Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:10807

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
08-11-2017
Datum publicatie
14-11-2017
Zaaknummer
C/03/223345 / FA RK 16-2530
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft de behoefte van de vrouw en de minderjarige beoordeeld aan de hand van een behoeftelijst.

Afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden met benoeming van een deskundige over de opgepotte winsten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2017-0325
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Familie en jeugd

Zittingsplaats Roermond

zaaknummer / rekestnummer: C/03/223345 / FA RK 16-2530 en C/03/225703 / FA RK 16-3302

Beschikking d.d. 8 november 2017 betreffende de echtscheiding

in de zaak van:

[de man] ,

wonende te [woonplaats man] , [adres man] ,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. E.J.A. Roeleven, gevestigd te Hoensbroek,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats vrouw] , [adres vrouw] ,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. L. Yilgör, gevestigd te Dordrecht,

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift van de man, ingekomen op 15 juli 2016;

- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;

- het verweerschrift op het zelfstandig verzoek, tevens houdende een zelfstandig

verzoek;

- het verweerschrift op het zelfstandig, althans nader verzoek, tevens houdende een

zelfstandig verzoek;

- Het webformulier verdelen en verrekenen van mr. Yilgör;

- de correspondentie waaronder:

 Het F9-formulier van 11 januari 2017 van mr. Roeleven, met bijlagen;

 Het F9-formulier van 11 januari 2017 van mr. Roeleven, met bijlagen;

 Het F9-formulier van 9 februari 2017 van mr. Roeleven, met bijlagen;

 Het F9-formulier van 24 februari 2017 van mr. Yilgör, met bijlagen;

 Het F9-formulier van 9 mei 2017 van mr. Roeleven, met bijlagen;

 Het F9-formulier van 12 mei 2017 van mr. Yilgör, met bijlagen;

 Het F9-formulier van 18 mei 2017 van mr Yilgör houdende een zelfstandig verzoek met produkties;

 Het F9-Formulier van 19 mei 2017 van mr Roeleven met bijlagen;

1.2.

De behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 22 mei 2017.

Bij die gelegenheid zijn verschenen:

  • -

    de man, bijgestaan door mr. Roeleven;

  • -

    de vrouw, bijgestaan door mr. Ylgör.

1.3.

Mr. Roeleven heeft ter zitting nog een schriftelijk stuk in het geding gebracht.

2 De beoordeling

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum huwelijk] 2003 te [plaats huwelijk] . Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.

2.2.

Het minderjarige kind van partijen is [minderjarig kind] , geboren op [geboortedag minderjarig kind] 2005 te [geboorteplaats minderjarig kind] .

2.3.

Het aanvullend verzoek van de vrouw

2.3.1.

De vrouw heeft bij aanvullend verzoek primair verzocht een hogere kinderbijdrage vast te stellen. Bij dit aanvullend verzoek heeft de vrouw een aantal bijlagen overgelegd.

2.3.2.

De man heeft bezwaar gemaakt tegen het aanvullend verzoek. Volgens de man zijn de stukken tardief ingediend waardoor het recht van hoor en wederhoor is geschonden.

2.3.3.

De rechtbank heeft ter zitting meegedeeld dat het aanvullend verzoek van de vrouw in behandeling kan worden genomen, nu het mogelijk is tot op de zitting nieuwe (schriftelijke) verzoeken in te dienen zoals is bepaald in artikel 283 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Aangaande de producties heeft de rechtbank tijdens de zitting meegedeeld dat deze niet binnen de tiendagen termijn zijn ingediend, doch over al dan niet acceptatie daarvan nog een beslissing te zullen nemen.

Nu de man ter zitting in de gelegenheid is gesteld nog nadere stukken in te brengen, waarop de vrouw nog mag reageren, zal de rechtbank ook de door de vrouw ingediende stukken accepteren en de man de gelegenheid geven nog op de door de vrouw overgelegde stukken te reageren.

2.3.

Scheiding

2.3.1.

Partijen hebben verzocht de echtscheiding tussen hen uit te spreken. Zij hebben gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.

2.3.2.

Op grond van artikel 815, lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), voor zover hier van belang, dient een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Nu het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, lid 6 Rv).

Door de man is geen ouderschapsplan overeenkomstig artikel 815, lid 2 Rv overgelegd. De man heeft gesteld dat partijen een mediationtraject hebben gevolgd maar dat dat er niet toe heeft geleid dat partijen tot een getekend ouderschapsplan zijn gekomen. Nu de man voldoende heeft gemotiveerd dat het voor hem op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen, zal de rechtbank de man ontvangen in zijn verzoek tot echtscheiding.

Het verzoek tot echtscheiding zal, als op de wet gegrond, worden toegewezen.

2.4.

Verdeling zorg- en opvoedingstaken

2.4.1.

Beide partijen hebben verzocht een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: de zorgregeling) vast te stellen.

2.4.2.

De man heeft verzocht om een weekendregeling eenmaal per veertien dagen als ook gedurende periodes tijdens de vakanties en feestdagen. Discussiepunt is dat de vrouw voornemens is om met [minderjarig kind] naar de regio Rotterdam/Papendrecht te verhuizen.

2.4.3.

De vrouw voert aan dat partijen geen overeenstemming hebben kunnen bereiken over de verdeling van de vakanties en feestdagen. Een verhuizing is niet meer aan de orde.

2.4.4.

Partijen zijn ter zitting een zorgregeling overeengekomen waarbij [minderjarig kind] eenmaal per veertien dagen van vrijdag tot en met zondag bij de man verblijft, alsmede iedere dinsdag en donderdag na school tot 18.00 uur. De man draagt er zorg voor dat [minderjarig kind] op dinsdag en donderdag van school wordt opgehaald. Tijdens de zomervakantie 2017 verblijft [minderjarig kind] van 14 juli na school tot en met 4 augustus 17.00 uur bij de man.

Partijen zijn het erover eens dat [minderjarig kind] zijn verjaardag in de even jaren bij de man en in de oneven jaren bij de vrouw viert; dat [minderjarig kind] op Moederdag bij de vrouw en op Vaderdag bij de man is en dat [minderjarig kind] tijdens de feestdagen afwisselend het ene jaar bij de man en het andere jaar bij de vrouw is.

2.4.5.

De rechtbank zal de zorgregeling zoals partijen deze zijn overeengekomen toewijzen, nu niet is gebleken dat het belang van [minderjarig kind] zich tegen deze regeling verzet. Verder zal de rechtbank bepalen dat de vakanties zullen worden gedeeld conform het voorstel van de vrouw, waarbij de zomervakanties bij helfte worden verdeeld en waarbij de man in de oneven jaren en de vrouw in de even jaren de eerste keus heeft. In de even jaren is [minderjarig kind] in de herfstvakantie en de voorjaarsvakantie bij de man en in de oneven jaren bij de vrouw. In de Kerstvakantie is [minderjarig kind] in de even jaren op de kerstdagen en de eerste week van de vakantie en Oud en Nieuw bij de man en in de oneven jaren is [minderjarig kind] dan bij de vrouw. De meivakantie is [minderjarig kind] in de oneven jaren bij de vrouw en in de even jaren bij de man en een eventuele tweede week meivakantie is [minderjarig kind] in de even jaren bij de vrouw en in de oneven jaren bij de man.

2.5.

Onderhoudsbijdragen

2.5.1.

De vrouw heeft verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarig kind] (hierna ook: kinderbijdrage) van € 807,50 per maand en een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna ook: partnerbijdrage) van € 9.536,99 per maand vast te stellen.

Bij aanvullend verzoek heeft de vrouw primair verzocht een kinderbijdrage te bepalen met ingang van datum indiening verzoekschrift, althans 1 september 2016, van € 3.507,80 netto per maand dan wel subsidiair van € 807,50 per maand.

De vrouw verzoekt de bijdrage vast testellen met ingang van de datum waarop het verzoek tot echtscheiding is ingediend, dan wel met ingang van de datum waarop het verzoek tot betaling van een bijdrage is ingediend.

De vrouw verzoekt bij het bepalen van de hoogte van de behoefte van [minderjarig kind] af te wijken van de “tabel eigen aandeel kosten kinderen” en de behoefte vast te stellen conform de door de vrouw overgelegde behoeftelijst. Er dient van de tabellen te worden afgeweken omdat de werkelijke behoefte van [minderjarig kind] hoger is dan het welvaartsniveau dat beschreven is in de tabellen. Bij de bepaling van de hoogte van de behoefte speelt het welvaartsniveau ten tijde van het huwelijk een belangrijke rol.

Bij het inkomen van de man moet rekening worden gehouden met zijn inkomen als DGA, het dividend, de opnamen in de rekening courant, het rendement uit zijn vermogen en de huuropbrengsten.

2.5.2.

De man heeft verzocht een door hemzelf te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarig kind] (hierna ook: kinderbijdrage) van € 344,= per maand.

Wat betreft de door de vrouw verzochte partnerbijdrage verzoekt de man deze primair op nihil te stellen dan wel geheel subsidiair een bijdrage van € 1500,00 per maand vast te stellen, voor een periode van twee jaren, dus tot en met oktober 2017, waarna de bijdrage op nihil dient te worden bepaald.

De man heeft verweer gevoerd tegen het verzoek en het aanvullend verzoek van de vrouw. De man verzoekt de kinderbijdrage te bepalen met ingang van de datum van de beschikking. Dit omdat de man al vanaf oktober 2015 een vooraf afgesproken bedrag aan de vrouw betaalt.

De man heeft de behoeftelijst van [minderjarig kind] integraal betwist en gesteld dat deze niet met verificatoire bescheiden is onderbouwd. Verder zijn de door de vrouw opgevoerde bedragen exorbitant hoog. De man is van mening dat de behoefte van [minderjarig kind] conform de “Tremanormen” moet worden vastgesteld.

2.5.3.

Ingangsdatum onderhoudsbijdragen

De man heeft onbetwist gesteld dat hij reeds vanaf oktober 2015 een met de vrouw overeengekomen bijdrage voldoet. Gelet hierop zal de rechtbank de ingangsdatum voor de kinderbijdrage bepalen op de datum inschrijving echtscheidingsbeschikking welke datum van rechtswege geldt voor de partnerbijdrage.

2.5.3.

Behoefte minderjarige

De vrouw heeft gesteld dat niet uitgegaan kan worden van de door Trema gehanteerde normen voor de berekening van de behoefte van [minderjarig kind] , nu het inkomen van partijen veel hoger ligt dan het maximum bedrag. Volgens de vrouw bedraagt de behoefte van [minderjarig kind] € 3.507,80. De man heeft deze behoefte gemotiveerd betwist en gesteld dat hij op basis van zijn draagkracht maximaal € 344,- per maand kan voldoen.

Nu partijen verdeeld zijn over de werkelijke kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarig kind] , en de vrouw deze kosten met een behoeftelijst heeft toegelicht, zal de rechtbank overgaan tot het beoordelen van iedere post, en daarbij mede tot uitgangspunt nemen dat bij de bepaling van de behoefte van [minderjarig kind] het welvaartsniveau tijdens het huwelijk een rol speelt (HR 3 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM7050).

De rechtbank zal de door de vrouw opgevoerde posten hieronder bespreken. De rechtbank merkt hierbij op dat, indien een zo uitzonderlijk hoge behoefte wordt gesteld, deze dan ook met deugdelijke bescheiden dient te worden onderbouwd, waarbij het voorts niet aan de rechtbank is om uit te zoeken welke bon bij welke post hoort, dan wel of een bon op [minderjarig kind] dan wel zijn moeder betrekking heeft.

Boodschappen

De vrouw voert aan dat partijen maandelijks een bedrag van € 200,= aan boodschappen voor [minderjarig kind] uitgaven.

De man voert aan dat de boodschappen voor het gezin € 800,= per maand bedroegen.

De rechtbank acht, gelet op de gezinsuitgaven per maand aan boodschappen van € 800,=, een bedrag van € 200,= per maand voor [minderjarig kind] redelijk.

Schoolkosten

De vrouw stelt dat zij kosten voor [minderjarig kind] maakt in verband met school voor boeken, een laptop en schooltassen.

Ter zitting heeft de vrouw erkend dat partijen geen eigen bijdrage voor de school betalen en dat de laptop door de man is betaald. De vrouw is niet in staat deze hoge bijdrage met verificatoire bescheiden te onderbouwen. Zij matigt dit bedrag tot € 250,= per maand.

De man stelt dat hij nooit een nota voor school heeft gezien dan wel betaald. [minderjarig kind] zit op het speciaal onderwijs. Ook het gematigde bedrag van € 250,= per maand wordt door de man betwist.

Nu de vrouw heeft aangegeven geen eigen bijdrage te hoeven voldoen en nu zij de schoolkosten verder in het geheel niet heeft onderbouwd, houdt de rechtbank rekening met een bedrag van € 25,= per maand ter zake van de gebruikelijke uitgaven in verband met de normale schoolbenodigdheden zoals pennen, schriften, rugzak, gymspullen, schooluitjes en een laptop.

Brandstof

De vrouw voert aan dat zij € 150,= aan kosten maakt in verband met het halen en brengen van [minderjarig kind] naar school, naar de psycholoog, naar de man. Zij verwijst daarbij naar de tankbonnen gevoegd bij productie E.

De man betwist de hoogte van deze post. De man gaat akkoord met een gemiddeld aantal kilometers per maand van 240.

Uit de door de vrouw bij productie E overgelegde bonnen blijkt dat zij aan brandstofkosten heeft een bedrag van € 88,40 per maand. Daarbij heeft de vrouw niet gespecificeerd welke kosten aan [minderjarig kind] en welke alleen aan haar kunnen worden toegeschreven.

Uitgaande van een onbetwist aantal kilometers dat de vrouw per maand voor [minderjarig kind] moet rijden van 240, becijfert de rechtbank de brandstofkosten op € 14,= per maand, uitgaande van het gemiddeld verbruik van een Fiat Punto van 4,6l/100km en een gemiddelde dieselprijs van € 1,280 per liter.

Fiets onderhoud

De vrouw voert op een bedrag van € 1,65 per maand.

De man heeft deze post niet inhoudelijk betwist.

De rechtbank houdt derhalve rekening met een bedrag van € 1,65 per maand.

Niet vergoede ziektekosten

De vrouw voert op een bedrag van € 100,= per maand. [minderjarig kind] heeft eczeem en heeft daarvoor zalf nodig. Deze zalf wordt niet vergoed. De vrouw verwijst naar de bewijsstukken zoals gevoegd bij haar behoeftelijst.

De vrouw is van mening dat [minderjarig kind] in de toekomst op haar verzekering dient te worden bijgeschreven, zodat haar kosten dan ook hoger worden.

De man betwist deze post, nu deze kosten op geen enkele wijze zijn onderbouwd. [minderjarig kind] is bij de man verzekerd en het is de bedoeling dat dat zo blijft.

De rechtbank is van oordeel dat de vrouw deze kosten niet heeft onderbouwd. Enig bewijsstuk heeft de rechtbank tussen de overgelegde bonnen niet kunnen ontdekken zodat de rechtbank geen rekening houdt met deze post.

Aansprakelijkheidsverzekering

De vrouw heeft een aansprakelijkheidsverzekering opgevoerd van € 5,19 per maand.

De man heeft deze post niet inhoudelijk betwist.

De rechtbank houdt derhalve rekening met een bedrag van € 5,19 per maand.

Telefoonrekening mobiel

De vrouw voert kosten voor de mobiele telefoon van [minderjarig kind] op van € 65,50 per maand.

De man stelt dat hij deze kosten draagt maar dat hij niet weet hoe hoog de kosten zijn. De man betwist bij gebrek aan wetenschap de hoogte van de telefoonrekening.

Nu onbetwist gesteld is dat [minderjarig kind] een mobiele telefoon heeft, houdt de rechtbank rekening met de hiermee gepaard gaande kosten. Aangezien de vrouw de hoogte van de kosten niet heeft onderbouwd, terwijl de man deze betwist heeft, houdt de rechtbank naar redelijkheid rekening met een bedrag van € 32,75 per maand.

Abonnement zwemmen

De vrouw heeft een bedrag van € 12,= per maand opgevoerd.

De man heeft deze post inhoudelijk niet betwist.

De rechtbank houdt rekening met een bedrag van € 12,= per maand.

Kleding en overige benodigdheden

De vrouw voert een bedrag van € 150,= per maand op aan kledingkosten. [minderjarig kind] draagt topmerken; alleen zijn schoenen kosten al meer dan € 200,=.

De man betwist de hoogte van het door de vrouw opgevoerde bedrag. De vrouw heeft niet gespecificeerd welke van de door haar overgelegde bonnen betrekking hebben op deze post. De kosten voor schoenen voert zij op in een aparte post.

De rechtbank is van oordeel dat de bewijsstukken die de vrouw heeft overgelegd ter onderbouwing van deze kosten, niet zonder meer zijn toe te schrijven aan kosten voor [minderjarig kind] . Evenmin blijkt uit de overgelegde bonnen dat sprake is van “topmerken”. De rechtbank houdt rekening met een bedrag van € 75,= per maand. Dit is inclusief de post schoenen.

Begrafenisverzekering

De vrouw voert een bedrag op van € 10,= per maand.

De man stelt dat hij een bedrag van € 70,= per jaar betaalt voor een begrafenisverzekering voor zowel [minderjarig kind] als hemzelf. De vrouw voert deze post zowel bij haar eigen behoeftelijst als die van [minderjarig kind] op, dat is naar de mening van de man dubbel.

De rechtbank houdt rekening met een bedrag van € 2,92 per maand, zijnde de helft van de door de man opgevoerde premie. De vrouw heeft een hoger bedrag niet met stukken onderbouwd.

Kapper

De vrouw voert een post op van € 25,50 aan kosten voor de kapper.

De man stelt dat hij eenmaal per zes weken met [minderjarig kind] naar de kapper gaat en dan een bedrag van € 35,= betaalt. Er dient rekening gehouden te worden met een bedrag van

€ 15,= per maand voor [minderjarig kind] .

Ter zitting heeft de vrouw ingestemd met een bedrag van € 15,= per maand.

De rechtbank houdt met dit bedrag rekening.

Kosten bankrekening

De vrouw voert een bedrag op van € 4,73 per maand. Het betreft echter een kwartaalbedrag, zodat de maandelijkse kosten € 1,58 bedragen.

De man heeft deze post, bij gebrek aan stukken, betwist.

Nu de vrouw niet heeft onderbouwd dat [minderjarig kind] een betaalrekening heeft, zal met deze post geen rekening worden gehouden.

Huishoudelijk artikelen

De vrouw voert aan dat zij € 500,= per maand uitgeeft aan huishoudelijk artikelen voor [minderjarig kind] , zoals handdoeken, sport- en hobby artikelen en verzorgingsartikelen.

De man heeft deze post betwist en gesteld dat de vrouw deze kosten niet met stukken heeft onderbouwd.

De rechtbank is van oordeel dat de vrouw deze kosten niet heeft aangetoond. Uitgaande van de gemiddelde uitgaven aan de huishouding volgens het Nibud, zouden deze kosten reeds geheel verdisconteerd zitten in de boodschappen. De rechtbank houdt geen rekening met deze post.

Verjaardagen /Kerst

De vrouw voert aan dat [minderjarig kind] de afgelopen jaren als cadeau heeft gekregen een quad ter waarde van € 2.000,=, een televisie van € 900,=, een crossmotor, een Hover board van

€ 900,= en een laptop.

De man erkent dat [minderjarig kind] (dure) cadeaus krijgt. Deze heeft hij onder meer van de ouders van de man gekregen. De vrouw toont een bedrag van € 150,= per maand niet aan, zodat geen rekening dient te worden gehouden met deze post.

De rechtbank is van oordeel dat is komen vast te staan dat [minderjarig kind] in de afgelopen jaren vaak dure cadeaus heeft gekregen. Nu echter ook vaststaat dat een aantal van deze cadeaus, zoals de crossmotor, door de grootouders werden gegeven en bij de schoolbenodigdheden ook rekening is gehouden met de laptop, acht de rechtbank het aannemelijk dat partijen gemiddeld per maand voor € 100,= aan cadeaus uitgaven.

Vakantie

De vrouw voert aan dat partijen in het verleden drie keer per jaar met vakantie gingen, één keer op wintersport en twee keer in de zomer. De vrouw legt daartoe stukken van Cuypers reisadvies over van een reis ter waarde van € 3.759,10, hetgeen alleen de kosten voor de reis, verblijf en ontbijt betreft. Partijen zijn ook nog naar Cyprus op vakantie geweest voor een bedrag van € 4.000,=. Andere facturen heeft de vrouw niet in het geding kunnen brengen, nu deze door de BV van de man zijn voldaan. Er dient naar haar mening rekening gehouden te worden met een bedrag van € 835,= per maand.

De man betwist de hoogte van de post. Partijen gingen niet drie keer per jaar met vakantie. Partijen zijn in 2014 voor het laatst op wintersport geweest. De reis naar Cyprus was een cadeau van de ouders van de man.

De rechtbank is van oordeel dat vast is komen te staan dat partijen, ten tijde van de samenwoning, in ieder geval twee keer per jaar met vakantie gingen, één keer in de zomer en één keer in de winter. Uitgaande van de door de vrouw overgelegde factuur, acht de rechtbank een bedrag voor de zomervakantie van € 1.500,= aannemelijk en een bedrag voor de wintersport van € 1.000,=. Per maand houdt de rechtbank rekening met een bedrag van afgerond € 210,=.

Buiten de deur eten

De vrouw stelt dat partijen vaak in dure restaurants gingen eten, zodat rekening gehouden dient te worden met een bedrag van € 86,= per maand.

De man erkent dat partijen wekelijks uit eten gingen . De door de vrouw opgevoerde post is aan de hoge kant.

De rechtbank zal hetzelfde uitgangspunt hanteren als zij bij de bepaling van de behoefte van de vrouw heeft gedaan. Aldaar heeft de vrouw een bedrag van € 80,74 genoemd. De rechtbank is van oordeel dat, nu onbetwist gesteld is dat partijen wekelijks bij restaurants gingen eten, een bedrag van € 80,74 per maand redelijk is.

Uitgaan

De vrouw stelt dat zij met [minderjarig kind] en soms ook vriendjes naar pretparken, zoals de Efteling, en Jump XL en laser gamen gaat en daarvoor kosten maakt ten bedrage van € 100,= per maand. Ter zitting heeft de vrouw erkend dat zij deze activiteiten niet maandelijks onderneemt.

De man betwist de hoogte van deze post.

De rechtbank is van oordeel dat onbetwist is gesteld dat [minderjarig kind] deze activiteiten onderneemt en dat vriendjes dan worden getrakteerd, zij het niet maandelijks. Het komt de rechtbank derhalve redelijk voor om rekening te houden met een bedrag van € 40,= per maand.

Bioscoop

De vrouw voert een bedrag op van € 32,= per maand. [minderjarig kind] gaat maandelijks, met vriendjes, naar de bioscoop.

De man stelt dat [minderjarig kind] niet van de bioscoop houdt. Hij gaat maximaal een keer per maand naar de bioscoop.

Nu beide partijen hebben aangegeven dat [minderjarig kind] maandelijks met vriendjes naar de bioscoop gaat, houdt de rechtbank rekening met een gemiddeld bedrag van € 20,=.

Boeken

De vrouw koopt maandelijks boeken voor [minderjarig kind] , zoals hobbyboeken en stripboeken. Daarnaast spaart [minderjarig kind] boeken van een bepaalde reeks, zoals de boeken van Geronimo Stilton.

De man stelt dat [minderjarig kind] geen boeken leest. Het is de man niet bekend of [minderjarig kind] bepaalde boeken spaart. Bij gebrek aan bewijsmiddelen dient geen rekening te worden gehouden met deze post.

De rechtbank is van oordeel dat, aangezien de man deze post betwist en de vrouw deze niet heeft onderbouwd, geen rekening wordt gehouden met deze post.

Speelgoed

De vrouw voert aan dat partijen € 145,50 per maand uitgaven aan spellen voor de spelcomputers, nerfgeweren en zomerspeelgoed. De vrouw heeft ter adstructie bonnen van Toys XL overgelegd.

De man is van mening dat de vrouw posten dubbel opvoert, namelijk zowel bij bij verjaardagen, als bij speelgoed en tv, gamecomputer en games. De man betwist deze post.

De rechtbank is van oordeel dat, op grond van de door de vrouw overgelegde bonnen, slechts rekening kan worden gehouden met een bedrag van € 11,= per maand.

Schoenen

De vrouw heeft verzocht deze post te schrappen.

Vispas

De vrouw heeft verzocht deze post te schrappen.

Snoepgoed

De vrouw heeft verzocht deze post te schrappen.

Fiets en crossfiets

De vrouw voert aan dat de fiets van [minderjarig kind] om de twee tot drie jaar vernieuwd wordt. De fietsen hebben in totaal € 900,= gekost.

De man betwist de hoogte van deze post. De fiets wordt om de drie tot vier jaar vernieuwd. Er kan rekening worden gehouden met een bedrag van € 25,= per maand.

De rechtbank is van oordeel dat, uitgaande van de waarde van de fietsen van in totaal € 900,= en een gebruiksduur van drie jaar, een bedrag van € 25,= per maand redelijk is.

Tv en gamecomputer en games

De vrouw stelt dat [minderjarig kind] voor zijn spelcomputer altijd de nieuwste spellen krijgt. De televisie op zijn kamer heeft rond de € 1.000,= gekost.

De man is van mening dat de spelcomputer de komende jaren niet hoeft te worden vervangen. Spelletjes voor de spelcomputer krijgt [minderjarig kind] eenmaal per drie tot vier maanden. Er kan rekening gehouden worden met een bedrag van € 25,= per maand.

De rechtbank zal, nu deze post niet onderbouwd is, maar door de man erkend is dat er om de drie tot vier maanden spellen werden gekocht voor een gemiddeld bedrag van € 25,= per maand, rekening houden met een bedrag van € 25,= per maand.

Hover board

De vrouw voert een bedrag op van € 66,66 per maand.

De man stelt dat [minderjarig kind] dit board gekregen heeft van zijn opa en oma en dat niet duidelijk is waarom dit als maandelijkse kostenpost opgevoerd moet worden.

De rechtbank houdt geen rekening met deze post. Onbetwist is gesteld dat [minderjarig kind] dit Hover board cadeau heeft gekregen van de opa en oma van [minderjarig kind] .

De rechtbank becijfert de totale behoefte van [minderjarig kind] op € 895,25 per maand.

2.5.4.

Behoefte vrouw

De vrouw stelt dat zij behoefte heeft aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud. De vrouw heeft voor en aan het begin van het huwelijk gewerkt in de onderneming van de man. Nadat de vrouw in 2004 zwanger werd is zij, in overleg met de man gestopt met werken. Voor de vrouw zal het, nu zij geen recente werkervaring heeft, moeilijk zijn om een baan te vinden. Daarnaast heeft zij de zorg voor [minderjarig kind] , die, gelet op zijn problematiek, extra zorg nodig heeft.

De vrouw stelt dat haar behoefte dient te worden gerelateerd aan de welstand ten tijde van het huwelijk. Bij haar verzoekschrift heeft zij als productie 8 een behoeftelijst / kostenoverzicht overgelegd.

Ter zitting voert de vrouw aan dat zij niet eerder in staat is geweest om een voorlopige voorzieningenprocedure te starten omdat de man geen financiële stukken wilde over leggen. Met alle rekeningen die de man voor de vrouw voldoet, betaalt hij thans ongeveer € 2.000,= voor de vrouw. Als de vrouw niet in staat was bepaalde rekeningen te betalen dan deed de man dat. Dat was ook een reden om af te zien van voorlopige voorzieningen.

De vrouw betwist dat zij in de afgelopen periode gewerkt heeft. Dat is niet mogelijk met de zorg voor [minderjarig kind] . Zo moet [minderjarig kind] regelmatig tijdens de schooluren opgehaald worden omdat het niet meer gaat. Daarnaast is de vrouw door de zorg voor [minderjarig kind] overbelast en is zij op dit moment niet in staat om te solliciteren. De vrouw zou graag een eigen bedrijf willen opzetten, maar daarvoor is een startkapitaal nodig dat de vrouw niet heeft. De vrouw is op dit moment niet in staat om dezelfde uitgaven te doen die zij tijdens de samenwoning deed, omdat haar daartoe de middelen ontbreken.

De vrouw betwist dat zij een verdiencapaciteit heeft. Zij solliciteert wel degelijk maar wordt steeds afgewezen. Recent is bij de vrouw de diagnose artrose gesteld, waardoor de vrouw niet meer in staat is om te masseren. Zij zal een nieuwe opleiding moeten gaan volgen maar is er nog niet uit wat deze opleiding zou moeten inhouden.

De man betwist dat de vrouw behoeftig is. Volgens de man heeft de vrouw een verdiencapaciteit van € 2.400,= bruto per maand. De vrouw heeft zich onvoldoende ingespannen om een inkomen te verwerven om zo in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien. Tijdens het huwelijk heeft de vrouw een opleiding tot nagelstyliste en een cursus ontspanningsmassage gedaan. Zij heeft hiermee ook inkomen gegenereerd. Alle benodigdheden om een eigen zaak op te starten heeft de vrouw al in haar bezit. Het is de man ook bekend dat de vrouw op drie adressen poetst. De man is van mening dat de zorg voor [minderjarig kind] geen reden kan zijn om niet te werken. [minderjarig kind] gaat de hele dag naar school en op dinsdag en donderdag verblijft hij vervolgens tot 18.00 uur bij de man. Voor de man is het aannemelijk dat de vrouw thans een inkomen uit arbeid heeft, aangezien zij een behoefte stelt van € 6.164,= per maand terwijl zij sinds oktober 2015 van een bedrag van

€ 1.500,= leeft. De vrouw heeft haar behoeftelijst onderbouwd met stukken uit 2014-2015. De man wenst inzage in haar bestedingspatroon in 2016 en 2017, zodat vastgesteld kan worden dat de vrouw in haar eigen levensonderhoud kan voorzien.

De rechtbank overweegt als volgt:

De rechtbank zal eerst moeten beoordelen of de vrouw behoeftig is en of uit kan worden gegaan van een verdiencapaciteit aan haar zijde.

De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van de man dat uit het feit dat de vrouw de afgelopen anderhalf jaar is rondgekomen met een bedrag van € 1.500,= per maand, terwijl zij een behoefte zou hebben van € 6.164,= netto per maand, kan worden afgeleid dat zij dus in haar eigen levensonderhoud voorziet. De rechtbank leidt hieruit niet meer af dan dat vrouw kennelijk in staat is geweest haar uitgavenpatroon aan te passen aan haar inkomsten.

Het uitgangspunt is dat een ieder in beginsel in zijn eigen levensonderhoud dient te voorzien. Voor het bepalen van de behoeftigheid wordt daarom rekening gehouden met de inkomsten dan wel de redelijkerwijs te verwerven inkomsten van de onderhoudsgerechtigde. Dit brengt mee dat de vrouw zich in voldoende mate dient in te spannen om zelf inkomsten te verwerven om in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien. Vast staat dat de vrouw tijdens het huwelijk niet heeft gewerkt en altijd de zorg voor [minderjarig kind] heeft gehad. Ook is onbetwist door de vrouw gesteld dat zij, in verband met de problematiek bij [minderjarig kind] , regelmatig tijdens de schooluren [minderjarig kind] van school moet halen. Verder heeft de vrouw aangetoond dat bij haar artrose in de handen is geconstateerd. De vrouw stelt dat zij hierdoor niet meer kan masseren. Zij heeft daarbij niet aangegeven in hoeverre haar dit belemmert om als masseuse te werken dan wel andere werkzaamheden te verrichten.

Nu de vrouw nog geen betaald werk heeft, is de rechtbank van oordeel dat daarmee haar behoefte aan een onderhoudsbijdrage op dit moment vaststaat. De rechtbank is echter van oordeel dat van de vrouw verwacht mag worden dat zij zich inspant om betaald werk te vinden. Reeds in 2015 was bekend dat partijen zouden gaan scheiden. Het had dan ook op de weg van de vrouw gelegen om zich vanaf dat moment te richten op betaald werk, in loondienst of via opbouw van haar eigen massagepraktijk en/of nagelstudio. De vrouw heeft haar eigen praktijk ook al in 2015 ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. De rechtbank houdt rekening met het feit dat door de geringe werkervaring en opleiding, de echtscheidingsperikelen en de problemen met [minderjarig kind] , het de vrouw nog niet is gelukt een betaalde baan te vinden. Naar het oordeel van de rechtbank mag de vrouw echter in staat worden geacht om met ingang van 1 januari 2018 een bedrag van € 500,= aan netto inkomsten te genereren. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat de vrouw in staat zal zijn om binnen afzienbare tijd het door de man gestelde maandinkomen van € 2.400,= te realiseren.

Vervolgens dient de rechtbank de hoogte van de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw vast te stellen. Zij zal dit doen aan de hand van het door de vrouw overgelegde behoefteoverzicht. De vrouw stelt haar huwelijks gerelateerde behoefte op € 6.164,28.

Huisvesting

De vrouw voert een kale huur (inclusief servicekosten) op van € 750,= per maand.

De man betwist deze last. Er dient een korting op toegepast te worden. De vrouw huurt de woning van een vriend en laat na betalingsbewijzen over te leggen. Als de vrouw goedkoper was gaan huren, had zij in aanmerking kunnen komen voor huurtoeslag.

De rechtbank is van oordeel dat de vrouw door overlegging van het huurcontract haar huisvestingskosten voldoende heeft onderbouwd. Vast staat dat de vrouw kosten voor huisvesting moet maken sinds zij uit de echtelijke woning is verhuisd. Een huurlast van € 750,= per maand komt de rechtbank daarbij niet onredelijk voor.

Gebruikerslasten

Tv, internet en telefonie

De kosten voor tv, internet en telefonie van € 62,90 per maand worden niet betwist, zodat de rechtbank met deze kosten rekening houdt.

Energie en water

De vrouw stelt dat de kosten voor energie van € 140,= per maand en water van € 36,85 per maand gebaseerd zijn op een schattig voor een tweepersoonshuishouden. Op dit moment betaalt de vrouw nog € 94,= en € 17,50 per maand, maar dit is gebaseerd op het maandbedrag van de vorige bewoonster die daar alleen woonde.

De man is van mening dat uitgegaan dient te worden van de feitelijke kosten van € 94,= en

€ 17,50 per maand.

De rechtbank overweegt als volgt:

Uitgaande van een appartement bedragen de kosten voor energie volgens het Nibud gemiddeld € 107,= per maand. De rechtbank houdt rekening met dit bedrag.

Volgens het Nibud geeft een tweepersoonshuishouden gemiddeld € 14,40 per maand aan water uit. De rechtbank zal aansluiten bij het huidige bedrag van € 17,50 per maand, nu de man ook van dit bedrag is uitgegaan.

BSGW

Partijen zijn het ter zitting eens geworden over het bedrag aan gemeentelijke belastingen

van € 27,50 per maand.

Verzekeringen en onderhoud woning

De vrouw voert een bedrag van € 20,63 aan inboedelverzekering op.

De man stelt dat dit bedrag volgens de nota € 17,44 per maand moet zijn.

Ter zitting heeft de vrouw het door de man gestelde bedrag niet betwist.

De rechtbank gaat uit van een bedrag van € 17,44 per maand.

Dagelijks levensonderhoud

De vrouw voert een bedrag van € 625,12 aan boodschappen op per maand.

Ter zitting geeft de vrouw aan dat dit bedrag inclusief het bedrag van € 200,= voor [minderjarig kind] is.

De man is van mening dat een bedrag van € 400,= per maand aannemelijk is.

De rechtbank houdt rekening met een bedrag van € 400,= per maand aan boodschappen.

Vervoer

Brandstof

De vrouw voert aan dat zij € 207,= per maand uitgeeft aan brandstof en aan wegenbelasting

€ 100,= per maand. Dit blijkt uit de door haar overgelegde bonnen. De vrouw maakt veel kilometers in verband met verplichtingen en het bezoek aan vrienden en familie die niet in de buurt wonen.

De man acht een bedrag van € 207,= per maand niet aannemelijk. De vrouw werkt niet en hoeft derhalve niet 2000 kilometer per maand te rijden. De man betaalt de wegenbelasting voor de vrouw en die bedraagt € 70,= per kwartaal.

Niet betwist is dat de vrouw brandstofkosten maakt. De vrouw heeft niet onderbouwd dat zij € 207,= per maand hier aan uitgeeft. De rechtbank acht een bedrag van € 60,= per maand redelijk, gelet op het gemiddeld verbruik van een Fiat Punto van 1/23,9 en een tankinhoud van 45 liter.

De rechtbank houdt rekening met een bedrag aan wegenbelasting van € 23,33 per maand, nu het gestelde door de man, mede gelet op het type auto dat de vrouw rijdt, de rechtbank aannemelijk voorkomt.

Verzekering, wegenbelasting, onderhoud auto, ANWB, fietsonderhoud

De posten verzekering ad € 27,32, WA-verzekering € 6,78, onderhoud auto ad € 20,80, lidmaatschap ANWB ad € 12,= en fiets onderhoud ad € 1,65 zijn ter zitting niet meer inhoudelijk betwist, zodat de rechtbank rekening houdt met deze bedragen.

Vaste uitgaven

Telefoon

De vrouw voert kosten voor de mobiele telefoon op van € 98,60 per maand.

De man betwist deze post en stelt dat deze onredelijk hoog is.

Uit de door de vrouw overgelegde nota’s blijkt dat haar abonnementskosten € 49,40 per maand bedragen en dat zij gemiddeld € 24,60 per maand extra gebruikskosten heeft. De rechtbank zal derhalve rekening houden met een bedrag van € 74,= per maand.

Aansprakelijkheidsverzekering

De vrouw heeft voor de aansprakelijkheidsverzekering een bedrag van € 5,19 per maand opgevoerd.

De man stelt dat dit bedrag volgens het afschrift van de ABN Amro € 4,85 per maand moet zijn.

De vrouw heeft het door de man gestelde bedrag niet betwist, zodat de rechtbank uitgaat van een maandbedrag van € 4,85.

Sportschool

De vrouw voert een bedrag van € 38,= per maand op aan abonnementskosten voor de sportschool.

De man heeft erkend dat de vrouw een sportschoolabonnement heeft, doch hij is niet op de hoogte voor welk bedrag.

De rechtbank houdt rekening met een sportschoolabonnement van € 38,= per maand. Onbetwist staat vast dat de vrouw een abonnement heeft en het door de vrouw gestelde bedrag komt de rechtbank niet onaannemelijk voor.

Kleding en overige benodigdheden

De vrouw voert aan kosten voor kleding en overige benodigdheden een bedrag van € 287,99 per maand op en heeft ter onderbouwing bonnen in het geding gebracht.

De man stelt dat de vrouw een vertekend beeld geeft. De vrouw heeft een bedrag van

€ 10.000,= ontvangen in verband met de herinrichting voor het pand aan de [adres pand A] . De vrouw is daar echter nooit gaan wonen en heeft dit geld onder meer uitgegeven aan kleding.

De rechtbank stelt vast dat uit de overgelegde stukken blijkt dat zij regelmatig kleding heeft gekocht. De rechtbank zal voor de beoordeling van het maandbedrag aansluiten bij het door de vrouw handgeschreven overzicht “Fabiola kleding” (productie en uitgaan van een totale uitgave in 2015 van € 2.728,55 (exclusief handdoeken), zijnde € 227,= per maand.

Bankkosten

De vrouw voert aan bankkosten op een bedrag van € 4,73 per maand. Ter zitting stelt de vrouw dat dit een kwartaalbedrag betreft.

De man stelt dat dit een jaarbedrag betreft.

De rechtbank is van oordeel dat algemeen bekend is dat voor een betaalrekening kosten in rekening worden gebracht. Een bedrag van € 1,57 per maand komt de rechtbank niet onaannemelijk voor.

Huishoudelijke artikelen en Mediamarkt

De vrouw voert voor huishoudelijke artikelen een bedrag van € 349,27 per maand en een bedrag van € 51,08 per maand aan kosten bij Mediamarkt op. De vrouw stelt dat onder deze post handdoeken vallen en apparatuur. Ten tijden van de samenwoning werden huishoudelijke apparaten regelmatig vervangen.

De man is van mening dat de door de vrouw opgevoerde kosten voor huishoudelijke artikelen en de Mediamarkt herinrichtingskosten betreffen, die niet maandelijks terugkomen.

De rechtbank is van oordeel dat rekening gehouden dient te worden met kosten voor het vervangen van de inventaris. Wat hiervoor gereserveerd wordt hangt af van de samenstelling van het gezin en het inkomen. Het Nibud neemt als richtlijn een bedrag tussen € 7.500,= en

€ 13.000,= ter vervanging van de volledige inventaris. Uitgaande van een gemiddelde levensduur van 5 jaar en van een bedrag van € 10.250,=, houdt de rechtbank rekening met een bedrag van € 170,83 per maand.

Ziektekosten, overlijdensrisicoverzekering, kapper

De posten ziektekostenverzekering ad € 154,68, de overlijdenszorgverkering ad € 10,68, en de kosten voor de kapper van € 102,68 zijn ter zitting niet meer inhoudelijk betwist, zodat de rechtbank rekening houdt met deze bedragen.

Begrafenisverzekering

De vrouw heeft verzocht de post begrafenisverzekering te schrappen nu deze dubbel is.

Ontspanning

De vrouw heeft ter zitting aangegeven dat de post uitjes ten onrechte tweemaal is opgenomen, zodat één post geschrapt dient te worden.

Vakantie

De rechtbank verwijst naar hetgeen hierover is overwogen bij de behoeftelijst van [minderjarig kind] . De rechtbank houdt rekening met een bedrag van € 208,33 per maand.

Uitgaan

De vrouw stelt dat partijen een paar keer per jaar naar een concert gingen met hotelovernachting, zodat rekening gehouden moet worden met een post van € 100,= per maand.

De man stelt dat partijen incidenteel naar een concert gingen.

De rechtbank houdt rekening met een bedrag van € 25,= per maand.

Uit eten

De vrouw voert een bedrag op van € 80,74 per maand.

De man erkent dat partijen wekelijks uit eten gingen, zodat dit bedrag kan kloppen.

De rechtbank houdt rekening met een bedrag van € 80,74 per maand aan uit eten.

Verjaardagen/kerst

De vrouw stelt dat zij veel uitgaf aan cadeaus voor vrienden en familie en voert een bedrag op van € 95,80 per maand.

De man betwist de hoogte van deze post.

De rechtbank is van oordeel dat een bedrag van € 25,= per maand redelijk is. De vrouw heeft deze post in het geheel niet onderbouwd met stukken.

Boekhandel

De vrouw stelt dat zij per maand € 31,10 aan boeken en tijdschriften uitgaf.

De man acht het niet onaannemelijk dat de vrouw hier geld aan uitgaf. Hij is echter niet bekend met de hoogte van het bedrag en de vrouw heeft nagelaten dit met stukken te onderbouwen.

De rechtbank acht een bedrag van € 15,= per maand per maand redelijk.

Schoonheidssalon

De vrouw heeft het jaaroverzicht opgevraagd voor alle gezichtsbehandelingen. Zij heeft als bijlage bij productie G de bon van [X] overgelegd, waarop een totaal bedrag van

€ 1.826,50 is vermeld.

Volgens de man heeft de vrouw ook producten voor haar eigen bedrijf gekocht. De man erkent dat de vrouw naar de schoonheidssalon ging, maar hij betwist de hoogte van deze post.

Uitgaande van de bon van [X] houdt de rechtbank rekening met een bedrag van € 152,= per maand.

Parfumerie/drogist

De vrouw stelt dat zij per maand voor € 64,= uitgaf en verwijst ter onderbouwing naar de mail van Ici Paris. Dit betreft alleen producten die de vrouw voor zichzelf kocht.

De man betwist de hoogte van deze post. Volgens de man zitten hier ook uitgaven voor cadeaus bij.

De rechtbank gaat uit van het door de vrouw overgelegde kostenoverzicht van Ici Paris en houdt rekening met een bedrag van € 64,= per maand.

Zonnebank

De vrouw voert op een bedrag van € 6,70 per maand.

De man heeft deze post niet inhoudelijk betwist.

De rechtbank houdt rekening met een bedrag van € 6,70 per maand.

Gezondheidswinkel

De vrouw voert een bedrag van € 19,= per maand op in verband met kosten voor huidproducten en homeopathie.

De man betwist deze post en stelt dat deze kosten reeds bij de boodschappen zijn meegenomen.

De rechtbank is van oordeel dat deze post reeds verdisconteerd is in de post boodschappen en de post parfumerie/drogist en houdt derhalve geen rekening met dit bedrag.

Manicure/pedicure

De vrouw voert op dat zij per maand € 67,95 uitgeeft en verwijst naar de door haar overgelegde bonnen.

De man betwist deze post bij gebrek aan onderbouwing. Bovendien is de vrouw zelf nagelstylist.

De rechtbank heeft geen bonnen aangetroffen die betrekking hebben op deze post. De rechtbank houdt rekening met en bedrag van € 25,= per maand aan kosten pedicure, nu de man niet heeft betwist dat de vrouw de pedicure bezoekt.

Cursus/opleiding en benodigdheden.

De vrouw voert een bedrag van op € 42,= en € 108,= per maand. Zij heeft haar massageopleiding inmiddels afgerond maar zal door de artrose in haar handen een nieuwe opleiding moeten gaan doen.

De man betwist deze post en betwist dat de vrouw artrose zou hebben. Als de vrouw een andere opleiding wil gaan doen, dan zal ze eerst moeten aantonen dat ze niet kan masseren en welke opleiding zij zal gaan doen.

De rechtbank houdt geen rekening met deze post. De massage opleiding heeft de vrouw afgerond en niet duidelijk is of en welke opleiding zij nog zal gaan doen. Bovendien is uit de overgelegde stukken gebleken dat zij de benodigdheden reeds heeft aangeschaft, zodat daar niet nogmaals rekening mee hoeft te worden gehouden.

Overige uitgaven

De posten WNF en bloemen zijn niet inhoudelijk betwist, zodat de rechtbank rekening houdt met een bedrag van € 2,= en € 18,58 per maand.

vervanging inboedel, huishoudelijke apparatuur

De rechtbank heeft deze post reeds meegenomen bij de post huishoudelijke apparatuur, zodat met deze post geen rekening wordt gehouden.

Auto

De vrouw voert een bedrag van € 200,= per maand op als reservering voor de auto.

De man betwist de hoogte van deze post.

De rechtbank houdt rekening met een bedrag aan vaste kosten voor afschrijving volgens het Nibud voor een compacte klasse van € 63,= per maand en variabele kosten van € 26,= per

maand.

Oudedagsvoorziening

De vrouw voert in totaal aan kosten op € 500,= per maand, aangezien zij tijdens het huwelijk geen pensioen heeft opgebouwd. Tijdens het huwelijk heeft de vrouw gespaard. De afgelopen periode heeft de vrouw geleefd van haar spaargeld, dus zij heeft geen voorziening meer. Het pensioen van de man was ook bedoeld als pensioen voor de vrouw.

De man betwist deze post en stelt dat er geen pensioenvoorziening is. Er is ook geen lijfrente. De overlijdensrisicoverzekering bedraagt € 11,= per maand.

De rechtbank overweegt dat voor de man zijn onderneming en het onroerend goed zijn oudedagsvoorziening vormt. Waren partijen niet gescheiden dan had de vrouw op deze wijze meegedeeld in de oudedagsvoorziening. Nu de vrouw nog geen oudedagsvoorziening heeft, is de rechtbank van oordeel dat met deze post rekening gehouden moet worden. De rechtbank houdt derhalve rekening met een bedrag van € 400,= per maand.

De rechtbank houdt geen rekening met de post overlijdensrisicoverzekering nu die reeds is meegenomen bij de post vaste uitgaven.

De rechtbank becijfert de totale behoefte van de vrouw op € 3.429,86 netto per maand, zijnde € 5.813,32 bruto per maand, uitgaande van een gemiddelde belastingdruk van 41%, en met ingang van 1 januari 2018 van € 2.929,86 netto per maand, zijnde € 4.965,86 bruto per maand.

De draagkracht

Salaris

Partijen zijn het eens over het salaris van de man, conform de salarisstrook van december 2016.

De rechtbank houdt rekening met een bruto maandsalaris van € 4.659,=, te vermeerderen met een vakantietoeslag van 8%.

Opnames rekening-courant

De vrouw heeft gesteld dat met een bedrag van gemiddeld € 11.774,22 per jaar aan rekening-courant opnames rekening dient te worden gehouden bij de berekening van de draagkracht van de man.

De man stelt dat de rekening courant uitsluitend betrekking heeft op de rente in verband met de lening voor de aankoop van het pand aan de [adres pand B] , hierna “de [adres pand B] ”. De man betwist dat er bedragen aan het bedrijf via de rekening courant werden onttrokken waarvan partijen geleefd hebben. Uit de jaarstukken blijkt ook dat er geen financiële transacties hebben plaatsgevonden. De rekening courant betreft alleen de opgebouwde, niet betaalde, rentelasten. De door de vrouw overgelegde bonnen betreffen cadeaus van de ouders van de man.

De vrouw betwist dat de rekening courant uitsluitend betrekking heeft op de rente. Volgens haar zijn in dit bedrag ook nog andere boekingen begrepen. Partijen hebben geleefd van de rekening courant. Er is geen dividend uitgekeerd maar volgens de vrouw werden bedragen via de rekening courant aan het bedrijf onttrokken. Zij legt daartoe bonnen over.

De rekening courant bestond al voor de aankoop van de [adres pand B] , dus daar zitten de kosten van het huishouden in. Op 1 december 2011 bestond er al een rekening courantschuld van € 27.000,=. Deze dient in mindering gebracht te worden op de rekening courantschuld in 2015.

De rechtbank is van oordeel dat uit de bijlage achter productie 17 (zijdens de man) blijkt dat er alleen rentebijschrijvingen hebben plaatsgevonden en dat niet is gebleken van enige opnames.

Huuropbrengsten

Pand [plaats appartement]

De man stelt dat het pand in [plaats appartement] € 500,= per maand aan huurinkomsten opbracht. Dit pand is inmiddels verkocht. De vrouw heeft dit erkend.

De rechtbank houdt geen rekening met de huurinkomsten van het pand in [plaats appartement] , aangezien dit pand is verkocht op 28 januari 2016.

Pand [adres pand B]

De man voert aan dat [adres pand B 1] en [adres pand B 2] worden verhuurd voor ieder

€ 800,= per maand. [adres pand B 3] staat momenteel leeg en wordt aangeboden voor € 1.500,= per maand. Voorheen ontving de man een huur van € 1.250,= per maand. De man is van mening dat ook rekening gehouden dient te worden met de rente die hij in verband met een lening voor de aankoop van de [adres pand B] heeft afgesloten. De huuropbrengsten worden besteed aan betaling van de rente ofwel aan de aflossing van de lening. De huurinkomsten van [adres pand B 3] en [adres pand B 1] worden op de spaarrekening van de man gereserveerd en de huurinkomsten van [adres pand B 2] worden direct aan de geldverstrekker doorbetaald. De man betwist dat er met de huuropbrengsten is geïnvesteerd. Voor het pand aan de [adres pand B] betaalt de man per jaar aan BSGW een bedrag van € 857,30 en aan verzekeringen een bedrag van € 945,=.

De vrouw betwist dat de lening is aangegaan voor de aankoop van de [adres pand B] . Er is nooit op deze lening afgelost. De lening staat los van de huurinkomsten. Er dient geen rekening gehouden te worden met de rente bij het berekenen van de inkomsten uit verhuur. De man heeft deze ook nooit opgevoerd bij de belastingdienst.

De vrouw gaat niet akkoord met een huur van € 800,= voor [adres pand B 1] , aangezien de huurovereenkomst ontbreekt. Verder dient rekening gehouden te worden met een huur voor [adres pand B 3] van € 1.500,= dan wel € 1.250,=, aangezien dit pand op korte termijn ook weer verhuurd zal worden.

Partijen hebben nooit afgelost, maar geleefd van de huuropbrengsten. Daarmee is ook de verbouwing van de [adres pand B] betaald; er is geïnvesteerd.

De rechtbank houdt rekening met de huurinkomsten als volgt:

  • -

    voor het pand aan de [adres pand B 1] een bedrag van € 800,= per maand;

  • -

    voor het pand aan de [adres pand B 2] een bedrag van € 800,= per maand;

  • -

    voor het pand aan de [adres pand B 3] een bedrag van € 1.250,= per maand, omdat de rechtbank ervan uitgaat dat de man in staat is dit pand binnen afzienbare tijd weer te verhuren.

Pand [adres pand A]

Partijen zijn het eens met de huuropbrengst van de [adres pand A] van € 710,= per maand met ingang van 1 april 2017.

De man stelt dat hij voor het pand aan de [adres pand A] per jaar een bedrag aan BSGW betaalt van € 746,= en aan verzekeringen een bedrag van € 874,=. Deze bedragen zijn door de vrouw niet betwist.

De man stelt dat hij in verband met de aanschaf van dit pand een lening is aangegaan bij [A] BV waarop hij dient af te lossen. De schuld bedraagt € 95.000,=.

De man stelt dat hij de huuropbrengsten niet ontvangt maar dat deze rechtstreeks naar de geldverstrekker [A] BV vloeien.

De man stelt dat dit pand geen belegging betreft maar dat hij het heeft aangeschaft voor de vrouw. Bij verkoop zal de man verlies leiden.

De vrouw betwist dat de huurinkomsten worden aangewend voor de aflossing van de lening. Verder betwist de vrouw dat het pand voor haar is aangekocht.

Uit de door de man overgelegde stukken blijkt uit productie 13 dat de man de huur voor de [adres pand B 3] en de huur van [adres pand B 1] op zijn rekening met rekeningnummer [rekeningnummer 1] ontvangt. Verder blijkt uit de door de man overgelegde huurcontracten voor [adres pand B 2] en de [adres pand A] dat deze huur op de bankrekening [rekeningnummer 2] t.n.v. [de man] binnenkomt. De rechtbank gaat er dus vanuit dat de man alle huurinkomsten op zijn eigen bankrekening ontvangt. Niet is gebleken van aflossing van schulden dan wel rentebetalingen. De rechtbank houdt derhalve rekening met deze huurinkomsten. Bij de huur voor de [adres pand A] 7 houdt de rechtbank rekening met een maandlast van € 135,= en bij de [adres pand B] met een maandlast van € 150,19 (beiden in verband met BSGW en verzekeringen).

Rendement op vermogen

De vrouw stelt dat met een rendement op vermogen rekening dient te worden gehouden, waarbij de vrouw uitgaat van het in de aangifte IB opgenomen vermogen van € 129.823,-

De man stelt dat het vermogen niet rendeert en aangewend dient te worden ter aflossing van de schuld.

De rechtbank is van oordeel dat hier geen rekening mee dient te worden gehouden, aangezien het een feit van algemene bekendheid is dat spaartegoeden momenteel geen rendement opleveren.

Winst

De vrouw voert aan dat bij de berekening van de draagkracht van de man ook rekening dient te worden gehouden met de winst uit onderneming. De vrouw kan niet aangeven met welk bedrag rekening dient te worden gehouden, nu zij niet beschikt over een geconsolideerd kasstroomoverzicht.

De man stelt dat hij niet in staat is in overwegende mate te bepalen welk bedrag uit de BV kan worden onttrokken.

De rechtbank is van oordeel dat de man ten aanzien van zijn Holding wel kan bepalen welk bedrag hij kan onttrekken. De cijfers van 2015 en 2016 zijn daarvoor van belang en dienen in het geding gebracht te worden. De rechtbank zal evenwel geen rekening houden met de winst uit onderneming, nu bij de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden vastgesteld dient te worden of sprake is van opgepotte winsten die bij de verrekening in aanmerking moeten worden genomen. De rechtbank verwijst naar het onder 2.6. overwogene.

Lasten

Ziektekosten

De ziektekosten, ten bedrage van € 157,80 per maand zijn niet betwist.

Huur

De man voert een huur op van € 800,= per maand, zijnde zijn aandeel in de totale huur van € 1.050,=, aangezien zijn partner een lager inkomen heeft.

De vrouw betwist dit bij gebrek aan wetenschap en is van mening dat slechts met de helft rekening dient te worden gehouden.

De rechtbank overweegt als volgt:

Nu de man geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat zijn partner een aanmerkelijk lager inkomen verdient, zal de rechtbank de man niet volgen in zijn stelling en rekening houden met de helft van de huur, zijnde € 525,= per maand.

De rechtbank becijfert het netto besteedbaar inkomen van de man, inclusief huurinkomsten, op € 6.533,= per maand.

Uitgaande van de draagkrachttabel, 70%(NBI-(0,3xNBI+905))), becijfert de rechtbank draagkracht aan de zijde van de man om een kinderbijdrage te voldoen van € 2.568,= per maand. Aan de vrouw rekent de rechtbank geen draagkracht toe.

Nu de man volledig kan voorzien in de behoefte van [minderjarig kind] , kan hij aanspraak maken op de volledige zorgkorting. Gelet op de vastgestelde zorgregeling houdt de rechtbank rekening met een zorgkorting van 25%, zijnde € 224,= per maand. De rechtbank zal derhalve aan de man een kinderbijdrage opleggen van € 671,= per maand.

Voor de vrouw kan de man bijdragen een bedrag van € 3.656,= per maand.

Hiervoor heeft de rechtbank overwogen dat de man nog met reageren op de door de vrouw bij haar zelfstandig verzoek d.d. 18 mei 2017 overgelegde producties. Indien de rechtbank – na de reactie van de man – tot het oordeel komt dat de alimentatie ten behoeve van de vrouw en [minderjarig kind] op een lager bedrag moet worden vastgesteld zal de rechtbank de alimentatie met ingang van de ingangsdatum aanpassen.

2.6.

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden

2.6.1.

De man heeft verzocht de verrekening/verdeling te gelasten op de door hem voorgestelde wijze.

2.6.2.

De vrouw heeft verzocht de verrekening/afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden vast te stellen conform het door de vrouw verzochte zoals nader omschreven onder de punten 31 tot en met 40 van haar verweerschrift tevens zelfstandig verzoeken, althans een zodanige verrekening vast te stellen als de rechtbank juist acht.

De rechtbank overweegt als volgt:

Partijen zijn op huwelijkse voorwaarden gehuwd. Voor zover van belang bevatten de huwelijkse voorwaarden de volgende bepalingen:

“ALGEHELE UITSLUITING

Artikel 1

Tussen de echtgenoten zal geen gemeenschap van goederen, hoe ook genaamd, bestaan.

Ieder der echtgenoten behoudt derhalve alle goederen welke hij of zij ten huwelijk aanbrengt, en alle goederen welke gedurende het huwelijk door hem of haar op welke wijze dan ook worden verkregen.

Ieder der echtgenoten blijft persoonlijk aansprakelijk voor de schulden welke door hem of haar ten huwelijk worden aangebracht en die welke gedurende het huwelijk aan hem of haar op welke wijze dan ook opkomen, met dien verstande echter dat de ene echtgenoot naast de ander voor het geheel aansprakelijk is voor de schulden gemaakt ten behoeve van de gewone gang der huishouding, voor zover de wet dit bepaalt.

KOSTEN HUISHOUDING

Artikel 2

  1. (…)

  2. (…)

  3. Onder inkomsten worden mede begrepen uitkeringen ter vervanging van inkomsten uit arbeid, zoals sociale uitkeringen en pensioenuitkeringen, alsmede winst uit zelfstandig uitgeoefend beroep en bedrijf. Indien en voor zover een echtgenoot in overwegende mate bij machte is te bepalen dat de winsten van een niet op zijn eigen naam uitgeoefend bedrijf hem rechtstreeks of middellijk ten goede komen, worden de niet uitgekeerde winsten uit zodanige onderneming, voor zover in het maatschappelijk verkeer als redelijk beschouwd, eveneens in aanmerking genomen bij de vaststelling van de verrekenplicht als hierna in artikel 6 bedoeld.

  4. Onder netto-inkomsten wordt verstaan de inkomsten als bedoeld in de Wet op de Inkomsten belasting 1964 verminderd met de belasting op inkomsten, alsmede verminderd met de premieheffing-volksverzekeringen en andere wettelijke inhoudingen of heffingen. Niet als inkomen wordt aangemerkt: winst die is behaald met het geheel of gedeeltelijk staken van de onderneming.

  5. Onder netto-vermogen wordt verstaan het begrip vermogen als bedoeld in de Wet op de Vermogensbelasting 1964 verminderd met over het vermogen verschuldigde belasting op vermogen.

(…)

VERREKENING VAN INKOMSTEN

Artikel 6

  1. De echtgenoten verplichten zich over elk kalenderjaar hetgeen van hun netto-arbeidsinkomsten in de zin van artikel 2, onder aftrek van hetgeen daarvan is besteed voor de gemeenschappelijke huishouding, overblijft onderling te verrekenen in die zin, dat de ene echtgenoot een vordering verkrijgt op de andere echtgenoot ten bedrage van de helft van het aan diens zijde overblijvende als hiervoor bedoeld. Indien de echtgenoten over en weer een vordering op elkaar krijgen worden de vorderingen verrekend tot het bedrag van de kleinste vordering.

  2. De uitkering van het verschuldigde moet gedaan worden binnen een jaar na afloop van het desbetreffende kalenderjaar.

  3. Ingeval gewichtige redenen zich verzetten tegen prompte voldoening zullen de echtgenoten een redelijke betalingsregeling – al of niet met zekerheidsstelling – treffen waarbij de belangen van beiden in acht worden genomen.

  4. Geen verrekening heeft plaats:

a. Over de tijd, dat de echtgenoten anders dan in overleg niet samenwonen of dat tussen hen scheiding van tafel en bed bestaat;

(…)”

Partijen hebben tijdens het huwelijk niet periodiek verrekend ingevolge artikel 6 huwelijkse voorwaarden. In dat geval dient overeenkomstig vaste jurisprudentie alsnog een finale verrekening plaats te vinden. Daarbij is van belang artikel 141 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) dat bepaalt dat indien bij het einde van het huwelijk aan een bij huwelijkse voorwaarden overeengekomen periodieke verrekenplicht als bedoeld in het eerste lid niet is voldaan, het alsdan aanwezige vermogen wordt vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit.

Partijen zijn het eens over de te hanteren peildatum, zijnde 17 oktober 2015.

De rechtbank zal in het hierna volgende de verschillende door partijen genoemde vermogensbestanddelen bespreken waarbij de door de vrouw gehanteerde volgorde zoveel mogelijk zal worden aangehouden.

Pand te [plaats appartement]

De man heeft tijdens het huwelijk, op 13 maart 2009, een appartement aan de [adres appartement] te [plaats appartement] , België, hierna : “ het pand te [plaats appartement] ” , gekocht. De koopprijs bedroeg € 125.000,=. Het pand te [plaats appartement] is na de peildatum, op 28 januari 2016, verkocht en in eigendom overgedragen. Blijkens de notariële afrekening bedroeg de verkoopprijs € 116.100,= (productie 11 bij de brief d.d. 9 mei 2017 van de man).

De vrouw stelt dat de zij recht heeft op helft van de overwaarde.

De man stelt dat destijds in verband met de aankoop van het pand een hypotheek ten bedrage van € 60.000,= is afgesloten. Volgens de man is het resterende aankoopbedrag met privégelden betaald. Op de hypothecaire lening is afgelost; ten tijde van de eigendomsoverdracht bedroeg deze nog € 22.811,28 (zie de eerdergenoemde productie 11). De man stelt dat van de te verdelen overwaarde een bedrag van circa € 50.000,= dient te worden afgetrokken wegens eigen inbreng.

De rechtbank overweegt als volgt:

De vragen die aan de orde zijn, zijn de volgende:

  • -

    Is de aankoop van het pand (afgezien van de hypothecaire lening) gefinancierd met privévermogen dan wel overgespaard inkomen?

  • -

    Is op de hypothecaire lening afgelost met privévermogen dan wel met overgespaard inkomen?

De man is tijdens de mondelinge behandeling in de gelegenheid gesteld stukken over te leggen met betrekking tot de financiering van het pand.

Bij brief d.d. 20 juni 2017 heeft de man een kostenstaat overgelegd in verband met de aankoop van het pand te [plaats appartement] . In totaal was met de aankoop van het pand een bedrag van € 140.309,38 gemoeid. Uit de kostenstaat en de bijlage bij de akte van levering (productie 10 bij de brief d.d. 9 mei 2017) blijkt van een hypothecaire lening van € 60.0000,=. Voorts zijn bij de kostenstaat gevoegd twee bankafschriften van privérekeningen van de man waaruit blijkt dat hij vanaf zijn Rabo privérekening (eindigend op [prive rekening man] ) € 12.500,= bij wijze van voorschot en vervolgens vanaf zijn ABN AMRO privérekening (eindigend op [rekeningnummer 1] )

€ 67.809,38 ter gelegenheid van de eigendomsoverdracht heeft voldaan.

De vrouw heeft de betalingen in twijfel getrokken.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man aangetoond dat hij het pand deels heeft gefinancierd met een hypothecaire lening en deels door overschrijvingen vanaf zijn bankrekeningen. De akte van levering vermeldt dat het bedrag van € 12.500,= blijkens “verklaring van partijen” is voldaan. Het hiervoor genoemde bankafschrift van de Rabo privérekening levert bewijs op dat de man dit bedrag heeft voldaan. In de akte van levering is niet duidelijk vermeld hoe het resterende bedrag is betaald. Uit de door de man overgelegde kostenstaat in combinatie met het bankafschrift van de ABN AMRObank en de bijlage bij de akte van levering betreffende de hypothecaire lening blijkt duidelijk dat het resterende bedrag is voldaan door afsluiting van een hypothecaire lening ten bedrage van € 60.0000,= en door overschrijving van een bedrag van € 67.809,38 vanaf zijn ABN AMRO rekening.

De vrouw stelt dat de saldi op de Rabo en de ABN AMRO rekeningen zijn gevormd uit overgespaard inkomen.

De rechtbank overweegt als volgt:

Het saldo op rekeningnummer [prive rekening man] bedroeg op 23 augustus 2003 € 46.628,97 (productie 9 bij het verweerschrift op het zelfstandig verzoek, tevens houdende zelfstandig verzoek van de man). Tussen partijen staat vast dat dat bedrag buiten het te verrekenen vermogen valt. Op 29 december 2008 bedroeg het saldo € 12.798,62 ( productie 4 bij de brief d.d. 20 juni 2017 van de man). Na betaling van het bedrag van € 12.500,= bedroeg het saldo nog € 288,67. De man heeft naar het oordeel van de rechtbank aldus voldoende aangetoond dat de aanbetaling van € 12.500,= is voldaan uit privévermogen.

De vrouw stelt dat het saldo op rekeningnummer [rekeningnummer 1] geheel is gevormd uit te verrekenen inkomsten. De man heeft dit niet weerlegd. Het enkele feit dat het bedrag van € 67.809,38 is betaald vanaf een privérekening van de man betekent niet dat het op die rekening staande saldo is gevormd uit privévermogen. Aldus dient een bedrag van € 67.809,38 in de verrekening te worden betrokken.

Tussen partijen staat vast dat op de hypothecaire lening is afgelost tot een bedrag van € 37.188,72. De man heeft niet aangetoond dat de aflossing uit privévermogen is gedaan. Derhalve dient ervan uit gegaan te worden dat de aflossing is geschied uit overgespaard inkomen zodat in de verrekening dient te worden betrokken een bedrag van € 37.188,72.

Aldus heeft de vrouw in verband met de aankoop van het pand te [plaats appartement] recht op een bedrag van (€ 67.809,38 + € 37.188,72) : € 140.309,38 X € 116.100,- : 2 = € 43.440,71.

Pand [adres pand A]

Partijen zijn het eens dat dit pand niet in de verrekening dient te worden betrokken nu het pand na de peildatum is verworven.

Pand [adres pand B]

De man heeft op 28 december 2011 in eigendom verworven het pand [adres pand B 3] . De koopprijs bedroeg € 300.000,=. Een en ander blijkt uit de akte van levering die als productie 14 bij de brief d.d. 9 mei 2017 is overgelegd.

De vrouw stelt dat dit pand in de verrekening dient te worden betrokken nu de aankoop en de verbouwing van dit pand zijn gefinancierd uit overgespaard inkomen. Volgens de vrouw heeft de man in zijn verweerschrift tevens houdende een zelfstandig verzoek erkend dat de verbouwingskosten zijn voldaan uit de huuropbrengsten.

De man betwist dit. Hij stelt dat hij de aankoop heeft gefinancierd met een lening die is verstrekt door [C Holding] BV aan [B Holding] BV die vervolgens aan de man in privé heeft geleend. Volgens de man is niet afgelost op de lening. De man heeft als productie 17 bij zijn brief d.d. 9 mei 2017 overgelegd de kredietovereenkomst gesloten tussen [B Holding] BV en de man. De verbouwing van het pand is volgens de man betaald door [A] BV. De man heeft een schuld aan deze BV in verband met de verbouwing

De rechtbank heeft de man in de gelegenheid gesteld zijn stelling nader te onderbouwen.

De man heeft bij brief d.d. 20 juni 2017 als productie 6 de notariële afrekening overgelegd met betrekking tot de aankoop van het pand [adres pand B] . Als productie 5 heeft de man nota’s gericht aan [A] BV in verband met verbouwingswerkzaamheden overgelegd.

De vrouw heeft gesteld dat de man samen met de vrouw het pand heeft laten verbouwen in die zin dat het pand is gesplitst in [adres pand B 3] , [adres pand B 1] en [adres pand B 2] . Dat blijkt ook uit de door de man overgelegde aangiftes en de door de vrouw overgelegde bewijsstukken, aldus de vrouw. De vrouw betwist echter dat de door de man als productie 5 overgelegde facturen betrekking hebben op het pand aan de [adres pand B] . De facturen zijn niet gericht aan de man in privé maar aan [A] BV, welk bedrijf ook in onroerend goed handelt. Volgens de vrouw hebben de facturen dan ook betrekking op de panden die eigendom zijn van de BV.

De rechtbank overweegt als volgt.

Door de man is overgelegd als productie 15 bij de brief d.d. 9 mei 2017 een bankafschrift van [A] BV waaruit blijkt dat op 28 december een bedrag van € 306.955,13 door deze vennootschap is overgemaakt naar de notaris. Als productie 6 bij de brief d.d. 20 juni 2017 is de notariële afrekening overgelegd met betrekking tot het pand. Uit de als productie 17 overgelegde kredietovereenkomst d.d. 16 december 2016 blijkt dat de man in 2011 bij zijn holding een lening is aangegaan in verband met de aankoop van het pand aan de [adres pand B] ten bedrage van € 277.043,= welke lening eerst op 31 oktober 2026 dient te worden afgelost. In de jaarrekening 2013 en 2014 (productie 20 bij de brief d.d. 9 mei 2017) alsmede de jaarrekening 2015 (productie 1 bij de brief d.d. 20 juni 2017) is de lening opgenomen bij de financiële vaste activa. In de aangiftes van de man met betrekking tot de jaren 2012 tot en met 2015 is het bedrag als schuld opgenomen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man aldus aangetoond dat de aanschaf van het pand [adres pand B] grotendeels is gefinancierd met een lening door de holding aan de man waarop niet is afgelost. Er is dus geen sprake van een lening waarop met overgespaard inkomen is afgelost zodat geen verrekening behoeft plaats te vinden. Echter: het is de rechtbank niet duidelijk geworden hoe de man het resterende bedrag, te weten het bedrag van (€ 306.955,13 - €277.043,- =) € 29.912,13, heeft voldaan. Nu de man niet heeft aangetoond hoe hij het bedrag van € 29.921,13 heeft voldaan, dient op grond van artikel 1:144 lid 3 BW te worden aangenomen dat dit bedrag uit overgespaard inkomen is voldaan. Dientengevolge heeft de vrouw recht op verrekening van dit bedrag. Het is niet bekend wat de waarde van het pand op de peildatum, te weten 17 oktober 2017, is.

Met betrekking tot de verbouwingskosten overweegt de rechtbank dat partijen het erover eens zijn dat het pand [adres pand B] is verbouwd/opgeknapt. Zo zijn in 2011 de beneden- en de bovenverdieping gesplitst en zijn er sanitaire voorzieningen op de begane grond geplaatst. De vrouw heeft gesteld dat de daarmee verband houdende kosten zijn voldaan uit overgespaarde inkomsten, namelijk de huuropbrengsten hetgeen de man aanvankelijk erkend heeft. Naderhand heeft de man gesteld dat de kosten zijn voldaan door [A] BV. De man heeft echter niet heeft aangetoond dat de door hem als productie 5 overgelegde nota’s welke voldaan zouden zijn door [A] BV betrekking hebben op het pand [adres pand B] .

De conclusie die de rechtbank – artikel 141 lid 3 indachtig – uit voorgaande trekt is dat voor zover het pand [adres pand B] door de verbouwings- c.q. opknapkosten in waarde is gestegen deze waardestijging in de verrekening dient te worden betrokken.

De rechtbank is voornemens met het oog hierop een deskundige te benoemen. De deskundige dient het de waarde van het pand per 17 oktober 2017 vast te stellen alsmede hoe groot de waardestijging als gevolg van de verbouwing is. Partijen kunnen zich uitlaten over de te benoemen deskundige en de aan deze voor te leggen vragen.

De ondernemingen van de man

a. [D Beheergroep] BV

De vrouw heeft gesteld dat nu deze vennootschap tijdens het huwelijk, te weten in 2008, is opgericht, de waarde van de aandelen in de verrekening dient te worden betrokken.

De man heeft betwist dat ter zake deze vennootschap een verrekening dient plaats te vinden. De vennootschap is opgericht door de holdings van de man en zijn vader.

De rechtbank overweegt als volgt:

De man is ondernemer. Samen met zijn vader is hij betrokken bij een aantal ondernemingen. De structuur ziet er als volgt uit:

Bij brief d.d. 20 juni 2017 heeft de man de oprichtingsakte van [D Beheergroep] BV overgelegd. Daaruit blijkt dat de vennootschap op 20 mei 2008 is opgericht door [C Holding] BV en [B Holding] BV. In de brief d.d. 20 juni 2017 heeft de man toegelicht dat de accountant in de administratie heeft terug kunnen vinden dat er een journaalpost is gemaakt in Audition 2008 als volgt:

  • -

    800 AK € 18.000,-

  • -

    1830 Rekening courant [A] BV € 17.000,-

  • -

    4700 Rente en bankkosten € 79,86

  • -

    1100 ABN [rekeningnummer 3] € 920,14.

Uit voorgaande blijkt dat de man geen rechtsreeks aandeelhouder in de vennootschap is en dat de volstorting van de aandelen niet met overgespaard inkomen van de man is gefinancierd.

Voorts staat onbetwist vast dat de aandelen in de vennootschap nog steeds gehouden worden door de voornoemde holdings.

Ter zake van de waarde van de aandelen in deze vennootschap behoeft derhalve geen verrekening plaats te vinden.

[B Holding] BV

De vrouw heeft gesteld dat op grond van artikel 2 sub 3 en artikel 6 van de huwelijkse voorwaarden de opgepotte winsten van [B Holding] BV (hierna “ de holding”) verrekend dienen te worden.

De man heeft gesteld dat er geen sprake is van liquide middelen uit opgepotte winst en dat hij niet bij machte is dividenduitkeringen af te dwingen. Hij heeft voorts gesteld dat hij slechts 25% van de aandelen bezit.

De rechtbank overweegt als volgt:

De man is sinds 1999 enig aandeelhouder in de holding, zo blijkt ook uit het uittreksel uit het Handelsregister (productie 2 bij het verweerschrift tevens zelfstandige verzoeken van de vrouw). Partijen zijn het erover eens dat de holding door de man voor het huwelijk is opgericht zodat de aandelen die de man in de holding houdt, niet in de verrekening behoeven te worden betrokken. De in de holding opgepotte winsten dienen wel in de verrekening te worden betrokken, zulks op grond van artikel 6 juncto artikel 2 lid 3 huwelijkse voorwaarden. In dit verband is ook van belang artikel 1:141 lid 4 BW dat bepaalt dat, indien een echtgenoot in overwegende mate bij machte is te bepalen dat de winsten van een niet op zijn eigen naam uitgeoefende onderneming hem rechtstreeks of middellijk ten goede komen, en een verrekenbeding is overeengekomen dat ook ondernemingswinsten omvat, de niet uitgekeerde winsten uit zodanige onderneming, voor zover in het maatschappelijk verkeer als redelijk beschouwd, eveneens in aanmerking worden genomen bij de vaststelling van de verrekenplicht van die echtgenoot, onverminderd het eerste lid.

Ter zitting is met partijen gesproken over de benoeming van een deskundige en de aan de deskundige voor te leggen vragen.

Geen der partijen heeft zich uitgelaten over de persoon van de te benoemen deskundige.

In haar verweerschrift althans nadere reactie op de door de man ingediende stukken d.d. 4 juli 2017 heeft de vrouw zich uitgelaten over de aan de deskundige voor te leggen vragen. Voorts stelt de vrouw zich op het standpunt dat “de aandelenportefeuille van [B Holding] BV in de loop van de verrekenperiode is uitgebreid”. De vrouw wenst dat dit wordt uitgezocht en vastgesteld door de deskundige. De rechtbank is van oordeel dat deze stelling, voor zover begrijpelijk, tardief is en zal hier verder geen rekening mee houden in de vraagstelling aan de deskundige.

Het grootste deel van de door de vrouw geformuleerde vragen heeft geen betrekking op de in de verrekening in aanmerking te nemen opgepotte winsten. Deze zal de rechtbank derhalve buiten beschouwing laten.

De man heeft zich niet uitgelaten over de aan de deskundige voor te leggen vragen.

De rechtbank overweegt dat voor de vaststelling van de winst die naar maatschappelijke normen kan worden uitgekeerd, onder meer van belang is dat:

  • -

    de continuïteit van de onderneming als gevolg van de uitkering niet in gevaar komt;

  • -

    de onderneming over voldoende weerstandsvermogen blijft beschikken om moeilijke tijden te kunnen overleven;

  • -

    de verdere groei van de onderneming niet wordt belemmerd;

  • -

    de uitkering niet in strijd is met de statuten van de BV;

  • -

    de uitkering niet in strijd is met artikel 2:216 lid 2 BW;

  • -

    de verhouding eigen - en vreemd vermogen in overeenstemming is met hetgeen in de branche gebruikelijk is.

De rechtbank is voornemens de heer E.R. Lankester, registeraccountant, van Boringa & Lankester registeraccountants te Nieuwveen tot deskundige te benoemen en zal de deskundige met inachtneming van het hiervoor overwogene, de volgende vragen voorleggen:

1. Wat zijn de winsten geweest van de holding in de huwelijkse periode, te weten [datum huwelijk] 2003 tot 17 oktober 2015?

2. Welke winsten zijn jaarlijks vanaf [datum huwelijk] 2013 tot 17 oktober 2015 niet uitgekeerd, maar toegevoegd aan de (winst)reserves, terwijl ze wel uitgekeerd hadden kunnen worden zonder dat daarmee de continuïteit van de vennootschap in gevaar werd gebracht, waarbij rekening wordt gehouden met een gezond eigen vermogen en de noodzakelijke voorzieningen?

3. Wat is derhalve de totale uitkeerbare winst en welk bedrag kan op dit moment aan de vennootschap worden onttrokken zonder de continuïteit daarvan in gevaar te brengen?

4. Geeft het onderzoek de deskundige aanleiding tot het maken van aanvullende opmerkingen?

Het in verband met dit onderzoek te betalen voorschot van € … dient door partijen ieder voor de helft te worden voldaan.

Bankrekeningen

Partijen beschikken over de volgende bankrekeningen:

[prive rekening man] van de man

Het saldo op deze rekening bedroeg op 23 augustus 2003 € 46.628,97. Partijen zijn het erover eens dat dit privévermogen van de man betreft.

De man stelt dat het saldo naar de ABNAMRO beleggingsrekening [rekeningnummer 1] is overgeboekt en dat de rekening is opgeheven in 2008. Hij heeft daarvan geen bewijs overgelegd. In ieder geval bestond de rekening nog in 2009, zoals blijkt uit het hiervoor met betrekking tot de aankoop van het pand [adres pand B] overwogene.

De vrouw stelt dat de man geen inzage heeft gegeven in het saldo op deze rekening op de peildatum. Het saldo bedroeg op 12 januari 2009 € 288,67. De vrouw leidt daaruit af dat het privévermogen van de man reeds is opgesoupeerd.

De rechtbank stelt vast dat blijkens het door de man als productie 4 bij zijn brief d.d. 20 juni 2017 overgelegd bankafschrift het saldo op de rekening op 29 december 2008 € 12.798,62 bedroeg en op 12 januari 2009 € 288,67. Een bedrag van € 12.500,= is, zoals hiervoor is overwogen aangewend voor de aanschaf van het pand [adres pand B 3] . De rechtbank leidt uit de nadere stellingen van de vrouw af dat er ter zake deze rekening geen verrekening behoeft plaats te vinden.

ABNAMRO [rekeningnummer 4] van de man

Bij brief d.d. 20 juni 2017 zijdens de man is een bankafschrift (productie 7) overgelegd van 16 september 2015 met een saldo van € 1.330,49.

In haar reactie op de door de man overgelegde stukken heeft de vrouw geen bezwaar gemaakt tegen het voorstel van de man uit te gaan van dit saldo.

De rechtbank zal er derhalve van uitgaan dat het saldo op de peildatum € 1.330,49 bedroeg zodat de vrouw recht heeft op € 665,25.

ABNAMRO beleggingsrekening [rekeningnummer 5] van de man

Bij voormelde brief heeft de man als productie 8 overgelegd een bankafschrift waaruit blijkt van een saldo op 31 december 2015 van € 9.422,=. De man stelt dat het niet mogelijk was een bankafschrift per de peildatum 17 oktober 2015 te verkrijgen. Hij stelt dat het saldo op de peildatum € 135.000,= moet hebben bedragen, waarbij hij rekening heeft gehouden met het feit dat van dit saldo al € 10.000,= is overgemaakt naar de vrouw. Het resterende bedrag is “gelabeld” als reservering voor terugbetaling van de rekening courant schuld en de verbouwingskosten.

De vrouw heeft gesteld dat de man heeft erkend dat deze bankrekening is gevoed met de huuropbrengsten die onder het te verrekenen vermogen vallen.

Uit de stellingen van partijen leidt de rechtbank af dat partijen het erover eens zijn dat het saldo op de peildatum verrekend dient te worden. Aan het feit dat de man het bedrag op de bankrekening heeft bestemd voor aflossing van een rekening courantschuld en terugbetaling van verbouwingskosten verbindt de rechtbank geen juridische gevolgen.

Het saldo bedroeg € 135.000,=. De man stelt dat de vrouw reeds € 10.000,= heeft ontvangen in verband met herinrichtingskosten zodat de vrouw nog recht heeft op een bedrag van

€ 57.500,=. De vrouw betwist dat het bedrag betrekking had op herinrichtingskosten. Zij stelt dat de man door betaling van dit bedrag heeft voldaan aan een natuurlijke verbintenis. Toen partijen uit elkaar gingen had de vrouw samen met [minderjarig kind] niets meer om in haar levensonderhoud te voorzien. Zij had dit bedrag nodig om in haar levensonderhoud en dat van [minderjarig kind] te voorzien. De man wenste nergens aan mee te werken waardoor de vrouw financiële problemen kreeg.

De rechtbank overweegt als volgt:

Uit productie 9 bij het verweerschrift tevens houdende een zelfstandig verzoek blijkt dat de man op 26 oktober 2015, derhalve na de peildatum, een bedrag van € 10.000,= heeft overgemaakt met als omschrijving “inrichting [adres pand A] ”. Naar het oordeel van de rechtbank staat aldus niet vast dat de betaling aangemerkt dient te worden als een voorschot op de verrekening.

Van het voldoen aan een natuurlijke verbintenis is ingevolge artikel 6:3 BW sprake wanneer iemand jegens een ander een dringende morele verplichting heeft van zodanige aard dat naleving daarvan, ofschoon rechtens niet afdwingbaar, naar maatschappelijke opvattingen als voldoening van een aan die ander toekomende prestatie moet worden aangemerkt. Naar vaste rechtspraak moet de vraag of sprake is van een natuurlijke verbintenis worden beoordeeld naar een objectieve maatstaf; aan het subjectieve inzicht van degene die de prestatie verricht komt geen beslissende betekenis toe. Voorts is het moment van het verrichten van de prestatie bepalend. De rechtbank stelt voorop dat anders dan in de zaken waarin een natuurlijke verbintenis werd aangenomen, in deze zaak geen sprake is van koude uitsluiting. Partijen hebben een periodiek verrekenbeding dat zich, doordat het niet is uitgevoerd, vertaalt in een finale verrekening. Bovendien is de rechtbank gebleken dat de man sinds oktober 2015 € 1.500,= per maand aan de vrouw betaalt. Het is dus niet juist, zoals de vrouw stelt, dat zij niets meer had om in haar levensonderhoud te voorzien. Reeds om die reden kan de betaling van het bedrag van € 10.000,= niet aangemerkt worden als het voldoen aan een natuurlijke verbintenis.

Of de man uit andere hoofde recht heeft op terugbetaling, bijvoorbeeld wegens onverschuldigde betaling, valt buiten het bestek van deze procedure. Dat betekent dat het saldo van € 135.000,= voor verrekening in aanmerking komt.

ABN AMRO [rekeningnummer 6] van de man

Partijen zijn het erover eens dat het saldo op de peildatum € 1.319,- bedroeg zodat de vrouw recht heeft op € 659,50.

Belgische rekening BE [Belgische rekening man] van de man

Partijen zijn het eens dat het saldo op deze rekening op de peildatum € 380,44 bedroeg zodat de vrouw recht heeft op € 190,22.

ABN AMRO [rekening nummer vrouw] van de vrouw

Blijkens productie 14 (bij het verweerschrift op zelfstandig, althans nader verzoek, tevens zelfstandig verzoek) bedroeg het saldo op de peildatum € 818,54. Partijen zijn het eens dat dit saldo verrekend moet worden zodat de man recht heeft op € 409,27.

Fiat Punto

Partijen zijn het eens dat de waarde van de aan de vrouw in eigendom toebehorende Fiat Punto in de verrekening dient te worden betrokken. Ter zitting zijn partijen het eens geworden over de waarde, te weten € 4.250,=, zodat de vrouw een bedrag van € 2.125,= aan de man dient te voldoen.

Inboedel

De man heeft de rechtbank bij brief d.d. 7 juli 2017 bericht dat de verzoeken van de vrouw ten aanzien de inboedel kunnen worden toegewezen, met uitzondering van het bestek en de keukenmessen, nu de vrouw daarvan reeds de helft heeft ontvangen.

De vrouw heeft de rechtbank bij brief van 10 juli 2017 bericht dat zij niet reeds de helft van het bestek en de keukenmessen heeft ontvangen. Zij heeft erop gewezen dat zij slechts een klein gedeelte van de inboedel ontvangt bij toewijzing van haar verzoeken. Derhalve handhaaft zij haar verzoek tot afgifte van het bestek en de keukenmessen.

De rechtbank overweegt dat de vrouw met toewijzing van het door verzochte slechts een klein gedeelte van de gehele inboedel ontvangt. De rechtbank zal derhalve ook het bestek en de keukenmessen aan de vrouw toedelen. Aan de vrouw worden derhalve toegewezen:

  • -

    bestek en keukenmessen

  • -

    gourmetborden

  • -

    fonduepan

  • -

    droger

  • -

    wasmachine

  • -

    strijkplank

  • -

    tv (slaapkamer)

  • -

    spiegel (slaapkamer)

  • -

    buikkastje als door de vrouw omschreven

  • -

    klein wijnrek c

  • -

    champagnekoeler

  • -

    lakens als door de vrouw omschreven

  • -

    houten mast

  • -

    babykleertjes en schoentjes [minderjarig kind]

  • -

    klapper cursus matrozendiploma

Schulden man

De man stelt dat als het pand [adres pand B] in de verrekening wordt betrokken ook in de verrekening dienen te worden betrokken de schulden die hij heeft, te weten een schuld aan zijn holding ten bedrage van € 277.043,= in verband met een door de holding verstrekte lening voor de aankoop van het pand [adres pand B] en de rekening courant schuld aan zijn holding ten bedrage van € 79.755,= in verband met de rente op voormelde lening.

De rechtbank overweegt dat schulden van de man op grond van artikel 1 van de huwelijkse voorwaarden niet in de verrekening dienen te worden betrokken.

De rechtbank zal de zaak aanhouden in afwachting van bericht van partijen over:

  • -

    de reactie van de man op de door de vrouw bij haar aanvullend verzoek van 18 mei 2017 overgelegde producties;

  • -

    de te benoemen deskundige in verband met de taxatie en verbouwing van het pand [adres pand B] en de aan deze voor te leggen vragen;

  • -

    de voorgenomen benoeming van de heer E.R. Lankester, registeraccountant, van Boringa & Lankester registeraccountants te Nieuwveen tot deskundige en het in verband met de benoeming te betalen voorschot.

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1.

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [plaats huwelijk] op [datum huwelijk] 2003;

3.2.

bepaalt dat de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt zal zijn:

  • -

    eenmaal per veertien dagen van vrijdag tot en met zondag verblijft [minderjarig kind] bij de man, alsmede iedere dinsdag en donderdag na school tot 18.00 uur;

  • -

    de man draagt er zorg voor dat [minderjarig kind] op dinsdag en donderdag van school wordt opgehaald;

  • -

    de zomervakanties zullen bij helfte worden verdeeld, waarbij de man in de oneven jaren en de vrouw in de even jaren de eerste keus heeft;

  • -

    in de even jaren is [minderjarig kind] in de herfstvakantie en de voorjaarsvakantie bij de man en in de oneven jaren bij de vrouw;

  • -

    in de Kerstvakantie is [minderjarig kind] in de even jaren op de kerstdagen en de eerste week van de vakantie en Oud en Nieuw bij de man en in de oneven jaren is [minderjarig kind] dan bij de vrouw.;

  • -

    in de meivakantie is [minderjarig kind] in de oneven jaren bij de vrouw en in de even jaren bij de man en een eventuele tweede week meivakantie is [minderjarig kind] in de even jaren bij de vrouw en in de oneven jaren bij de man;

  • -

    [minderjarig kind] viert zijn verjaardag in de even jaren bij de man en in de oneven jaren bij de vrouw; [minderjarig kind] is op Moederdag bij de vrouw en op Vaderdag bij de man en tijdens de feestdagen verblijft [minderjarig kind] afwisselend het ene jaar bij de man en het andere jaar bij de vrouw;

3.3.

bepaalt dat de man met ingang van de dag waarop de beschikking tot echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, ten behoeve van de verzorging en opvoeding van de minderjarige, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw voorlopig heeft te betalen een bedrag van € 671,= per maand;

3.4.

bepaalt dat de man voorlopig € 3.656,= per maand dient te betalen aan de vrouw als uitkering tot levensonderhoud, met ingang van de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

3.5.

deelt aan de vrouw toe ter zake van de verdeling van de inboedel:

- bestek en keukenmessen

- gourmetborden

- fonduepan

- droger

- wasmachine

- strijkplank

- tv (slaapkamer)

- spiegel (slaapkamer)

- buikkastje als door de vrouw omschreven

- klein wijnrek c

- champagnekoeler

- lakens als door de vrouw omschreven

- houten mast

- babykleertjes en schoentjes [minderjarig kind]

- klapper cursus

- matrozendiploma

3.6.

stelt de man in de gelegenheid zich uit te laten over de door de vrouw bij het aanvullend verzoek d.d. 18 mei 2017 overgelegde producties;

3.7.

stelt partijen in de gelegenheid zich uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige en de aan deze voor te leggen vragen in verband met de taxatie en waardestijging als gevolg van de verbouwing van het pand [adres pand B] ;

3.8.

stelt partijen in de gelegenheid zich uit te laten over de benoeming tot deskundige van:

E.R. Lankester RA RV Boringa & Lankester registeraccountants

Postbus 3006

2440 AA Nieuwveen

3.9.

stelt partijen in de gelegenheid zich uit te laten over het in verband met de benoeming van de deskundige Lankester in rekening te brengen voorschot ad € 15.000,=;

3.10.

houdt de zaak in verband met de uitlating door partijen aan voor de duur van twee weken;

3.11

verklaart de beslissing met betrekking tot de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, de kinderbijdrage en de partnerbijdrage uitvoerbaar bij voorraad;

3.12.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.TH.M. Raab, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. I.D. Bücker op 8 november 2017.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden..