Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:992

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
08-02-2016
Datum publicatie
08-02-2016
Zaaknummer
03.037820-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

“Artikel 266 Wetboek van Strafrecht; artikel 22 Gemeentewet; artikel 10 EVRM;

Veroordeling voor eenvoudige belediging. De uitlating “Du Verkenskop” (jij varkenskop) is door verdachte gedaan tijdens een informele bijeenkomst, nadat de raadsvergadering was geschorst. Verdachte kan daarom geen beroep doen op onschendbaarheid op grond van artikel 22 van de Gemeentewet. De uitlating kan ook niet worden beschouwd als een bijdrage aan een politiek of maatschappelijk debat. Dat leidt de politierechter tot het oordeel dat aan de verdachte geen beroep op artikel 10, eerste lid, van het EVRM of op artikel 266, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht toekomt.” De politierechter verwijst naar een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 8 september 2015 (ECLI:NL:GHDHA:2015:2416).”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2016/76
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03.037820-15

Tegenspraak

Vonnis van de politierechter d.d. 8 februari 2016

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboortedatum] ,

wonende te [adres verdachte] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. Van Geelkerken, advocaat, kantoorhoudende te Heerlen.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 25 januari 2016. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking jegens de verdachte houdt in dat,

hij op of omstreeks 27 januari 2015 in de gemeente Brunssum, [slachtoffer] in diens tegenwoordigheid mondeling opzettelijk heeft beledigd, door het volgende tegen hem te zeggen: “Du Verkenskop”(“jij varkenskop”), althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

3 De voorvragen

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is.

Bevoegdheid politierechter en ontvankelijkheid van de officier van justitie

Het verweer van de raadsman:

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank niet bevoegd is dan wel dat de officier van justitie niet ontvankelijk is in haar vervolging omdat de verdachte als deelnemer aan een beraadslaging/vergadering immuniteit geniet en onschendbaar is op grond van, voor zover hier relevant, artikel 22 van de Gemeentewet. De vergadering van de raad is niet geschorst geweest, omdat het bepaalde in de artikelen 25, vijfde dan wel zesde lid dan wel artikel 26, tweede lid van het Reglement van Orde voor de vergadering en andere werkzaamheden van de gemeenteraad van Brunssum 2014 (gemeenteblad: 2014/48) (hierna: Reglement van orde) niet in acht is genomen. Raadsleden moeten zich in het publieke belang zonder terughoudendheid kunnen uiten. Gekozen volksvertegenwoordigers dienen te verkeren in een positie dat zij het bestuur en elkaar zonder enige juridische belemmering in gevolge strafrechtelijk of civielrechtelijke aansprakelijkheid op pittige wijze kunnen aanspreken. Om die reden dient de rechter uit de politieke arena te worden gehouden en dient de rechtbank zich onbevoegd, althans dient het openbaar ministerie niet ontvankelijk te worden verklaard.

Het standpunt van de officier van justitie:

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte niet onschendbaar is, omdat de uitlating die hij heeft gedaan, is gedaan nadat de raadsvergadering is geschorst. Dat betekent ook dat de officier op grond van het opportuniteitsbeginsel verdachte mag vervolgen voor belediging. De officier van justitie heeft nog gesteld dat iemand beledigen door te zeggen “Du Verkenskop” ook niets met politiek te maken heeft, het is niet nodig voor het goed functioneren van de democratische samenleving. Het is een zuiver persoonlijke aangelegenheid, wat [slachtoffer] ook bij de rechter-commissaris heeft verklaard.

Het oordeel van de politierechter

De politierechter is van oordeel dat de trias politica (de machtenscheiding tussen wetgever, uitvoerende macht en rechtspraak) er niet toe leidt dat de rechter onbevoegd is om kennis te nemen van een beschuldiging van eenvoudige belediging, als in dit geval. Het zou wel kunnen leiden tot een niet ontvankelijkheid van de officier van justitie in zijn vervolging. De politierechter overweegt dat de officier van justitie een grote vrijheid toekomt om te bepalen welke zaken zij vervolgt. De politierechter past daarbij terughoudendheid. De officier van justitie is in beginsel bevoegd tot vervolging voor belediging. Dit is anders, als moet worden vastgesteld dat de verdachte immuniteit kan ontlenen aan het bepaalde in artikel 22 van de Gemeentewet. De vraag die dan ook beantwoord moet worden, is of verdachte zich terecht op immuniteit beroept. De politierechter overweegt daarover als volgt.1

Op grond van getuigenverklaringen2 en de verklaring van verdachte3 zelf staat naar het oordeel van de politierechter vast, dat de raadsvergadering van 27 januari 2015 op enig moment door de burgemeester is geschorst. De aanwezigen hebben dat ook als zodanig begrepen. Dat de burgemeester de raadsvergadering op 27 januari 2015 heeft geschorst, is ook te zien op de beeldfragmenten4 (op internet) van deze raadsvergadering.

Naar het oordeel van de politierechter valt niet in te zien waarom de burgemeester tot die schorsing niet bevoegd zou zijn. Immers, ingevolge artikel 25, vijfde lid, van het Reglement van orde, voor zover hier relevant, kan de voorzitter ter handhaving van de orde de vergadering voor een door hem te bepalen tijd schorsen. Het enkele feit dat een raadslid de burgemeester daartoe oproept, doet aan de bevoegdheid van de burgemeester niet af.

Voor zover de raadsman beoogt te stellen dat de procedure van artikel 26, tweede lid, van het Reglement van orde, ten onrechte niet is toegepast, kan de politierechter de raadsman niet volgen. Immers, het verzoek tot schorsen van de raadsvergadering van het betreffende raadslid is niet aan de raad gericht geweest.

[slachtoffer] 5 heeft bij de politie aangegeven dat, nadat de raadsvergadering van 27 januari 2015 is geschorst naar aanleiding van een opmerking van de verdachte jegens de burgemeester (te weten, “achterlijke Heini”), er overleg plaatsgevonden heeft op de kamer van de burgemeester, - dus niet in de raadszaal - waarbij de fractievoorzitters en enkele raadsleden aanwezig waren, waaronder [slachtoffer] zelf. Op enig moment is verdachte erbij gehaald met de vraag om zijn excuses aan te bieden. Toen heeft verdachte [slachtoffer] tweemaal beledigd, door hem in het dialect uit te schelden voor “Varkenskop”. Bij de rechter-commissaris6 heeft [slachtoffer] bevestigd dat verdachte de uitlatingen heeft gedaan tijdens de schorsing op de kamer van de burgemeester. Hij heeft verklaard dat hij vaker door verdachte is beledigd. Het is volgens hem een persoonlijke aangelegenheid, die niets met politiek te maken heeft. Ook de getuigen [getuige 1]7 en [getuige 2]8 en [getuige 3]9 verklaren bij de politie evenals bij de rechter-commissaris dat verdachte de tenlastegelegde uitlating jegens [slachtoffer] heeft gedaan op de kamer van de burgemeester tijdens de schorsing van de raadsvergadering van 27 januari 2015. Getuige [getuige 4]10 heeft bij de politie en rechter-commissaris verklaard dat tijdens de schorsing verdachte erbij is gehaald om een en ander in der minne te schikken. Verdachte stond er toen op om niet met zijn voornaam aangesproken te worden, hetgeen normaal gebruikelijk is. Daarmee was de toon gezet en de stemming raakte geïrriteerd, aldus getuige [getuige 4] . [getuige 4] heeft verklaard dat zijn inzet bleef om “on speaking terms” te komen met verdachte. Getuige [getuige 4] heeft toen wel het woord “Verkenskop” gehoord, maar verder een en ander niet meegekregen.11 Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zich niet kan herinneren “Du Verkenskop” tegen [slachtoffer] te hebben gezegd, maar dat het wel mogelijk is dat hij dit in de commotie heeft gezegd, aangezien dit een woord is dat hij vaker gebruikt.

Op grond van vorenstaande, is de politierechter van oordeel dat de uitlating “Du Verkenskop” jegens [slachtoffer] is gedaan op 27 januari 2015 tijdens de schorsing van de vergadering van de raad van de gemeente Brunssum, tijdens een informele bijeenkomst op de kamer van de burgemeester.
Verdachte is toen op enig moment gevraagd om zijn excuses aan te bieden aan de burgemeester, juist, zo begrijpt de politierechter, om een reactie in de openbare raadsvergadering te voorkomen. Uit hetgeen de getuigen hebben verklaard alsook uit de verklaring van verdachte zelf, blijkt dat verdachte toen de woorden “Du Verkenskop” tegen [slachtoffer] heeft gezegd, op het moment dat de gemoederen inmiddels verhit waren.

De politierechter is niet gebleken of aannemelijk geworden dat de woorden zijn gebezigd tijdens een politieke uiteenzetting of tijdens een politiek debat. Dat betekent naar het oordeel van de politierechter ook dat verdachte geen immuniteit kan ontlenen voor uitlatingen die hij tijdens de informele bijeenkomst op de kamer van de burgemeester heeft gedaan. Het bepaalde in artikel 22 van de Gemeentewet is op deze situatie dan ook niet van toepassing. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

Dit betekent dat de politierechter bevoegd is van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie in haar vervolging kan worden ontvangen.

Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen, gezien de getuigenverklaringen en het feit dat verdachte ter terechtzitting heeft toegegeven dat het kan dat hij “Du Verkenskop” tegen [slachtoffer] heeft gezegd.

De uitlating is in de kern bedoeld om de waardigheid die aan [slachtoffer] in het maatschappelijke verkeer toekomt, te miskennen en is geschikt en heeft de strekking om hem bij de toehoorders in een ongunstig daglicht te stellen en is daarmee beledigend.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft naar voren gebracht dat verdachte als hij wordt aangesproken door [slachtoffer] , verdachte hem op zijn plaats zet met de woorden “wat mos dich da Verkeswullem”, wat volgens de raadsman Limburgs is voor “dommerik, sufferd, harde werker etc.”.

4.3

Het oordeel van de politierechter

Op grond van de getuigenverklaringen en de verklaring van de verdachte zelf12, acht de politierechter wettig en overtuigend bewezen dat verdachte jegens [slachtoffer] de woorden “Du Verkenskop” heeft gebezigd.

Naar het oordeel van de politierechter hebben deze woorden op zichzelf genomen de strekking [slachtoffer] in zijn eer en goede naam aan te randen en impliceert het gebruik van dergelijke bewoordingen ook het opzet op krenking van zijn eer en goede naam. Met andere woorden, verdachte heeft [slachtoffer] met deze woorden beledigd, in aanwezigheid van anderen, te weten [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] .

4.4

De bewezenverklaring

De politierechter acht bewezen dat de verdachte

hij op 27 januari 2015 in de gemeente Brunssum, [slachtoffer] in diens tegenwoordigheid mondeling opzettelijk heeft beledigd, door het volgende tegen hem te zeggen: “Du Verkenskop”(“jij varkenskop”);

De politierechter acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

eenvoudige belediging

Het verweer van de raadsman

Voor het geval de politierechter er van uitgaat dat de raadsvergadering wel is geschorst en dat het beraad op de kamer van de burgemeester geen politiek forum is, stelt de raadsman zich op het standpunt dat verdachte ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging. De raadsman beroept zich daarbij op artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Hij verwijst hiervoor naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 juni 2011 (ECLI:NL:RBAMS:2011: BQ9001) en een uitspraak van de Hoge Raad van 11 november 2011 (AB 2012/79 in een civiele zaak). Een politicus komt volgens de raadsman een soortgelijke of gelijkwaardige bescherming toe als de regeling inzake immuniteit in de Gemeentewet in geval van uitingen buiten het politieke forum gedaan jegens een andere politicus.

Het standpunt van de officier van justitie

De uitlating maakt geen deel uit van een discussie over een onderwerp van algemeen

belang en valt daarmee niet onder het recht op vrije meningsuiting. Het Europese Hof voor de rechten van de mens laat meer ruimte voor beperkingen van het recht op vrije meningsuiting als het gaat om uitingen die de privésfeer betreffen en die nodeloos kwetsend zijn. Het recht op vrije meningsuiting bereikt in dit geval zijn grens in het beledigen van [slachtoffer] .

Het oordeel van de politierechter
De politierechter stelt voorop dat het onder meer in artikel 10, eerste lid, van het EVRM gegarandeerde recht op vrijheid van meningsuiting niet aan een strafrechtelijke veroordeling in de weg staat indien die veroordeling een op grond van artikel 10, tweede lid, van het EVRM toegelaten beperking van dat recht oplevert, te weten een beperking die bij wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van – voor zover hier relevant – de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen.

Eenvoudige belediging – het opzettelijk een ander in zijn eer en goede naam aanranden – is als misdrijf voorzien in en strafbaar gesteld bij artikel 266, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Ingevolge het tweede lid van dat artikel zijn gedragingen niet strafbaar als eenvoudige belediging, als die ertoe strekken een oordeel te geven over de behartiging van openbare belangen, en die er niet op zijn gericht ook in ander opzicht of zwaarder te grieven dan uit die strekking voortvloeit. De politierechter verwijst is dit verband naar een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 8 september 2015 (ECLI:NL:GHDHA:2015:2416).

Naar het oordeel van de politierechter is de bewezen verklaarde uitlating van de verdachte enerzijds onnodig grievend en anderzijds niet aan te merken als een kwalificatie van een standpunt of gedachtegoed van verdachte inzake een aan een politiek of maatschappelijk debat onderworpen kwestie en strekt er naar zijn aard niet toe om – in de woorden van artikel 266, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht – een oordeel te geven over de behartiging van openbare belangen door, in dit geval, [slachtoffer] , doch strekt ertoe om een oordeel te geven omtrent [slachtoffer] als persoon. De politierechter vermag niet in te zien dat een dergelijke uitlating enige bijdrage zou kunnen leveren aan een politiek of maatschappelijk debat. Dat leidt de politierechter tot het oordeel dat aan de verdachte geen beroep op artikel 10, eerste lid, van het EVRM of op artikel 266, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht toekomt. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.


Het bewezen verklaarde is mitsdien, nu ook overigens geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid daarvan uitsluit, strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

Er is evenmin een omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve eveneens strafbaar.

7 De straf

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een geldboete van
€ 300,-, waarvan de helft voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Ze heeft daarbij in aanmerking genomen dat verdachte een voorbeeldfunctie toekomt.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich niet uitgelaten over een eventuele straf.

7.3

Het oordeel van de politierechter

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft tijdens een informeel overleg [slachtoffer] beledigd. Dit is onnodig en dient geen enkel doel. Hoewel verdachte een voorbeeldfunctie toekomt als het gaat om de plichten en verantwoordelijkheden, waar artikel 10, tweede lid, van het EVRM op doelt, acht de politierechter het niet geboden om in deze zaak een hogere straf op te leggen dan voor een misdrijf als het onderhavige volgens de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS in beginsel als passend wordt geacht. Zij neemt daarbij in aanmerking dat de uitlating is gedaan in een situatie waarin de gemoederen verhit waren. Verder neemt zij in aanmerking dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk delict is veroordeeld.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 23, 24, 24c en 266 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De politierechter:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 4.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 5 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

  • -

    veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde feit tot een geldboete van € 150,-;

  • -

    beveelt dat, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal volgt, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 3 dagen;

Indien de verdachte in beroep wenst te gaan, is het verlofstelsel van toepassing.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.W. Nobis, politierechter, in tegenwoordigheid van N.C.M.L. Bloebaum, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 8 februari 2016.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 27 januari 2015 in de gemeente Brunssum, [slachtoffer] in diens tegenwoordigheid mondeling opzettelijk heeft beledigd, door het volgende tegen hem te zeggen: “Du Verkenskop”(“jij varkenskop”), althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

.

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2015017780, gesloten d.d. d.d. 28 februari 2015, (digitaal) doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 18.

2 Proces-verbaal van verhoor van getuigen bij de rechter-commissaris belast met strafzaken d.d. 13 juli 2015, [slachtoffer] , pagina 3, [getuige 1] , pagina 6 en [getuige 2] , pagina 2; en Proces-verbaal van verhoor van getuigen bij de rechter-commissaris belast met strafzaken d.d. 15 oktober 2015, [getuige 4] , pagina 3.

3 De verklaring van de verdachte op de zitting.

4 Schrijven raadsman d.d. 11 januari 2016 met als bijlage email met internet-link, waar bij doorklikken beeldfragmenten zijn te zien van raadsvergadering d.d. 27 januari 2015: http://www.loo-tv.nl/content/dinsdag-27-januari-05-schorsing-wegens-uitingen-heer- [verdachte] .

5 Proces-verbaal Klacht, pagina 4 en schriftelijke toelichting pagina 7.

6 Proces-verbaal van verhoor van getuigen bij de rechter-commissaris belast met strafzaken d.d. 13 juli 2015, pagina 3 en 4.

7 Proces-verbaal verhoor getuige pagina 12 en Proces-verbaal van verhoor van getuigen bij de rechter-commissaris belast met strafzaken d.d. 13 juli 2015, pagina 6.

8 Proces-verbaal verhoor getuige pagina 14 en Proces-verbaal van verhoor van getuigen bij de rechter-commissaris belast met strafzaken d.d. 13 juli 2015, pagina 2.

9 Proces-verbaal verhoor getuige pagina 11 en Proces-verbaal van verhoor van getuigen bij de rechter-commissaris belast met strafzaken d.d. 13 juli 2015, pagina 5.

10 Proces-verbaal verhoor getuige pagina 16 en Proces-verbaal van verhoor van getuigen bij de rechter-commissaris belast met strafzaken d.d. 15 oktober 2015, pagina 3.

11 De verklaring van de verdachte op de zitting.

12 Zie voetnoten 2 en 3.