Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:10932

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
10-11-2017
Datum publicatie
10-11-2017
Zaaknummer
03/995005-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Proces-verbaal
Inhoudsindicatie

Beslissing over vervolg strafzaken SGL. Regiezitting in de strafzaken tegen twee verdachten die beschuldigd worden van (kort gezegd) verduistering, valsheid in geschrifte en oplichting rondom zorggelden bij de Stichting Gehandicaptenzorg Limburg. Kort samengevat vindt de rechtbank dat het recht op een eerlijk proces niet is geschonden en dat er daarom geen reden is voor niet-ontvankelijk verklaring van de officier van justitie. De rechtbank wijst toe dat nog twee getuigen worden gehoord en dat stukken van vergaderingen van de Raad van Toezicht worden toegevoegd aan het dossier.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer : 03/995005-12

Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzittingen van 10 november 2017

Tegenwoordig als:

rechters : mr. H.H. Dethmers, voorzitter, mr. C. Wapenaar en mr. C.M. Nollen,

officier van justitie : mr. J. van Vreeswijk,

griffiers : mr. K.J.M. Voncken.

De voorzitter doet de zaak tegen na te noemen verdachte uitroepen.

De verdachte, gedagvaard als:

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens verdachte] ,

wonende te [adresgegevens verdachte] ,

is niet ter terechtzitting verschenen.

De raadsman van de verdachte, mr. J.M.H. Römkens, advocaat kantoorhoudende te Maastricht, is eveneens niet ter terechtzitting verschenen.

De zaak wordt gelijktijdig behandeld met de ontnemingszaak tegen verdachte parketnummer 03/995005 OWV.

Deze zaak wordt gelijktijdig, doch niet gevoegd, behandeld met de strafzaak tegen [medeverdachte] met het parketnummer 03/995006-12 en de ontnemingszaak tegen [medeverdachte] met parketnummer 03/995006-12 OWV.

Het onderzoek wordt hervat in de stand waarin het zich op het tijdstip waarin dit onderbroken werd op woensdag 8 november 2017 bevond.

Op 6 en 8 november 2017 hebben in dit onderzoek regiezittingen plaatsgevonden. Aangekondigd is dat op de zitting van vandaag alleen de beslissingen worden uitgesproken.

Verdachte en de raadsman hebben aangegeven vandaag niet te zullen verschijnen.

De voorzitter deelt na beraad de volgende beslissingen mede.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Op zittingen van deze rechtbank van 6 en 8 november 2017 (waarvan afzonderlijk proces-verbaal is opgemaakt) heeft de verdediging primair een beroep op niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie bepleit. Subsidiair heeft de verdediging (mede) op basis van de in het ontvankelijkheidsverweer aangedragen argumenten nadere onderzoekshandelingen bepleit.

Het verzoek tot niet-ontvankelijkverklaring berust kort samengevat in de woorden van de rechtbank op het argument dat de wijze waarop het onderzoek is gevoerd, zodanige gebreken kent dat het recht op een eerlijk proces geschonden is. Dat komt volgens verdachte [verdachte] door het volgende:

  1. In de aanvang van het onderzoek heeft de FIOD de Belastingdienst aangestuurd;

  2. Daardoor had het boekenonderzoek van de Belastingdienst dat formeel gericht was op de [naam stichting] (verder: [naam stichting] ) en [naam BV] (verder: [naam BV] ) alleen maar tot doel verdachte te kunnen belasten;

  3. Daardoor was de controlerend ambtenaar bevooroordeeld en stond de uitkomst van het belastingonderzoek bij [naam BV] al vast voordat het onderzoek begon;

  4. In het belastingonderzoek van [naam BV] zijn aan verdachte geen vragen gesteld. Op basis van dit onderzoek is aan hem privé een aanslag voor de Inkomstenbelasting (IB) opgelegd zonder dat hij gehoord is;

  5. Het onderzoek van de Belastingdienst is een slecht onderzoek dat niet is gebaseerd op feiten. De inspecteur heeft op basis van dit onderzoek verdachte aanvankelijk voor het gebruik van de zorgmanege belast voor een bedrag van anderhalf miljoen euro, dat recentelijk in rechte is gecorrigeerd tot 17.000 euro op jaarbasis, bij welke gelegenheid het boekenonderzoek als bestuurlijk onbehoorlijk is gekwalificeerd en de conclusies geen stand hebben gehouden. De FIOD heeft voortgeborduurd op onderzoeksresultaten waarvan is gebleken dat zij nergens op zijn gebaseerd. Door de naar aanleiding van het FIOD-onderzoek ontstane negatieve publiciteit (‘miljoenenfraude in de zorg’) waren veel getuigen niet bereid om nog in het voordeel van verdachte te verklaren;

  6. Aan een aantal getuigen is daarenboven uitvoerig geciteerd uit de door controlerend ambtenaar [getuige 1] tegenover de FIOD afgelegde verklaring, welke verklaring niet is gebaseerd op juiste feiten, zoals al blijkt uit de gecorrigeerde aanslag IB;

  7. Vragen die de verdediging aan getuigen bij de rechter-commissaris wilde stellen over de hierboven beschreven gang van zaken werden belet;

  8. De FIOD heeft vanuit vooringenomenheid en tunnelvisie alleen die documenten gebruikt en aan het dossier toegevoegd die de beschuldigingen ondersteunen.

Naast voormelde door de verdediging gestelde gebreken heeft de verdediging gewezen op het feit dat de redelijke termijn in deze zaak inmiddels ruimschoots is overschreden.

De rechtbank zal deze argumenten per onderdeel bespreken en beoordelen.

Ad i. De aanleiding voor het strafrechtelijk onderzoek is in het procesdossier beschreven in hoofdstuk 2 (blz. 24-29) van het algehele overzichtsproces-verbaal (OPV). De rechtbank vat de beschreven gebeurtenissen voor zover hier van belang als volgt samen:

a. Op 20 november 2008 meldt een medewerkster van het CZ-Zorgkantoor de FIOD een door CZ ontvangen signaal over fraude bij SGL. AWBZ-gelden zouden ten onrechte worden gebruikt voor de aankoop van een manege en warmbloedpaarden. CZ had begin 2007 (van een journalist) en begin 2008 (via de NZa) ook signalen gehad over fraude bij SGL;

b. De FIOD onderzoekt daarop open bronnen over SGL, [naam stichting] en [naam BV] ;

c. De FIOD doet op 25 november 2008 navraag bij de Belastingdienst en verneemt dat er van SGL over 2004 een summier controlerapport is, dat in 2007 iemand anoniem heeft gemeld dat SGL op formeel onjuiste gronden een manege zou exploiteren en dat er bij [naam BV] , die de manege zou exploiteren, nog geen boekenonderzoek is geweest.

d. De FIOD ontvangt op 20 januari 2009 een (op dat moment) anonieme brief uit handen van de voorzitter van het RIEC [naam voorzitter] , onder andere over het uitbaten door [naam BV] van een manege met 44 paarden waarvan er maar één of twee door gehandicapten bereden konden worden. Dit zou tot stand zijn gekomen met geld van SGL. [verdachte] zou met geld van SGL op grote schaal onroerend goed hebben gekocht en kostbare kunstvoorwerpen die voorheen bij SGL hingen, in zijn huis hebben hangen.

e. Na overleg tussen FIOD en Belastingdienst op 22 januari 2009 heeft, vanwege het op dat moment ontbreken van concrete verdenkingen, de Belastingdienst besloten een boekenonderzoek te doen bij SGL.

f. De FIOD heeft op 8 maart 2010 bij de Belastingdienst geïnformeerd naar de bevindingen van het onderzoek. Daarbij bleek dat er geen voortgang in het boekenonderzoek zat, waarbij de Belastingdienst de indruk had dat het onderzoek door SGL onnodig werd vertraagd en opgehouden.

g. Op 8 juni 2010 kwam er een anonieme brief, naar achteraf blijkt afkomstig van [getuige 2] , binnen bij de Belastingdienst over [naam BV] , die voor de Belastingdienst reden was om bij [naam BV] een boekenonderzoek in te stellen.

h. Via [naam voorzitter] werd medio juni 2010 bekend dat [getuige 2] de schrijver was van de anonieme brief. De FIOD besluit vervolgens op 27 augustus 2010 in overleg met het Openbaar Ministerie, mede omdat het boekenonderzoek werd tegengewerkt, om [getuige 2] en [getuige 3] (de verkoper van de manege aan [naam stichting] ) te horen. Dit is op 2 en 23 september 2010 gebeurd. [getuige 2] doet tijdens zijn verhoor aangifte van valsheid in geschrifte en verduistering tegen [verdachte] .

i. In november 2010 vond er een bijeenkomst plaats tussen OM, FIOD en Belastingdienst, waarbij door de (contactambtenaar van de) Belastingdienst informatie werd uitgewisseld met de FIOD.

j. Het voorgaande leidde tot een verdenking in maart 2011. De zaak is daarop aangemeld in het Tripartite Overleg. Deze overleggen vonden plaats op 7 april 2011 en 9 juni 2011. In het overleg van 9 juni 2011 werd besloten tot het instellen van een strafrechtelijk onderzoek, waarna in oktober 2011 het onderzoeksteam Mustang werd gevormd.

Uit het OPV en de toelichting daarop van de officier van justitie op de zitting blijkt dat het traject tot de vorming van het onderzoeksteam vanuit de FIOD (zie hier sub j) wordt begeleid door de zogenaamde afdeling Account van de FIOD. Deze afdeling onderzoekt meldingen en aanwijzingen en werkt ze eventueel uit tot verdenkingen. Dat onderzoek vindt plaats door onderzoek in openbare registers en op internet (zie hier sub b). Een van hun informatiebronnen is ook de Belastingdienst (zie hier sub c). Als er nog geen verdenking is, kan de Belastingdienst besluiten om een controle onderzoek te verrichten (zie hier sub e). De FIOD kan verzoeken om de bevindingen van dat onderzoek te ontvangen (zie hier sub f). De FIOD kan ook zelf personen horen (zie hier sub h). Los daarvan kan de Belastingdienst ook zelf aan de hand van meldingen (zie hier sub g) besluiten om een boekenonderzoek uit te voeren (zie hier sub g).

De toelichting door de officier van justitie dat de leden van het onderzoeksteam niet betrokken zijn geweest bij de vorming van de verdenking, wordt ondersteund door de verklaringen van de FIOD ambtenaren [naam FIOD ambtenaar 1] en [naam FIOD ambtenaar 2] dat zij pas vanaf oktober 2011 kennis krijgen van en betrokken raken bij dit onderzoek. Zij ontvangen dan het overzicht en de bevindingen van het Account-onderzoek en zetten hun eigen onderzoek daarop voort. Een van de vele onderzoekshandelingen die zij hebben gedaan, is het horen van [getuige 1] , die het boekenonderzoek bij [naam BV] heeft verricht. [getuige 1] beschrijft als getuige de aanleiding tot het boekenonderzoek bij [naam BV] (G03-01, blz. 2). Een van de vijf redenen voor dat onderzoek is de ‘klikbrief’ over misstanden bij [naam BV] (zie sub g).

De rechtbank is van oordeel dat de in het OPV beschreven gang van zaken helder en transparant is. Van aansturing door de FIOD van het door de Belastingdienst verrichte onderzoek blijkt niet uit het procesdossier.

Ad ii.

en

Ad iii. De stelling van verdachte dat het onderzoek van de Belastingdienst door de FIOD is gestuurd alleen maar tot doel had om hem te belasten, wordt door verdachte voornamelijk onderbouwd met de redenering dat als het onderzoek ‘eerlijk’ zou zijn uitgevoerd, gebleken zou zijn dat de beschuldigingen die er nu liggen, ongegrond zijn. Dat die beschuldigingen ongegrond zijn, blijkt volgens verdachte uit het gegeven dat zijn bijtelling IB inzake [naam BV] in rechte verminderd is van 1,5 miljoen euro naar 17 duizend euro.

Dat het onderzoek bij [naam BV] slechts met het doel zou zijn ingesteld om informatie te krijgen over [verdachte] en dat van dat onderzoek de vooringenomenheid afstraalt, wordt door de rechtbank niet herkend. Ook de stelling dat het conceptrapport van de Belastingdienst en de door [getuige 1] afgelegde verklaringen in het strafrechtelijke onderzoek alleen meningen bevatten, wordt door de rechtbank niet herkend. Verschillende kwesties die in het rapport van de Belastingdienst over [naam BV] worden beschreven, houden tijdens het FIOD onderzoek stand en waren voor de officier van justitie voldoende concreet om ten laste te leggen. Het betreft ernstige verdenkingen. Of, en in hoeverre die verdenkingen gegrond zijn, is onderwerp van onderhavige strafprocedure. In dat onderzoek zijn de bewijsmiddelen zoals deze zich in het procesdossier bevinden, leidend. Of, en in hoeverre aanslagen IB worden opgelegd en standhouden die verband houden met onderwerpen die ook ten laste zijn gelegd, is voor de rechtbank in deze strafzaak niet maatgevend, alleen al om de reden dat niet op basis van dezelfde stukken wordt geoordeeld. De rechtbank heeft verder ook geen kennis van de genoemde aanslagen IB en de procedures inzake de inkomstenbelasting van verdachte. Kortom, van ongeoorloofde sturing door de FIOD of een “geheim” onderzoek naar [verdachte] is niet gebleken en de (uitkomsten van de) procedures rondom de inkomstenbelasting van [verdachte] in privé hebben geen bewijswaarde in de strafrechtprocedure tegen hem.

Ad iv. In paragraaf 2.2 van het definitief rapport van onderzoek van de Belastingdienst bij [naam stichting] en [naam BV] van 15 maart 2013 (bijlage D-231) is het verloop van het onderzoek beschreven. Daaruit blijkt dat de Belastingdienst tijdens het onderzoek alleen gesproken heeft met de accountants en [medeverdachte] . [medeverdachte] gaf desgevraagd herhaaldelijk aan dat zij [naam BV] vertegenwoordigde en dat verdachte door haar geïnformeerd werd. Ten tijde van het eerste verhoor van [getuige 1] door de FIOD op 10 november 2011 was het boekenonderzoek nog niet afgerond. [getuige 1] verklaart tijdens dit verhoor dat de uitvoering van het onderzoek gekenmerkt wordt door grote vertraging in het aanleveren van gevraagde gegevens, annuleren van afspraken en opeenvolgende vakanties van personen die bij het onderzoek betrokken zijn. Het conceptrapport dateert van na het verhoor van [getuige 1] . Dit conceptrapport is blijkens de definitieve versie door verdachte becommentarieerd. Uit het in het rapport beschreven verloop van het onderzoek (2.2) blijkt verder dat verdachte op verschillende momenten in de gelegenheid is gesteld om (nader) te reageren. De rechtbank ziet dan ook geen grond voor de stelling van verdachte dat hij nooit de kans heeft gehad op het rapport van de Belastingdienst te reageren. Ter zitting heeft verdachte nog aangegeven dat hij zich bij de bespreking van zijn commentaar op het conceptrapport heeft laten vertegenwoordigen door adviseurs [naam adviseur 1] en [naam adviseur 2] , omdat [naam adviseur 2] hem gezegd zou hebben dat de Belastingdienst liever niet had dat hij bij dit gesprek aanwezig was. De rechtbank acht niet aannemelijk dat de Belastingdienst een dergelijke mededeling zou hebben gedaan.

Ad v. Op de zitting heeft de verdediging toegelicht dat het openbaar ministerie in persberichten gesproken heeft over ‘miljoenenfraude’ en dat dit getuigen bang gemaakt heeft om nog in het voordeel van verdachte te getuigen. De rechtbank merkt allereerst op dat of en in hoeverre sprake is van strafbare gedragingen door verdachte onderwerp is van dit strafrechtelijk onderzoek. Voorts merkt de rechtbank op dat bij de waardering van getuigenbewijs altijd scherp gelet moet worden of en in hoeverre getuigen belang kunnen hebben om een eventueel eigen aandeel in vermeend onjuist handelen van een verdachte te ontkennen of te bagatelliseren.

Ad vi. De rechtbank merkt op dat het in het algemeen niet verkeerd is om getuigen te confronteren met bewijsmiddelen, waaronder verklaringen van andere getuigen. Doorgaans gebeurt dit pas nadat de getuige zijn eigen verklaring heeft gegeven. Uit het dossier blijkt dat dit regelmatig op deze wijze is gebeurd. Verdachte heeft vooral moeite met het confronteren van getuigen met bevindingen uit het belastingonderzoek en/of de als getuige afgelegde verklaringen daarover door [getuige 1] , omdat hij de uitkomsten van dat onderzoek en de verklaringen van die getuige onjuist acht. De rechtbank acht echter de visie van verdachte op de juistheid van een bewijsmiddel niet dragend voor de toelaatbaarheid om een getuige met dat bewijsmiddel te confronteren. Of een getuige door (te vroege) confrontatie beïnvloed is in zijn verklaring en dit de betrouwbaarheid van diens getuigenverklaring aantast, kan onderwerp zijn van debat bij de inhoudelijke behandeling van de strafzaak.

Ad vii. Uit de overwegingen tot nog toe blijkt dat de rechtbank de bezwaren van verdachte over de aanvang van het onderzoek en de wijze waarop het is uitgevoerd, ongegrond vindt. Kleine onjuistheden en onvolkomenheden in onderzoek kunnen in verband met de te behandelen ten laste gelegde feiten worden gecorrigeerd of gesanctioneerd. De uitgangsgedachte van verdachte is echter dat het hele onderzoek tegen hem is opgezet en uitgevoerd met het enkele doel om hem te beschadigen en te belasten. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor de juistheid van die uitgangsgedachte. Heel veel door de verdediging gestelde vragen aan getuigen hadden tot doel om die uitgangsgedachte te onderbouwen. De rechtbank is van oordeel dat de rechter-commissaris om goede redenen die vragen heeft beperkt of belet.

Ad viii. De rechtbank zal bij de bespreking van de onderzoekswensen nader ingaan op de verzochte nadere stukken. Daaruit zal blijken dat de rechtbank van oordeel is dat toevoeging van extra stukken slechts beperkt nodig is.

Er zijn geen aanwijzingen dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren (ernstig) inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

Overschrijding van de redelijke termijn in strafzaken kan niet leiden tot niet- ontvankelijkheid, maar hooguit tot strafvermindering.

Slotsom

De rechtbank wijst het verzoek tot niet-ontvankelijkheid af.

De onderzoekswensen en verzoeken tot inbreng van stukken

De verdachte heeft de rechtbank voor de zitting schriftelijk laten weten dat alle verzoeken die tijdens het vooronderzoek door de verdediging aan de rechter-commissaris zijn gedaan én zijn geweigerd, opnieuw aan de rechtbank worden voorgelegd.

De rechtbank ziet geen noodzaak om het verloop van het gehele onderzoek bij de rechter-commissaris weer te geven. De laatste beslissing voorafgaand aan de openbare behandeling is genomen op bezwaarschriften tegen diverse afwijzingen van de rechter-commissaris in raadkamer in een beschikking van 16 maart 2017. In die beschikking is helder samengevat welke getuigen zijn gehoord en welke nog niet alsmede welke verzoeken tot toevoeging van stukken aan het dossier zijn verzocht én geweigerd.

Het verzoek tot getuigenverhoor is ter zitting door de verdediging uiteindelijk gedaan zoals opgenomen op p. 6 van paragraaf 5 van de door de verdediging. Tijdens de behandeling ter zitting heeft de verdediging daaraan mondeling nog nieuwe verzoeken toegevoegd.

Uit het voorgaande volgt dat het merendeel van de verzoeken die op deze zitting zijn behandeld, al eerder (en herhaaldelijk) door de rechter-commissaris zijn beoordeeld. De bezwaren die tegen die beslissingen zijn ingediend, heeft de meervoudige raadkamer van de rechtbank telkens ongegrond verklaard. De vraag die zich dan opdringt, is of de rechtbank gehouden is om diezelfde verzoeken geheel opnieuw te beoordelen aan het verdedigingsbelang of dat – behoudens nieuwe feiten en omstandigheden – kan worden volstaan met de beperktere beoordeling of de rechtbank de verzochte onderzoekshandeling noodzakelijk vindt voor haar oordeelsvorming.

De rechtbank zal het antwoord op die vraag in het midden laten, nu in deze procedure vaststaat dat het onderzoek op de zitting is aangevangen vóórdat in de door verdachte ingestelde cassatieprocedure is beslist en verdachte met het oog op deze zitting de cassatieprocedure heeft ingetrokken. In die procedure stonden dezelfde onderzoekshandelingen ter discussie als nu beoordeeld moeten worden. In deze omstandigheid ziet de rechtbank aanleiding om de verzoeken te beoordelen aan het verdedigingsbelang.

De getuigen

De getuigen die zijn opgegeven in verband met nader onderzoek naar de aanleiding van het strafrechtelijk onderzoek wijst de rechtbank af. De argumenten van de verdediging op dit punt zijn hiervoor reeds besproken. In de overwegingen over de ontvankelijkheid heeft de rechtbank bevonden dat er geen aanwijzingen zijn dat in de stukken het verloop van het voortraject, de redenen van wetenschap en de gemaakte keuzes onjuist zijn weergegeven. Er zijn geen aanknopingspunten tot nader onderzoek op dit punt.

Het verzoek tot het horen van de heren [getuige 4] en [getuige 5] , medewerkers van de CZ-groep, zal voor wat [getuige 4] betreft worden afgewezen en voor wat [getuige 5] betreft worden toegewezen. Over feit 3 voert verdachte aan dat er sprake was van een capaciteitscontract en dat het gebruikelijk was om bij aanvang van een nieuwe locatie uit te gaan van financiering naar capaciteit in plaats van naar feitelijke (te verwachten) bezetting. De rechtbank wil graag dat [getuige 5] gevraagd wordt vanuit zijn functie bij CZ te reageren op deze stelling alsmede of het contract tussen SGL en [naam BV] als genoemd in feit 1 vierde streepje en feit 3 als een in de zorg in dat verband wenselijk of toelaatbaar contract kan worden aangemerkt. Ook wil de rechtbank graag nadere uitleg over de door de getuige genoemde zorgarrangementen en de (mogelijke) tariefstelling in het kader daarvan. Voorts legt [getuige 5] als getuige (G05-01, blz. 5 van 9) een gespreksverslag over dat niet bij het proces-verbaal is gevoegd. De rechtbank verzoekt de officier van justitie te bewerkstelligen dit stuk alsnog aan het dossier toe te voegen ten behoeve van het getuigenverhoor. De rechtbank acht het van belang dat deze getuige nader over die notitie wordt bevraagd en acht het ook voor de verdediging van belang om de getuige daarover vragen te kunnen stellen. Omdat uit de verhoorverslagen bij de FIOD ( [getuige 4] is als G04 toegevoegd) blijkt dat [getuige 4] pas in 2010 namens CZ betrokken is bij de zorginkoop bij SGL, [getuige 5] meer in detail van de financieringsmethodiek op de hoogte is dan [getuige 4] en vanuit het zorgkantoor nauwer bij [naam BV] betrokken is geweest, acht de rechtbank het voldoende als alleen [getuige 5] als getuige wordt gehoord.

Het verzoek tot het horen van de heer [getuige 6] wordt afgewezen, omdat niet duidelijk is gemaakt waarover hij (aanvullend) kan verklaren.

Het verzoek tot het horen van de heer [getuige 7] zal worden toegewezen. Hoewel het verzoek niet adequaat is toegelicht, stelt de rechtbank vast dat deze getuige in zijn verhoren bij de FIOD (G-G-30) belastend heeft verklaard over een door hem opgestelde beleidsnotitie die betrekking had op het financieringscontract tussen SGL en [naam BV] . De rechtbank acht het zowel in het belang van het onderzoek als in het belang van de verdediging dat die verklaring onderwerp van nadere ondervraging kan zijn.

Het verzoek tot het wederom horen van [getuige 8] wordt afgewezen, omdat op dit moment onduidelijk is of de nadere stukken van de Raad van Toezicht informatie zullen opleveren die nopen tot een nadere ondervraging van [getuige 8] .

De verdediging heeft op de zitting verzocht om de curator in het faillissement van [naam BV] als getuige te laten horen. De rechtbank wijst dit verzoek af, omdat het belang van het horen van deze getuige in de strafzaak niet aangetoond is. Het verzoek om in dit kader FIOD-ambtenaar [naam FIOD ambtenaar 2] als getuige te doen horen in verband met mogelijke contacten die hij met de curator gehad heeft, wordt om dezelfde reden afgewezen.

Het verzoek tot het opnieuw horen van reeds gehoorde getuigen zal worden afgewezen. Voor de motivering wordt verwezen naar hetgeen bij ontvankelijkheid onder vi is opgemerkt.

Nadere schriftelijke bescheiden

De verdediging heeft verzocht om inzage dan wel voeging van stukken. Uit het verhandelde ter zitting blijkt dat de verdediging primair om inzage verzoekt. De verdediging wil aan de hand van de inhoud van deze stukken bepalen of deze aan het dossier moeten worden toegevoegd.

Ingevolge artikel 149a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is de officier van justitie verantwoordelijk voor de samenstelling van de processtukken. Ingevolge het tweede lid van artikel 149a Sv behoren tot de processtukken alle stukken die voor de ter terechtzitting door de rechter te nemen beslissingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn.

Tot de aanvang van het onderzoek ter zitting kan de verdachte de officier van justitie verzoeken specifiek omschreven stukken die hij van belang acht voor de beoordeling van de zaak bij de processtukken te voegen (artikel 34, eerste lid Sv). Met het oog op de onderbouwing van zijn verzoek kan de verdachte de officier van justitie verzoeken kennis te nemen van specifiek omschreven stukken (artikel 34, tweede lid Sv).

De officier kan – voor zover hier van belang – de voeging van stukken weigeren als ze niet voldoen aan het relevantiecriterium. De rechter-commissaris toetst die beslissing.

Na aanvang van het onderzoek beslist de rechtbank over de noodzaak van (alsnog) voegen van stukken.

Het verzoek tot inbreng van de pre-weeg en AWR documenten wijst de rechtbank af. Voor de motivering van die beslissing wordt verwezen naar hetgeen onder ontvankelijkheid is opgemerkt.

Het verzoek tot inbreng of inzage in de administratie van [getuige 3] en [getuige 9] wordt afgewezen. Verdachte wil deze administraties inzien om de kwaliteit daarvan te beoordelen en mogelijk ontbrekende hem ontlastende stukken te zoeken. Dit is geen reden om te oordelen dat sprake is van processtukken die tot voeging nopen in het procesdossier. Het is ook geen reden om te oordelen dat verdachte inzage moet hebben in deze stukken met het oog op voeging. De officier van justitie heeft aangegeven dat in het kader van het FIOD-onderzoek deze administraties zijn doorgelicht en dat de van belang zijnde stukken aan het dossier zijn toegevoegd. De rechtbank ziet vooralsnog geen grond daaraan te twijfelen en ziet daarvoor ook in de verklaringen die [getuige 3] en [getuige 9] als getuigen hebben afgelegd geen aanknopingspunt.

Het verzoek tot inbreng van alle agenda’s en bijlagen alsmede notulen en bijlagen van de vergaderingen van de Raad van Toezicht (RvT) van SGL die het onderzoeksteam ter beschikking heeft gehad, wordt toegewezen voor de jaren 2005 tot en met 2010. Vooral voor feit 3 heeft de verdediging er belang bij inzage te krijgen in de informatie die aan de RvT is verstrekt. Op basis van het verhandelde ter zitting is niet helemaal duidelijk over welke vergaderstukken de FIOD in haar onderzoek heeft beschikt. Op basis van het onderzoeksrapport van de Belastingdienst en de KVI’s moet het er vooralsnog voor gehouden worden dat het onderzoeksteam tijdens het onderzoek over meer stukken heeft beschikt dan thans bij de stukken gevoegd. De rechtbank vindt daarom van belang dat deze stukken aan het dossier worden toegevoegd, waarbij zij opmerkt dat met digitale verstrekking (liefst toegankelijk per vergadering) kan worden volstaan. Aan de verdediging (en ook aan de officier van justitie) wordt wel verzocht om bij gelegenheid van de inhoudelijke behandeling aan te geven welke extra passages of bijlagen de verdediging (of de officier van justitie) in verband met het ten laste gelegde van belang acht in aanvulling op de thans reeds in het dossier opgenomen RvT-stukken.

Het verzoek tot inbreng van de nog ontbrekende verslagen van de in het kader van het KPMG onderzoek afgelegde verklaringen wijst de rechtbank af. Het onderzoek van KPMG betreft een particulier onderzoek in opdracht van SGL. KPMG heeft in het kader van dit onderzoek 18 personen geïnterviewd. Het procesdossier bevat naast het onderzoeksverslag met bijlagen van KPMG (dossier FIOD, D-076) de verslagen van de gesprekken die KPMG heeft gevoerd met [getuige 10] (dossier FIOD, D-262), [getuige 11] (D-243) en [getuige 12] (D-245). De verdediging wenst de verslagen van alle gesprekken die KPMG in het kader van hun onderzoeksopdracht heeft gevoerd in te zien zodat een adequate reactie op het verslag van KPMG kan worden gegeven. De rechtbank kan de verdediging niet volgen in deze redenering. De verdediging heeft (daarmee) ook niet aannemelijk gemaakt dat de ontbrekende verslagen van de door KPMG gehouden interviews voor de door de rechtbank in deze procedure in het kader van 348 en 350 Sv te beantwoorden vragen redelijkerwijs van belang kunnen zijn. Het standpunt dat het niet klopt wat in het rapport staat, maakt niet dat sprake is van processtukken die moeten worden gevoegd.

Verdachte heeft verzocht om alle zogenoemde managementletters van Deloitte in de periode 2002 tot en met 2010. Hij wijst op de dossierstukken D-634 en D-638. Deze stukken betreffen een controle van de jaarrekening van SGL van 2008 en een presentatie over de begroting van SGL voor 2009. De rechtbank ziet, zoals gezegd, een belang voor de verdediging om kennis te kunnen nemen van alle beschikbare stukken die zien op vergaderingen van de Raad van Toezicht. Uit het dossier blijkt dat het is voorgekomen dat de externe accountant (Deloitte) aanwezig was bij vergaderingen van de Raad van Toezicht en daar presentaties heeft gehouden die aan de leden in kopie zijn verstrekt. Indien dit het geval was en hiervan stukken zijn, zullen deze zich bij de reeds besproken stukken van de Raad van Toezicht bevinden. Daar waar het andere stukken betreft, ziet de rechtbank geen relatie met de vraag in hoeverre leden van de Raad van Toezicht op de hoogte zijn gehouden van belangrijke beslissingen inzake de relatie SGL – [naam BV] / [naam stichting] . De verdachte heeft niet uitgelegd waarom het desondanks nodig is dat hij de beschikking krijgt over mogelijke managementletters die niet aan de Raad van Toezicht zijn verstrekt en in vergaderingen van de Raad van Toezicht zijn besproken. Voor zover het die stukken betreft, is de rechtbank niet gebleken van een duidelijk verband met de strafbare feiten die ten laste zijn gelegd. Het verzoek te bewerkstelligen dat deze stukken aan het dossier worden toegevoegd of dat verdachte daarin inzage krijgt (via Deloitte) wijst de rechtbank daarom af.

Het verzoek tot inbreng van de bij gelegenheid van de schouw op het complex van de manege gemaakte opnamen wijst de rechtbank af. De verdediging heeft verzocht om de video-opnamen omdat de verdediging niet kan controleren of alle ruimten in de schouw zijn betrokken en of de loopband niet is gefilmd. Bij het proces-verbaal van de schouw zit een schets van de geschouwde ruimten. De gemaakte opnamen zijn voorts door verbalisant [verbalisant] gericht bekeken op de aanwezigheid van een loopband. Deze is op de opnamen niet waargenomen. In het licht van de stukken in het dossier acht de rechtbank het verzoek onvoldoende specifiek en het niet noodzakelijk de opnamen te voegen.

Verdachte heeft gesteld dat een capaciteitscontract gebruikelijk was in de zorg en dat CZ Zorggroep instemde met de constructie van onderaanneming tussen SGL en [naam BV] . Om die reden, zo begrijpt de rechtbank, wil verdachte overlegging van alle zorginkoopdocumenten. Over de vraag of het (in zijn algemeenheid) niet ongebruikelijk was een capaciteitscontract te sluiten met een onderaannemer zoals dat bij SGL en [naam BV] is gedaan, kunnen aan getuige [getuige 5] vragen worden gesteld, zoals hiervoor is besproken. De rechtbank ziet geen gerechtvaardigd belang om daarnaast overlegging van alle zorginkoopdocumenten van CZ Zorggroep over de jaren hier van belang te gelasten. Daarbij weegt de rechtbank mee dat verdachte niet duidelijk heeft gemaakt om welke stukken het precies gaat en wat de directe relatie is met de ten laste gelegde feiten. Het verzoek tot inbreng van alle stukken die betrekking hebben op de zorginkoop bij de CZ Zorggroep wijst de rechtbank daarom af.

Het verzoek tot inzage in het algehele digitale dossier van de FIOD wordt afgewezen. De officier van justitie heeft aangegeven dat het om een gigantisch databestand gaat, dat zich niet meer bij de FIOD bevindt en dat ten tijde van het onderzoek door digitale rechercheurs op relevante zoektermen is doorzocht. Verdachte heeft niet aangegeven welke stukken hij in dit digitale dossier denkt aan te treffen. Hij heeft enkel gesteld dat hierin wellicht stukken te vinden zijn waaruit de juistheid van het door hem als bestuurder gevoerde beleid zou blijken. De rechtbank acht die stelling onvoldoende concreet en onvoldoende toegespitst op de ten laste gelegde feiten om een belang in inzage aan te nemen. Uit de verklaringen van de officier van justitie is overigens gebleken dat het raadplegen van het digitale dossier haast onmogelijk is. Dit zou maanden in beslag nemen, waarbij verschillende handelingen moeten worden verricht om de bestanden toegankelijk te maken en daarnaast zouden de bestanden gescreend moeten worden op geheimhoudersstukken, die vervolgens eruit verwijderd moeten worden. Om deze redenen ziet de rechtbank geen reëel belang voor de verdachte bij inzage in het volledige digitale dossier.

Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank de schorsing van het onderzoek ter terechtzitting bevelen en de zaak verwijzen naar de rechter-commissaris.

De rechtbank:

- beveelt de schorsing van het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd;

verwijzing r-c

- stelt de stukken in handen van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, nu het volgende onderzoek door de rechter-commissaris noodzakelijk blijkt, te weten het horen van:

o [getuige 7]

geboren op [geboortedatum 1]

domicilie kiezende bij SGL

Havikstraat 18

6135 ED Sittard

o [getuige 5]

geboren op [geboortedatum 2]

domicilie kiezend bij CZ Zorgkantoren

Ringbaan West 236

5000 LD Tilburg

opdracht aan de officier van justitie

- geeft opdracht aan de officier van justitie om het gespreksverslag dat [getuige 5] als getuige (G05-01, blz. 5 van 9) heeft overgelegd, aan het dossier toe te voegen ten behoeve van het verhoor van deze getuige bij de rechter-commissaris;

- geeft opdracht aan de officier van justitie om alle agenda’s en bijlagen alsmede notulen en bijlagen van de vergaderingen van de Raad van Toezicht (RvT) van SGL over de jaren 2005 tot en met 2010 die het onderzoeksteam ter beschikking heeft gehad, aan het dossier toe te voegen.

Oproepingen

- beveelt de oproeping van de verdachte tegen de datum en het tijdstip waarop het onderzoek ter terechtzitting wordt hervat en verstaat dat de raadsman afschrift van de oproeping van de verdachte zal ontvangen.

Dit proces-verbaal is vastgesteld en ondertekend door mr. H.H. Dethmers, voorzitter,

mr. C. Wapenaar en mr. C.M. Nollen, rechters, en mr. K.J.M. Voncken, griffier.