Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:10920

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
10-11-2017
Datum publicatie
16-11-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 2749
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Trefwoorden: artikel 13b Opiumwet, procesbelang, schadevergoeding.

Gelet op in bezwaar verkregen informatie van eisers huisarts dat hij inmiddels medicinale hennep krijgt voorgeschreven, heeft verweerder bij het in beroep bestreden besluit de last tot sluiting omgezet in een last onder dwangsom. Eiser had daarvóór de huur al opgezegd en is kort na het besluit verhuisd. De rechtbank stelt vast dat eiser de last niet meer kan overtreden en oordeelt dat hij in zoverre geen procesbelang (meer) heeft bij beoordeling van de rechtmatigheid van aan hem opgelegde de last onder dwangsom. Er is wel procesbelang bij de beoordeling of verweerder de proceskosten in bezwaar terecht heeft afgewezen. Omdat geen sprake is van een herroeping wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid, verklaart de rechtbank het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wijst de rechtbank af omdat het primaire besluit en de daaraan voorafgegane voorbereidingshandelingen, waaraan eiser de gestelde schade relateert, niet voor onrechtmatig worden gehouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Maastricht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 16/2749

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 november 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. S. Ikiz),

en

de burgemeester van de gemeente Vaals, verweerder,

(gemachtigden: mr. B.H.G. Dautzenberg-Dieteren en [naam]).

Procesverloop

Bij besluit van 10 maart 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 13b van de Opiumwet aan eiser een last onder bestuursdwang opgelegd in de vorm van sluiting van de woning gelegen aan de [adres 1] , voor de duur van drie maanden met ingang van 1 april 2016.

Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft nadere informatie ingezonden en verzocht om toepassing van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bij beslissing van 8 april 2016 is beperkte kennisname als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb, door deze rechtbank gerechtvaardigd geacht. Ingevolge artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb is partijen verzocht of zij ermee kunnen instemmen dat de rechter mede op grond van de stukken, waarvan beperkte kennisname gerechtvaardigd wordt geacht, uitspraak doet. Eiser heeft deze toestemming op 11 april 2016 verleend.

Bij uitspraak van 20 april 2016 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen en het primaire besluit geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

Bij besluit van 18 juli 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar dat eiser tegen het primaire besluit heeft gemaakt, ongegrond verklaard, maar in plaats van een last onder bestuursdwang een last onder dwangsom opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Uit het naar waarheid opgemaakt rapport van de Politie, Eenheid Limburg, District Zuid-West-Limburg, Basisteam Heuvelland, van 31 januari 2016 volgt – samengevat weergegeven – dat tijdens een doorzoeking in de woning van eiser aan [adres 1] op 28 januari 2016 een hoeveelheid soft drugs aangetroffen, te weten 25,9 gram hennep, 3 gram hasj. Verder zijn 1 fijn weegschaal en diverse gripzakjes aangetroffen.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aan eiser bij het primaire besluit opgelegde last onder bestuursdwang vervangen door een last onder dwangsom, inhoudende dat, als andermaal in de door eiser gehuurde woning een handelshoeveelheid drugs wordt aangetroffen, eiser van rechtswege eenmalig een dwangsom van € 5.000,00 verbeurt. Daartoe heeft verweerder overwogen dat, mede gelet op de in bezwaar overgelegde brief van de huisarts van 6 juni 2016, waarin is vermeld dat eiser per dag 1 à 2 gram wiet gebruikt en in verband met zijn clusterhoofdpijn en slaapstoornis medicinale hennep krijgt voorgeschreven, kan en moet worden volstaan met een andere maatregel dan een last onder bestuursdwang. Verweerder acht een last onder dwangsom een meer passende maatregel in dit geval.

3. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat niet duidelijk is of de aangetroffen hoeveelheid netto is gewogen. Eiser betwist dat hij heeft gehandeld in soft drugs en acht dit met de sluitingsrapportage van de politie ook niet aannemelijk gemaakt. Hij heeft 30 jaar op het [adres 1] gewoond en er is nooit enige melding of indicatie geweest dat eiser drugs zou dealen. Ten aanzien van de door [B.] afgelegde voor eiser belastende verklaring stelt eiser dat [B.] bekend staat als een verslaafde drugsdealer die overal overlast veroorzaakt. Volgens eiser heeft [B.] hem alleen willen ‘pakken’ met diens verklaring. [B.] heeft die verklaring daarna weer ingetrokken. De Officier van Justitie heeft eiser een transactie aangeboden van € 75,00, waaruit blijk dat hij enkel wordt verdacht van het in bezit hebben van maximaal 30 gram soft drugs en dat een dealerindicatie ontbreekt. Eiser haalt de hennep voor eigen gebruik bij coffeeshops in Geleen of Kerkrade en dat is de reden dat er gripzakjes in zijn woning zijn aangetroffen. Kennelijk heeft de politie de diepvrieszakken in zijn keukenla voor grote gripzakken aangezien, aldus eiser. De aangetroffen weegschaal wordt voor keukendoeleinden gebruikt en om de zware joints te wegen die eiser nodig heeft voor pijnstilling. Eiser is volledig en duurzaam arbeidsongeschikt en kampt met diverse psychische problemen en cluster-headache, waarvoor hij onder behandeling staat. Bij het RIAGG en Prima Psychologen is bekend dat eiser meerdere joints per dag rookt om tot rust te komen. Eiser krijgt nu de zwaarste vorm van medicinale wiet voorgeschreven met een THC-gehalte van 22 %. Desondanks gebruikt hij ook regelmatig wiet van de coffeeshop met een THC-gehalte van 5% tot 15%. Het is bijzonder lastig voor eiser om onder de gebruikersgrens van 5 gram hennep te blijven. Daarvoor moet hij steeds op en neer naar de coffeeshop. Eiser stelt dat verweerder niet bevoegd was handhavend op te treden nu er alleen een geringe hoeveelheid soft drugs voor eigen gebruik is aangetroffen. Verder is de bij het bestreden besluit opgelegde last onduidelijk nu daaruit niet blijkt of die op eiser of op de woning aan [adres 1] is gericht. Eiser is namelijk kort na de bezwaarprocedure naar de woning [adres 2] verhuisd. Volgens eiser is ook ten onrechte geen termijn aan de last verbonden. Gelet op artikel 8 van het EVRM en omdat er geen sprake is van een ‘ernstig geval’ had verweerder moeten volstaan met een waarschuwing, aldus eiser.

Procesbelang

4. Ten aanzien van de vraag of eiser procesbelang heeft, is door eiser aangevoerd dat hij door verweerders poging om de woning aan [adres 1] te sluiten steeds verantwoording moest afleggen aan zijn verhuurder. Verder stelt eiser dat er over hem wordt geroddeld in de tegenover de woning gelegen kapperszaak. Gedwongen door deze omstandigheden heeft eiser een andere woning gezocht. Als gevolg van de verhuizing heeft hij kosten moeten maken. Eiser wijst erop dat de minimumbijdrage op grond van artikel 1 van de Regeling minimumbijdrage verhuis- en inrichtingskosten bij renovatie juncto artikel 7:275, vierde lid van het Burgerlijk Wetboek minimaal € 5.910,00 bedraagt. Eiser is verder van mening dat hij in zijn persoon is aangetast omdat hij door verweerders besluit in een kleine gemeente als Vaals als drugshandelaar bekend staat. Eiser is van mening dat hem ex aequo et bono een immateriële schadevergoeding toekomt van € 300,00. Eiser verzoekt bij vernietiging van het bestreden besluit aan hem een schadevergoeding van € 6.210,00 toe te kennen, te vermeerderen met wettelijke rente.

5. Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat het beroep wegens ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Eiser heeft op 29 augustus 2016 beroep ingesteld tegen het besluit van 18 juli 2016, maar woont sinds 1 augustus 2016 niet meer op [adres 1] . In de visie van verweerder is eiser, gelet op de verklaringen van zijn verhuurder, geheel vrijwillig verhuisd naar een woning die 50 meter verder weg is gelegen en kan de reden van verhuizing, gezien deze afstand, niet zijn dat eiser het roddelcircuit in de buurt wilde ontlopen. Volgens verweerder bestaat er geen grond voor een verzoek om schadevergoeding en kan dit verzoek ook geen reden vormen om een procesbelang aan te nemen.

6. De rechtbank ziet zich allereerst geplaatst voor de vraag of eiser nog een procesbelang heeft bij zijn beroep nu hij niet meer woont in het pand [adres 1] . Vast staat dat de sluiting nooit is geëffectueerd en bij het bestreden besluit is vervangen door een last onder dwangsom. Nu tevens vast staat, zoals verweerder bij de behandeling van het beroep ter zitting ook heeft bevestigd, dat eiser geen dwangsom (meer) kan verbeuren omdat hij de bij het bestreden besluit opgelegde last niet meer kan overtreden nu hij vóór het nemen van dat besluit de huur van de woning heeft opgezegd en kort na het bestreden besluit is verhuisd naar een ander adres, heeft eiser in zoverre geen procesbelang meer bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit. De rechtbank volgt eiser niet in diens standpunt dat de last in dit opzicht onduidelijk zou zijn. Ter zitting is komen vast te staan dat deze is gericht op de destijds door eiser (al zeer lang) gehuurde en bewoonde woning en niet op de huidige door eiser gehuurde woning aan [adres 2] .

7. Eiser heeft wel een procesbelang voor zover verweerder bij het bestreden besluit heeft geweigerd de kosten te vergoeden die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken.

8. Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

De rechtbank stelt vast dat verweerder het primaire besluit heeft herroepen naar aanleiding van nieuwe feiten die in de bezwaarfase naar voren zijn gekomen, te weten een brief van eisers huisarts van 6 juni 2016, waarin is aangegeven dat eiser per dag 1 à 2 gram wiet gebruikt, waardoor zijn clusterhoofdpijn afneemt en zijn algehele toestand verbetert. Op basis van deze na het nemen van het primaire besluit verkregen informatie heeft verweerder in afwijking van het vastgestelde beleid overwogen dat kan worden volstaan met een last onder dwangsom. Nu voornoemde informatie ten tijde van het nemen van het primaire besluit niet bekend was, is geen sprake van herroeping wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid zodat verweerder op goede gronden heeft geweigerd de proceskosten in bezwaar te vergoeden. Het daartegen gerichte beroep is daarom ongegrond.

Het verzoek om schadevergoeding

9. Eiser heeft connex aan het bij de rechtbank ingestelde beroep een verzoek om schadevergoeding ingediend. Hij betoogt dat hij schade heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige pogingen van verweerder om zijn woning te sluiten. Daardoor kreeg hij problemen met zijn verhuurder en werd er over hem geroddeld. Om daar een eind aan te maken is eiser verhuisd waardoor hij verhuiskosten heeft moeten maken. Tevens claimt eiser een bedrag aan immateriële schadevergoeding omdat hij psychisch onder de gang van zaken heeft geleden.

10. Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van – voor zover hier relevant - een onrechtmatig besluit of een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit.

In artikel 8:91, eerste lid, van de Awb is bepaald dat indien het verzoek wordt gedaan gedurende het beroep tegen het schadeveroorzakend besluit, het wordt ingediend bij de bestuursrechter waarbij het beroep aanhangig is.

11. De rechtbank stelt vast dat eisers verzoek om schadevergoeding niet is gerelateerd aan het bestreden besluit, maar aan het primaire besluit en aan eventuele handelingen die daaraan vooraf zijn gegaan. De rechtbank dient derhalve (allereerst) de vraag te beantwoorden of verweerder hiermee onrechtmatig jegens eiser heeft gehandeld.

12. Verweerder heeft het primaire besluit herroepen op basis van nieuwe feiten en omstandigheden, met name nieuwe informatie van eisers huisarts, die tijdens de bezwaarprocedure bekend zijn geworden. Op basis van die informatie heeft verweerder - naar eigen zeggen uit coulanceoverwegingen - gebruik gemaakt van de mogelijkheid om met toepassing van artikel 4:84 van de Awb van zijn beleid af te wijken. Volgens verweerder kan met de informatie van de huisarts worden onderbouwd dat eiser op dat moment maximaal 14 gram wiet per week gebruikt om zijn medische klachten te verminderen. Daarvan uitgaande is de aangetroffen hoeveelheid twee keer zo groot als eiser stelt per week te gebruiken. Verweerder stelt zich op het standpunt dat door deze na het primaire besluit verkregen informatie niet is aangetoond dat eiser op het moment van de inval ook al 14 gram wiet per week voor medische doeleinden gebruikte. Gelet daarop stelt verweerder dat de ten tijde van het primaire besluit bekende feiten en omstandigheden een sluiting van de woning rechtvaardigden. Die feiten hielden in dat op 28 januari 2016 door de politie in de door eiser gehuurde woning aan de [adres 1] 25,9 gram (netto) hennep, 3 gram (netto) hasj, alsmede een fijnweegschaal en diverse gripzakjes zijn aangetroffen. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) mag worden aangenomen dat een meer dan geringe hoeveelheid drugs, waarbij aangesloten wordt bij het door het Openbaar Ministerie toegepaste criterium dat een hoeveelheid van maximaal 5 gram als hoeveelheid voor eigen gebruik wordt aangemerkt, niet, althans niet uitsluitend, voor eigen gebruik van een persoon bestemd is. Bij de aanwezigheid van een grotere hoeveelheid is in beginsel aannemelijk dat die drugs bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking. Het ligt in dat geval op de weg van de betrokkene om het tegendeel aannemelijk te maken (onder meer uitspraak van de Afdeling van 27 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2081). Daarbij komt dat er bij de inval ook gripzakjes en een fijn weegschaal zijn aangetroffen, hetgeen dealerindicaties zijn. Ten tijde van het primaire besluit had eiser in elk geval niet aannemelijk gemaakt dat de aanwezige drugs niet voor verkoop, aflevering of verstrekking waren bestemd. Verweerder was op basis van de destijds bekende feiten en omstandigheden dan ook bevoegd om ten aanzien van deze woning een last onder bestuursdwang op te leggen. De wijze waarop verweerder van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt, kan naar het oordeel van de rechtbank niet voor onrechtmatig worden gehouden nu de sluiting is conform het door hem vastgestelde beleid. Daarbij heeft verweerder mogen laten wegen dat sprake is van een (groeiende) drugsproblematiek en dat het vanwege de lokale/regionale situatie en de daarmee gepaard gaande afstemming van belang is om stringent en consequent handhavend op te treden teneinde een waterbedeffect te voorkomen. Het is een feit dat in de grensstreek mede als gevolg van drugstoerisme veel illegale drugshandel vanuit woningen voorkomt. Verweerder heeft het openbaar belang bij bestrijding van drugshandel door sluiting van eisers woning in redelijkheid zwaarder kunnen laten wegen dan het belang van eiser bij het ongestoord kunnen uitoefenen van zijn woongenot en privéleven. Op grond van voorgaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat het primaire besluit en de daaraan voorafgegane voorbereidingshandelingen niet onrechtmatig waren en het verzoek om schadevergoeding reeds om die reden niet voor toewijzing in aanmerking komt.

13. Het beroep tegen het bestreden besluit is ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J.E. Hamers-Aerts, rechter, in aanwezigheid van mr. F.A. Timmers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 november 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 10 november 2017

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.