Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:10844

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
08-11-2017
Datum publicatie
08-11-2017
Zaaknummer
5784859 CV EXPL 17-2190
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Incasso van een door cessie verkregen vordering van telecomprovider ten opzichte van jongere consument strandt op gebrek aan bewijs ten aanzien van de persoon die in een Maastrichtse telefoonwinkel contract (koop duur mobiel toestel plus abonnement voor 24 maanden) aanging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer 5784859 CV EXPL 17-2190

Vonnis van de kantonrechter van 8 november 2017 (bij vervroeging)

in de zaak

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DIRECT PAY SERVICES B.V.

gevestigd en kantoorhoudend te (2993 LD) Barendrecht aan Oslo 9

verder aan te duiden als “Direct Pay”

eisende partij

gemachtigde mr. R.A. Plug, werkzaam bij “WebCasso B.V.” (“WebCasso”) te Barendrecht

tegen

(De heer) [gedaagde] (geboren [geboortedatum] )

wonend te [woonplaats] aan de [adres 1]

verder aan te duiden als “ [gedaagde] ”

gedaagde partij

gemachtigde mr. S. Wiersma-Filott dan wel H.E.P.C van Bladel-Hagen, beiden werkzaam bij Stichting Achmea Rechtsbijstand te Tilburg resp. Arnhem

1 De procedure

Direct Pay heeft [gedaagde] bij dagvaarding van 24 januari 2017 in rechte betrokken voor een vordering als omschreven in het exploot van dagvaarding. Tegelijk daarmee zijn enige ongeordende / ongenummerde en in het exploot niet concreet besproken producties betekend.

[gedaagde] heeft - na zuivering van verstek en herhaald uitstel - op 24 mei 2017 schriftelijk geantwoord en daarbij de vordering bestreden. Tegelijk met het antwoord zijn vijf - deels omvangrijke en meervoudige - producties overgelegd.

Vervolgens heeft Direct Pay ter rolzitting van 22 juli 2017 van repliek gediend onder bijvoeging van twee (deze keer wel genummerde) producties.

Namens [gedaagde] is bij conclusie van dupliek voor de rol van 6 september 2017 gereageerd onder verwijzing naar de extra producties 6, 7 en 8.

Bij akte d.d. 11 oktober 2017 heeft Direct Pay op deze extra producties mogen reageren.

Tot slot is vonnis bepaald, zodat vandaag - bij vervroeging - uitspraak gedaan kan worden.

2 Het geschil

de vordering van Direct Pay

Direct Pay vordert veroordeling van [gedaagde] - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - tot betaling van € 1 525,82, met wettelijke rente over een hoofdsom van € 1 289,69 die door Direct Pay tot aan de datum van voldoening gefixeerd is op een bedrag van € 42,68. Tot het in totaal gevorderde bedrag rekent Direct Pay naast deze hoofdsom dit bedrag van € 42,68 aan eerder vervallen geachte en tot het tijdstip van voldoening nog te vervallen rente alsmede een vergoeding van incassokosten van € 193,45. Ten slotte vraagt zij veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de te liquideren proceskosten zonder btw.

Direct Pay duidt zichzelf in de aanhef van het exploot aan als ‘rechtsopvolger van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid T-Mobile Netherlands B.V.’ te Den Haag (verder aan te duiden als ‘T-Mobile’). Zij legt aan de vordering ten grondslag dat zij door cessie zijdens T-Mobile eigenaar is van een vordering uit twee overeenkomsten d.d. 19 februari 2015 voor respectievelijk een abonnement op de levering van (mobiele) telecommunicatiediensten en de verwerving van een Apple iPhonetoestel op aflossingsbasis. [gedaagde] is volgens Direct Pay in de hoedanigheid van consument op die datum met T-Mobile deze overeenkomsten voor een contractperiode van 24 maanden aangegaan onder de werking van algemene voorwaarden T-Mobile ‘Abonnee Consument’ respectievelijk T-Mobile ‘Toestelvoorwaarden’. Verwezen is naar aan het exploot gehechte, doch verder niet besproken producties. Behoudens schriftelijke opzegging met inachtneming van een termijn van een maand wordt een abonnement als het onderhavige na afloop van de ‘initiële contractduur’ stilzwijgend voortgezet. De tijdens de looptijd maandelijks aan de afnemer in rekening te brengen kosten bestaan uit een vast bedrag voor het abonnement respectievelijk het toestel en een variabel bedrag dat afhangt van de mate van gebruik (kosten aanvullende diensten). De actuele vordering van Direct Pay als cessionaris is gebaseerd op vijf volgens T-Mobile openstaande facturen uit het eerste halfjaar van 2015 tot een bedrag van € 1 478,71, waarop Direct Pay een aftrek van € 189,02 toepast door te anticiperen op het rechtelijke matigingsrecht ter zake van het onderdeel vergoeding van toekomstige schade. De aldus resterende hoofdsom beloopt volgens Direct Pay € 1 289,69. Direct Pay stelt dat [gedaagde] weigert - althans nalaat - tot betaling over te gaan ondanks het verstrijken van de op de factuur vermelde betalingstermijn, na verloop waarvan in haar visie verzuim van rechtswege intreedt. T-Mobile heeft met een beroep op de voorwaarden de gebruiksovereenkomst met ingang van 18 juni 2015 ontbonden en de resterende termijnen van de toestelvergoeding direct en volledig opeisbaar verklaard. Tevens is [gedaagde] daarmee schadevergoeding verschuldigd geworden wegens door T-Mobile te derven toekomstige (tot einde looptijd resterende) abonnementsbedragen. Die schadevergoeding is bij eindfactuur d.d. 25 juni 2015 in rekening gebracht. Direct Pay zegt evenwel na de cessie en in het kader van het instellen van deze vordering de aanspraak op schadevergoeding te matigen conform de geldende norm bij ambtshalve rechterlijke toetsing. Gedoeld is daarbij op het bedrag van € 189,02 dat op de totale vordering in mindering gebracht is.

Direct Pay beweert verder [gedaagde] een ‘zogenaamde 14-dagen brief’ (bedoeld zal zijn: zogenoemde veertiendagenbrief) ‘gestuurd’ te hebben en hem daarna ‘nogmaals om betaling verzocht en de incassokosten in rekening gebracht’ te hebben. Zij volstaat in dit onderdeel van het exploot ook weer met verwijzing naar ongenummerde producties zonder duidelijk te maken om welk stuk het gaat en welke betekenis daar aan toekomt. Wel claimt zij deswege een incassokostenvergoeding van € 193,45. Het gevorderde rentebedrag van € 42,68 over een tijdvak dat Direct Pay laat ingaan op de verder niet geadstrueerde noch geconcretiseerde ‘verzuimdatum’ en laat lopen ‘tot aan de dag der algehele voldoening’, gaat niet vergezeld van een berekening. Volgens de exploottekst zou [gedaagde] buiten rechte geen enkel verweer gevoerd hebben.

In voortgezet debat heeft Direct Pay haar in eerste instantie algemeen gehouden betoog enigermate geconcretiseerd. Zij heeft een kopie van de akte van cessie d.d. 12 november 2015 en een bijbehorende lijst van vorderingen overgelegd (als eerste productie aan de repliek gehecht, waarbij ‘vertrouwelijke en irrelevante informatie afgedekt’ is). Daaruit wordt haars inziens in elk geval duidelijk om welke vordering het ging, terwijl een en ander controleerbaar is in de boeken van de cedente. Dat verder mededeling aan [gedaagde] gedaan is van de overdracht, blijkt uit een aan hem gezonden brief van 24 november 2015, terwijl de mededeling in ieder geval herhaald is bij dagvaarding. Omtrent de (wijze van) totstandkoming van de overeenkomst(en) van [gedaagde] en T-Mobile geeft Direct Pay beperkte opheldering. Zij verwijst naar de bij exploot gevoegde stukken voor ‘de overeenkomst’. De algemene voorwaarden van T-Mobile ‘worden standaard als bijlage bij de overeenkomst gevoegd’. [gedaagde] heeft ‘in de winkel’ aan T-Mobile ‘zijn identiteitsbewijs alsmede zijn bankpas’ overgelegd. Prod.2 bevat een gefotokopieerde ING-bankpas en dito identiteitskaart. Bij het aangaan van de overeenkomst is voor een bedrag van € 632,19 aan [gedaagde] het mobiele toestel Apple iPhone 6 16GB verstrekt, waarvoor [gedaagde] maandelijks een bedrag in rekening gebracht is. Voor de ontbinding per 18 juni 2015 en de aanspraak op schadevergoeding verwijst Direct Pay naar onderdelen van de Algemene Voorwaarden. Het schadevergoedingsbeding kan niet beschouwd worden als een oneerlijk beding in de zin van de Europese Richtlijn en/of de Nederlandse wet. Voor vernietiging van de separate toestelovereenkomst bestaat geen grond en van enige strijdigheid met de wettelijke bepalingen over consumentenkrediet is hier geen sprake. Dat [gedaagde] de overeenkomst op eigen naam onder dwang aanging, valt niet ernstig te nemen. De aangifte wegens identiteitsfraude dateert eerst van 25 november 2015 en gaat niet terug naar de datum waarop gecontracteerd is (19 februari 2015). Een latere aanpassing van data in een aangifte d.d. 20 april 2017 komt Direct Pay weinig overtuigend over (net als het beweerdelijk terugvinden van het identiteitsbewijs in een supermarkt). Direct Pay handhaaft haar vordering ten volle, waar T-Mobile naar haar zeggen alle verplichtingen uit de overeenkomst met [gedaagde] nagekomen is en [gedaagde] de zijne niet. In de repliek corrigeert Direct Pay haar eerdere bewering dat [gedaagde] buiten rechte geen verweer leverde. Zij duidt dit aan als een abuis.

Zowel bij exploot als in haar repliek heeft Direct Pay volstaan met een uiterst globaal bewijsaanbod, zowel naar onderwerp als naar de te hanteren middelen (‘biedt aan om al haar stellingen te bewijzen door alle middelen rechtens’).

het verweer van [gedaagde]

[gedaagde] heeft zich bij wijze van exceptie primair op het standpunt gesteld dat Direct Pay niet-ontvankelijk is in haar vordering bij gebreke van enige aanwijzing voor rechtsgeldige cessie van een vordering van T-Mobile aan haar. Dit verweer lijkt hij echter in zijn dupliek niet langer te handhaven.

[gedaagde] zegt niet eerder dan via een brief d.d. 18 november 2016 van Van den Bergh & Partners Gerechtsdeurwaarders aan zijn woonadres in [woonplaats] vernomen te hebben dat WebCasso dan wel Direct Pay in plaats van T-Mobile een vordering pretendeerde te hebben op hem. De bewuste brief is als eerste productie aan het antwoord gehecht. In een e-mailbericht van 22 november 2016 (prod.2 / prod.3) heeft [gedaagde] de deurwaarder laten weten nooit klant te zijn geweest en geen rekeningen te kennen, terwijl hij ook verwees naar een factuuradres in Heerlen dat niet met zijn adres in overeenstemming te brengen was. Op dit verweer heeft [gedaagde] nooit een reactie gekregen, zodat hij er van uitging dat de kwestie daarmee afgehandeld was. Vervolgens werd hij echter in januari 2017 gedagvaard. Zijn gemachtigde heeft vervolgens de deurwaarder in kennis gesteld van het feit dat [gedaagde] te maken gehad heeft met identiteitsfraude. In een ander geval waarin misbruik gemaakt was van zijn persoonsgegevens, is een abonnement ongedaan gemaakt, zodat [gedaagde] hoopte dat dit hier ook zou lukken. In uitvoerige correspondentie met Direct Pay (prod.3) is de gemachtigde van [gedaagde] er echter niet in geslaagd Direct Pay van haar schreden te doen terugkeren. Met name had Direct Pay aanstoot genomen aan de periode die [gedaagde] bij aangifte van fraude in november 2015 genoemd had als de vermoedelijke tijdsduur waarin zijn identiteit gekaapt was. Hij had daarvoor de aanvangsdatum 20 februari 2015 genoemd omdat hij kort voor de aangiftedatum 25 november 2015 een voor hem onbegrijpelijke rekening van Tele2 ontvangen had, die terug te voeren was op een op 20 februari 2015 afgesloten telefoonabonnement met een klant aan de [adres 2] in [plaats 1] . Die klant bleek zich te bedienen van een id-kaart op naam van [gedaagde] , maar het adres noch de gebruikte ING-bankpas klopte. [gedaagde] heeft namelijk voor een studentenrekening ABN Amro als bankrelatie en hij woont en woonde in [woonplaats] .

Bij de aangifte van 25 november 2015 had [gedaagde] ook melding gemaakt van een incident dat op 11 februari 2015 plaatsvond en waarbij hij onder bedreiging met een mes bij de MediaMarkt in Heerlen gedwongen geweest was zijn id-kaart te gebruiken voor een transactie. Terug redenerend is hij tot de conclusie gekomen dat zijn legitimatiebewijs toen door de dader van die bedreiging in de tas met in de winkel aangeschafte producten en papieren meegenomen is (en later door deze dader buiten [gedaagde] om gebruikt is). [gedaagde] heeft daarom op 20 april 2017 de eerder gedane aangifte laten aanpassen op het punt van de datum van vermissing / diefstal (via een ‘brutale beroving’) van zijn id-kaart. Die datum is toen gecorrigeerd in 11 februari 2015 (prod.4 en prod.5).

Het primaire inhoudelijke verweer berust dan ook op het feit dat er geen overeenkomst aangegaan is tussen hem en T-Mobile (gebruikt woonadres, e-mailadres, handtekening en bankrekening zijn niet tot [gedaagde] te herleiden). Geen van de over dit contract, de cessie en de incasso verzonden brieven heeft [gedaagde] ooit bereikt (behoudens de brief van de Rotterdamse deurwaarder van 18 november 2016), zodat bijvoorbeeld nimmer betalingsverzuim ingetreden kan zijn.

Aan dit verweer voegt [gedaagde] nog diverse subsidiaire verweren toe, variërend van een beroep op schending van art. 21 Rv tot betwisting van onderdelen van de hoofdvordering, de nevenvorderingen en de uitvoerbaarheid bij voorraad (waarbij [gedaagde] ten onrechte uitgaat van de eventuele mogelijkheid van appèl, waar de appèlgrens in dit geval niet gehaald wordt). Hij concludeert tot verwerping van de vordering (althans weigering van uitvoerbaarheid bij voorraad) en verwijzing van Direct Pay in de proceskosten plus eventuele rente (en dit wel uitvoerbaar bij voorraad).

Bij dupliek heeft [gedaagde] ten volle volhard bij de eerder betrokken stellingen en die nog iets nader toegespitst en gedetailleerd. Ten aanzien van de gebruikte ING-rekening heeft [gedaagde] navraag gedaan bij ING. De bewuste rekening blijkt in februari 2015 geopend en kort gebruikt te zijn, maar sedertdien niet meer actief te zijn. Zij staat op naam van een ‘ [gedaagde] ’ maar op een niet bij de gedaagde [gedaagde] behorend adres in Heerlen (prod.7). De ING-bank is inmiddels een onderzoek gestart. [gedaagde] zegt nog steeds een mobiel telefoonnummer in gebruik te hebben dat hij eerder (toen hij wel een contract bij T-Mobile had) in gebruik had. Dat is een ander nummer dan op het in deze procedure aan de orde zijnde contract staat. Hij is destijds met nummerbehoud naar de provider Ziggo overgestapt en het zou vreemd zijn geweest als hij een ander nummer zou hebben aangevraagd. Net zo vreemd is dat uit de facturen blijkt dat er vanuit het buitenland gebeld is, terwijl [gedaagde] al die tijd (ook op de dag van aangaan van de overeenkomst) in Heerlen naar school ging ( [naam] ).

3 De beoordeling

Het niet-ontvankelijkheidsverweer en de opgeworpen exceptie kunnen buiten beschouwing gelaten worden, omdat [gedaagde] daar bij dupliek niet meer op teruggevallen is. Centraal in het debat staat, althans van de kant van [gedaagde] , de vraag of de cedente van de aan de orde gestelde vordering (T-Mobile) zich terecht beroept op twee door [gedaagde] op 19 februari 2015 in een belwinkel in Maastricht aangegane overeenkomsten. De op één formulier weergegeven data met betrekking tot een toestelcontract en een telefoonabonnement voor respectievelijk een Apple iPhone 6 16 GB van T-Mobile en het belnummer [telefoonnummer] zijn in de vorm van een losse gefotokopieerde productie bij exploot door Direct Pay ingebracht. Volgens Direct Pay is doorslaggevend voor de authenticiteit van de consument die deze contractuele handelingen verricht heeft, dat een identiteitskaart op naam van gedaagde [gedaagde] ( [voornamen] , geboren [geboortedatum] ) gebruikt is alsmede een ING-bankpas op naam van [gedaagde] , waarmee in de belwinkel een bedrag van € 24,19 voldaan is (prod.2 bij repliek).

Vergelijking van de slordige krabbel op de plaats van de handtekening ‘contractant’ onder het document van 19 februari 2015 met de als signatuur uitgeschreven naam ‘ [gedaagde] ’ op de gebruikte id-kaart legt in de eerste plaats al een zeer opvallend verschil bloot. Een verschil dat de dienstdoende winkelbediende onmiddellijk had moeten alarmeren. Ook onder de later door / namens [gedaagde] ingebrachte processen-verbaal staat een handtekening van [gedaagde] die wezenlijk verschilt van die onder het contractformulier. Verder is uit de door [gedaagde] bij de bank ING opgevraagde gegevens met een grote mate van waarschijnlijkheid af te leiden dat juist in de bewuste maand februari 2015 op naam van ene ‘ [gedaagde] ’ doch woonachtig aan de [adres 3] te [plaats 2] , het adres dat ook bij het aangaan van de relatie met T-Mobile opgegeven is, een nieuwe rekening geopend is (iets dat volgens dezelfde bank vrij eenvoudig op naam van een ander dan de initiatiefnemer zelf te volbrengen is, zelfs online en zeker met een gestolen identiteitskaart). Die rekening (met het nummer dat bij het bezoek van de bewuste klant aan de belwinkel in Maastricht gebruikt is) is maar zeer kort in gebruik geweest en wel voor (uitsluitend of vooral) het afsluiten van abonnementen in de maand februari 2015. T-Mobiel heeft klaarblijkelijk geen adrescontrole laten plaatsvinden - net zo min als een check op de handtekening -, want [gedaagde] heeft al die tijd (bij zijn ouders) in [woonplaats] gewoond en niet aan de [adres 3] in [plaats 2] . Al die tijd gebruikte hij ook slechts zijn rekening bij ABN Amro onder nummer [rekeningnummer] . Het verder bij de winkeltransactie opgegeven e-mailadres lijkt wel enigszins op het account van [gedaagde] (door iemand afgekeken?), maar is desondanks niet identiek. Het heeft er dus sterk de schijn van dat iemand zich de identiteit van [gedaagde] toegeëigend heeft met het doel zonder eigen financiële verantwoordelijkheid een kostbaar mobiel toestel te verwerven en op kosten van een ander te bellen.

Hoewel op zichzelf denkbaar is dat in de onderhavige kwestie sprake is van samenspanning tussen [gedaagde] en de onbekende persoon (een ‘donkere jongen’ die hem op 11 februari 2015 al bedreigde voor het afgeven van een Apple iPhone 6-toestel van Vodafone in de MediaMarkt Heerlen), moet geconcludeerd worden dat uit de beschikbaar gekomen stukken niet de overtuiging te putten valt dat [gedaagde] zelf in de belwinkel van T-Mobile in Maastricht twee overeenkomsten aangegaan is. Nog pijnlijker is dat de ‘dader’ klaarblijkelijk langer zijn gang heeft kunnen gaan, zoals de dag daarop al bleek. In het proces-verbaal van aangifte identiteitsfraude d.d. 25 november 2015 verklaart [gedaagde] dat de naweeën van een incident op 20 februari 2015 (de dag na de Maastrichtse transactie) hem tot die aangifte bewogen hadden. Hij zou kort daarvoor een rekening van Tele2 voor een telefoonabonnement onder ogen gekregen hebben, nu voor een adres in [plaats 1] dat op naam van [gedaagde] bleek te zijn afgesloten met gebruik van dezelfde id-kaart. Pas toen gingen kennelijk zijn ogen open en dacht hij terug aan 11 februari 2015. Tegenover de politie heeft hij verklaard dat hij zijn id-kaart slechts een week of twee kwijt geweest is en dat hij deze ‘naderhand teruggevonden’ heeft ‘bij de Plus aan het [adres 4] te [woonplaats] ’ (supermarkt aldaar). Hoewel dit vreemde relaas niet uitsluit dat [gedaagde] zijn id-kaart ‘uitgeleend’ heeft aan de onbekende persoon die met behulp daarvan zowel op 11 februari 2015 als op 19 februari 2015 ‘gratis’ de beschikking gekregen heeft over een Apple iPhone 6 (en waarschijnlijk bij de transactie van 20 februari 2015 nog een keer), kan de kantonrechter in dit gebrekkige dossier [gedaagde] niet tot betaling veroordelen. Daarvoor hebben T-Mobile en Direct Pay in onderlinge coöperatie te veel steken laten vallen.

Het primaire inhoudelijke verweer van [gedaagde] treft doel: niet bewezen is dat het [gedaagde] was die zich op 19 februari 2015 tegenover T-Mobile verplicht heeft tot betaling van een verschaft mobiel toestel en tot betaling van de gebruikskosten die in de 24 daaropvolgende maanden met dat toestel gemaakt zijn. Wie het dan wel was en of [gedaagde] daarbij hand- en spandiensten verleende, kan bij gebrek aan verdere gegevens niet worden vastgesteld. Weliswaar heeft Direct Pay van alles te bewijzen aangeboden (doch vooralsnog niet bewezen), maar dit is dermate weinig specifiek gedaan (zowel naar bewijsobject als naar bewijsmiddelen) dat daaraan voorbijgegaan moet worden. Al hetgeen overigens door partijen besproken is, behoeft daarom geen verdere behandeling.

Als geheel in het ongelijk te stellen partij moet Direct Pay verwezen worden in de proceskosten van [gedaagde] . Die worden begroot op een bedrag van € 300,00 aan salaris gemachtigde. Direct Pay zal bij eventuele nalatigheid in de betaling van dit kostenbedrag aan de gemachtigde van [gedaagde] tevens rente moeten vergoeden zoals hierna in het dictum verwoord zal worden.

4 De beslissing

De kantonrechter komt tot het volgende oordeel:

- De vordering van Direct Pay wordt bij gebrek aan grondslag in de feiten afgewezen.

- Direct Pay wordt bijgevolg veroordeeld tot betaling van de proceskosten, die aan de zijde van [gedaagde] bepaald zijn op een bedrag van € 300,00, nog te vermeerderen met de wettelijke rente indien het bedrag niet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis betaald mocht zijn.

- Het vonnis wordt op het kostenonderdeel uitvoerbaar verklaard bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal en is in het openbaar uitgesproken.

Type: HS