Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:9790

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
03-11-2016
Datum publicatie
14-11-2016
Zaaknummer
C/03/223505 / JE RK 16-1561 & C/03/223507 / JE RK 16-1562
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbendenbegrip (ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2017/39
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK LIMBURG

Familie en jeugd

Zittingsplaats: Roermond

zaakgegevens : C/03/223505 / JE RK 16-1561 & C/03/223507 / JE RK 16-1562

datum uitspraak: 3 november 2016

beschikking ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing


in de zaak van

RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, hierna te noemen de Raad,

gevestigd te Maastricht,

betreffende

[kind 1] , geboren op [geboortedag kind 1] 2008 te [geboorteland] , hierna te noemen [kind 1] , en

[kind 2] , geboren te [geboorteland] op [geboortedag kind 2] 2014,

hierna te noemen: [kind 2] ,

gezamenlijk ook te noemen: de kinderen.

De meervoudige kamer merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] , hierna te noemen de moeder,

wonende te [woonplaats moeder] ,

STICHTING BUREAU JEUGDZORG LIMBURG, hierna te noemen de gecertificeerde instelling (GI),

mede katoorhoudende te Roermond.

Vooralsnog aangemerkt als belanghebbende is:

[de pleegmoeder] , hierna te noemen de pleegmoeder,

wonende te [woonplaats pleegmoeder] .

1 Het procesverloop

1.1.

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 10 oktober 2016, ingekomen bij de griffie op 15 juli 2016;

- de beschikking van 10 oktober 2016 van deze rechtbank;

- het wijzigingsverzoek van de Raad van 26 oktober 2016, ingekomen bij de griffie op 27 oktober 2016;

- een briefrapport met bijlagen van de GI d.d. 27 oktober 2016, ingekomen bij de griffie op 28 oktober 2016;

- een brief van Rubicon d.d. 21 oktober 2016, behorend als bijlage bij de brief van 27 oktober 2016 van de GI;

- het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek van mevrouw [de pleegmoeder] en mevrouw [dochter pleegmoeder] , ingekomen bij de griffie op 2 november 2016.

1.2.

Op 3 november 2016 heeft de meervoudige kamer de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- de moeder, bijgestaan door mr. D. Dronkers,

- mevrouw [de pleegmoeder] en mevrouw [dochter pleegmoeder] , bijgestaan door mr. S. Oudenhoven,

- mevrouw [vertegenwoordiger 1 Raad] , mevrouw [vertegenwoordiger 2 Raad] en de heer [vertegenwoordiger 3 Raad] ,

vertegenwoordigers van de Raad,

- mevrouw [gezinsvoogdijwerker 1] en de heer [gezinsvoogdijwerker 2] , gezinsvoogdijwerkers en mevrouw [gedragsdeskundige] ,

gedragsdeskundige, vertegenwoordigers van de GI.

1.3.

Namens de moeder is ter terechtzitting een pleitnotitie overgelegd.

2 De feiten

2.1.

Het ouderlijk gezag over [kind 1] en [kind 2] wordt uitgeoefend door de moeder.

2.2.

[kind 1] en [kind 2] verblijven sinds juli 2016 in het netwerkgezin van mevrouw [de pleegmoeder] .

2.3.

Bij beschikking van 15 juli 2016 zijn [kind 1] en [kind 2] voorlopig onder toezicht gesteld tot 15 oktober 2016. De kinderrechter heeft bij beschikking van 15 juli 2016 ook machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [kind 1] en [kind 2] in het netwerkgezin van mevrouw [de pleegmoeder] voor de duur van twee weken. Bij beschikking van 27 juli 2016 verleende de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 1] in een voorziening voor pleegzorg dan wel accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot uiterlijk 15 oktober 2016 en verleende de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 2] in het netwerkgezin van mevrouw [de pleegmoeder] en aansluitend in een voorziening voor pleegzorg tot uiterlijk 15 oktober 2016.

2.4.

Bij beschikking van 10 oktober 2016 heeft de kinderrechter [kind 1] en [kind 2] onder toezicht gesteld tot 15 november 2016. Tevens is een machtiging verleend tot uithuisplaatsing in het netwerkpleeggezin van mevrouw [de pleegmoeder] tot 15 november 2016 en is iedere beslissing voor het overige aangehouden, waarbij is bepaald dat de zaak naar de zitting van de meervoudige kamer wordt verwezen van 3 november 2016.

2.5.

In de beschikking van 10 oktober 20916 heeft de kinderrechter overwogen dat zij,

met het oog op de te voeren procedure bij de meervoudige kamer op 3 november 2016, tot die zitting mevrouw [de pleegmoeder] vooralsnog aan zal merken als belanghebbende betreffende [kind 1] , met het nadrukkelijke voorbehoud dat de meervoudige kamer hierover anders kan beslissen.”

2.6.

De rechtbank heeft alvorens inhoudelijk in te gaan op de verzoeken van de Raad de standpunten met betrekking tot de vraag of mevrouw [de pleegmoeder] en/of mevrouw [dochter pleegmoeder] als belanghebbenden met betrekking tot [kind 1] en [kind 2] dienen te worden aangemerkt behandeld.

De procespositie van mevrouw [de pleegmoeder] en mevrouw [dochter pleegmoeder]

3 Het standpunt van partijen

3.1.

Het standpunt van mevrouw [de pleegmoeder] en mevrouw [dochter pleegmoeder] (hierna te noemen de familie [X] ).

In het verweerschrift zoals aangevuld ter zitting is namens de familie [X] - kort en zakelijk weergegeven - aangevoerd dat zij belanghebbende is op grond van het feit dat de rechtbank bij eerdere beschikkingen in 2015 - voordat [kind 1] na een verblijf van twee jaar bij de familie [X] naar Aruba vertrok – mevrouw [de pleegmoeder] ook als belanghebbende heeft aangemerkt. [kind 1] en haar zusje [kind 2] verblijven sinds hun terugkeer uit Aruba in juli 2016 vier maanden in het netwerkgezin van mevrouw [de pleegmoeder] . De kinderen worden door familie [X] verzorgd en opgevoed “als behorend tot hun gezin”, zij hebben meer dan een “normale pleegouderband” met de kinderen. Met verwijzing naar de wettekst (artikel 798 lid 1 Wetboek Burgerlijke Rechtsvordering) en op grond van artikel 8 EVRM worden ‘long term pleegouders’ als de familie [X] in een procedure over ondertoezichtstelling als belanghebbenden aangemerkt. Er is sprake van family life in de zin van art. 8 EVRM, nu familie [X] de afgelopen jaren als zijnde “familie” bij [kind 1] en ook [kind 2] is betrokken geweest. Er is daarom recht op bescherming van dit gezinsleven of familieleven. Het criterium van één jaar kan worden opgerekt en niet blijkt uit de jurisprudentie dat het om een aaneengesloten periode zou moeten gaan. Het gaat om twee zusjes waarvoor het schadelijk is als zij uit elkaar worden gehaald.

3.2.

Het standpunt van de moeder

Namens de moeder is aangevoerd dat zij zich refereert aan het oordeel van de rechtbank wat betreft het begrip belanghebbende. Voor de moeder is het van belang dat er snel duidelijkheid komt in de huidige situatie, waarin [kind 1] en [kind 2] pas 4 maanden bij de familie [X] verblijven. Formeel wordt niet voldaan aan het criterium dat de kinderen langer dan een jaar door het pleeggezin worden verzorgd en opgevoed.

Familie [X] is zeker een belangrijke bron als informant, maar dat is iets anders dan belanghebbende in de zin van de wet. De moeder handhaaft overigens het verzoek om haar buiten aanwezigheid van familie [X] te horen, aangezien zij zich dan belemmerd voelt om vrijuit te spreken.

3.3.

Het standpunt van de Raad

De Raad heeft mevrouw [X] niet als belanghebbende aangemerkt in zijn onderzoek naar de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. De pleegzorgplaatsing zou een hele tijdelijke basis hebben. Family life met betrekking tot [kind 1] is een hele tijd onderbroken geweest.

3.4.

Het standpunt van de GI

De GI stelt zich op het standpunt dat de familie [X] geen belanghebbende is in deze procedure.

4 Het oordeel van de rechtbank

4.1.

Onder belanghebbende wordt ingevolge artikel 798, eerste lid, Rv bij rechtspleging in zaken betreffende het personen- en familierecht, zijnde andere zaken dan scheidingszaken, verstaan: degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft.

Degene die niet de ouder is en de minderjarige op wie de zaak betrekking heeft gedurende ten minste een jaar als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, wordt aangemerkt als belanghebbende.

4.2.

Ingevolge paragraaf 2.3 van het Procesreglement Civiel Jeugdrecht, voor zover hier van belang, gelden in zaken als de thans ter beoordeling voorliggende in elk geval als belanghebbende(n), “de perspectief biedende pleegouder of de pleegouder die de minderjarige een jaar of langer verzorgt en opvoedt.”

4.3.

De rechtbank overweegt dat alleen al op grond van voornoemd criterium familie [X] niet als belanghebbende(n) in aanmerking komt, nu [kind 1] en [kind 2] pas vier maanden bij de familie [X] verblijven. Hoewel [kind 1] eerder gedurende twee jaar bij de familie [X] heeft gewoond, heeft zij van half augustus 2015 tot juli 2016 (bijna een jaar) weer bij haar familie op Aruba gewoond. Hoewel niet expliciet is vermeld dat de termijn “een jaar of langer” ziet op een aaneengesloten periode, is de rechtbank van oordeel dat dit, mede gelet ook op de duur van de onderbreking van bijna één jaar, impliciet besloten ligt in de tekst.

4.4.

De familie [X] heeft voorts een beroep gedaan op het door artikel 8 EVRM beschermde belang van het gezinsleven nu er sprake zou zijn van family life. Familie [X] voert aan dat zij de afgelopen jaren als “familie” betrokken zijn geweest bij [kind 1] en later ook bij [kind 2] , zij hebben meer dan een normale pleegouderband met de kinderen en kunnen hen daadwerkelijk perspectief bieden.

Het beroep van de familie [X] op artikel 8 EVRM zal worden gepasseerd. De rechtbank overweegt daartoe dat er geen sprake is van family life, ook niet als aanknoping wordt gezocht bij de jurisprudentie rond family life en pleeggezin.

Op grond van de stukken kan niet worden geconcludeerd dat de familie [X] is aan te merken als “perspectief biedende pleegouders”. Familie [X] is een netwerkgezin, waar de kinderen door de moeder zijn ondergebracht, omdat de moeder haar verantwoordelijkheden als ouder niet aankon. Vervolgens is een (voorlopige) ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing uitgesproken. Bij beschikking van 27 juli 2016 heeft de kinderrechter een machtiging uithuisplaatsing verleend van [kind 1] in het netwerkgezin van mevrouw [de pleegmoeder] en aansluitend in een voorziening voor pleegzorg dan wel accommodatie van een jeugdhulpaanbieder en van [kind 2] in het netwerkgezin van mevrouw V.C [X] en aansluitend in een voorziening voor pleegzorg. Hieruit blijkt reeds dat familie [X] niet werd aangemerkt als een perspectief biedend pleeggezin door de Raad.

Dit maakt de positie van de familie [X] ook anders dan bij het verzoek wijziging van het verblijf van [kind 1] in het kader van ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing (beschikking d.d. 5 augustus 2015), waar zij wel als belanghebbende werd aangemerkt door de rechtbank. Dit ziet echter op een andere procedure in een andere context.

Het niet zijn van belanghebbende heeft tot gevolg dat de familie [X] geen partij is in deze procedure en geen verweer/verzoekschrift kan indienen. De familie [X] kan louter als informant aangemerkt worden. Gelet op het door de moeder ingediende verzoek om de moeder buiten aanwezigheid van de familie [X] te horen, heeft de rechtbank de familie [X] en hun advocaat verzocht de zittingzaal te verlaten.

Inhoudelijke beoordeling

5 Het verzoek van de Raad

5.1.

De Raad heeft de ondertoezichtstelling van [kind 1] en [kind 2] verzocht voor de duur van 12 maanden.

Tevens is een trajectmachtiging uithuisplaatsing van [kind 1] en [kind 2] verzocht in het netwerkgezin van mevrouw [de pleegmoeder] en aansluitend:

- in een accommodatie jeugdhulp, te weten een gezinshuis van Rubicon voor [kind 1] en

- in een voorziening van pleegzorg voor [kind 2] ,

voor de duur van twaalf maanden.

Bij brief van 26 oktober 2016 heeft de Raad de verzoeken gewijzigd in die zin dat thans betreffende [kind 1] de uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder wordt verzocht en betreffende [kind 2] in een voorziening voor pleegzorg. Daarmee komt het verzoek tot een trajectmachtiging te vervallen.

Ter zitting heeft de Raad verzocht om de onderhavige verzoeken aan te houden en gelijktijdig te behandelen met het verzoek tot beëindiging van het gezag, waarvan de behandeling staat gepland op 1 december a.s.

5.2.

De Raad is van mening dat een plaatsing buiten het netwerkgezin van de familie [X] noodzakelijk is. Het is voor de hulpverlenende instanties onvoldoende mogelijk om samen te werken met de familie [X] , waardoor de GI niet in het belang van de kinderen kan handelen. De kinderen zijn de dupe van de strijd die steeds verder verhevigd, waarbij de familie [X] de GI geen mogelijkheid biedt om zich te richten op de kinderen en afspraken te maken die in hun belang zijn. Het is niet goed mogelijk om constructief met de familie [X] te overleggen en om uitvoering te geven aan de ondertoezichtstelling, daar de familie [X] zich zeer bepalend opstelt, waardoor zij de positie van de GI als uitvoerder van de ondertoezichtstelling naar het oordeel van de Raad miskent.

Vooral [kind 1] ervaart veel onduidelijkheid over haar perspectief en zit hierdoor volledig klem. Daarnaast kan [kind 1] niet adequaat geïnformeerd worden over wat er speelt rond haar persoon. [kind 1] kan hierbij buiten het netwerkgezin bij niemand terecht en de familie [X] kan dit niet adequaat oppakken.

De Raad is van oordeel dat [kind 1] eerst onderzocht moet worden alvorens bekeken kan worden waar zij op termijn geplaats kan worden en of haar perspectief in Nederland dan wel Aruba ligt.

6 Het standpunt van belanghebbenden

6.1.

Door en namens de moeder is in de pleitnota – kort samengevat – aangevoerd dat zij geen bezwaar heeft tegen een ondertoezichtstelling, maar dat de machtiging uithuisplaatsing dient te worden afgewezen. De moeder stelt zich op het standpunt dat de kinderen het beste af zijn op Aruba, bij de moeder, bij haar familie (oma [A] ) en onder de zorg van de instanties aldaar. De Voogdijraad en de Fundacion Guia Mi (Bureau Jeugdzorg) op Aruba zouden zich met de kinderen moeten bemoeien en de opvang van de kinderen zou dan bij oma [A] dan wel –subsidiair- bij een pleeggezin of instelling aldaar kunnen plaatsvinden. De moeder ontkent niet dat zij soms wispelturig is geweest in haar gedrag en dat zij aldus steun en hulpverlening nodig heeft van anderen. Uit onderliggende stukken bleek dat de situatie op Aruba na de terugkeer in augustus 2015 in feite goed verliep. Toen er op enig moment een relatiecrisis is ontstaan tussen de moeder en haar partner, waardoor de moeder volledig van de kaart was, heeft de moeder contact gezocht met mevrouw [X] , die de moeder heeft overgehaald naar Nederland te komen. De moeder is niet opgewassen tegen mevrouw [X] , die zeer dominant kan zijn.

Het is spijtig dat de informatievoorziening en het contact met de Fundacion Guia Mi zo moeizaam verloopt. Deze informatie is van belang voor een goede beslissing van de rechtbank. De moeder kan zich vinden in het voorstel van de Raad om de onderhavige zaken gelijktijdig te behandelen met het verzoek tot gezagsbeëindiging. Het is een moeilijk dilemma wat er in de tussentijd dient te gebeuren, nu het niet in het belang van de kinderen is om weer te verhuizen. De kinderen kunnen echter ook niet bij de familie [X] blijven, nu de verhouding zo verstoord is en de moeder geen of nauwelijks toegang tot de kinderen heeft. Een mogelijke optie is om de moeder samen met de kinderen bij Rubicon te plaatsen. Door de moeder is aangegeven dat de kinderen bij haar in het huis van haar vader in Veghel kunnen wonen. Als de kinderen in Nederland blijven, zal de moeder ook blijven. Als de kinderen naar Aruba gaan, gaat de moeder ook naar Aruba.

Het is niet verstandig dat [kind 1] direct bij de familie [X] wordt weggehaald, aangezien [kind 1] op mevrouw [X] gesteld is en de raadsman spreekt namens de moeder de hoop uit dat dit op een goede manier kan verlopen.

6.2.

De GI heeft aangevoerd geen woonperspectief voor de kinderen te zien bij de familie [X] . De GI ziet een herhaald patroon in de samenwerkingsproblemen tussen de familie [X] en de ouders en de familie [X] en de hulpverlening zoals voorafgaand aan de verhuizing naar Aruba. Inzet om deze patronen te doorbreken heeft niet tot verandering, maar eerder tot verharding geleid. De ontwikkelingsbedreigingen die hieruit voortkomen, kunnen niet worden afgewend bij handhaving van het huidige verblijf. De negatieve houding van de familie [X] ten aanzien van de hulpverlening en de wijze waarop zij ouders (geen) positie geeft naar de kinderen toe is ontwikkelingsbedreigend. De kinderen raken in een loyaliteitsconflict naar belangrijke familieleden en hulpverlening. Mevrouw [X] gebruikt haar positie als opvoeder om zaken af te dwingen, ook laat zij belangrijke opvoedingstaken liggen als het gaat om het bieden van duidelijkheid over wat er gaat gebeuren, het bevorderen van de relatie met de biologische ouders en samenwerking met de hulpverlening. Mevrouw [X] legt de verstoorde samenwerking geheel buiten zichzelf. De GI hecht veel waarde aan de uitspraak van [kind 1] dat zij haar perspectief bij oma op Aruba ziet. De GI wil meer zicht op het verloop van het verblijf van de kinderen in Aruba en is bezig met het inwinnen van informatie. De wens van [kind 1] , de moeder en de familie van zowel vaders- als moederszijde voor terugkeer naar Aruba is gehoord. De GI beschikt echter nu nog over onvoldoende informatie om een goede afweging te maken of de toekomst van de kinderen in Nederland of op Aruba ligt. Het is van belang dat de kinderen dicht bij hun familie zijn, maar de GI heeft wisselende verhalen gehoord over het verblijf op Aruba het afgelopen jaar. Het is voor de GI duidelijk dat de ouders geen opvoedverantwoordelijkheid kunnen dragen. Het is voor de kinderen van groot belang dat er snel hulp, rust en duidelijkheid komt. De hechting komt nu niet goed op gang en met name het gedrag van [kind 1] baart zorgen.

De GI heeft voorts naar voren gebracht dat de kinderen op dit moment niet bij elkaar geplaatst kunnen worden, omdat de GI te weinig toegang tot [kind 1] heeft gehad om te kunnen onderzoeken of zij in een pleeggezin geplaatst kan worden. [kind 1] zal eerst op een behandelplek van Rubicon geplaatst worden en vandaaruit mogelijk naar een pleeggezin. De GI is het eens met het verzoek van de Raad om de zaak aan te houden en gelijktijdig met het verzoek tot gezagsbeëindiging te behandelen.

7 De beoordeling

7.1.

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat een ondertoezichtstelling nog noodzakelijk is. Er zijn grote zorgen over [kind 1] en [kind 2] , die de rechtbank deelt met de Raad en de GI. De bedreiging in de ontwikkeling van [kind 1] en [kind 2] bestaat uit het jarenlange patroon van de moeder van instabiliteit, waarbij de moeder door haar persoonlijke problematiek niet in staat is om hier verandering in aan te brengen. Hierdoor hebben de kinderen geen stabiliteit, rust en veiligheid ervaren in hun jonge leven. De moeder heeft geen inzicht in wat de kinderen nodig hebben en kan niet aansluiten bij hun belevingswereld. De kinderen zijn opgegroeid bij ouders bij wie sprake is van een onstabiele en persoonlijke problematiek. De moeder is zeer wisselend en labiel in haar gedachten en gedrag en mist een stabiele basis vanuit haar eigen verleden. Daarnaast is de moeder zeer beïnvloedbaar en onzeker. Zij heeft geen inzicht in wat haar handelen voor de kinderen betekent en wat de kinderen nodig hebben. Bij [kind 1] is er waarschijnlijk sprake van hechtingsproblematiek en er is sprake van opstandig gedrag; zij loopt over de moeder heen.

Uit voorgaande volgt dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Nu de Raad inmiddels een verzoek tot beëindiging van het gezag heeft ingediend zal de rechtbank de ondertoezichtstelling verlengen voor een periode van drie maanden en het verzoek voor het overige aanhouden.

7.2.

Ook is de rechtbank van oordeel dat de uithuisplaatsing van [kind 1] en [kind 2] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en de opvoeding, zoals genoemd in artikel 1:265b BW en wel voor de periode van drie maanden. Iedere verdere beslissing zal voor het overige aangehouden worden in afwachting van de beslissing op het verzoek tot beëindiging van het gezag.

De rechtbank overweegt hiertoe het volgende. Na een verblijf van bijna een jaar op Aruba heeft de moeder de kinderen weer mee naar Nederland genomen en achter gelaten bij de familie [X] . De moeder wil het beste voor de kinderen, maar zij weet niet hoe zij dit moet realiseren. Daargelaten of dit al dan niet onder druk en intimidatie is gebeurd, is de huidige situatie voor de kinderen bij de familie [X] , hoewel blijkt dat het beter gaat met de kinderen, geen situatie waarin zij ongestoord kunnen toekomen aan hun ontwikkelingstaken. De kinderen moeten naast stabiliteit en continuïteit ook de mogelijkheid krijgen om contact te hebben met de moeder (en eventuele verdere familie). Op dit moment is dit door de strijd tussen de moeder en de familie [X] en tussen de familie [X] en de hulpverlenende instanties niet mogelijk en raakt [kind 1] , en in minder mate [kind 2] , steeds verder in een loyaliteitsconflict. Hoewel de rechtbank (weer) een wijziging in verblijfplaats van de kinderen zeer zorgelijk acht, is voortzetting van het verblijf bij de familie [X] , gelet op het vorenstaande, evenmin in het belang van de kinderen. De zorgen overheersen de sterke punten, met name nu er geen dan wel nauwelijks contact tussen de kinderen en de moeder mogelijk is vanuit de familie [X] en de GI haar taken in het kader van de ondertoezichtstelling niet naar behoren kan uitoefenen.

7.3.

De rechtbank verzoekt de Raad uitdrukkelijk om - voor zover dit nog niet is

gebeurd - met betrekking tot het verzoek tot gezagsbeëindiging de mogelijkheden voor plaatsing van de kinderen op Aruba te onderzoeken alsmede de mogelijkheid en bereidheid van een gezagsoverdracht aan oma [A] , mocht het tot een gezagsbeëindigende maatregel komen.

8 De beslissing

De rechtbank:

8.1.

verlengt de ondertoezichtstelling van [kind 1] en [kind 2] voor een periode van drie maanden, met ingang van 3 november 2016 tot 3 februari 2017;

8.2.

verleent machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 1] in een accommodatie voor jeugdzorg en van [kind 2] in een voorziening voor pleegzorg, met ingang van 3 november 2016 tot 3 februari 2017;

8.3.

houdt iedere beslissing voor het overige aan;

8.4.

verzoekt de Raad om - voor zover dit nog niet is gebeurd - met betrekking tot het verzoek tot gezagsbeëindiging de mogelijkheden te onderzoeken om de kinderen bij oma [A] op Aruba te plaatsen alsmede de mogelijkheid om de voogdij aan oma [A] over te dragen;

8.5.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. S.A.M.C. van de Winkel (voorzitter), mr. J.J.M. Wassenberg en mr. P.C.G. Brants, allen kinderrechters, in tegenwoordigheid van

mr. E.A.C. Tolkamp-Gazenbeek als griffier en uitgesproken op 3 november 2016.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
's-Hertogenbosch