Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:9981

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
24-10-2016
Datum publicatie
22-11-2016
Zaaknummer
5268471 AZ VERZ 16-161
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om transitievergoeding afgewezen. Sprake was van een beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-1341
AR 2016/3457

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Burgerlijk recht

Zaaknummer: 5268471 AZ VERZ 16-161

Beschikking van 24 oktober 2016

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonend te [woonplaats] ,

verzoekende partij,

gemachtigde mr. H. Kraimi

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid super game b.v.,

gevestigd te Heerlen,

verwerende partij,

gemachtigde mr. S.X.J. Zuidema.

Partijen zullen hierna [verzoekster] en SG genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift van 29 juli 2016 met acht producties

  • -

    het verweerschrift met elf producties

  • -

    de nagekomen productie 9 van de zijde van [verzoekster] .

1.2.

Ten slotte is beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verzoekster] is vanaf 15 november 2000 krachtens arbeidsovereenkomst in dienst geweest van SG in de functie van medewerker amusementscenter voor 40 uur per week.

2.2.

Tijdens een gesprek op 10 december 2015 heeft SG [verzoekster] ermee geconfronteerd dat zij haar verdenkt van diefstal van gelden en met het gegeven dat [verzoekster] tegen de instructies in op 5 en 6 december 2015 toegang tot het pand van SG had verleend aan een persoon die op een (interne) zwarte lijst geplaatst stond.

2.3.

Een dag later, op 11 december 2015, hebben partijen een schriftelijke overeenkomst ter zake van de beëindiging van hun arbeidsovereenkomst getekend (productie 4 bij verzoekschrift, verder te noemen: de overeenkomst), waarin onder meer en voor zover hier relevant het navolgende is opgenomen:

“- dat werkgever een beëindiging van de arbeidsovereenkomst tussen partijen wenst na te streven, nu in de loop van het dienstverband is gebleken dat werkgever en werkneemster van mening verschillen over de wijze waarop werkneemster invulling dient te geven aan haar werkzaamheden (…)

  • -

    dat werkgever en werkneemster het erover eens zijn dat de ontstane situatie onoplosbaar is, doch dat deze aan geen van beide partijen is te verwijten; (…)

  • -

    dat werkgever de onderhavige beëindigingsovereenkomst aan werkneemster heeft voorgelegd en werkneemster gewezen heeft op de eventuele consequenties van het aangaan van deze overeenkomst; (…)

  1. De tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst zal met wederzijds goedvinden eindigen per 1 mei 2016 (…)

  2. Werkneemster heeft bij de aanzegging van de beëindiging bedongen, dat rekening wordt gehouden met de reguliere opzegtermijn, mede reden waarom de datum van beëindiging op 1 mei 2016 is gesteld en hierdoor ruim aan is voldaan.

  3. Partijen hebben overleg gevoerd en komen hierbij overeen dat werkneemster vanaf heden tot en met 30 april 2016 wordt vrijgesteld van arbeid een en ander met behoud van het haar toekomende loon. (…)

  4. Partijen zullen zich zoveel mogelijk inspannen om te bewerkstelligen dat een eventuele aanspraak op uitkeringsrechten aan werknemer toegekend wordt. (…)

18. Partijen verklaren, dat zij na effectuering van het bovenstaande niets meer van elkaar te vorderen hebben en elkaar finale kwijting verlenen, (…)Partijen doen, voor zover rechtens mogelijk, uitdrukkelijk afstand van het recht de onderhavige overeenkomst te doen vernietigen, in het bijzonder wegens wilsgebreken, of te ontbinden, respectievelijk om daarvan vernietiging of ontbinding te vorderen. (…)

21. Deze overeenkomst is een vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 7:900 BW. (…)

24. De werkneemster kan binnen veertien dagen na ondertekening schriftelijk terugkomen op zijn gegeven akkoord, zonder opgaaf van redenen.

3 Het geschil

3.1.

[verzoekster] verzoekt de veroordeling van SG tot betaling van een transitievergoeding ad € 28.375,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente ‘vanaf het opeisbaar worden van dat bedrag’ tot aan de dag van voldoening, inclusief een schriftelijke netto/bruto specificatie dienaangaande op straffe van verbeurte van een dwangsom, alsmede tot betaling van € 1.281,09 als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, een en ander onder verwijzing van SG in de proceskosten met rente en de nakosten.

3.2.

SG heeft gemotiveerd verweer gevoerd, waarop hierna voor zover nodig zal worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het primaire verweer van [verzoekster] luidt dat geen sprake is van een beëindigingsovereenkomst maar van een opzegging door SG, waarmee [verzoekster] - ‘onder druk’- heeft ingestemd. Dit verweer kan niet slagen. De benaming (de overeenkomst vermeldt in grote dikgedrukte letters het woord “BEËINDIGINGSOVEREENKOMST” in de kop) , vormgeving en inhoud (zoals hierboven deels is geciteerd) van de overeenkomst wijzen er onmiskenbaar op dat het gaat om een vaststellingsovereenkomst en niet om een opzegging door SG waarmee door [verzoekster] ‘slechts’ is ingestemd. De zinsnede dat de werkgever een beëindiging van de arbeidsovereenkomst tussen partijen wenst na te streven, maakt dit niet anders, reeds omdat aannemelijk is dat het doel van opnemen van die passage gelegen is geweest in het kader van het veilig stellen van uitkeringsrechten van [verzoekster] . Daarnaast is in de overeenkomst nota bene een opzegtermijn van viereneenhalve maand opgenomen, waarbij [verzoekster] gedurende die periode is vrijgesteld van het verrichten van de bedongen arbeid. Op grond van het bovenstaande staat naar het oordeel van de kantonrechter vast dat er tussen partijen sprake is geweest van een beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden. Een transitievergoeding ex art. 7:673 lid 1 BW is dan ook niet aan de orde.

4.2.

[verzoekster] voert tevens aan dat SG niet aan haar mededelingsplicht heeft voldaan door geen gewag te maken (mondeling noch schriftelijk in de overeenkomst) van een eventuele transitievergoeding, terwijl [verzoekster] niet op de hoogte was van haar eventuele rechten dienaangaande. Dit verweer kan evenmin slagen nu van een mededelingsplicht ter zake van het bestaan van een eventueel recht op een transitievergoeding geen sprake is. De wetgever heeft bewust verschillende mededelingsplichten in de Wet Werk en Zekerheid opgenomen, maar geen daarvan ziet op een algemene spreekplicht voor de werkgever om bij de onderhandelingen omtrent het einde van de arbeidsovereenkomst te wijzen op de mogelijke aanspraak op een transitievergoeding. Daar komt nog bij dat de werknemer op grond van artikel 7:670b veertien (dan wel 21) dagen bedenktijd heeft (hetgeen ook netjes in de overeenkomst staat vermeld) en dat is voldoende tijd om als werknemer informatie in te winnen over de rechten en plichten bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en de financiële voorwaarden daarbij.

4.3.

Ten slotte voert [verzoekster] nog aan dat de overeenkomst is gesloten onder druk van SG (door met een aangifte van diefstal bij de politie te dreigen). Op grond daarvan is de overeenkomst volgens [verzoekster] vernietigbaar. Gesteld noch gebleken is echter dat [verzoekster] de overeenkomst buitengerechtelijk heeft vernietigd of dat zij die in een gerechtelijke (dagvaarding-)procedure op die grond heeft laten vernietigen (nog daargelaten de vraag of dit laatste wel mogelijk is gezien het feit dat zulks in de overeenkomst expliciet wordt uitgesloten).

4.4.

Voor wat het waard is merkt de kantonrechter nog op dat in deze procedure in ieder geval op geen enkele wijze van enig misbruik van omstandigheden door SG is gebleken. Dat [verzoekster] het gesprek op 10 december 2015 wellicht als onprettig heeft ervaren, is - wat daar ook verder van zij - daartoe volstrekt ontoereikend, maar belangrijker is dat deze verzoekschriftprocedure zich niet leent voor een vordering tot vernietiging van een overeenkomst op grond van wilsgebreken.

4.5.

Het verzoek van [verzoekster] zal dus worden afgewezen.

4.6.

[verzoekster] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van SG tot de datum van dit vonnis begroot op € 400,00 aan salaris gemachtigde.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

wijst het verzoek af,

5.2.

veroordeelt [verzoekster] tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van SG tot de datum van dit vonnis begroot op € 400,00,

5.3.

verklaart deze beschikking voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.J. Groen en is in het openbaar uitgesproken.

RK