Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:10162

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
18-10-2017
Datum publicatie
07-11-2017
Zaaknummer
04 5884092 CV EXPL 17-3294
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Borg spreekt medeborg aan. Schuldeiser delgt deel van schuld bij borg. Borg betaalt. Borg slaat deze schuld ex artikel 7:869 BW om over zichzelf en zijn medeborg. Medeborg was aansprakelijk voor ongeveer het zevenvoudige als de thans aangesproken borg. Conform artikel 6:152 BW wordt het onvoldaan gebleven deel omgeslagen naar evenredigheid. Borg spreekt medeborg in casu terecht aan. Volgt toewijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2017-0333
AR 2017/5872
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 5884092 \ CV EXPL 17-3294

Vonnis van de kantonrechter van 18 oktober 2017

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [X] BEHEER B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats eisende partij] ,

eisende partij,

verder te noemen [eisende partij] ,

gemachtigde mr. C.W.M. Slegers,

tegen:

[gedaagde partij] ,

wonend [adres gedaagde partij] ,

[woonplaats gedaagde partij] ,

gedaagde partij,

verder te noemen [gedaagde partij] ,

gemachtigde mr. M.M. van den Boomen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding;

  • -

    de conclusie van antwoord;

  • -

    de conclusie van repliek, tevens houdende wijziging/vermeerdering van eis;

  • -

    de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 10 juni 2010 heeft [eisende partij] zich jegens de Rabobank tot een bedrag van € 30.000,00 verbonden als (mede)borg voor de vordering(en) die de Rabobank mocht hebben of verkrijgen op de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid [A] B.V. en [B] Holding B.V.

2.2.

[gedaagde partij] heeft zich op of omstreeks 10 juni 2010 jegens de Rabobank tot een bedrag van € 200.00,00 verbonden als (mede)borg voor de vordering(en) die de Rabobank mocht hebben of verkrijgen op de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid [A] B.V. en [B] Holding B.V.

2.3.

[gedaagde partij] is bevoegd bestuurder en aandeelhouder van [A] B.V. en [B] Holding B.V.

2.4.

Buiten [eisende partij] en [gedaagde partij] is er geen andere (rechts)persoon die zich jegens de Rabobank heeft verbonden als (mede)borg voor de vordering(en) die de Rabobank mocht hebben of verkrijgen op de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid [A] B.V. en [B] Holding B.V.

2.5.

Op 31 mei 2016 zijn de vennootschappen [A] B.V. en [B] Holding B.V. in staat van faillissement verklaard. In de faillissementen zal geen vereffening plaatsvinden en daarmee zal er geen uitdeling ten behoeve van de concurrente schuldeisers plaatsvinden.

2.6.

De Rabobank heeft, na uitwinning van de door de vennootschappen aan de bank verstrekte zekerheden (pandrechten), [eisende partij] aangesproken voor de restvordering op de vennootschappen en wel tot een bedrag van € 30.000,00. Deze borgtocht is op 15 oktober 2016 daadwerkelijk uitgewonnen door de Rabobank, waarbij [eisende partij] in de hoedanigheid van borg een betaling van € 30.000,00 aan de Rabobank heeft verricht.

2.7.

De Rabobank heeft [gedaagde partij] als borg aangesproken voor een bedrag van € 24.000,00. Op 9 maart 2017 heeft [gedaagde partij] een bedrag van € 23.078,14 aan de Rabobank voldaan.

2.8.

De regresvordering van [eisende partij] op de vennootschappen leidt niet tot betaling/inlossing.

2.9.

Op of omstreeks 2 november 2016 heeft [eisende partij] [gedaagde partij] aangesproken tot vergoeding van het door [eisende partij] aan de Rabobank betaalde bedrag van € 30.000,00.

2.10.

In het kader van de overname van de onderneming in 2010 door [gedaagde partij] , heeft [eisende partij] aan [gedaagde partij] een lening verstrekt van € 100.000,00. Deze lening is door [gedaagde partij] aan [eisende partij] terugbetaald.

3 Het geschil

3.1.

[eisende partij] vordert – samengevat en na wijziging van eis – veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van € 24.084,35, vermeerderd met rente en kosten.

3.2.

Aan haar eis legt [eisende partij] artikel 7:869 BW jo 6:152 BW ten grondslag. Nu de ten laste van [eisende partij] gedelgde schuld voor [eisende partij] niet verhaalbaar is op de vennootschappen [A] B.V. en [B] Holding B.V., dient het gedelgde bedrag van € 30.000,00 te worden omgeslagen over [eisende partij] en zijn medeborg [gedaagde partij] .

3.3.

[gedaagde partij] voert verweer en stelt zich op het standpunt dat de redelijkheid en billijkheid toewijzing van de vordering van [eisende partij] in de weg staat. [eisende partij] was bij het aangaan van de borgtocht bekend met de financiële situatie van de vennoten, heeft aan [gedaagde partij] € 100.000,00 geleend en recent binnen een relatief korte periode teruggevorderd en heeft de toegezegde vaste omzet van € 100.000,00 per jaar niet gerealiseerd.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Artikel 7:869 BW bepaalt:

De borg te wiens laste de schuld is gedelgd, kan met overeenkomstige toepassing van artikel 152 van Boek 6 het onverhaalbaar gebleken gedeelte omslaan over zich zelf, zijn medeborgen en de niet-schuldenaren die voor de verbintenis aansprakelijk waren.

Artikel 6:152 BW bepaalt vervolgens:

1. Blijkt verhaal krachtens subrogatie overeenkomstig artikel 150 geheel of gedeeltelijk onmogelijk, dan wordt het onvoldaan gebleven deel over de gesubrogeerde en andere in lid 2 van het vorige artikel genoemde derden omgeslagen naar evenredigheid van de bedragen waarvoor ieder op het tijdstip van de voldoening jegens de schuldeiser aansprakelijk was.

2. De gesubrogeerde kan van geen der andere bij de omslag betrokken derden een groter bedrag vorderen dan de oorspronkelijke schuldeiser op het tijdstip van de voldoening op deze had kunnen verhalen.

3. Ieder der in de omslag betrokkenen blijft gerechtigd het bijgedragene alsnog van hem die geen verhaal bood, terug te vorderen.

4.2.

Vast staat dat € 30.000,00 van de schuld is gedelgd ten laste van [eisende partij] . Daarnaast is € 23.078,14 van de schuld gedelgd ten laste van [gedaagde partij] .

[eisende partij] was op grond van de borgstelling aansprakelijk voor € 30.000,00, terwijl [gedaagde partij] aansprakelijk was voor € 200.000,00.

Vast staat tevens dat de schuld onverhaalbaar is bij de oorspronkelijk schuldenaar.

[eisende partij] kan dan op grond van artikel 7:869 BW de onverhaalbare schuld omslaan over haarzelf en, in casu, haar medeborg, [gedaagde partij] .

Conform artikel 6:152 BW wordt het onvoldaan gebleven deel over de beide borgen omgeslagen naar evenredigheid van de bedragen waarvoor ieder op het tijdstip van de voldoening tegenover de schuldeiser aansprakelijk was.

De berekening zoals door [eisende partij] uitgevoerd komt de kantonrechter als juist voor, en hiertegen is door [gedaagde partij] ook geen bezwaar gemaakt. In beginsel kan de vordering van [eisende partij] dan ook aan haar worden toegewezen.

4.3.

[gedaagde partij] doet wel nadrukkelijk een beroep op de redelijkheid en billijkheid die aan toewijzing van de vordering aan [eisende partij] in de weg zou kunnen staan. [eisende partij] was een belangrijke financier van [gedaagde partij] , zou zorgen voor een omzet van € 100.000,00 en wist bij het aangaan van de borgstelling hoe de financiële vlag erbij hing, aldus [gedaagde partij] . Door het plotseling opeisen van het geleende bedrag van € 100.000,00 (startkapitaal) en de achterblijvende omzet zijn de bv’s in de problemen gekomen, die uiteindelijk tot het faillissement hebben geleid. [eisende partij] betwist de stellingen van [gedaagde partij] , met uitzondering van de financiering van € 100.000,00.

4.4.

De kantonrechter overweegt als volgt.

Vast staat dat [eisende partij] aan [gedaagde partij] € 100.000,00 heeft geleend en dat dit bedrag aan [eisende partij] is terugbetaald. Inherent aan een lening is dat dit bedrag op enig moment dient te worden terugbetaald. Gesteld noch gebleken is dat [eisende partij] het geleende bedrag op een niet overeengekomen moment heeft teruggevorderd. De kantonrechter acht het dan ook niet onredelijk dat het geleende bedrag is teruggevorderd.

4.5.

De stelling van [gedaagde partij] dat [eisende partij] bij het verlenen van de financiering en het aangaan van de borgstelling zou hebben toegezegd voor een omzet van € 100.000,00 per jaar te zorgen, is op geen enkele wijze onderbouwd. [eisende partij] betwist een dergelijke toezegging ook. Naar het oordeel van de kantonrechter had het vervolgens op de weg van [gedaagde partij] gelegen zijn stellingen daaromtrent te onderbouwen. Dit heeft [gedaagde partij] niet gedaan. Het verweer aangaande de omzetverschaffing dient derhalve als zijnde niet onderbouwd te worden verworpen.

4.6.

Tenslotte verwijst [gedaagde partij] naar de bekendheid aan de zijde van [eisende partij] met de slechte financiële situatie van de beide bv’s bij de overname daarvan. Ook dit wordt door [eisende partij] betwist en door [gedaagde partij] niet onderbouwd.

Wat hier verder ook van zij, het is niet relevant of [eisende partij] bekend was met de (eventuele) slechte financiële situatie van de bv’s. [eisende partij] heeft de overname van de bv’s meegefinancierd en heeft zich als borg gesteld. De kantonrechter acht het bovendien niet aannemelijk dat [eisende partij] dit zou hebben gedaan indien hij wist dat de bv’s niet levensvatbaar zouden zijn. De ontstane situatie kost [eisende partij] immers alleen maar geld.

4.7.

De kantonrechter acht geen termen aanwezig [gedaagde partij] toe te laten tot nadere bewijslevering.

4.8.

Gelet op het voorgaande dient het (redelijkheids)verweer van [gedaagde partij] te worden verworpen. De vordering kan aan [eisende partij] worden toegewezen, met dien verstande dat [gedaagde partij] binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis aan [eisende partij] dient te betalen.

4.9.

[eisende partij] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim op/na 1 juli 2012 is ingetreden.

De kantonrechter stelt vast dat [eisende partij] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen.

4.10.

[gedaagde partij] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van [eisende partij] worden begroot op:

  • -

    dagvaarding € 83,51

  • -

    griffierecht 939,00

  • -

    salaris gemachtigde 800,00 ( 2 x tarief € 400,00)

totaal € 1.822,51

De gevorderde rente over de proceskosten zal worden toegewezen met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis.

4.11.

De kantonrechter zal dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde partij] om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis, aan [eisende partij] te betalen een bedrag van € 24.084,35, vermeerderd met de wettelijke rente over € 23.079,76 vanaf 15 oktober 2016 tot aan de voldoening,

5.2.

veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten aan de zijde van [eisende partij] gevallen en tot op heden begroot op € 1.822,51, vermeerderd met de wettelijke rente over de proceskosten met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Rijksen en in het openbaar uitgesproken.

type: ksf

coll: