Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:10119

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
19-10-2017
Datum publicatie
19-10-2017
Zaaknummer
03/659178-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor drie aanrandingen tot een gevangenisstraf van 15 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk. De rechtbank acht het noodzakelijk dat de te stellen algemene en bijzondere voorwaarden en het door de reclassering uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0853
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummers: 03/659178-17 en 03/659266-16 (ter terechtzitting gevoegd)

Tegenspraak

Verkort vonnis van de meervoudige kamer d.d. 19 oktober 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] ,

preventief gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard.

De verdachte wordt bijgestaan door mr. H.P. Ruysink, advocaat kantoorhoudende te Bunde.

1 Onderzoek van de zaak

De zaken zijn, na voeging ervan, inhoudelijk behandeld op de zitting van 5 oktober 2017. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

Voor de zitting van 5 oktober 2017 waren [naam 1] (psychiater) en [naam 2] (reclasseringswerker) opgeroepen als deskundigen. Met vooraf gegeven instemming van de rechtbank zijn zij niet ter terechtzitting verschenen.

Verder zijn ter terechtzitting de vorderingen behandeld van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .

2 De tenlastelegging

Ter terechtzitting d.d. 5 oktober 2017 heeft de rechtbank de vordering nadere omschrijving tenlastelegging in de zaak met parketnummer 03/659178-17 toegewezen. Deze nader omschreven tenlastelegging en de tenlastelegging in de zaak met parketnummer 03/659266-16 zijn als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte drie vrouwen heeft aangerand, te weten ten aanzien van

  • -

    feit 1 onder parketnummer 03/659178-17: [slachtoffer 3] op 28 april 2017;

  • -

    feit 2 onder parketnummer 03/659178-17: [slachtoffer 1] op 28 april 2017;

  • -

    het feit onder parketnummer 03/659266-16: [slachtoffer 2] op 25 juli 2016.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

3.1.1

Feit 1 onder parketnummer 03/659178-17

De officier van justitie acht dit feit bewezen. Hiertoe heeft zij verwezen naar de aangifte van [slachtoffer 3] , de verklaring van getuige [getuige 1] , de gemaakte foto’s en de verklaring van verdachte. De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat verdachte bij de politie heeft verklaard dat de verklaring van aangeefster wel een beetje klopt en dat hij ter terechtzitting heeft verklaard dat hij aangeefster heeft geknuffeld.

3.1.2

Feit 2 onder parketnummer 03/659178-17

De officier van justitie acht ook dit feit bewezen. Hiertoe heeft zij verwezen naar de heldere aangifte van [slachtoffer 1] en de verklaring van verdachte, luidende ‘het klopt wel een beetje.’ Bovendien dient dit feit volgens de officier van justitie te worden bezien in samenhang met de aanranding van [slachtoffer 3] op diezelfde dag.

3.1.3

Het feit onder parketnummer 03/659266-16

Ten slotte acht de officier van justitie ook dit feit bewezen. Hiertoe heeft zij verwezen naar de aangifte van [slachtoffer 2] , de uitkomsten van het DNA-onderzoek en de verklaring van verdachte, inhoudende dat hij ter plaatse is geweest, aangeefster heeft gesproken en haar op de schouder heeft getikt. Daarnaast ondersteunt het geschreeuw van aangeefster, dat door getuige [getuige 2] is gehoord, de aangifte. Hieruit blijkt immers dat er iets is gebeurd wat niet door de beugel kan, aldus de officier van justitie.

3.2

Het standpunt van de verdediging

Over feit 1 onder parketnummer 03/659178-17 heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij aangeefster [slachtoffer 3] heeft geknuffeld en dat hij iets heeft gezegd in de trant van ‘Je bent een lekker ding.’

Ten aanzien van feit 2 onder parketnummer 03/659178-17 heeft verdachte ter terechtzitting aanvankelijk verklaard dat hij aangeefster [slachtoffer 1] bij haar buik heeft vastgepakt. Later heeft hij echter verklaard dat hij haar niet heeft vastgepakt. Verdachte zou alleen tegen haar zijn opgelopen.

Over het feit onder parketnummer 03/659266-16 heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij aangeefster [slachtoffer 2] een schouderklopje heeft gegeven en dat hij niet wist of hij haar daarna nog een keer heeft aangeraakt. Verdachte heeft de aanranding evenwel ontkend.

Ondanks de grotendeels ontkennende verklaring van verdachte heeft zijn raadsman zich ten aanzien van de bewezenverklaring van alle tenlastegelegde feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Volgens hem is er geen reden voor twijfel aan de door de aangeefsters afgelegde verklaringen. De verdachte schaamt zich voor wat er is gebeurd en heeft hier spijt van.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

3.3.1

De bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het vonnis gehecht.

3.3.2

De bewijsoverwegingen

3.3.2.1 Feit 1 onder parketnummer 03/659178-17

Op grond van de aangifte van [slachtoffer 3] en de verklaring die verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd, stelt de rechtbank vast dat verdachte aangeefster heeft aangerand door haar bij haar middel vast te pakken en haar naar zich toe te trekken. Uit dezelfde verklaringen leidt de rechtbank af dat verdachte aangeefster hiertoe heeft gedwongen door haar onverhoeds bij haar middel vast te pakken, daarbij woorden zeggend in de trant van ‘Je bent een lekker ding’, haar naar zich toe te trekken en zijn lichaam tegen haar lichaam aan te duwen. Dat de dwang ook heeft bestaan uit het hinderlijk volgen van aangeefster [slachtoffer 3] , stelt de rechtbank vast op grond van de verklaring van aangeefster in combinatie met de verklaring van getuige [getuige 1] .

Gelet hierop acht de rechtbank dit feit bewezen, zoals omschreven onder het kopje ‘De bewezenverklaring’.

3.3.2.2 Feit 2 onder parketnummer 03/659178-17

Uit de verklaring van aangeefster [slachtoffer 1] leidt de rechtbank af dat:

  • -

    een man haar van achteren benaderde en vervolgens passeerde waarbij hij haar aanraakte;

  • -

    deze man zich toen omdraaide en zijn ontblote penis vasthad;

  • -

    de man vervolgens met zijn penis tegen de rechterheup/onderbuik van aangeefster wreef en haar tegelijkertijd greep bij haar borsten.

Uit de verklaring van verdachte leidt de rechtbank af dat hij de man is waarover aangeefster [slachtoffer 1] heeft verklaard. Hij heeft bij de politie immers verklaard dat hij achter aangeefster aan liep en dicht naast haar ging lopen, terwijl hij ter terechtzitting heeft verklaard dat hij van achteren tegen haar is opgelopen en haar heeft vastgepakt bij haar buik.

Hoewel verdachte ontkent dat hij toen zijn ontblote penis heeft vastgehad, hiermee heeft gewreven tegen aangeefster heup of buik en haar borsten heeft vastgepakt, acht de rechtbank ook deze handelingen bewezen. Hiertoe overweegt zij dat er geen reden is om te twijfelen aan de verklaring van aangeefster [slachtoffer 1] , zoals vervat in een proces-verbaal van bevindingen. De rechtbank neemt deze voor het bewijs gebezigde verklaring dan ook als uitgangspunt. Deze verklaring wordt op belangrijke onderdelen gesteund door de verklaring van verdachte. Voor zover zijn verklaring afwijkt van die van aangeefster, acht de rechtbank de verklaring van de verdachte ongeloofwaardig, omdat hij hiermee telkens een andere lezing van het gebeurde geeft. Zo verklaart de verdachte bij de politie aanvankelijk dat hij aangeefster misschien toevallig heeft aangeraakt, maar in hetzelfde verhoor verklaart hij ook dat hij aangeefsters hand heeft vastgepakt om een praatje met haar te maken. Tijdens een tweede verhoor verklaart verdachte opnieuw dat hij aangeefsters hand heeft vastgepakt. Ter terechtzitting verklaart verdachte in eerste instantie dat hij aangeefster heeft vastgepakt bij haar buik en enkele ogenblikken later verklaart hij dan weer dat hij slechts tegen haar is aangelopen. Hij zou haar niet hebben vastgepakt en ook zou hij haar hand niet hebben aangeraakt. De politie zou dit verkeerd hebben opgeschreven. Kortom, de verdachte geeft vele uiteenlopende verklaringen over wat er op die bewuste dag tussen hem en [slachtoffer 1] is voorgevallen. Om die reden volgt de rechtbank de verklaring van aangeefster [slachtoffer 1] .

Voorts merkt de rechtbank op dat het vaste jurisprudentie is van de Hoge Raad dat de rechtsregel dat de bewezenverklaring niet slechts op de verklaring van één getuige mag berusten, niet geldt voor alle losse bestanddelen van de gehele bewezenverklaring. Op grond van de bewijsmiddelen is de rechtbank dan ook van oordeel dat er voldoende bewijs is voor een bewezenverklaring van dit feit, zoals weergegeven onder het kopje ‘De bewezenverklaring’.

3.3.2.3 Het feit onder parketnummer 03/659266-16

Uit de verklaring van aangeefster [slachtoffer 2] leidt de rechtbank af dat:

  • -

    zij door een man werd vastgepakt aan de zijkant van haar billen en naar achteren werd getrokken;

  • -

    zij vervolgens tegen een stalen hekwerk werd aangeduwd;

  • -

    de man met beide handen haar borsten vastpakte en daarin kneep;

  • -

    de man achter in haar nek begon te zoenen, met zijn lippen en zijn tong;

  • -

    de man met zijn rechterhand aan de voorkant tussen haar benen ging;

  • -

    zij het harde geslachtsdeel van de man voelde tegen haar billen en hem tegen haar aan voelde rijden.

Uit de verklaring van verdachte leidt de rechtbank af dat hij de man is waarover aangeefster [slachtoffer 2] heeft verklaard. Hij heeft bij de politie immers verklaard dat hij met aangeefster heeft gepraat en haar heeft aangeraakt op de schouder. Ter terechtzitting heeft hij verklaard dat hij niet weet of hij haar daarna nog een keer heeft aangeraakt.

Hoewel verdachte ontkent dat hij aangeefster heeft aangerand, zoals hem wordt verweten, acht de rechtbank de tenlastegelegde handelingen bewezen. Hiertoe overweegt de rechtbank dat er geen reden is om aan de verklaring van aangeefster [slachtoffer 2] te twijfelen. Zij neemt deze voor het bewijs gebezigde verklaring dan ook als uitgangspunt. Deze verklaring wordt op een belangrijk onderdeel gesteund door de voor het bewijs gebezigde verklaring van verdachte. Daarnaast wordt de aangifte gesteund door de voor het bewijs gebezigde resultaten van het uitgevoerde DNA-onderzoek op haar jurk. Hieruit blijkt immers dat verdachtes celmateriaal op aangeefsters jurk ter hoogte van de linkerbil is aangetroffen. Dit is enerzijds een bevestiging van de verklaring van aangeefster en anderzijds blijkt hieruit dat de verklaring van de verdachte ongeloofwaardig is, omdat deze geen verklaring geeft voor de aanwezigheid van zijn celmateriaal op de jurk ter hoogte van de bil.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank dit feit bewezen, zoals weergegeven onder het kopje ‘De bewezenverklaring’.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

onder parketnummer 03/659178-17

feit 1

op 28 april 2017 in de gemeente Roermond, door een andere feitelijkheid dan geweld, [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot het dulden van een ontuchtige handeling, te weten die [slachtoffer 3] bij haar middel vastpakken en haar naar zich toe trekken, en bestaande die andere feitelijkheid hierin dat hij, verdachte,

- die [slachtoffer 3] hinderlijk heeft gevolgd en

- die [slachtoffer 3] onverhoeds bij haar middel heeft vastgepakt en

- die [slachtoffer 3] daarbij de woorden heeft toegevoegd: “Je bent een lekker ding”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en

- die [slachtoffer 3] naar zich toe heeft getrokken en

- zijn lichaam tegen het lichaam van die [slachtoffer 3] heeft aangeduwd;

feit 2

op 28 april 2017 in de gemeente Roermond, door een andere feitelijkheid dan geweld, [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, te weten het vastpakken van de borsten van die [slachtoffer 1] en het wrijven/duwen van zijn, verdachtes, penis tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] , en bestaande die andere feitelijkheid hierin dat hij, verdachte,

- die [slachtoffer 1] van achteren heeft benaderd en

- zijn, verdachtes, penis aan die [slachtoffer 1] heeft getoond en

- de borsten van die [slachtoffer 1] heeft vastgepakt;

onder parketnummer 03/659266-16

op 25 juli 2016 in de gemeente Roermond, door geweld en een andere feitelijkheid, te weten door onverhoeds [slachtoffer 2] vast te pakken en vast te houden en die [slachtoffer 2] tegen een hekwerk te duwen, die [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, te weten

- het vastpakken en aanraken en betasten van en knijpen in de borsten van voornoemde [slachtoffer 2] en

- het zoenen en likken in de nek van voornoemde [slachtoffer 2] en

- het aanraken en betasten van het kruis van voornoemde [slachtoffer 2] en

- het duwen van zijn, verdachtes, kruis tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 2] .

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is tenlastegelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

ten aanzien van feit 1 onder parketnummer 03/659178-17:

feitelijke aanranding van de eerbaarheid;

ten aanzien van feit 2 onder parketnummer 03/659178-17:

feitelijke aanranding van de eerbaarheid;

ten aanzien van het feit onder parketnummer 03/659266-16:

feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

Naar aanleiding van het tenlastegelegde feit onder parketnummer 03/659266-16 heeft psychiater [naam 1] over de geestvermogens van verdachte op 13 oktober 2016 een rapport uitgebracht. In dit rapport heeft deze psychiater geadviseerd verdachte dit feit verminderd toe te rekenen.

Naar aanleiding van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten onder parketnummer 03/659178-17 hebben psycholoog [naam 3] en psychiater [naam 4] over de geestvermogens van verdachte op 12 respectievelijk 17 juli 2017 een rapport uitgebracht. In deze rapporten hebben beide gedragsdeskundigen geadviseerd de feiten in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.

Illustratief hiervoor acht de rechtbank hetgeen psycholoog [naam 3] hierover heeft gerapporteerd, te weten:

‘Betrokkene is lijdende aan ziekelijke stoornissen in de vorm van schizofrenie en stoornis in cannabisgebruik, matig. Er is sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens in de vorm van een licht verstandelijke beperking. (…)

Dit was ook zo ten tijde van de ten laste leggingen. (…)

Zowel de ziekelijke stoornissen in de vorm van schizofrenie en de stoornis in cannabisgebruik, als de gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens in de vorm van de licht verstandelijke beperking beïnvloedden de gedragskeuzes en de gedragingen van betrokkene ten tijde van het ten laste gelegde. (…)

De licht verstandelijke beperking maakt dat betrokkene minder in staat is om de gevolgen van zijn gedrag te overzien en de effecten te overzien van zijn gedragingen op anderen. Ook zal hij vermoedelijk impulsiever zijn en minder controle hebben over zijn (seksuele) impulsen. Daarbij zal het uitstellen van behoeftebevrediging naar verwachting moeilijker zijn. Er kan verondersteld worden dat betrokkene, door de licht verstandelijke beperking, een gebrek aan probleemoplossende vaardigheden heeft. Het is hierdoor waarschijnlijker dat betrokkene moeilijker zijn eigen (seksuele) behoeften zal kunnen uitstellen, impulsiever reageert hierop en minder goed kan inschatten wat het effect van zijn aanrakingen van de vrouwen teweeg zullen brengen bij de ander. De stoornis in cannabisgebruik is ook van belang. Dit zal de, reeds aanwezige impulsiviteit en de beschikking over aanvullende, meer adequate vormen hebben verminderd. Het niet gebruiken van de antipsychotische medicatie, voor zover van toepassing, zal dit nog verder hebben doen toenemen.’ (pagina 14)

De rechtbank kan zich vinden in bovenstaande adviezen en de gronden die hiertoe hebben geleid en acht verdachte dan ook verminderd toerekeningsvatbaar voor de bewezenverklaarde feiten.

Nu er ook geen andere feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten, is verdachte strafbaar.

6 De straf

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter onderbouwing van haar strafeis onder meer het volgende naar voren gebracht.

De aanrandingen door verdachte hebben behoorlijk heftige en mogelijk langdurige gevolgen voor de slachtoffers. Zij begaven zich in de publieke ruimte toen zij werden aangerand. Terwijl iedereen zich veilig op straat zou moeten kunnen voelen - wandelend (met je hond) of spelend met kinderen - waren deze slachtoffers dat niet en zijn zij door de handelingen van verdachte hun onbevangenheid kwijtgeraakt. In het geval van slachtoffer [slachtoffer 2] waren twee kinderen aanwezig. Het feit dat zij getuige zijn geweest van de aanranding, maakt dit feit nóg ernstiger.

De officier van justitie heeft, onder verwijzing naar de richtlijnen van het openbaar ministerie, waarbij zij uitgaat van recidive voor de feiten op 28 april 2017, en met inachtneming van de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte, gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van vijftien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. Als bijzondere voorwaarden heeft zij gevorderd een meldplicht, een opname in een zorginstelling, een behandelverplichting en een opname in een instelling, zoals geadviseerd in het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland d.d. 12 september 2017.

Een gevangenisstraf met een onvoorwaardelijk gedeelte van tien maanden zou er volgens de officier van justitie op neerkomen dat verdachte korte tijd na de uitspraak op 19 oktober 2017 terecht zou kunnen bij FPA Stevig.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft naar voren gebracht dat dit eigenlijk geen zaak is die strafrechtelijk afgedaan zou moeten worden, nu het er alleen maar om gaat dat verdachte de behandeling krijgt die hij nodig heeft. Kijkend naar de feiten is het bepaalde in artikel 67a, lid 3, van het Wetboek van Strafvordering in ieder geval van toepassing ten tijde van het wijzen van het vonnis op 19 oktober 2017. De raadsman heeft dan ook verzocht de voorlopige hechtenis bij vonniswijzing per die datum op te heffen en aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen waarvan de duur van het onvoorwaardelijke gedeelte overeenkomt met de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht. Indien dit betekent dat verdachte dan nog niet terecht kan bij FPA Stevig, dan moet dat maar zo zijn. Het strafrecht is er niet voor bedoeld dat de gevangenisstraf naadloos aansluit op de klinische behandeling, aldus de raadsman.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Op 25 juli 2016 heeft verdachte slachtoffer [slachtoffer 2] aangerand. Het slachtoffer was met haar zoontje en diens vriendje op een grasveld aan het spelen, toen zij door verdachte werd benaderd. Nadat zij had aangegeven hiervan niet gediend te zijn en met de kinderen het veld verliet, liep verdachte haar achterna en pakte hij haar vast. Hij duwde haar tegen een hek, kneep in haar borsten, betastte haar in haar kruis en zoende en likte haar in haar nek. Dit alles gebeurde in het bijzijn van de kinderen.

Op 28 april 2017 heeft verdachte twee vrouwen aangerand. Eerst achtervolgde hij slachtoffer [slachtoffer 3] , pakte haar vast bij haar middel en trok haar naar zich toe. Hierbij zei hij tegen haar dat ze een lekker ding was. Daarna kwam hij slachtoffer [slachtoffer 1] tegen, die haar hond uitliet. Hij benaderde haar van achteren, toonde haar zijn penis, pakte haar borsten vast en wreef met zijn penis tegen haar lichaam.

Dit zijn ernstige strafbare feiten die een grote inbreuk hebben gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Dit geldt in ieder geval voor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] die zich hierover nadrukkelijk hebben uitgelaten. Dit soort feiten heeft in het algemeen een grote psychische impact op een slachtoffer. Zoals de officier van justitie heeft aangegeven, raken slachtoffers hun onbevangenheid om zich zonder zorgen op straat te begeven kwijt. Dat het ook de slachtoffers in deze zaak niet in hun koude kleren is gaan zitten, blijkt uit de stukken die zij hebben overgelegd. Zo heeft slachtoffer [slachtoffer 2] in een schriftelijke slachtofferverklaring van 29 september 2016 geschreven dat het erg heftig is wat zo’n aanranding met je doet. Over de gevolgen heeft zij aangevoerd dat zij:

  • -

    paniekaanvallen en nachtmerries heeft en slecht in slaap kan komen;

  • -

    zich erg onzeker voelt en bang is voor types die lijken op de dader;

  • -

    en haar zoontje niet meer naar het speelveldje willen waar het is gebeurd;

  • -

    ten gevolge hiervan gesprekken heeft gehad met een psycholoog.

Slachtoffer [slachtoffer 1] heeft in het schadeonderbouwingsformulier bij het door haar ingediende voegingsformulier van 10 augustus 2017 aangegeven dat het voorval veel impact op haar leven heeft gehad. Hierin is onder meer te lezen dat:

  • -

    zij zich erg onprettig voelde door de aanraking van verdachte en dat zij het respectloos en beangstigend vond;

  • -

    zij zich na het voorval erg angstig voelde en bang was dat verdachte haar opnieuw wilde aanraken;

  • -

    de gedachte dat verdachte het op haar gemunt had en nog niet klaar was met haar nog dagelijks door haar hoofd spookt;

  • -

    zij slecht slaapt sinds het voorval;

  • -

    zij zich erg onveilig voelt in de buurt en zich zelfs niet meer veilig voelt in haar woning;

  • -

    zij zich erg angstig voelt wanneer een man met hetzelfde uiterlijk als de dader op haar af loopt;

  • -

    zij ten gevolge van het voorval last heeft van migraineaanvallen en haaruitval.

Bij het bepalen van de straf let de rechtbank in de eerste plaats op de ernst van de bewezenverklaarde feiten die onder meer blijkt uit de hierboven omschreven gevolgen voor de slachtoffers en die bovendien tot uiting komt in het wettelijke strafmaximum van aanranding, te weten een gevangenisstraf van acht jaar. Daarnaast houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte de bewezenverklaarde feiten voor een gedeelte ontkent. Hiermee geeft hij er naar het oordeel van de rechtbank blijk van dat hij onvoldoende inzicht heeft in de strafwaardigheid van zijn gedragingen. Bovendien legt hij de schuld van de gedragingen die hij wél heeft bekend voor een gedeelte buiten zichzelf. Zijn gedragingen zouden het gevolg zijn van het niet innemen van zijn medicijnen en/of van het gebruik van wiet. Verdachte heeft er echter zelf voor gekozen om zijn medicatie niet in te nemen en/of om wiet te gebruiken, terwijl hij wist waartoe dit kon leiden.

In het voordeel van verdachte zal de rechtbank rekening houden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte, zoals hierboven overwogen onder het kopje ‘De strafbaarheid van de verdachte’.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank het opleggen van een gevangenisstraf van vijftien maanden passend en geboden.

Teneinde het recidivegevaar te verminderen acht zowel psycholoog [naam 3] als psychiater [naam 4] het noodzakelijk dat verdachte klinisch wordt behandeld. De psycholoog heeft gerapporteerd dat deze klinische opname, voor de duur van maximaal een jaar, dient plaats te vinden binnen een afdeling, gespecialiseerd in het behandelen van mensen met een verstandelijke beperking in combinatie met psychotische problematiek, waarbij bovendien expertise moet zijn op het gebied van seksueel grensoverschrijdend gedrag. Hiertoe zou een instelling met het beveiligingsniveau van een forensische psychiatrische afdeling (FPA) zijn aangewezen.

De psychiater, die het eens is met de psycholoog, heeft daarnaast gerapporteerd dat verdachte op den duur meer baat heeft bij een benadering gericht op het begeleiden binnen een beschermde woonvorm door professionals met deskundigheid op het gebied van forensische psychiatrie. Hierbij zou verdachte begeleiding en ondersteuning nodig hebben, gelet op zijn psychotische kwetsbaarheid en verslavingsproblematiek.

Naar aanleiding van de Pro Justitia-rapportages van de psycholoog en de psychiater heeft Reclassering Nederland op 12 september 2017 een reclasseringsadvies uitgebracht. Onder verwijzing naar beide rapportages heeft de reclassering geadviseerd aan verdachte een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden - kort weergegeven -:

  • -

    een meldplicht;

  • -

    een klinische behandeling;

  • -

    een ambulante behandelverplichting (aansluitend op de klinische behandeling);

  • -

    een opname in een instelling voor begeleid/beschermd wonen (eveneens aansluitend op de klinische behandeling).

De reclassering heeft aangegeven dat verdachte is geaccepteerd bij FPA Stevig en dat hij enkele weken na de zitting van 5 oktober 2017 geplaatst zou kunnen worden. Een feitelijke plaatsingsdatum is echter nog niet bekend. Voor een eventuele overbruggingszorg tot het moment van de feitelijke plaatsing is de Divisie Individuele Zaken (DIZ) en/of de Indicatiestelling Forensische Zorg (IFZ) verantwoordelijk, aldus de reclassering.

De rechtbank kan zich vinden in de adviezen van psycholoog [naam 3] , psychiater [naam 4] en Reclassering Nederland en neemt deze over. De rechtbank zal dan ook een gedeelte van de gevangenisstraf, groot vijf maanden, voorwaardelijk opleggen. Hierbij zal zij de bijzondere voorwaarden stellen, zoals geadviseerd door de reclassering. Met oplegging van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan de behandeling en begeleiding van verdachte en daarmee aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Gelet op de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, alsmede gelet op het hoge recidivegevaar zoals dat blijkt uit de rapportages van psycholoog [naam 3] en psychiater [naam 4] , houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte, zodra hij op vrije voeten komt en zou besluiten zijn medicatie niet in te nemen en/of wiet te gaan gebruiken, opnieuw een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van anderen. Om die reden acht de rechtbank het noodzakelijk dat de te stellen algemene en bijzondere voorwaarden en het door de reclassering uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn. Dit betekent dat verdachte, mocht hij besluiten om tegen dit vonnis hoger beroep in te stellen, zich toch aan de voorwaarden zal moeten houden op het moment dat hij op vrije voeten komt.

De rechtbank zal de voorlopige hechtenis opheffen met ingang van het tijdstip waarop

de duur van het voorarrest gelijk wordt aan die van de onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf. Dit betekent dat de voorlopige hechtenis ruim twee weken na vonniswijzing wordt opgeheven. De rechtbank wijst het verzoek van de raadsman om de voorlopige hechtenis met ingang van vandaag op te heffen dan ook af, nu het bepaalde in artikel 67a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering op dit moment nog niet van toepassing is.

7 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1

De vordering van de benadeelde partij

7.1.1

Benadeelde partij [slachtoffer 1] – feit 2 onder parketnummer 03/659178-17

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft een immateriële schadevergoeding gevorderd van € 700,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. Daarnaast heeft zij verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

7.1.2

Benadeelde partij [slachtoffer 2] – feit onder parketnummer 03/659266-16

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft een schadevergoeding gevorderd van € 763,37, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze schadevergoeding bestaat uit € 13,37 aan materiële en € 750,00 aan immateriële schade. Daarnaast heeft zij verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat zij de door de benadeelde partijen gevorderde schadevergoeding meer dan redelijk vindt. Hiertoe heeft zij verwezen naar de gevolgen die zij van de strafbare feiten hebben ondervonden. De officier van justitie heeft dan ook verzocht de vorderingen volledig toe te wijzen en daarnaast in beide gevallen de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

7.3

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft de raadsman aangevoerd dat de gevorderde schade niet is gestaafd met medische informatie, terwijl de door haar genoemde gevolgen objectief vastgesteld hadden kunnen worden. Zonder deze medische informatie kan niet worden beoordeeld of het gevorderde bedrag reëel is.

Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft de raadsman aangevoerd dat het te ver gaat om haar overspannenheid alleen te wijten aan het strafbare feit.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

7.4.1

Benadeelde partij [slachtoffer 1]

De rechtbank is van oordeel dat aan benadeelde partij [slachtoffer 1] rechtstreeks schade is toegebracht door het onder 2 met parketnummer 03/659178-17 bewezenverklaarde feit.

Hoewel de benadeelde partij haar vordering niet heeft onderbouwd met medische informatie, is de rechtbank van oordeel dat het een feit van algemene bekendheid is dat de emotionele gevolgen bij slachtoffers van aanranding groot kunnen zijn. Dat deze gevolgen ook voor deze benadeelde partij groot zijn, blijkt uit de toelichting op haar vordering. De rechtbank heeft geen enkele reden om hieraan te twijfelen.

De rechtbank stelt de hoogte van de schadevergoeding naar redelijkheid en billijkheid vast op het gevorderde schadebedrag van € 700,00. Zij zal dit bedrag toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 28 april 2017.

Daarnaast zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen voor een bedrag van € 700,00, nu de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor deze schade die door het strafbare feit is toegebracht.

7.4.2

Benadeelde partij [slachtoffer 2]

De rechtbank is van oordeel dat aan benadeelde partij [slachtoffer 2] rechtstreeks schade is toegebracht door het onder parketnummer 03/659266-16 bewezenverklaarde feit.

De post materiële schade

De verdediging heeft deze post niet betwist. De rechtbank stelt de hoogte van de schadevergoeding dan ook vast op het gevorderde schadebedrag van € 13,37. Zij zal dit bedrag aan materiële schade toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 25 juli 2016.

De post immateriële schade

Zoals hiervoor al is overwogen ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 1] , is de rechtbank van oordeel dat het een feit van algemene bekendheid is dat de emotionele gevolgen bij slachtoffers van aanranding groot kunnen zijn. Hoewel de rechtbank niet kan vaststellen dat de overspannenheid van de benadeelde partij geheel te wijten is aan het bewezenverklaarde feit, staat voldoende vast dat de gevolgen van de aanranding voor dit slachtoffer groot zijn, zoals weergegeven in haar toelichting op de vordering.

De rechtbank stelt de hoogte van de schadevergoeding naar redelijkheid en billijkheid vast op het gevorderde schadebedrag van € 750,00. Zij zal dit bedrag aan immateriële schade toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 25 juli 2016.

De schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen voor een bedrag van € 763,37, nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor deze schade die door het strafbare feit is toegebracht.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14e, 24c, 36f, 57, 63 en 246 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is tenlastegelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte voor de feiten 1 en 2 onder parketnummer 03/659178-17 en voor het feit onder parketnummer 03/659266-16 tot een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd:

  • -

    zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit of

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de Identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of

  • -

    geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt voorts de volgende bijzondere voorwaarden, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd heeft te voldoen:

  1. De veroordeelde meldt zich binnen 48 uur na zijn invrijheidstelling (uit detentie) bij Reclassering Nederland via telefoonnummer 088 - 804 15 03, waarna hij zich blijft melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

  2. De veroordeelde wordt verplicht om zich op basis van de door het NIFP-IFZ afgegeven indicatiestelling, voor de duur van maximaal een jaar, te laten opnemen bij FPA Stevig, of een soortgelijke intramurale instelling, zulks ter beoordeling van het NIFP-IFZ, waarbij hij zich houdt aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-)directeur van die instelling zullen worden gegeven. Voor de eventuele overbruggingszorg vanaf de invrijheidstelling van de veroordeelde (uit detentie) tot aan de feitelijke plaatsingsdatum bij FPA Stevig, of soortgelijke intramurale instelling, is de DIZ en/of de IFZ verantwoordelijk.

  3. De veroordeelde wordt verplicht om zich, aansluitend op de klinische behandeling, te laten behandelen bij een nog nader door de behandelkliniek te bepalen forensische polikliniek, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij hij zich houdt aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven.

  4. De veroordeelde wordt verplicht om aansluitend op zijn klinische behandeling in een instelling voor begeleid/beschermd wonen, of een soortgelijke instelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, te verblijven en zich te houden aan het (dag-) programma dat deze voorziening in overleg met de reclassering heeft opgesteld, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

  • -

    geeft de reclassering opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

  • -

    beveelt dat de algemene en bijzondere voorwaarden, alsmede het door de reclassering uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

  • -

    heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van de inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van de onvoorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf;

Benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen

ten aanzien van feit 2 onder parketnummer 03/659178-17

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1], wonende te Roermond, toe;

  • -

    veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij, [slachtoffer 1], te betalen € 700,00, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 28 april 2017 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer, [slachtoffer 1], van € 700,00, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 14 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 28 april 2017 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;

ten aanzien van het feit onder parketnummer 03/659266-16

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2], wonende te Roermond, toe;

  • -

    veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij, [slachtoffer 2], te betalen € 763,37, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 25 juli 2016 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer, [slachtoffer 2], van € 763,37, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 15 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 25 juli 2016 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.K. Kleine, voorzitter, mr. C.M. Nollen en mr. I.C.A. Wilschut, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Goevaerts, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 19 oktober 2017.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat

onder parketnummer 03/659178-17

feit 1

hij, op of omstreeks 28 april 2017 in de gemeente Roermond, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, die [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten die [slachtoffer 3] bij haar middel vastpakken en/of die [slachtoffer 3] naar zich toe trekken, en bestaande dat geweld of die andere feitelijkheid en/of de bedreiging met geweld of die andere feitelijkheid hierin dat hij, verdachte,

- die [slachtoffer 3] (hinderlijk) heeft gevolgd en/of

- die [slachtoffer 3] (onverhoeds) bij haar middel heeft vastgepakt en/of

- die [slachtoffer 3] (daarbij) de woorden heeft toegevoegd: "Je bent een lekker ding", althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- die [slachtoffer 3] naar zich toe heeft getrokken en/of

- zijn lichaam tegen het lichaam van die [slachtoffer 3] heeft aangeduwd;

feit 2

hij, op of omstreeks 28 april 2017 in de gemeente Roermond, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten het vastpakken van de borsten van die [slachtoffer 1] en/of het wrijven/duwen van zijn, verdachtes, penis tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] , en bestaande dat geweld of die andere feitelijkheid en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkheid hierin dat hij, verdachte,

- die [slachtoffer 1] (onverhoeds) van achteren heeft benaderd en/of

- zijn, verdachtes, penis aan die [slachtoffer 1] heeft getoond en/of

- de borsten van die [slachtoffer 1] heeft vastgepakt;

onder parketnummer 03/659266-16

hij op of omstreeks 25 juli 2016 in de gemeente Roermond, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten door (onverhoeds) [slachtoffer 2] vast te pakken en/of vast te houden en/of die [slachtoffer 2] tegen een hekwerk te duwen, die [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten

- het vastpakken en/of aanraken en/of betasten van en/of knijpen in de borsten van voornoemde [slachtoffer 2] en/of

- het zoenen en/of likken in de nek van voornoemde [slachtoffer 2] en/of

- het aanraken en/of betasten van het kruis van voornoemde [slachtoffer 2] en/of

- het duwen en/of wrijven van zijn, verdachtes, kruis tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 2] .