Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:995

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
05-02-2016
Datum publicatie
05-02-2016
Zaaknummer
03/249283-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van medeplegen van verduistering in dienstbetrekking dan wel verduistering. Er is geen sprake geweest van het goed onder zich hebben, zoals bedoeld in artikel 321 juncto artikel 322 van het Wetboek van Strafrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/249283-14

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 5 februari 2016

in de strafzaak tegen

[Verdachte]

[Geboortegegevens]

[Adresgegevens]

De verdachte wordt bijgestaan door zijn raadsman mr. H.M.W. Daamen, kantoorhoudende te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 22 januari 2016. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

samen met een ander een grote hoeveelheid staal heeft verduisterd in dienstbetrekking, dan wel deze hoeveelheid staal heeft verduisterd.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde medeplegen van verduistering in dienstbetrekking kan worden bewezen.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman is van mening dat verdachte moet worden vrijgesproken. Hij heeft onder meer aangevoerd dat medeverdachte [Naam medeverdachte] weliswaar op meerdere momenten staal van zijn werkgever heeft weggenomen, maar dat het staal ten tijde van het wegnemen niet aan hem was toevertrouwd. Medeverdachte [Naam medeverdachte] heeft het staal immers steeds buiten werktijd op het bedrijfsterrein van zijn werkgever weggenomen, op tijdstippen waarop het niet was toegestaan het bedrijfsterrein te betreden. Daarnaast genoot medeverdachte [Naam medeverdachte] ten tijde van het wegnemen van het staal ziekteverlof, waardoor geen sprake was van het onder zich hebben van staal uit hoofde van een dienstbetrekking. Als gevolg van de hiervoor omschreven omstandigheden kan het aan verdachte tenlastegelegde medeplegen van verduistering in dienstbetrekking dan wel eenvoudige verduistering niet worden bewezen.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

In de tenlastegelegde periode heeft medeverdachte [Naam medeverdachte] meermalen buiten reguliere werktijd op het bedrijfsterrein van zijn werkgever, [Bedrijfsnaam] , een hoeveelheid staal weggenomen. Medeverdachte [Naam medeverdachte] bewerkte met een machine een rol staal tot staalplaten, waarna verdachte, de koper van de staalplaten, deze telkens met zijn vrachtwagen op het bedrijfsterrein kwam ophalen. Hoewel medeverdachte [Naam medeverdachte] ziekteverlof genoot, had hij toegang tot het bedrijfsterrein, doordat hij beschikte over een sleutel en de code van het alarmsysteem. Blijkens de aangifte van zijn werkgever had medeverdachte [Naam medeverdachte] geen toestemming het bedrijfsterrein te betreden op het moment dat het bedrijf gesloten was.

Aldus heeft medeverdachte [Naam medeverdachte] zich meermalen buiten reguliere werktijd, wanneer het bedrijf gesloten was, naar het bedrijfsterrein begeven met het oogmerk daar staal toebehorende aan zijn werkgever weg te nemen, waarbij hij zich steeds op oneigenlijke wijze toegang tot het bedrijf heeft verschaft. Het staal was dus niet uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking aan medeverdachte [Naam medeverdachte] toevertrouwd gedurende de tijdspanne dat hij dit met een machine bewerkte en vervolgens overdroeg aan verdachte.

Gelet op de bovenomschreven omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat medeverdachte [Naam medeverdachte] het weggenomen staal nooit onder zich heeft gehad, zoals bedoeld in artikel 321 juncto artikel 322 van het Wetboek van Strafrecht. Als gevolg hiervan acht de rechtbank de aan medeverdachte [Naam medeverdachte] tenlastegelegde verduistering in dienstbetrekking dan wel eenvoudige verduistering niet bewezen. Daarom acht de rechtbank het aan verdachte tenlastegelegde medeplegen van verduistering in dienstbetrekking dan wel medeplegen van verduistering evenmin bewezen. Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken.

4 De benadeelde partij

4.1

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij vordert een schadevergoeding van € 63.712,81 te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 10 maart 2014 tot aan de dag van algehele voldoening.

4.2

Het oordeel van de rechtbank

Nu verdachte van het tenlastegelegde zal worden vrijgesproken, zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in haar vordering niet ontvankelijk is.

De rechtbank acht het niet billijk indien de benadeelde partij de kosten dient te betalen die door verdachte in het kader van de vordering zijn gemaakt. Om die reden zal zij de in het kader van de vordering door de benadeelde partij en verdachte gemaakte kosten compenseren, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van het tenlastegelegde;

Benadeelde partij

  • -

    verklaart de benadeelde partij, [Bedrijfsnaam] , gevestigd te [vestigingsgegevens] , niet-ontvankelijk in haar vordering;

  • -

    compenseert de kosten van partijen, in het kader van de vordering gemaakt, in

die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P.C. Dijkshoorn-Sleebe, voorzitter, mr. E.H.A.F.M. Krol en mr. P.M.S. Dijks, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.C. Smeets, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 5 februari 2016.

Buiten staat

Mr. P.M.S. Dijks is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat

hij, in of omstreeks de periode van 20 oktober 2013 tot en met 10 maart 2014, in de gemeente Maastricht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk staal, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan [Bedrijfsnaam] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en welk(e) goed(eren) verdachte en/of zijn mededader(s) uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking van/als medewerker, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;