Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:9997

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
21-11-2016
Datum publicatie
28-11-2016
Zaaknummer
5336133/AZ/16-322 21112016
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

1. Artikel 7:686a BW, eerste lid, tweede volzin, is, gelet op de wetsgeschiedenis, niet analoog van toepassing ten aanzien van het tijdstip waarop de wettelijke verhoging en de wettelijk rente verschuldigd worden over gemaakte meeruren.

2. Billijke vergoeding afgewezen. Niet is komen vast te staan dat de werkgever een verwijt, laat staan een ernstig verwijt, kan worden gemaakt van het ontstaan van de ziekte. De werkgever heeft niet ernstig verwijtbaar gehandeld in het kader van het re-integratietraject. Werkneemster heeft haar stelling, dat sprake is geweest van een verstoorde arbeidsverhouding, niet onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-1365
AR 2016/3526
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 5336133 \ AZ VERZ 16-322 en

Zaaknummer: 5336182 \ AZ VERZ 16-323

Beschikking van de kantonrechter van 21 november 2016

in de zaak van:

[werkneemster] ,

wonend [adres werkneemster] ,

[woonplaats werkneemster] ,

werkneemster

gemachtigde mr. J.J.C. Delahaye,

verzoekster,

tegen:

de stichting STICHTING PERGAMIJN ,

gevestigd te Sittard-Geleen,

werkgever

gemachtigde mr. C.A.H. Lemmens,

verweerster.

Partijen zullen hierna “ [werkneemster] ” en “Pergamijn” worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het op 30 augustus 2016 ingekomen verzoekschrift, met bijlagen;

  • -

    de op 23 september 2016 ingekomen akte wijziging en vermeerdering verzoek/nevenvorderingen, met bijlagen;

  • -

    het op 3 oktober 2016 ingekomen verweerschrift, met bijlagen;

  • -

    de mondelinge behandeling die is gehouden op 13 oktober 2016;

  • -

    de voorafgaand aan de mondelinge behandeling door [werkneemster] overgelegde producties.

1.2.

Na de behandeling is beschikking bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Pergamijn is een stichting die ondersteuning biedt aan mensen met verstandelijke beperkingen. De ondersteuning ligt op het gebied van wonen, begeleiding, diagnostiek, behandeling en/of vrijetijdsbesteding. Pergamijn levert zorg bij cliënten thuis, maar ook in de vorm van een kleinschalige woonvoorziening op maat.

Bij Pergamijn werken ongeveer 1340 medewerkers.

2.2.

[werkneemster] is op 15 augustus 2000 bij Pergamijn voor onbepaalde tijd in dienst getreden in de functie van groepsbegeleidster (productie 1 verzoekschrift). Na een interne sollicitatie is [werkneemster] vervolgens per 1 juli 2011 begonnen in de functie van teamleidster cliëntbegeleiding. Het laatstelijk genoten salaris bedroeg op fulltime basis € 2.971,80 bruto, exclusief vakantiegeld en eindejaarsuitkering. Op basis van het contract gold voor [werkneemster] een deeltijdfactor van 90%.

2.3.

Begin 2012 laat Pergamijn [werkneemster] weten dat [werkneemster] in de functie van teamleidster niet voldoet aan de verwachtingen. Volgens Pergamijn toont [werkneemster] onvoldoende empathie, inventiviteit, sensitiviteit, zelfreflectie en zelf oplossend vermogen. Ter ontwikkeling van deze competenties doorloopt [werkneemster] vervolgens gedurende vier maanden een begeleidingstraject. Op 4 oktober 2012 vindt een eindevaluatie plaats, waarbij Pergamijn van oordeel is dat [werkneemster] de competenties voldoende tot ontwikkeling heeft gebracht. Het traject wordt afgesloten, waarbij aan [werkneemster] een aantal aandachtspunten wordt meegegeven en het advies coaching te volgen ten aanzien van zelfreflectie.

2.4.

Op 7 januari 2013 meldt [werkneemster] zich ziek met nekklachten. Nadat [werkneemster] zich op 9 januari 2013 beter heeft gemeld, vindt tussen partijen op 14 januari 2013 een gesprek plaats, waarbij Pergamijn het functioneren van [werkneemster] als teamleidster opnieuw aan de orde stelt en waarbij zij [werkneemster] vraagt of zij “zelf eens naar de balans wil kijken en wilt opmaken”.

2.5.

Op 15 januari 2013 meldt [werkneemster] zich opnieuw ziek. Daarbij geeft [werkneemster] aan dat zij slecht slaapt en erg emotioneel en gespannen is.

2.6.

Op 21 januari 2013 vindt een gesprek plaats tussen [werkneemster] en mevrouw [coördinator dagbesteding] (verder: [coördinator dagbesteding] ), coördinator dagbesteding. In dat gesprek adviseert [coördinator dagbesteding] [werkneemster] te stoppen met de functie van teamleidster.

2.7.

Op 7 februari 2013 bezoekt [werkneemster] voor het eerst de bedrijfsarts. Deze concludeert in zijn rapportage als volgt:

“Er is sprake van een arbeidsongeschiktheid door een combinatie van intrapersoonlijke kenmerken met ervaren werkdruk en werkgerelateerde aspecten.”

2.8.

Op 25 februari 2013 vindt een gesprek plaats tussen [werkneemster] , [coördinator dagbesteding] en mevrouw [unitmanager] , unitmanager (verder: [unitmanager] ). In dat gesprek geeft [werkneemster] aan dat zij nog geen keuze heeft kunnen maken over het al dan niet doorgaan in de functie van teamleidster.

2.9.

De bedrijfsarts adviseert op 28 februari 2013, met het oog op het op te stellen plan van aanpak, als re-integratiedoel werkhervatting in de eigen functie.

Omdat [werkneemster] dan nog geen keuze heeft gemaakt en Pergamijn van mening is dat [werkneemster] niet kan re-integreren in de eigen functie van teamleidster, wordt op 7 maart 2013 afgesproken een gesprek in te plannen met verzuimcoach [verzuimcoach] . Deze laatste geeft aan moeilijkheden te verwachten bij het re-integreren van [werkneemster] in de functie van teamleidster, gelet op de knelpunten die naar voren zijn gekomen in het coachingstraject.

2.10.

Op 27 maart 2013 geeft [werkneemster] telefonisch aan te willen re-integreren in een ondersteunende functie. Van de zijde van Pergamijn wordt in dat gesprek aangegeven dat re-integreren als senior-cliëntbegeleider de meeste mogelijkheden biedt.

2.11.

In zijn rapportage van 28 maart 2013 vermeldt de bedrijfsarts – voor zover van belang – het volgende:

Mevrouw [werkneemster] heeft mede op advies van haar behandelaar aangegeven dat ze omwille van haar gezondheid een stapje terug wil doen qua functie. (…)In het belang van haar herstel is het wel belangrijk dat er snel duidelijk gaat worden wat haar nieuwe functie op termijn binnen de organisatie gaat worden. Daarbij zal in acht genomen moeten worden dat ze eerst in een ondersteunende rol op therapeutische basis zal gaan re-integreren, voordat ze daadwerkelijk in een rol in de verzorging kan gaan participeren. Bij het vinden van een nieuwe werkplek zal er ook rekening gehouden moeten worden met het feit dat mevrouw [werkneemster] bekend is met fysieke klachten, waardoor ze niet kan worden ingezet op zwaardere groepen waar meer zware fysieke verzorgingstaken komen kijken.”

2.12.

Op 2 april 2013 vangt [werkneemster] haar werkzaamheden op arbeidstherapeutische basis aan (ondersteunend werk bij het roosteren).

2.13.

Op 7 mei 2013 stelt de bedrijfsarts een belastbaarheidsprofiel op. Aan de hand van dit profiel stelt de arbeidsdeskundige op 31 mei 2013 een “rapportage arbeidsdeskundig onderzoek reintegratiemogelijkheden spoor I” op. De arbeidsdeskundige concludeert in dit rapport dat “de prognose voor volledig herstel in eigen werk somber [is] (maar niet per definitie uitgesloten)” en voorts dat “Het eigen werk []momenteel niet geschikt [is] wegens een burn out.”

De arbeidsdeskundige noemt als een van de passende functies bij Pergamijn (spoor I) waarin [werkneemster] zou kunnen re-integreren de functie van (senior)cliëntbegeleidster (bijvoorbeeld sociowoning). De arbeidsdeskundige merkt in dit verband het volgende op:

“(…) Er zijn meerdere passende functies binnen Pergamijn aan te wijzen al zullen de kansen op vacatures toch het grootst zijn in de uitvoerende zorg. Daarbij moet rekening worden gehouden met fysieke beperkingen. Uit overleg met de bedrijfsarts is gebleken dat deze klachten aannemelijk en structureel zijn. Werken als senior cliëntbegeleider met meer begeleidende dan verzorgende aspecten (bijvoorbeeld op een sociowoning), met een goede opbouw in uren, is mogelijk haalbaar.(…)”.

2.14.

Op 23 september 2013 (productie 22 verzoekschrift) start [werkneemster] , naast roosterwerk, haar werkzaamheden als cliëntbegeleidster op de locatie [X] . Omdat [werkneemster] vreest dat deze functie voor haar fysiek te zwaar is wordt afgesproken dat het in eerste instantie om een proefplaatsing gaat.

Tijdens de evaluatie op 26 september 2013 geeft [werkneemster] aan dat zij de werkzaamheden weliswaar kan verrichten, maar dat zij daarna fysieke klachten ervaart (schouders en rug zitten dan vast). Afgesproken wordt dat de bedrijfsarts opnieuw wordt ingeschakeld om een belastbaarheidsprofiel op te stellen. Verder wordt [werkneemster] op 10 oktober 2013 gevraagd zich kandidaat te stellen voor een functie als senior cliëntbegeleider op de [Y] in [plaats Y] . Bij een volgend evaluatiegesprek op 15 oktober 2013 meldt [werkneemster] een toename van de klachten.

2.15.

Op 17 oktober 2013 oordeelt de bedrijfsarts dat sprake is van bijkomende klachten, maar dat deze niet leiden tot een bijstelling van het belastbaarheidsprofiel. De bedrijfsarts stelt voor een arbeidsdeskundige aan de hand van dit profiel te laten bekijken in hoeverre de huidige functie passend is. Indien de functie passend is kan verder opgebouwd worden naar een volledige werkhervatting, zo niet dan dient gezocht te worden naar een andere passende functie.

2.16.

Op 28 oktober 2013 wordt aan [werkneemster] medegedeeld dat de keuze voor de functie van senior cliëntbegeleider op de [Y] niet op haar is gevallen, maar op een andere herplaatsingskandidaat (productie 25 verzoekschrift).

2.17.

De arbeidsdeskundige adviseert op 5 november 2013 een (proef)plaatsing voor drie à vier maanden te realiseren op een werkplek met weinig tot geen fysieke belasting (productie 25 verzoekschrift). Daarnaast wordt met [werkneemster] besproken dat het, gezien de psychische maar ook fysieke klachten, belangrijk is dat [werkneemster] zelf regelmatig pauzes inlast.

2.18.

Naar aanleiding van dit advies gaat [werkneemster] op 9 december 2013 (boventallig) aan de slag op de woonvorm [Z] .

2.19.

Conform het advies van de bedrijfsarts van 3 december 2013 (alvast opstarten 2e spoor re-integratie naast 1e spoor) heeft [werkneemster] op 7 januari 2014 een gesprek met re-integratiebureau Libra Recruitment.

2.20.

Op 9 januari 2014 evalueren partijen de proefplaatsing tussentijds, waarbij [werkneemster] aangeeft dat het werk op [Z] weliswaar fysiek minder zwaar is, maar dat zij nog steeds fysieke klachten heeft. Tussen partijen ontstaat discussie over de vraag of [werkneemster] voldoende pauzes neemt en grenzen stelt.

2.21.

Op 21 januari 2014 bezoekt [werkneemster] opnieuw de bedrijfsarts. Deze stelt vast dat de proefplaatsing niet gericht is op structurele herplaatsing. Door de onzekerheid over de toekomst ervaart [werkneemster] meer spanningsklachten en daardoor meer fysieke klachten. De bedrijfsarts adviseert Pergamijn duidelijkheid te creëren over de vraag of het reëel is te gaan voor herplaatsing als senior cliëntbegeleider of dat [werkneemster] moet gaan voor een tweede spoortraject.

2.22.

Naar aanleiding van dit advies van de bedrijfsarts gaat [werkneemster] vanaf begin februari 2014 als volwaardig teamlid meewerken, om te bezien wat haalbaar is. Eind februari 2014 concludeert de bedrijfsarts dat [werkneemster] de functie van senior-cliëntbegeleider naar zijn verwachting weer aankan. Op verzoek van [werkneemster] - zij meent dat het nog te vroeg is om deze conclusie te kunnen trekken - wordt de proefplaatsing vervolgens verlengd.

2.23.

Op 7 april 2014 vindt opnieuw een evaluatie plaats. Pergamijn is van mening dat de proefplaatsing geslaagd is, [werkneemster] daarentegen heeft haar twijfels, omdat zij nog steeds energetische en fysieke klachten ondervindt bij de uitoefening van de werkzaamheden. [werkneemster] geeft aan een gesprek met de bedrijfsarts te willen. Deze concludeert op 10 april 2014:

“(…) Terugkeer in eigen werk is niet mogelijk. Herplaatsing in de functie van senior cliëntbegeleidster is dus te zwaar en inzetten als cliëntbegeleidster is ook geen optie, omdat dit fysiek nog belastender is. Ik heb mevrouw erop gewezen dat het zwaartepunt nu dan komt te liggen bij het spoor 2-traject.”

2.24.

Naar aanleiding van dit advies van de bedrijfsarts wordt de proefplaatsing stopgezet en wordt re-integratie tweede spoor verder ingezet. Verder wordt afgesproken dat één keer in de zes weken getoetst zal worden of er interne niet zorg gerelateerde vacatures zijn waarvoor [werkneemster] in aanmerking zou kunnen komen.

2.25.

Pergamijn vraagt vervolgens een deskundigenoordeel aan om te toetsen of zij voldoende heeft gedaan aan de re-integratie van [werkneemster] . De deskundige oordeelt in zijn rapport van 16 juni 2014 - kort gezegd - dat Pergamijn niet duidelijk heeft onderbouwd waarom re-integratie in de andere door de arbeidsdeskundige genoemde functies dan senior cliëntbegeleider niet is geprobeerd. In verband hiermee verlengt het UWV op 6 november 2014 de loondoorbetalingsverplichting van Pergamijn met 52 weken. Pergamijn maakt tegen deze beslissing bezwaar, maar dit wordt ongegrond verklaard door het UWV.

2.26.

Op 8 juli 2014 oordeelt de bedrijfsarts dat de medische situatie onveranderd is. Hij adviseert spoor 2 voort te zetten.

2.27.

Om ervoor te zorgen dat er werkritme blijft, wordt [werkneemster] vanaf de zomer van 2014 ingezet op projectmatig werk op kantoor. Aanvankelijk zou [werkneemster] hierin starten voor 24 uur per week. Na ervaren klachten door [werkneemster] worden de uren aangepast naar 2 x 6 uur.

2.28.

In 2015 wordt de ondersteuning van [werkneemster] bij het vinden van ander werk via re-integratiebureau Libra Recruitments voortgezet, waarbij een proefplaatsing en diverse externe sollicitaties plaatsvinden en [werkneemster] vrijwilligerswerk doet. Op 1 september 2015 wordt het traject bij Libra afgesloten.

2.29.

[werkneemster] vraagt tegen het einde van het derde ziektejaar een WIA-uitkering aan. Deze wordt bij beslissing van 18 november 2015 van het UWV afgewezen, omdat er volgens het UWV geen sprake is van verminderde benutbare mogelijkheden als rechtstreeks gevolg van ziekte of gebrek.

2.30.

De bedrijfsarts concludeert op 19 januari 2016 dat [werkneemster] nog steeds arbeidsongeschikt is en niet te verwachten is dat [werkneemster] binnen 26 weken weer kan hervatten in haar eigen functie.

2.31.

Pergamijn heeft , na daartoe verkregen toestemming van het UWV, de arbeidsovereenkomst met [werkneemster] opgezegd per 4 juli 2016. Pergamijn heeft aan [werkneemster] een transitievergoeding voldaan van € 20.383,52 bruto.

3 De stellingen van partijen

3.1.

[werkneemster] verzoekt, na wijziging van eis bij akte en aanvulling ter zitting, kort samengevat:

I. betaling van de resterende transitievergoeding ad € 415,74 bruto, te vermeerderen met rente;

II. betaling van een billijke vergoeding van € 20.000,00;

III. betaling van de wettelijke verhoging ad primair € 402,10, subsidiair € 329,72 bruto, vanwege het niet-tijdig uitbetalen van meeruren, te vermeerderen met wettelijke rente ad (primair) € 2,42;

IV. betaling van een bedrag van € 202,97 bruto ter zake van te weinig betaalde PBL-uren, te vermeerderen met de wettelijke rente als omschreven en de wettelijke verhoging ad € 1.764,59, subsidiair € 1.446,96 bruto;

V. betaling van een bedrag van € 558,37 aan buitengerechtelijke incassokosten;

VI. verstrekking van een deugdelijke bruto-/netto specificatie van de betalingen, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag(deel);

VII. veroordeling van Pergamijn in de kosten van de procedure.

3.2.

Pergamijn voert verweer.

3.3.

De kantonrechter bespreekt de stellingen van partijen bij de beoordeling.

4 De beoordeling

4.1.

[werkneemster] kan worden ontvangen in haar verzoeken tot uitbetaling van de resterende transitievergoeding en een billijke vergoeding, nu deze tijdig zijn ingediend (artikel 7:686a BW). De overige vorderingen zijn aan te merken als nevenvorderingen en kunnen op grond van het bepaalde in artikel 7:686a lid 3 BW in deze verzoekschriftprocedure worden behandeld.

De resterende transitievergoeding (I)

4.2.

[werkneemster] stelt dat Pergamijn aan haar een te laag bedrag aan transitievergoeding heeft uitbetaald, omdat bij de berekening geen rekening is gehouden met de loonsverhoging per 1 juli 2016. [werkneemster] is van mening dat de transitievergoeding € 20.799,26 bruto bedraagt en vordert betaling van het verschil ad € 415,74, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 5 augustus 2016.

Pergamijn erkent dat de transitievergoeding moet worden berekent aan de hand van salaris zoals dat op 4 juli 2016 gold. Zij stelt per abuis te weinig te hebben uitbetaald. Pergamijn weerspreekt de door [werkneemster] gemaakte berekening noch de rente, zodat het gevorderde sub I kan worden toegewezen.

De wettelijk verhoging en de wettelijke rente over de niet-tijdig uitbetaalde meeruren (III)

4.3.

[werkneemster] stelt dat Pergamijn de meeruren ten bedrage van € 804,19 bruto te laat aan haar heeft uitbetaald, namelijk pas op 29 augustus 2016 in plaats van op 5 juli 2016. [werkneemster] is daarom van mening dat Pergamijn aan haar de wettelijke verhoging en de wettelijke rente over de tussenliggende periode aan haar dient te voldoen.

4.4.

De kantonrechter overweegt als volgt.

Alle vergoedingen voor in loondienst verrichte werkzaamheden worden aangemerkt als loon. In dit geval dient de vergoeding voor meeruren daar ook onder te worden begrepen. Vaststaat dat die vergoeding niet is betaald aan [werkneemster] bij de eindafrekening in verband met het einde van het dienstverband. Van omstandigheden waarin het niet uitbetalen van de meeruren niet aan Pergamijn kan worden toegerekend is niet gebleken. Dat Pergamijn geen concept-(eind)afrekeningen verstrekt, zoals door haar ter zitting is gesteld, komt voor haar eigen rekening en risico. Voorts heeft Pergamijn haar stelling ter zitting, dat het om administratieve redenen niet mogelijk was om bij het einde van het dienstverband in juli reeds tot betaling over te gaan, niet nader toegelicht of onderbouwd, zodat de kantonrechter daaraan voorbij gaat. Het voorgaande maakt dat [werkneemster] aanspraak heeft op de wettelijke verhoging wegens vertraging bij de uitbetaling van die vergoeding. Dat Pergamijn de fout uiteindelijk zelf heeft rechtgezet siert haar, maar maakt dit niet anders.

Tussen partijen is vervolgens in geschil vanaf welk moment de wettelijke verhoging c.q. de wettelijke rente verschuldigd is; vanaf 5 juli 2016 zoals [werkneemster] stelt of eerst vanaf 4 augustus 2016 zoals Pergamijn stelt. Pergamijn onderbouwt haar standpunt met een verwijzing naar de Parlementaire Geschiedenis bij artikel 7:686a BW (naar de kantonrechter begrijpt: Kamerstukken II 2013/14, 33818, 3, p. 120-121). Dit betoog slaagt naar het oordeel van de kantonrechter niet, nu in de Parlementaire Geschiedenis eveneens uitdrukkelijk is bepaald dat in het wetsvoorstel geen aanleiding is gezien om voor de overige bedragen die partijen over en weer te vorderen hebben in het kader van het einde van de arbeidsovereenkomst een vergelijkbare regeling te treffen (Kamerstukken I 2013/2014, 33181, C, p.115).

Van andere omstandigheden die vervolgens zouden moeten leiden tot een matiging of aanpassing van de verschuldigde verhoging en rente is niets gesteld of gebleken.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de gevorderde wettelijke verhoging ad € 402,10 en wettelijke rente ad € 2,42 toewijsbaar zijn, nu de bedragen niet zijn betwist.

Te weinig uitbetaalde PBL-uren, wettelijke verhoging en wettelijke rente (IV)

4.5.

Pergamijn heeft geen verweer gevoerd tegen de vordering betreffende de te weinig uitbetaalde PBL-uren ad € 202,97 bruto, zodat deze toewijsbaar is. Pergamijn heeft tegen de gevorderde wettelijke verhoging en de wettelijke rente geen ander verweer gevoerd dan als hiervóór sub 4.4 vermeld ten aanzien van de meeruren. De kantonrechter acht de (primaire) vordering ad € 1.764,59 en de rente ad € 10,61 (plus pm) toewijsbaar en verwijst ter verdere motivering naar punt 4.4.

Billijke vergoeding (II)

4.6.

[werkneemster] baseert haar vordering op artikel 7:682 lid 1 sub c BW. Op grond van dit artikel kan de kantonrechter [werkneemster] een billijke vergoeding toekennen indien de arbeidsovereenkomst opgezegd is wegens langdurige arbeidsongeschiktheid en wanneer het ontslag wegens ziekte het gevolg is van ernstig en verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. [werkneemster] wijst op de wetsgeschiedenis waarin is vermeld dat dit ernstig verwijtbaar handelen betrekking kan hebben op het niet voldoen aan de verplichting de werknemer te re-integreren, maar waarvan ook sprake kan zijn indien de arbeidsongeschiktheid het gevolg is van onvoldoende zorg van de werkgever voor de arbeidsomstandigheden. Volgens [werkneemster] doen beide gevallen zich hier voor, evenals het in de wetsgeschiedenis genoemde geval dat de arbeidsverhouding tussen de werkgever en de werknemer is verstoord als gevolg van laakbaar gedrag van de werkgever.

4.6.1

Volgens [werkneemster] is zij om te beginnen arbeidsongeschikt geraakt als gevolg van haar werk. [werkneemster] stelt ter toelichting dat zij per 1 juli 2011 als beginnend teamleider is aangesteld bij twee “moeilijke” groepen. Eén van de twee groepen was in verhouding bijzonder groot en de andere groep stond bekend als een groep met moeilijke medewerkers en ouders van cliënten. Dat de groepen bekend stonden als moeilijk blijkt volgens [werkneemster] uit het feit dat daar in het verleden ook al andere teamleiders op stuk zijn gelopen. Verder is het volgens [werkneemster] zo dat het leidinggeven aan twee verschillende groepen op twee verschillende locaties hoe dan ook meer belastend is dan het leidinggeven aan één groep op één locatie. Gelet op dit alles was het voor Pergamijn duidelijk althans had het voor Pergamijn duidelijk moeten zijn dat [werkneemster] bovenmatig belast zou worden.

4.6.2

Pergamijn betwist dat [werkneemster] arbeidsongeschikt is geraakt als gevolg van het werk. Volgens Pergamijn is de functie waarin [werkneemster] voorafgaand aan haar ziekmelding heeft gewerkt objectief gezien ook niet te zwaar. Andere werknemers (met gelijke achtergronden) in de functie van teamleider geven niet aan dat er sprake is van een te hoge werkdruk. [werkneemster] zelf heeft dit ook nooit gedaan, terwijl van structureel overwerk ook niet is gebleken. Ter zitting heeft Pergamijn daar nog aan toegevoegd dat de groepen niet bijzonder moeilijk waren; het ging niet om als zwaar gekwalificeerde groepen. De gang van zaken was aldus dat er een vacature was voor teamleidster op die groepen waarop [werkneemster] heeft gesolliciteerd. Het is niet zo dat [werkneemster] door Pergamijn welbewust op moeilijke groepen is gezet. [werkneemster] was volgens Pergamijn gewoonweg niet geschikt voor de functie van teamleidster.

4.6.3

De kantonrechter overweegt als volgt.

Voor zover al zou moeten worden geoordeeld dat [werkneemster] ziek is geworden als gevolg van het werk, is niet althans onvoldoende komen vast te staan dat Pergamijn daarvan een verwijt, laat staan een ernstig verwijt, kan worden gemaakt. [werkneemster] heeft onder punt 6.2 van het verzoekschrift weliswaar gesteld dat van Pergamijn als werkgever verwacht mag worden dat zij ervoor zorgt dat de werkdruk niet te hoog is en de werknemers een veilige werkomgeving hebben, maar dat er bij Pergamijn sprake was van een te hoge werkdruk en een onveilige werkomgeving heeft zij onvoldoende gesteld en ook niet onderbouwd. Zo heeft [werkneemster] haar stelling, dat in het verleden ook andere teamleiders op de betreffende groepen zijn stukgelopen, niet onderbouwd. Gelet op de betwisting door Pergamijn ter zitting had zij dit wel moeten doen. Dat Pergamijn blijkens het arbeidsdeskundig rapport (productie 16B bij het verzoekschrift) zou hebben verklaard dat [werkneemster] toch net overvraagd is geweest als teamleider op een niet gemakkelijke groep, acht de kantonrechter onvoldoende onderbouwing, omdat dit “overvraagd zijn” ook kan zijn gelegen in de mogelijke ongeschiktheid van [werkneemster] voor de functie van teamleidster. De overige in het verzoekschrift en ter zitting genoemde producties kunnen evenmin als onderbouwing dienen.

4.7.1

[werkneemster] is in de tweede plaats van mening dat Pergamijn ernstig tekort is geschoten in de nakoming van haar re-integratieverplichtingen. Om te beginnen heeft Pergamijn het functioneren van [werkneemster] in de functie van teamleidster opnieuw ter discussie gesteld na de ziekmelding van [werkneemster] . Pergamijn heeft [werkneemster] op oneigenlijke wijze onder druk gezet om (in afwijking van het bepaalde in artikel 7:658a BW) te kiezen voor re-integratie in een andere functie dan teamleidster, hoewel [werkneemster] medisch gezien wel kon re-integreren in haar eigen functie. Pergamijn heeft de klachten van [werkneemster] laten toenemen doordat zij, in strijd met de wens van [werkneemster] , haar heeft trachten te re-integreren in een zorggerelateerde functie, terwijl uit de rapportage van de arbeidsdeskundige en het belastbaarheidsprofiel van de bedrijfsarts al afgeleid had kunnen worden dat dit niet haalbaar zou zijn. Dat laatste is ook door het UWV geconcludeerd in haar deskundigenoordeel. Pergamijn is desondanks blijven aansturen op re-integratie in een zorggerelateerde functie, ook toen de fysieke klachten van [werkneemster] aanhielden en zelfs verergerden. [werkneemster] verwijt Pergamijn dat zij onvoldoende heeft getracht haar te re-integreren in een ondersteunende administratieve functie. Door te focussen op een zorggerelateerde functie is niet alleen tijd verloren gegaan, maar zijn ook re-integratiemogelijkheden blijven liggen en is de gezondheid van [werkneemster] geschaad. Voor zover een en ander niet aanstonds kenbaar had moeten zijn voor Pergamijn, geldt in ieder geval dat dit al snel na de (proef)plaatsing van [werkneemster] op de locatie [X] duidelijk had moeten zijn. [werkneemster] had immers kort na de start al aangegeven dat het werk haar fysiek zwaar viel en dat zij klachten ervoer. Pergamijn heeft haar desondanks op die locatie laten doorwerken totdat de arbeidsdeskundige ongeveer één maand later concludeerde dat [werkneemster] op een lichtere groep van een hoger niveau ingezet diende te worden.

4.7.2

Pergamijn stelt zich op het standpunt dat zij de op haar rustende re-integratieverplichtingen niet ernstig heeft veronachtzaamd. Bovendien betwist Pergamijn dat er sprake was van een verstoorde arbeidsrelatie. Pergamijn heeft [werkneemster] als werknemer altijd zeer gewaardeerd en het was wel degelijk haar intentie [werkneemster] binnen de eigen organisatie te herplaatsen.

4.7.3

De kantonrechter overweegt als volgt.

Vooropgesteld wordt dat het re-integratietraject niet vlekkeloos is verlopen. Daar zijn partijen het eigenlijk wel over eens. De kantonrechter is van oordeel dat enig verwijt Pergamijn daarvan wel te maken valt. Zo valt niet in te zin waarom Pergamijn [werkneemster] in eerste instantie heeft getracht te laten re-integreren in de functie van cliëntbegeleider, niet zijnde de door de arbeidsdeskundige geadviseerde functie van senior cliëntbegeleider. Deze laatstgenoemde functie zou fysiek minder zwaar zijn dan de eerstgenoemde functie en daardoor aangewezen, gelet op de fysieke beperkingen van [werkneemster] . Dat op dat moment geen seniorfunctie voorhanden was vanwege de reorganisatie neemt niet weg dat Pergamijn met het plaatsen van [werkneemster] in de functie van cliëntbegeleider het risico heeft genomen van hernieuwde uitval of, zoals in het geval van [werkneemster] , van een toename van de klachten. Niettemin heeft Pergamijn begin februari 2014 de draad opnieuw opgepakt door [werkneemster] als volwaardig teamlid in een seniorfunctie te laten meedraaien. Dit leek goed te gaan, maar [werkneemster] bleef fysieke en energetische klachten houden. Zoals ieder re-integratieproces vele onzekerheden bevat, valt ook hier echter niet met zekerheid te zeggen of het herstel anders was verlopen als [werkneemster] wel meteen als senior cliëntbegeleidster was geplaatst. Dat Pergamijn heeft ingezet op re-integratie in een zorggerelateerde functie, acht de kantonrechter wel begrijpelijk. Allereerst moet niet uit het oog worden verloren dat [werkneemster] zich op basis van de arbeidsovereenkomst had verbonden tot het verrichten van werk in de zorg. Verder had de arbeidsdeskundige geoordeeld dat het werken als senior cliëntbegeleider mogelijk haalbaar was, waarbij de arbeidsdeskundige opmerkte dat de kansen op vacatures het grootst zijn in de uitvoerende zorg. Voldoende is komen vast te staan dat er buiten de zorg geen andere passende functies binnen Pergamijn voorhanden waren. Pergamijn heeft immers gesteld dat er een reorganisatie binnen haar organisatie gaande was en dat zij te maken had met herplaatsingskandidaten jegens wie zij herplaatsingsverplichtingen had. [werkneemster] heeft dit onvoldoende gemotiveerd weersproken.

De kantonrechter deelt de opvatting van [werkneemster] , dat Pergamijn door middel van jobcarving een passende functie voor haar had moeten creëren, niet. In het algemeen geldt op dit punt dat op grond van de omstandigheden van de werkgever een grotere inspanning verwacht mag worden, bijvoorbeeld als de werkgever een verwijt kan worden gemaakt van het feit dat de werknemer wegens ziekte is uitgevallen. In het voorgaande is evenwel reeds geoordeeld dat dit hier niet is komen vast te staan. Evenmin is komen vast te staan dat Pergamijn [werkneemster] ongeoorloofd onder druk heeft gezet de functie van teamleidster op te geven. Anders dan [werkneemster] heeft gesteld, getuigt het niet van slecht werkgeverschap om het functioneren als teamleidster te betrekken bij de re-integratie(doelstelling). Het komt eerder open en eerlijk voor, ook al is dat op dat moment pijnlijk voor [werkneemster] . [werkneemster] heeft voor het overige onvoldoende onderbouwd gesteld waarom van Pergamijn redelijkerwijs verwacht had mogen worden een passende functie te creëren.

Al met al komt de kantonrechter tot de eindconclusie dat het re-integratietraject wellicht beter had gekund, maar daarmee is het handelen van Pergamijn niet per definitie ernstig verwijtbaar.

4.8.

Tot slot heeft [werkneemster] niet onderbouwd haar stelling dat sprake is geweest van een verstoorde arbeidsverhouding.

4.9.

Al het voorgaande leidt tot het eindoordeel dat de gevorderde billijke vergoeding zal worden afgewezen.

Buitengerechtelijke incassokosten (V)

4.10.

[werkneemster] vordert een bedrag van € 558,37 aan buitengerechtelijke incassokosten. Pergamijn betwist dat buitengerechtelijke incassokosten zijn gemaakt.

De kantonrechter acht toewijzing van een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten toewijsbaar, nu uit de stukken blijkt dat partijen in mei 2016 met elkaar hebben moeten corresponderen over de verschuldigdheid van de transitievergoeding; immers Pergamijn betwijfelde aanvankelijk deze verschuldigd te zijn. Dat de transitievergoeding toen nog niet opeisbaar was, doet daaraan niets af. Gelet op het staffeltarief acht de kantonrechter het gevorderde bedrag toewijsbaar.

Bruto-/netto specificaties (VI)

4.11.

De vordering is toewijsbaar met dien verstande dat de dwangsom wordt gemaximeerd op een bedrag van € 5.000,00.

Proceskosten (VII)

4.12.

In de uitkomst van de procedure ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten te compenseren in die zin, dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt Pergamijn om aan [werkneemster] binnen twee weken na betekening van deze beschikking tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de resterende transitievergoeding ad € 415,74 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 6W vanaf 5 augustus 2016 tot aan de dag van voldoening;

5.2.

veroordeelt Pergamijn om aan [werkneemster] binnen twee weken na betekening van deze beschikking tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te betalen (a) de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 6W ter hoogte van € 402,10 vanwege het niet tijdig uitbetalen van de meeruren en (b) de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over voornoemd bedrag ter hoogte van € 2,42;

5.3.

veroordeelt Pergamijn om aan [werkneemster] binnen twee weken na betekening van deze beschikking tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te betalen: (a) een bedrag van € 202,97 bruto ter zake van de te weinig betaalde PBL-uren, (b) de wettelijke rente ex artikel 6:119 6W ad € 10,61 ten aanzien van de te laat betaalde PBL-uren tot en met 28 augustus 2016, (c) de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over € 202,97 bruto (te weinig betaald ten aanzien van PBL-uren), vanaf 29 augustus 2016 tot de dag der voldoening en (d) een wettelijke verhoging ex artikel 7:625 6W ter hoogte van € 1.764,59;

5.4.

veroordeelt Pergamijn om aan [werkneemster] binnen twee weken na betekening van deze beschikking tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te betalen de buitengerechtelijke incassokosten ad € 558,37;

5.5.

veroordeelt Pergamijn om van alle hiervoor genoemde betalingen aan [werkneemster] binnen twee weken na betaling een deugdelijke bruto- / netto specificatie te doen toekomen op straffe van een dwangsom van € 100,00 voor iedere dag of dagdeel dat verweerster nalaat aan deze verplichting te voldoen, met dien verstande dat boven het bedrag van € 5.000,00 geen dwangsommen worden verbeurd;

5.6.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.7.

compenseert de proceskosten in die zin, dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;

5.8.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gewezen door mr. A.H.M.J.F. Piëtte en in het openbaar uitgesproken.

type: EB

coll: