Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:10824

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
10-11-2017
Datum publicatie
15-11-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 1046
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet Herziening exportbeperking kinderbijslag. De rechtbank heeft geoordeeld dat het recht op kinderbijslag terecht is beëindigd per 1 juni 2015. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt. Het beroep van eiser op schending van artikel 14 van het EVRM in samenhang met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM slaagt ook niet. Evenmin is sprake van schending van het rechtszekerheidsbeginsel. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 16/1046

uitspraak van de meervoudige kamer van 10 november 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. R.A.N.H. Theeuwen-Verkoeijen),

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder

(gemachtigde: mr. J.A.J. Groenendaal).

Procesverloop

Bij besluit van 7 juli 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser medegedeeld dat hij vanaf het derde kwartaal van 2015 geen recht meer heeft op kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW).

Bij besluit van 24 februari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2017. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser ontving kinderbijslag voor zijn minderjarige kinderen [S.] en [F.], die ten tijde hier van belang in Egypte woonachtig waren.

2. In het bestreden besluit heeft verweerder zijn in het primaire besluit ingenomen standpunt gehandhaafd. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat op grond van artikel 7b van de AKW, zoals dat artikel luidt per 1 januari 2015, geen recht (meer) bestaat op kinderbijslag voor kinderen die wonen buiten Nederland, de Europese Unie, de Europese Economische Ruimte of Zwitserland. Gedurende de overgangsperiode van 1 januari 2015 tot 1 juli 2015 is het recht op kinderbijslag doorgelopen. Nu de kinderen van eiser in het derde kwartaal van 2015 in Egypte woonden, heeft eiser geen recht meer op kinderbijslag.

3. Eiser betoogt dat de beëindiging van het recht op kinderbijslag per het derde kwartaal van 2015 in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Voor kinderen in bepaalde andere landen dan Egypte wordt immers wel nog kinderbijslag betaald. Daarnaast is volgens eiser sprake van indirecte discriminatie, nu bij het beantwoorden van de vraag of recht bestaat op kinderbijslag onderscheid wordt gemaakt tussen EU/EER-landen en Zwitserland en andere landen. Eiser kan zich niet vinden in de regel dat enkel indien sprake is van een woonland buiten de EU/EER en Zwitserland het als de verantwoordelijkheid van het woonland wordt gezien om bij te dragen in het onderhoud van dat kind. Volgens eiser is daarmee sprake van strijd met artikel 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in samenhang met artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het EVRM. Tot slot acht eiser het in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel dat de kinderbijslag die hij ontving voor [S.] en [F.] reeds voor hun achttiende jaar is beëindigd.

4. De rechtbank oordeelt als volgt.

5. Per 1 januari 2015 is de wet Wijziging van enkele socialezekerheidswetten in verband met een andere vormgeving van de exportbeperking in de Algemene Kinderbijslagwet en het regelen van overgangsrecht voor de situatie van opzegging of wijziging van een verdrag dan wel een daarmee gelijk te stellen situatie (Wet Herziening exportbeperking kinderbijslag; Whek) in werking getreden. Met deze wet is onder meer artikel 7b van de AKW gewijzigd.

6. Ingevolge artikel 7b, eerste lid, van de AKW, zoals dat luidt per 1 januari 2015, heeft een verzekerde geen recht op kinderbijslag ten behoeve van het kind, indien dat kind op de eerste dag van een kalenderkwartaal niet in Nederland woont. Ingevolge het tweede lid is het eerste lid niet van toepassing indien dat kind op de eerste dag van een kalenderkwartaal woont in een land waarin ten behoeve van hem op grond van verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PbEU L 166) recht op kinderbijslag bestaat.

7. Ingevolge artikel 41b, eerste lid, van de AKW blijft op de persoon die op grond van een verdrag, de voorlopige toepassing van een verdrag dan wel een daarmee gelijk te stellen situatie in afwijking van artikel 7b recht heeft op kinderbijslag en wiens recht op kinderbijslag uitsluitend zou eindigen als gevolg van de opzegging of wijziging van dat verdrag, de beëindiging van de voorlopige toepassing van dat verdrag dan wel de beëindiging van een daarmee gelijk te stellen situatie, artikel 7b gedurende de eerste twee kalenderkwartalen vanaf de buitenwerkingtreding van het verdrag, de inwerkingtreding van de desbetreffende wijziging respectievelijk de beëindiging van de voorlopige toepassing of de beëindiging van de daarmee gelijk te stellen situatie buiten toepassing. Ingevolge het tweede lid blijft het eerste lid van toepassing zolang het kind op de eerste dag van de in dat lid bedoelde kalenderkwartalen woont in hetzelfde land als waar hij op de eerste dag van het daaraan voorafgaande kalenderkwartaal woonde en de verzekerde blijft voldoen aan de overige voorwaarden voor het recht op kinderbijslag.

8. Artikel 5 van het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Arabische Republiek Egypte (NEV) luidt als volgt:

“1. Tenzij in dit Verdrag anders is bepaald, is een bepaling van de wetgeving van een Verdragsluitende Partij die de betaling van een uitkering beperkt uitsluitend omdat een uitkeringsgerechtigde of een lid van zijn gezin buiten het grondgebied van die Verdragsluitende Partij woont of verblijft, niet van toepassing ten aanzien van een uitkeringsgerechtigde of een lid van zijn gezin die respectievelijk dat op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij woont of verblijft.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op de Nederlandse wetgeving inzake sociale bijstand en werkloosheidsuitkeringen.

3. Het eerste lid laat onverlet Nederlandse wetgeving tot invoering van beperkingen ten aanzien van de betaling van kinderbijslagen met betrekking tot kinderen die wonen of verblijven buiten het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden, of tot uitsluiting van de betaling daarvan.”

9. De rechtbank is van oordeel dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt. Dat er sprake is van ongelijkheid ten opzichte van kinderen woonachtig in landen buiten de EU/EER en Zwitserland waarvoor wel nog kinderbijslag wordt verstrekt, wordt veroorzaakt door hetgeen is afgesproken in bilaterale verdragen tussen Nederland en de betreffende landen. Tussen Nederland en Egypte geldt het hiervoor geciteerde artikel 5, derde lid, van het NEV, dat – onweersproken – ruimte biedt om (vergaande) beperkingen aan te brengen in het recht op kinderbijslag voor in Egypte woonachtige kinderen met de Nederlandse nationaliteit, zoals de kinderen van eiser. Dat tussen Nederland en andere landen buiten de EU/EER en Zwitserland mogelijk nog verdragsafspraken gelden die deze ruimte niet bieden, leidt niet tot de conclusie dat sprake is van ongeoorloofde ongelijke behandeling van gelijke gevallen. Er is immers geen sprake van gelijke gevallen.

10. In gelijke zin oordeelt de rechtbank ten aanzien van het onderscheid tussen kinderen die in de EU/EER en Zwitserland wonen dan wel daarbuiten. Binnen de EU/EER en Zwitserland is sprake van een woonplaatsgelijkstelling voor gezinsleden die in een andere lidstaat wonen. Dit maakt dat ook ten opzichte van kinderen die in de EU/EER en Zwitersland wonen geen sprake is van gelijke gevallen.

11. Het beroep van eiser op schending van artikel 14 van het EVRM in samenhang met artikel 1 van het Eerste Protocol, slaagt ook niet. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

12. De regeling, neergelegd in artikel 7b van de AKW, maakt onderscheid naar woonplaats van het kind. Van een direct onderscheid naar nationaliteit is geen sprake, nu de nationaliteit geen rol speelt bij het vaststellen van het recht op kinderbijslag. Wel kan sprake zijn van een indirect onderscheid naar nationaliteit. Een onderscheid naar woonplaats en een indirect onderscheid naar nationaliteit is niet zonder meer verboden, want kan worden gerechtvaardigd indien daarvoor een objectieve en redelijke grond bestaat. Het gemaakte onderscheid moet daarnaast geschikt zijn om het nagestreefde doel te verwezenlijken en het mag niet verder gaan dan nodig is om dat doel te bereiken.

13. Uit de memorie van toelichting bij de Whek (Kamerstukken II 2011/12, 33 162, nr. 3, p. 2) kan worden afgeleid dat bij deze wet als uitgangspunt geldt dat de uit belastingmiddelen gefinancierde kinderbijslag in de eerste plaats bedoeld is voor een ondersteuning in het onderhoud van kinderen die in Nederland wonen. Voor zover voor het onderhoud van kinderen van staatswege ondersteuning moet worden geboden is dit niet de verantwoordelijkheid van het land waar de ouder woont, maar van het land waar de kosten voor het kind worden gemaakt. De woonplaats van het kind wordt met deze wet centraal gesteld en niet de woonplaats van de rechthebbende. Beoogd wordt de export van de kinderbijslag te beëindigen.

Naar het oordeel van de rechtbank moet dit worden aangemerkt als een legitiem doel. Voor zover sprake is van een onderscheid naar woonplaats en indirect onderscheid naar nationaliteit, bestaat naar het oordeel van de rechtbank voor die ongelijke behandeling dan ook een objectieve en redelijke rechtvaardiging.

14. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat het gehanteerde middel in een redelijke verhouding staat tot het nagestreefde doel. Hierbij speelt mee dat het een uitkering binnen het kader van sociale zekerheid betreft, ten aanzien waarvan de nationale wetgever een grote beoordelingsvrijheid heeft. Daarnaast speelt mee dat de kinderbijslag betaald wordt uit algemene middelen en dat het efficiënt inzetten van deze middelen in het algemeen belang is.

Tot slot is de rechtbank van oordeel dat het onderscheid niet verder gaat dan nodig is om het doel te bereiken.

15. De rechtbank vindt voor haar oordeel mede steun in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 12 december 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:4180), waarin ten aanzien van de toepassing van de woonlandfactor op grond van de Wet woonlandbeginsel in de sociale zekerheid is geoordeeld dat dit niet leidt tot een verboden indirect onderscheid naar nationaliteit of naar woonplaats, omdat deze wet een legitiem doel dient, de toepassing van de woonlandfactor in een redelijke verhouding staat tot dit doel en de woonlandfactor een geschikt middel is om dit doel te bereiken.

16. Evenmin is sprake van schending van het rechtszekerheidsbeginsel. De stelling dat met het toekennen van de kinderbijslag de garantie is gegeven dat het recht daarop zou doorlopen tot het achttiende jaar van de kinderen, verwerpt de rechtbank. Zoals verweerder ook al naar voren heeft gebracht in zijn verweerschrift, geldt in het algemeen als hoofdregel dat nieuwe regels bij hun inwerkingtreding op bestaande gevallen van toepassing worden verklaard. Een eerbiedigende werking ten opzichte van het oude rechtsregime, in de zin dat dat rechtsregime voor bestaande gevallen blijft gelden, is uitzondering; een uitzondering die evenwel uit een oogpunt van rechtszekerheid geboden kan zijn, maar dan toch veelal een tijdelijk karakter zal hebben. In het geval van eiser is een overgangsperiode van 6 maanden gehanteerd, waarvan eiser niet heeft gezegd dat deze te kort is geweest.

17. Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder het recht op kinderbijslag van eiser terecht met ingang van het derde kwartaal van 2015 heeft beëindigd. Het bestreden besluit kan derhalve in stand blijven.

18 Het beroep is ongegrond.

19 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.E. Derks, voorzitter, en mr. N.J.J. Derks-Voncken en mr. E.M.J. Hardy, leden, in aanwezigheid van mr. W.A.M. Bocken, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 november 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op: 10 november 2017

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.