Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:10121

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
19-10-2017
Datum publicatie
19-10-2017
Zaaknummer
C/03/239555 / KG ZA 17-436
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering van voormalig voorzitster (eiseres) van voormalige stichting jegens provinciaal politicus (gedaagde) tot rectificatie van uitlating in dagblad en verbod om te ontkennen dat een stembusakkoord is gesloten.

De voorzieningenrechter wijst de vorderingen af. De omstreden uitlatingen zijn niet onrechtmatig: niet is gebleken dat een stembusakkoord is gesloten. In het omstreden krantenartikel is eiseres ook niet met naam genoemd, noch is uit het artikel af te leiden dat op haar wordt gedoeld.

Door te ontkennen dat stembusakkoord is gesloten, heeft gedaagde ook niet impliciet gesteld dat eiseres onbetrouwbaar is. Gedaagde heeft ook niet gesuggereerd dat eiseres hem heeft geprobeerd om te kopen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer: C/03/239555 / KG ZA 17-436

Vonnis in kort geding van 19 oktober 2017

in de zaak van

[eiseres] ,

wonend te Maastricht,

eiseres,

advocaat mr. A.F.J.M. Mulders;

tegen:

[gedaagde] ,

wonend te Munstergeleen, gemeente Sittard-Geleen,

gedaagde,

advocaat mr. D. van Tilborg.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding;

  • -

    de mondelinge behandeling;

  • -

    de pleitnota van [eiseres] ;

  • -

    de pleitnota van [gedaagde] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] was van ongeveer november 2013 tot 2017 oprichter en bestuurder van de stichting Roze Limburg (verder te noemen: de stichting), welke stichting inmiddels is opgeheven. De stichting had als doel de belangen van de zogenaamde LHBT-gemeenschap te behartigen en het door de overheid te voeren beleid ten behoeve van deze gemeenschap te initiëren en te ondersteunen. In dat kader heeft [eiseres] in haar hoedanigheid van voorzitter van de stichting het plan opgevat om de Provincie Limburg te verzoeken jaarlijks een bedrag van € 0,125 per inwoner van deze provincie bij te dragen aan de Limburgse gemeenten – behalve de zogenaamde Regenbooggemeenten Heerlen, Sittard-Geleen, Maastricht en Venlo, die van de rijksoverheid samen al een subsidie van € 400.000,-- ontvangen – die een LHBT-beleid willen opzetten.

2.2.

Om politiek steun te verwerven voor haar plan heeft [eiseres] in 2015 het initiatief genomen tot het vormen van een zogenaamde regenboogcoalitie. Daartoe heeft zij de provinciale lijsttrekkers van de PvdA, Groen Links en de SP, in de persoon haar haar lijsttrekker ( [gedaagde] ) benaderd, met het verzoek aan die coalitie deel te nemen.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] stelt dat een stembusakkoord onderdeel uitmaakte van de afspraken rond de regenboogcoalitie. De PvdA, SP en Groen Links zouden op basis van deze afspraken na de verkiezingen van maart 2015 een motie indienen bij de Provinciale Staten, om het door de stichting opgestelde beleidsplan te ontwikkelen en uit te voeren. Op haar beurt zou de stichting deze partijen zoveel mogelijk promoten bij de “roze” kiezers. Dit stembusakkoord is volgens [eiseres] op schrift gesteld, doch niet ondertekend door een van de politieke partijen.

3.2.

[eiseres] stelt het bedoelde stembusakkoord op 15 december 2014 aan, onder andere, [gedaagde] te hebben toegestuurd. Op 18 januari 2015 heeft [gedaagde] volgens [eiseres] laten weten dat de SP meedoet aan het stembusakkoord.

3.3.

[gedaagde] heeft op verzoek van de stichting het plan van uitvoering doorgestuurd naar mevrouw [naam 1] , volgens [eiseres] een beleidsmedewerker van mevrouw [naam 2] .

3.4.

Het door [eiseres] bedoelde stembusakkoord luidt als volgt:

“Roze stembus akkoord voor provinciaal LHBT-beleid in Limburg!

De lijsttrekkers van de Partij van de Arbeid (PVDA), Groen Links (GL) en de Socialistische Partij (SP) tekenen een Roze stembus akkoord met Stichting Roze Limburg voor de provinciale statenverkiezingen in maart 2015.

Met dit akkoord stellen deze drie partijen zich als doel om provinciaal LHBT-beleid te ontwikkelen. Met dit beleid moet het mogelijk zijn om binnen vier jaar alle 33 Limburgse gemeenten te motiveren om LHBT-beleid als onderdeel van het totale gemeentebeleid te laten ontwikkelen. Daarmee wordt de continuïteit van het LHBT-beleid gewaarborgd in iedere gemeente.

Elke gemeente maakt hierbij een keuze in de uitvoering van het emancipatiebeleid, de speerpunten die onder andere voor de uitvoering van dit beleid worden ingezet zijn jongeren, onderwijs, ouderen, sport, kerk en samenleving, veiligheid en discriminatie. Gemeenten nemen hiermee zelf verantwoordelijkheid en de leiding in het ontwikkelen en uitvoeren van LHBT-beleid.

Alle Limburgse gemeenten krijgen op deze wijze de mogelijkheid om met provinciale ondersteuning en samenwerking van de verschillende belangenbehartigers te werken aan de lokale ontwikkeling en uitvoering van LHBT-beleid.

Onderstaande partijen verklaren kennis te hebben genomen van het door Roze Limburg aangeboden beleidsplan voor de ontwikkeling en uitvoering van provinciaal LHBT-beleid hier na de provinciale statenverkiezingen een motie voor in.”

3.5.

Tot op heden is volgens [eiseres] geen motie ingediend door een van de drie genoemde politieke partijen, noch hebben deze partijen zich ingezet voor de belangen van de LHBT-gemeenschap. [eiseres] heeft daarom besloten naar de pers te stappen, omdat zij van mening is dat de drie partijen haar misleid hebben om gemakkelijk stemmen te winnen. Omdat die stemmen volgens [eiseres] met valse beloften zijn gewonnen, besluit [eiseres] de media in te lichten om deze misstand aan de kaak te stellen.

3.6.

Op 25 april 2017 verschijnt een artikel in Dagblad De Limburger. In dat artikel wordt [gedaagde] als volgt geciteerd:

“Mijn integriteit wordt in twijfel getrokken. Natuurlijk hebben wij nooit een overeenkomst gesloten, dan zou ik omkoopbaar zijn. Ik onderstreep nog steeds datgene waar Roze Limburg voor staat en zo is de steun destijds ook bedoeld. Het is te eenvoudig gedacht dat er na de verkiezingen automatisch een zak geld klaarstaat.”

3.7.

[eiseres] stelt zich op het standpunt dat [gedaagde] door deze uitspraak onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. [gedaagde] verklaart volgens [eiseres] , in strijd met de waarheid, dat het akkoord nooit is gesloten. Daardoor stelt [eiseres] als onbetrouwbaar te worden afgeschilderd door [gedaagde] . [eiseres] voelt zich in haar eer en goede naam aangetast.

3.8.

Door daarnaast te verklaren dat de bedoelde overeenkomst omkoping zou behelzen, beschadigt [gedaagde] volgens [eiseres] de eer en goede naam van haar en de stichting. Stembusakkoorden zijn volgens [eiseres] volstrekt legitiem en geen vorm van omkoping.

3.9.

[eiseres] vordert op grond van het vorenstaande dat de voorzieningenrechter:

I. [gedaagde] verbiedt in de toekomst te ontkennen dat hij het stembusakkoord heeft gesloten en/of [gedaagde] in verband in te brengen met omkoping;

II. [gedaagde] gebiedt, binnen twee weken na het in dezen te wijzen vonnis, in het Limburgs Dagblad, op de voorpagina, op zijn kosten een rectificatie te doen plaatsen met de volgende tekst:
“Bij vonnis van [DATUM], gewezen onder rolnummer [ROLNUMMER] heeft de Rechtbank Limburg mij, de heer [gedaagde] , veroordeeld mijn uitlatingen, gedaan in het krantenartikel, gepubliceerd op 25 april 2017 in Dagblad De Limburger, omvattende dat ik geen stembusakkoord had gesloten alsook dat zo’n stembusakkoord oplichting zou zijn, te rectificeren. Er is wél een stembusakkoord gesloten, welk akkoord de Socialistische Partij verbond een motie in te dienen ter ondersteuning van de regenboogakkoord in de Provincie Limburg. Die motie is niet ingediend. Ten onrechte is door mij aangegeven dat zo’n akkoord omkoping zou zijn.”
althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen tekst;

III. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van deze procedure.

3.10.

[gedaagde] voert verweer. Dat verweer zal, voor zover van belang, hierna worden weergegeven en beoordeeld.

4 De beoordeling

4.1.

Het meest verstrekkende verweer luidt dat [eiseres] geen (spoedeisend) belang heeft bij haar vordering. [gedaagde] stelt daartoe dat, als het omstreden stembusakkoord al zou zijn gesloten, dit is gesloten met de stichting en niet met [eiseres] in persoon. Dat [eiseres] voorzitter was van de stichting maakt volgens [gedaagde] nog niet dat [eiseres] vereenzelvigd kan worden met de stichting en dat mededelingen die betrekking hebben op de stichting rechtstreeks de eer en goede naam van [eiseres] aantasten.

4.2.

Daarnaast bestaat volgens [gedaagde] ook geen reëel gevaar dat zonder de gevorderde rectificatie bij het grote publiek de indruk blijft bestaan dat [gedaagde] niet betrouwbaar is.

4.3.

Ten slotte kan het spoedeisend belang volgens [gedaagde] ook niet gelegen zijn in het voornemen van [eiseres] om deel te nemen aan de Statenverkiezingen van 2019. Nog daargelaten dat het niet een geconcretiseerd voornemen betreft, vinden die verkiezingen pas over anderhalf jaar plaats en zullen de campagnes pas over ongeveer een jaar beginnen. Het is dan volgens [gedaagde] ook niet aannemelijk dat [eiseres] door de omstreden uitlatingen op enigerlei wijze wordt beperkt in haar mogelijkheden om aan de verkiezingen deel te nemen.

4.4.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiseres] echter wél een spoedeisend belang heeft bij haar vordering. Uit het verwijt dat [gedaagde] haar eer en goede naam zou hebben aangetast, volgt reeds dat [eiseres] een belang heeft dat op korte termijn haar naam wordt gezuiverd, nu zij dagelijks met de gevolgen van de beweerde aantasting kan worden geconfronteerd. Zulks staat dus los van de vraag of [eiseres] mee zal doen aan verkiezingen en wanneer die worden gehouden. Dat de omstreden uitspraken in de pers dateren van enkele maanden geleden (van 25 april 2017) betekent nog niet dat het spoedeisend belang ontbreekt, al wordt het de voorzieningenrechter ook niet duidelijk waarom [eiseres] zo lang met het instellen van haar vordering heeft gewacht. Immers ‘de vis wordt verpakt in de krant van gisteren’, zodat wachten met het ondernemen van actie slechts ten nadele van [eiseres] werkt.

4.5.

Centraal staat de vraag of de omstreden uitspraken van [gedaagde] onrechtmatig zijn jegens [eiseres] of niet. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dat niet het geval, waarbij eigenlijk verder in het midden kan blijven of er daadwerkelijk een stembusovereenkomst is gesloten tussen de stichting en de SP, zoals door [eiseres] gesteld. De overwegingen daartoe volgen hieronder onder 4.6. Ten overvloede wordt in dit verband nog wel opgemerkt dat de door [eiseres] verzochte ondertekening van het stembusakkoord nooit heeft plaatsgevonden, noch blijkt op een andere wijze zonder meer dat de SP onvoorwaardelijk heeft ingestemd met de door de stichting aan het stembusakkoord verbonden voorwaarden (zoals het indienen van een motie). In dit kort geding is dan ook niet komen vast te staan dat een dergelijk stembusakkoord tussen de stichting en de SP of een van de andere genoemde politieke partijen werd gesloten.

4.6.

De voorzieningenrechter merkt op dat de naam van [eiseres] in het omstreden citaat van [gedaagde] niet wordt genoemd. [eiseres] heeft ook niet gesteld dat een lezer van het artikel geen andere conclusie zou kunnen trekken dan dat op [eiseres] wordt gedoeld. Evenmin wordt in het citaat expliciet de kwalificatie “onbetrouwbaar” gebruikt, noch in verband met [eiseres] , noch in verband met een ander persoon of de stichting. Het enkele feit dat [gedaagde] in het krantenartikel betwist dat er sprake is van een stembusakkoord impliceert, zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, evenmin dat [gedaagde] stelt dat [eiseres] onbetrouwbaar is. [gedaagde] geeft zonder enige expliciete of impliciete kwalificatie van [eiseres] zijn standpunt weer. Zelfs al zou [gedaagde] die betwisting tegen beter weten in hebben gedaan, rechtvaardigt dat zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet de conclusie dat [gedaagde] [eiseres] beschuldigt onbetrouwbaar te zijn.

4.7.

Evenmin rechtvaardigt de inhoud van het omstreden citaat de conclusie dat [gedaagde] [eiseres] beschuldigt dat hij haar heeft proberen om te kopen. Ook in dit verband is van belang dat de naam van [eiseres] niet wordt genoemd, en evenmin dat een lezer van het artikel geen andere conclusie zou kunnen trekken dan dat op [eiseres] wordt gedoeld. Bovendien wordt door [gedaagde] ook niet expliciet gesteld dat [eiseres] een omkoopster is, of zich schuldig heeft gemaakt aan (een poging tot) omkoperij. Ook is er niet sprake van een impliciete beschuldiging. Aannemelijk is veeleer dat [gedaagde] met de omstreden uitlating enkel zijn motief om het stembusakkoord niet te ondertekenen heeft wil geven: hij heeft het beweerde stembusakkoord niet ondertekend, omdat hij het niet in overeenstemming vond met zijn onafhankelijke positie als verkiesbaar Statenlid om met organisaties afspraken te maken over de uitoefening van zijn bevoegdheden als Statenlid. Hij wil als volksvertegenwoordiger zonder last kunnen functioneren.

4.8.

Op grond van het vorenstaande moet worden geconcludeerd dat de omstreden uitlating niet als onrechtmatig kan worden gekwalificeerd, zodat de vordering moet worden afgewezen. Dat betekent dat de overige verweren geen bespreking behoeven.

4.9.

Nu [gedaagde] uitdrukkelijk heeft verzocht [eiseres] niet in de proceskosten te veroordelen, indien de vordering van [eiseres] wordt afgewezen, zal de voorzieningenrechter een proceskostenveroordeling van [eiseres] achterwege laten.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst de vorderingen af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.J. Otto, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken.1

1 type: MT