien de aard en de ernst van de feiten en de door verweerder terecht gestelde hoge eisen aan betrouwbaarheid en integriteit van ambtenaren van de gemeente, niet onevenredig aan de ernst van het plichtsverzuim. Met zijn gedraging heeft eiser het in hem gestelde vertrouwen ernstig geschaad. Mede in aanmerking genomen dat het plichtsverzuim zich op de afdeling heeft voorgedaan waar eiser zelf werkzaam was en er bovendien meerdere momenten over een periode van ruimschoots drie maanden zijn geweest waarop eiser zijn gedrag heeft kunnen en moeten inzien maar hier niet zelf op teruggekomen is. Dit is als zeer ernstig aan te merken. Dat eiser al 45 jaar in dienst is bij verweerder, een goede staat van dienst heeft, en het hier gaat om een relatief laag bedrag van € 125,- maakt evenmin dat het strafontslag onevenredig is. Met zijn lange dienstverband en goede staat van dienst had eiser juist beter kunnen en moeten weten.

14. Gelet op de aard en de ernst van de gedragingen acht de rechtbank de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig.

15. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A. Teeuwissen (voorzitter), en mr. T.E.A. Willemsen en mr. J. Bijveld, leden, in aanwezigheid van B. van Dael, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 november 2017.

griffier rechter/voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op: 14 november 2017

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep