Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:10327

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
25-10-2017
Datum publicatie
27-10-2017
Zaaknummer
6185421 \ CV EXPL 17-6257
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Boedelverdelingsperikelen. Vordering tot betaling van het positieve saldo op de bankrekening wordt afgewezen omdat hiervoor geen rechtsgrond is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 6185421 \ CV EXPL 17-6257

Vonnis van de kantonrechter van 25 oktober 2017

in de zaak van:

GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING VOOR SOCIALE KREDIETVERLENING EN SCHULDHULPVERLENING IN LIMBURG, in haar hoedanigheid van beschermingsbewindvoerder van [X],

wonend Markt 1 A,

6161 GE Geleen,

eisende partij,

gemachtigde mr. L.N. Geerman,

tegen:

[gedaagde partij] ,

wonend [adres gedaagde partij] ,

[woonplaats gedaagde partij] ,

gedaagde partij,

procederende in persoon.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de beslissing waarbij een comparitie van partijen is bepaald

  • -

    de comparitie van partijen op 25 september 2017

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[X] en gedaagde partij hebben een affectieve relatie gehad. Zij hebben in de periode april 2000 tot 20 oktober 2005 samengewoond en uit de relatie is een kind geboren.

2.2.

[X] en gedaagde partij hebben de gevolgen van het verbreken van hun affectieve relatie en samenwoning geregeld en vastgelegd in een convenant, welke zij op 13 oktober 2006 hebben ondertekend.

2.3.

In het convenant is onder meer het volgende vastgelegd:

“(..) Partijen bezitten de navolgende rekeningen:

  1. een ten name van beide partijen staande rekening bij de Rabobank met rekeningnummer 1420.91.944;

  2. een op naam van de vrouw staande rekening bij de Rabobank met rekeningnummer 1309.23.354;

  3. een ten name van beide partijen staande internetbonusspaarregeling bij de Rabobank met rekeningnummer 1309.186.723;

  4. een ten name van de man staande spaarloonregeling bij de Fortisbank.

Ten aanzien van voormelde rekeningen komen partijen over een, dat aan de man wordt toebedeeld de rekeningen vermeld onder de nummers 1, 3 en 4 en dat aan de vrouw wordt toebedeeld de rekening vermeld onder nummer 2 met de daarop resterende saldi, zonder recht op verrekening over en weer.

Partijen werken over en weer mee aan de wijziging van de tenaamstelling van deze bewindvoerder.

….

De man verplicht zich binnen twee weken na ondertekening van deze overeenkomst van de teruggave van Essent van € 1406,06 de helft daarvan, zijnde een bedrag van € 703,03 over te maken naar de vorenvermelde aan de vrouw toe te bedelen rekening bij de Rabobank (..)”

2.4.

Naast het beschermingsbewind is op [X] ook de wettelijke schuldsanering als bedoeld in de WSNP van toepassing.

3 Het geschil

3.1.

Eisende partij vordert – samengevat –

  1. veroordeling van gedaagde partij tot het nakomen van zijn verplichtingen uit hoofde van het convenant door zijn medewerking te verlenen aan al hetgeen nodig is om de bankrekening met nummer 1420.91.944 en 1309.186.723 op zijn naam te stellen;

  2. veroordeling van gedaagde partij om zijn medewerking te verlenen aan al hetgeen nodig is om het positief saldo op de bankrekening met nummer 1420.91.944 ten behoeve van eisende partij te laten overmaken op de beheerrekening NL93BNGH0285142402 ten name van Bewindvoering Limburg;

  3. om, indien gedaagde partij geen gehoor geeft, eisende partij te machtigen om namens partijen de tenaamstelling van de bankrekeningen te wijzigen naar enkel de naam van gedaagde partij en het positief saldo over te laten maken op de beheerrekening;

  4. veroordeling van gedaagde partij in de kosten van dit geding en in de nakosten.

3.2.

Gedaagde partij voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Op 25 september 2017 heeft de comparitie van partijen plaatsgevonden. Gedaagde partij is daarbij, zonder enig bericht van verhindering, niet verschenen. Namens eisende partij is de gemachtigde verschenen en de materiële procespartij, [X] . Eisende partij heeft haar stellingen mondeling toegelicht

4.2.

De kantonrechter overweegt allereerst dat [X] door de uitspraak tot toepassing van de schuldsaneringsregeling van rechtswege de bevoegdheid om over de tot de boedel behorende goederen te beschikken, heeft verloren (art. 296 Faillissementswet (hierna: “Fw”)). Art. 313 Fw verklaart art. 25 Fw van overeenkomstige toepassing op de schuldsaneringsregeling. Art. 25 lid 1 Fw bepaalt:

“Rechtsvorderingen, welke rechten of verplichtingen tot de failliete boedel behorende ten onderwerp hebben, worden zowel tegen als door de curator ingesteld.”

4.3.

Art. 25 Fw heeft betrekking op rechtsvorderingen, waarbij de boedel is betrokken. Deze bepaling dient ruim te worden uitgelegd. De gevorderde veroordeling tot medewerking bij de wijziging tenaamstelling alsmede het overboeken van een positief saldo worden door art. 25 Fw bestreken. De kantonrechter concludeert dan ook dat slechts de schuldsaneringsbewindvoerder de desbetreffende rechtsvordering mag instellen.

4.4.

Art. 25 lid 2 Fw bepaalt vervolgens dat een schuldenaar (hiermee is in deze context [X] bedoeld) zelf een vordering kan instellen en kan procederen. Uit HR 1 mei 1914, NJ 1914, 709 (Vecqueray en Knops/Stein) volgt dat als de gedaagde zich verzet tegen het instellen van de vordering door de schuldenaar, de als eisende partij optredende schuldenaar niet-ontvankelijk in zijn vordering dient te worden verklaard (zie ook Wessels Insolventierecht II, 3e druk, 2012, par. 2365 en Verstijlen 2012, (T&C In), aant. 3 bij art. 25 Fw). Deze situatie doet zich hier echter niet voor.

4.5.

Ten aanzien van de vordering zelf overweegt de kantonrechter als volgt. Volgens de inhoud van het bij dagvaarding overgelegde convenant zijn [X] en gedaagde partij overeengekomen dat de bankrekeningen met nummers 1, 2 en 3 als vermeld in het convenant worden toebedeeld aan de man. In punt 1 van het petitum in de dagvaarding vordert eisende partij veroordeling van gedaagde partij tot het verlenen van medewerking aan het op naam zetten van de bankrekeningen met nummers 1420.91.944 en 1309.186.723. Als niet weersproken staat vast dat gedaagde partij aan de nakoming van het convenant als hiervoor bedoeld tot dusver geen medewerking heeft verleend, terwijl hij deze verplichting wel is aangegaan. Het gevorderde zoals geformuleerd in punt 1 is daarom toewijsbaar, evenals de in punt 3 geformuleerde machtiging voor zover deze ziet op de tenaamstelling.

4.6.

In punt 2 van de dagvaarding vordert eisende partij betaling van het positieve saldo van de bankrekening met nummer 1420.91.944. Hiervoor is echter geen rechtsgrond. [X] en gedaagde partij hebben verrekening immers uitdrukkelijk uitgesloten, terwijl ook van geen andere rechtsgrond is gebleken op basis waarvan het positieve saldo aan eisende partij toekomt. Ter zitting heeft de gemachtigde van eisende partij nog betoogd dat de vordering voortspruit uit de in het convenant opgenomen verplichting van gedaagde partij om de helft van de teruggave van Essent ad € 1.406,06 aan [X] toe te bedelen en dat betaling van het positieve saldo van de bankrekening met nummer 1420.91.944 de meest effectieve manier is, echter ook nu ontbeert de vordering een juridische grondslag. Voor uitvoering van het convenant op dit punt had eisende partij eenvoudigweg veroordeling van gedaagde partij tot betaling van de helft van de teruggave van Essent kunnen vorderen.

De vordering zoals geformuleerd in punt 2 en het deel van de gevorderde machtiging die daarop betrekking heeft, worden daarom afgewezen.

4.7.

Nu partijen over en weer in het (on)gelijk zijn gesteld, worden de proceskosten gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4.8.

De kantonrechter zal dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt gedaagde partij om binnen twee weken na betekening van dit vonnis zijn verplichtingen uit hoofde van het tussen partijen geldend convenant d.d. 13 oktober 2006 na te komen door zijn medewerking te verlenen aan al hetgeen nodig is om de bankrekeningen met nummer 1420.91.944 en 1309.186.723 op zijn naam te stellen,

5.2.

machtigt eisende partij om, indien gedaagde partij aan het voorgaande geen gehoor geeft, de tenaamstelling van de bankrekening met nummer 1420.91.944 en 1309.186.723 te wijzigen naar enkel de naam van gedaagde partij,

5.3.

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M.J.F. Piëtte en in het openbaar uitgesproken.

type: PL

coll: