Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:9511

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
04-11-2016
Datum publicatie
07-12-2016
Zaaknummer
AWB - 16 _ 1588u
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

WW. GAA. Korting prepensioen op uitkering. Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AIB). Opeenvolgend verlies van arbeidsuren als bedoeld in het Besluit nadere regeling verlies van arbeidsuren.

De rechtbank is van oordeel dat eisers prepensioen onder de uitzondering van artikel 3:5 van het AIB valt en daarom niet tot het inkomen dient te worden gerekend. Dit betekent dat verweerder ten onrechte eisers prepensioen in mindering heeft gebracht op zijn uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2017/28
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 16/1588

uitspraak van de meervoudige kamer van 4 november 2016 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: [naam]),

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (locatie Venlo), verweerder

(gemachtigde: mr. K. Fens).

Procesverloop

Bij besluit van 21 oktober 2015 (het primaire besluit I) heeft verweerder eiser per 1 oktober 2015 een WW-uitkering toegekend op basis van een gemiddeld aantal arbeidsuren (GAA) van 37 per week.

Bij besluit van eveneens 21 oktober 2015 (het primaire besluit II) heeft verweerder eiser meegedeeld dat zijn ouderdomspensioen op zijn WW-uitkering in mindering wordt gebracht.

Bij besluit van 4 april 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen beide primaire besluiten ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft laatstelijk gewerkt als leraar bij [naam school]. De omvang van zijn betrekking was tot 1 augustus 2015 100% van een normbetrekking en van

1 augustus 2015 tot 1 oktober 2015 90%. Eiser heeft op 1 augustus 2015 het kleinst mogelijke deel van zijn (ABP) keuzepensioen opgenomen en tegelijkertijd zijn betrekkingsomvang teruggebracht. Met ingang van 1 oktober 2015 is zijn arbeidsovereenkomst beëindigd.

2. Verweerder stelt zich op het standpunt - kort weergegeven - dat eisers GAA juist is vastgesteld op 37 uur (36,86 uur). Hierbij is rekening gehouden met het feit dat eiser op

1 augustus 2015 minder is gaan werken (3,69 uur). Verder stelt verweerder dat eisers ouderdomspensioen terecht is gekort op zijn uitkering, omdat een prepensioen op grond van het Algemeen Inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AIB) als inkomen wordt beschouwd. Op grond van de Werkloosheidswet (WW) moeten inkomsten volledig in mindering worden gebracht op de WW-uitkering.

3. Eiser voert in beroep aan - kort samengevat - dat hij werkloos is geworden uit een baan met een omvang van 90%. Aangezien, volgens eiser, geen sprake is van opeenvolgend arbeidsurenverlies, moet zijn GAA worden vastgesteld (conform de berekening in het beroepschrift) op 35,73 uur. Met betrekking tot het prepensioen stelt eiser dat op grond van het AIB geen korting op zijn uitkering mag plaatsvinden. Ter onderbouwing verwijst hij naar jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) en een beslissing op bezwaar van 12 november 2014 van verweerder.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

5. Over de vaststelling door verweerder van eisers GAA (het primaire besluit I) overweegt de rechtbank het volgende.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, onder a, van de WW wordt werkloos de werknemer die in een kalenderweek ten minste vijf arbeidsuren heeft verloren alsmede het recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon over die uren.

Ingevolge artikel 16, tweede lid, van de WW wordt onder het in het eerste lid bedoelde aantal arbeidsuren per kalenderweek verstaan het gemiddeld aantal arbeidsuren in de 26 kalenderweken onmiddellijk voorafgaande aan de kalenderweek, bedoeld in het eerste lid. Indien de werknemer ten opzichte van zijn gemiddeld aantal arbeidsuren per kalenderweek minder dan vijf arbeidsuren heeft verloren, wordt bij de bepaling van het gemiddeld aantal arbeidsuren per kalenderweek, bedoeld in de eerste volzin, mede in aanmerking genomen het aantal uren waarover de werknemer in de 26 kalenderweken onmiddellijk voorafgaande aan de kalenderweek, bedoeld in het eerste lid, gemiddeld per week werkzaamheden heeft verricht uit hoofde waarvan hij niet als werknemer wordt beschouwd. Voor de vaststelling van de periode van 26 kalenderweken, bedoeld in de eerste en tweede volzin, worden kalenderweken, tot een maximum van 78 kalenderweken, waarin de werknemer onbetaald verlof heeft genoten, niet in aanmerking genomen, tenzij dit leidt tot een lager gemiddeld aantal arbeidsuren per kalenderweek dan wanneer die kalenderweken wel in aanmerking zouden worden genomen.

Ingevolge artikel 16, derde lid, onder a, van de WW kunnen bij algemene maatregel van bestuur met betrekking tot het eerste en het tweede lid regels worden gesteld omtrent de berekening van het verlies van arbeidsuren bij een opeenvolgend verlies van arbeidsuren, waarbij andere perioden voor de berekening van het gemiddeld aantal arbeidsuren in aanmerking kunnen worden genomen.

Artikel 1 van het Besluit nadere regeling verlies van arbeidsuren (Bnrva) luidt (voor zover hier relevant) als volgt:

1. Als opeenvolgend verlies van arbeidsuren als bedoeld in artikel 16, derde lid, van de Werkloosheidswet wordt beschouwd:

a. een eerste verlies van minder dan vijf of minder dan de helft van het aantal arbeidsuren per kalenderweek, waarna in een andere kalenderweek een of meer volgende verliezen van arbeidsuren zich voordoen in een periode van een jaar na de dag waarop zich het eerste verlies van minder dan vijf of minder dan de helft van het aantal arbeidsuren voordoet;

2 Een eerste verlies als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt alleen in aanmerking genomen, indien dit verlies uitsluitend wegens zijn omvang niet leidt tot een recht op uitkering, terwijl overigens aan alle voorwaarden voor het ontstaan van een recht op uitkering is voldaan.

Ingevolge artikel 2 van het Bnrva wordt opeenvolgend verlies van arbeidsuren als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, op verzoek van de werknemer opgeteld tot één verlies van arbeidsuren tot en met het moment dat het opeenvolgend verlies van arbeidsuren totaal ten minste vijf of ten minste de helft van het aantal arbeidsuren per kalenderweek voorafgaande aan het eerste verlies van arbeidsuren bedraagt en wordt vanaf dat moment beschouwd als een verlies van ten minste vijf of ten minste de helft van het aantal arbeidsuren.

6. De rechtbank stelt vast dat eiser op 1 augustus 2015 niet werkloos is geworden in de zin van de wet, omdat op dat moment sprake was van een arbeidsurenverlies van minder dan 5 (3,69 uur) per week.

7. Over de vraag of sprake is van ‘opeenvolgend verlies van arbeidsuren’ als bedoeld in het Bnrva en artikel 16 van de WW, overweegt de rechtbank dat na het in de zin van de wet niet relevante arbeidsurenverlies per augustus 2015 sprake is van een binnen het jaar opnieuw arbeidsurenverlies, namelijk per 1 oktober 2015 (25,17 uur). De rechtbank is van oordeel dat het eerste verlies van arbeidsuren uitsluitend vanwege de omvang niet heeft geleid tot een recht op uitkering. Dit betekent dat sprake is van ‘opeenvolgend verlies van arbeidsuren’.

Over eisers stelling dat hij niet zou voldoen aan alle voorwaarden voor het ontstaan van een recht op uitkering, omdat hij zelf ontslag heeft genomen, overweegt de rechtbank dat ontslag nemen geen uitsluitingsgrond oplevert (artikel 19 van de WW), maar mogelijk wel een korting op de uitkering wegens verwijtbare werkloosheid. Deze beroepsgrond van eiser moet dan ook worden verworpen.

8. Aangaande eisers stelling dat hij verweerder niet heeft verzocht om zijn verlies aan arbeidsuren op te tellen, overweegt de rechtbank dat artikel 2 van het Bnrva (waarin wordt gesproken over een verzoek van de werknemer) betrekking heeft op een opeenvolgend verlies van niet relevante arbeidsuren (minder dan 5). In eisers situatie, waarin een niet relevant verlies wordt gevolgd door een relevant verlies van arbeidsuren (meer dan 5), volgt uit artikel 1 van het Bnrva dat verweerder het verlies van arbeidsuren bij elkaar op dient te tellen. Ook deze beroepsgrond van eiser moet derhalve worden verworpen.

9. Op grond van voorgaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat verweerder, met inachtneming van het bepaalde in het Bnrva, eisers GAA correct heeft vastgesteld.

10. Met betrekking tot de korting (prepensioen) op eisers uitkering (het primaire

besluit II) overweegt de rechtbank het volgende.

Ingevolge artikel 34, eerste lid, van de WW wordt inkomen geheel in mindering gebracht op de uitkering. Op grond van het tweede lid wordt bij algemene maatregel van bestuur bepaald wat onder inkomen als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan.

Artikel 3:5 van het AIB luidt (voor zover hier relevant) als volgt:

4.Voor de Werkloosheidswet wordt als inkomen in verband met arbeid beschouwd:

a. een uit een dienstbetrekking voortvloeiende periodieke uitkering bij wijze van oudedagsvoorziening, dan wel een uitkering die voorafgaat aan die uitkering of het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet.

5.In afwijking van het vierde lid, onderdeel a, wordt niet tot het inkomen in verband met arbeid gerekend de uitkering, bedoeld in het vierde lid onder a, indien die uitkering door de uitkeringsgerechtigde voor het intreden van de werkloosheid werd ontvangen en die samenhangt met een eerder verlies van arbeidsuren.

11. De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt alsmede de systematiek van de WW inhoudt dat de werknemer een uitkering ontvangt voor het inkomensverlies dat hij lijdt als gevolg van zijn verlies van arbeidsuren.

12. Ingevolge vaste jurisprudentie van de CRvB (bijvoorbeeld: ECLI:NL:CRVB:2014:3504) is de hoofdregel dan ook dat een pensioenuitkering tot het inkomen wordt gerekend en in mindering wordt gebracht op de WW-uitkering. In artikel 3:5, vijfde lid, van het AIB is een uitzondering geregeld, namelijk dat een pensioenuitkering niet tot inkomen wordt gerekend als de pensioenuitkering al werd genoten voordat het recht op WW ontstond en betrekking heeft op een eerder verlies van arbeidsuren.

13. In de nota van toelichting bij artikel 3:5 van het AIB (Stb. 2012, 79, blz. 39-40) is het volgende vermeld:

“Artikel 3:5 Uitzonderingen voor de WW:

In het derde [lees vijfde] lid is geregeld dat een uitkering als bedoeld in artikel 3:6 [lees artikel 3:5], eerste lid, aanhef en onderdeel a niet tot het inkomen wordt gerekend. Het gaat om de situatie waarin een werknemer tijdens zijn dienstbetrekking besluit een gedeelte van zijn werktijd in te ruilen voor een prepensioen. Als deze werknemer vervolgens werkloos wordt en voor de resterende uren WW-uitkering aanvraagt, zou zonder deze bepaling het prepensioen in mindering moeten worden gebracht op de WW-uitkering.”

14. Aangezien eiser vóór zijn werkloosheid per 1 oktober 2015 een (klein) gedeelte van zijn werktijd heeft ingeruild voor een prepensioen is de rechtbank op grond van de (letterlijke) tekst van artikel 3:5 van het AIB en de toelichting daarop, van oordeel dat eisers prepensioen onder de uitzondering van artikel 3:5 van het AIB valt. Het prepensioen dient daarom niet tot het inkomen te worden gerekend.

15. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn stelling dat uit de jurisprudentie van de CRvB (bijvoorbeeld: ECLI:NL:CRVB:2016:1703) volgt dat artikel 3:5, vijfde lid, van het AIB restrictief moet worden uitgelegd, omdat het gaat om een uitzondering op de hoofdregel en omdat het niet korten van het prepensioen van eiser zou leiden tot dubbele inkomsten. De rechtbank is van oordeel dat er in dit geval geen ruimte is voor een uitleg (restrictief of anderszins) van de betreffende wettelijke bepaling, omdat de tekst van deze bepaling duidelijk is.

16. De rechtbank is voorts van oordeel dat uit voormelde jurisprudentie niet kan worden afgeleid, zoals door verweerder ter zitting betoogd, dat sprake zou moeten zijn van een eerder ‘relevant’ verlies van arbeidsuren. De CRvB wijst in zijn uitspraken uitsluitend op een ‘eerder verlies van arbeidsuren’. In r.o. 4.6 van de uitspraak van 4 mei 2016 (CRVB:2016:1703) wordt weliswaar het woord ‘relevant’ gebruikt, maar naar het oordeel van de rechtbank niet in de betekenis dat om een het arbeidsurenverlies ten minste 5 zou moeten gaan. Er was in die zaak geen sprake van arbeidsurenverlies in de zin van de wet, omdat de omvang van het dienstverband gelijk was gebleven.

17. De rechtbank is kortom van oordeel dat verweerder eisers prepensioen ten onrechte in mindering heeft gebracht op zijn uitkering. Dit leidt er weliswaar toe dat eiser voor een klein gedeelte dubbele inkomsten ontvangt, maar dat is het gevolg van de keuze van de wetgever in artikel 3:5 van het AIB, waarin is neergelegd dat prepensioen niet tot het inkomen wordt gerekend.

18. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit voorzover dat betrekking heeft op de korting van het ouderdomspensioen op eisers WW-uitkering (het primaire besluit II). Het beroep van eiser gericht tegen het onderdeel van het bestreden besluit met betrekking tot de vaststelling van het GAA door verweerder (het primaire besluit I) is ongegrond. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van 6 weken.

19. Omdat de rechtbank het beroep (gedeeltelijk) gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

20. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover dat betrekking heeft op de korting van het ouderdomspensioen op eisers WW-uitkering;

  • -

    verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

  • -

    draagt verweerder op binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak

een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46 aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 992,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M.J.A. barones van Hövell tot Westerflier-Dassen (voorzitter), en mr. C.M. Nollen en mr. E.M.J. Hardy, leden, in aanwezigheid van

mr. E.W. Seylhouwer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 november 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op: 4 november 2016

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.