Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:9211

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
21-10-2016
Datum publicatie
03-11-2016
Zaaknummer
C/03/226192 / KG ZA 16-490
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Geschil over verdeling nalatenschap. De voorzieningenrechter wijst de op de voet van artikel 3:174 BW gevorderde machtiging om de tot die nalatenschap behorende woning te gelden te maken, af. Uit het bepaalde in artikel 3:174 BW volgt dat een machtiging om een gemeenschappelijk goed, in dit geval de woning, te gelde te maken aan een deelgenoot kan worden verleend ten behoeve van de voldoening van een voor rekening van de gemeenschap komende schuld of om andere gewichtige redenen. In dit geval doet geen van beide situaties zich voor. De voorzieningenrechter hecht eraan te benadrukken dat de noodzaak om tot een behoorlijke verdeling te geraken, hoe begrijpelijk die noodzaak op zichzelf ook kan zijn, volgens de wetgever uitdrukkelijk niet als een gewichtige reden in de zin van artikel 3:174 BW kan worden beschouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2016-0207

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/226192 / KG ZA 16-490

Vonnis in kort geding van 21 oktober 2016

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. J.P.C.M. van Riet,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. R.G.P. Voragen.

Partijen zullen hierna de broer en de zus worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding,

  • -

    de conclusie van antwoord,

  • -

    de mondelinge behandeling.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De broer en de zus zijn, ieder voor de onverdeelde helft, gerechtigd in de nalatenschap van hun moeder, die is overleden op [overlijdensdatum] .

2.2.

Bij vonnis van deze rechtbank van 6 juli 2016, gewezen onder zaaknummer C/03/212304 / HA ZA 15-593, heeft de rechtbank de broer en de zus bevolen over te gaan tot verdeling van de nalatenschap van de moeder ten overstaan van een notaris en met benoeming van een onzijdig persoon voor het geval de zus zou weigeren haar medewerking aan die verdeling te verlenen.

2.3.

Desondanks is de verdeling van de nalatenschap tot op heden niet tot stand gekomen. De zus is, ondanks een daar toe strekkende verzoek van de notaris, niet verschenen bij de notaris teneinde overleg te hebben over de (wijze van) verdeling van de nalatenschap.

2.4.

Tot de onverdeelde nalatenschap behoort de woning, staande en gelegen te [adres woning] (hierna: de woning).

3 Het geschil

3.1.

De broer vordert dat de voorzieningenrechter, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, aan hem een machtiging verleent om de woning te gelde te maken en meer in het bijzonder aan hem een machtiging verleent om alles te doen wat noodzakelijk is voor de verkoop van de woning. Hiernaast vordert de broer dat de voorzieningenrechter, in verband met de te verlenen machtiging en de beoogde verkoop van de woning, de beslissingen neemt zoals door hem in het petitum van de dagvaarding geformuleerd, een en ander met veroordeling van de zus in de kosten van deze procedure.

3.2.

De zus voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat een machtiging om een gemeenschappelijk goed te gelde te maken, zoals bedoeld in artikel 3:174 lid van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), ondanks dat dit artikel in beginsel het volgen van de verzoekschriftprocedure voorschrijft, bij wijze van voorlopige voorziening toch in kort geding kan worden gevorderd en verleend (HR 21 juni 2002, NJ 2002, 420).

4.1.1.

De voorzieningenrechter ziet zich allereerst voor de vraag geplaatst of de broer een spoedeisend belang heeft bij beoordeling van zijn vorderingen in kort geding. Die vraag beantwoordt de voorzieningenrechter bevestigend. Hij overweegt hiertoe dat de broer onder andere aan zijn vorderingen ten grondslag legt dat de woning is belast met een hypothecaire lening en dat daarmee gepaard gaande aflossing en rente door de zus niet meer worden betaald. Bij deze stand van zaken kan van de broer niet worden gevergd dat hij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht. De voorzieningenrechter zal de broer aldus in zijn vorderingen ontvangen.

4.2.

Daarmee komt de voorzieningenrechter nu toe aan een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen. Uit het bepaalde in artikel 3:174 BW volgt dat een machtiging om een gemeenschappelijk goed, in dit geval de woning, te gelde te maken aan een deelgenoot kan worden verleend ten behoeve van de voldoening van een voor rekening van de gemeenschap komende schuld of om andere gewichtige redenen. De voorzieningenrechter hecht eraan te benadrukken dat de noodzaak om tot een behoorlijke verdeling te geraken, hoe begrijpelijk die noodzaak op zichzelf ook kan zijn, volgens de wetgever uitdrukkelijk niet als een gewichtige reden in de zin van artikel 3:174 BW kan worden beschouwd.

4.2.1.

De broer legt enerzijds aan zijn vordering ten grondslag dat sprake is van een voor rekening van de nalatenschap komende schuld, namelijk de hypotheekschuld, die volgens hem maakt dat de woning te gelde dient te worden gemaakt. Anderzijds legt de broer aan zijn vordering ten grondslag dat er gewichtige redenen zijn die rechtvaardigen dat de woning te gelde wordt gemaakt. De voorzieningenrechter zal hierna beoordelen of de broer het gelijk aan zijde heeft.

4.2.1.1. Anders dan de broer betoogt vormt de omstandigheid dat op de woning een voor rekening van de nalatenschap komende hypotheekschuld rust, in dit geval geen grond om een machtiging te verlenen om de woning te gelde te maken.

4.2.1.2. De voorzieningenrechter overweegt hiertoe dat de zus onweersproken heeft gesteld dat zij wel degelijk zorgdraagt voor de betaling van de aflossing en / of hypotheekrente en dat deze lasten tot op heden volledig door haar zijn voldaan. De voorzieningenrechter gaat daarom ervan uit dat geen achterstand bestaat in de betaling van de hypotheeklasten. De door de broer ter gelegenheid van de mondelinge behandeling geuite vrees voor een executoriale verkoop van de woning lijkt op dit moment dan ook niet gerechtvaardigd te zijn. Dat de bank de hypotheeklening heeft opgeëist is in ieder geval niet gesteld en overigens ook niet gebleken. Daar komt bij dat de voorzieningenrechter op dit moment geen enkel aanknopingspunt heeft om te veronderstellen dat de zus in de (nabije) toekomst zal stoppen met de betaling van de hypotheeklasten. Bij deze stand van zaken kan dan ook niet worden geconcludeerd dat de woning te gelde dient te worden gemaakt, omdat de hypotheekschuld nu volledig dient te worden afgelost. Hierop gelet alsmede gelet op het feit dat de broer niet heeft gesteld dat er nog andere voor rekening van de nalatenschap komende schulden zijn die nu dienen te worden afgelost, is hierin geen grond voor toewijzing van zijn vordering gelegen.

4.2.1.3. De gewichtige redenen op grond waarvan de voorzieningenrechter volgens de broer een machtiging om de woning te gelde te maken dient te verlenen zijn, zo begrijpt de voorzieningenrechter, volgens de broer gelegen in de omstandigheid dat de zus ondanks een daartoe strekkend bevel van de rechtbank niet meewerkt aan de verdeling van de nalatenschap alsook in de omstandigheid dat de waarde van de woning met verstrijken van de tijd alleen maar zal dalen aangezien de staat en het onderhoud van de woning op den duur achterstallig wordt.

4.2.1.4. Zowel ter gelegenheid van de mondelinge behandeling alsook hiervoor onder 4.2. heeft de voorzieningenrechter reeds benadrukt dat de wens om tot verdeling van de nalatenschap, hoe gerechtvaardigd die wens ook is, geen gewichtige reden vormt op grond waarvan een machtiging om de woning te gelden te maken kan worden verleend. De omstandigheid dat de zus niet meewerkt aan de verdeling van de nalatenschap vormt dan ook geen grond voor toewijzing van de vordering.

4.2.1.5. Voor de woning geldt bovendien dat de zus heeft betwist dat zij geen medewerking verleent aan verdeling daarvan door middel van verkoop. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft zij verklaard dat de woning al in de verkoop stond vóór het overlijden van de moeder, dat de woning vanaf het overlijden van de moeder tot april van dit jaar onafgebroken in de verkoop heeft gestaan en dat de woning eerst uit de verkoop is gehaald nadat de makelaar de verkoopopdracht heeft neergelegd. Volgens de zus heeft de makelaar de verkoopopdracht neergelegd vanwege scheurvorming in de woning die is veroorzaakt door bouwwerkzaamheden rondom de woning. De scheurvorming is volgens de zus van dien aard dat de makelaar zich op het standpunt stelt dat de woning op dit moment onverkoopbaar is. De zus deelt de visie van de makelaar. Hoewel de voorzieningenrechter deze stellingen in dit kort geding niet op juistheid kan beoordelen, aangezien de broer de juistheid daarvan betwist en de zus geen gegevens zoals bijvoorbeeld een brief van de makelaar in het geding heeft gebracht waaruit een en ander blijkt, constateert de voorzieningenrechter dat niet is gesteld of gebleken dat de broer vanaf april van dit jaar, althans nadat de woning uit de verkoop is gehaald, zelf concrete pogingen heeft ondernomen om de woning al dan niet bij een andere makelaar en eventueel voor een andere vraagprijs weer in de verkoop te doen plaatsen en dat de zus heeft geweigerd hieraan haar medewerking te verlenen. Gelet hierop is voor de voorzieningenrechter onvoldoende aannemelijk geworden dat de zus, hoewel zij zich op het standpunt stelt dat de woning op dit moment onverkoopbaar is, niet meewerkt althans geen medewerking zal verlenen aan de verkoop van de woning. Op dit moment is hierin dan ook geen gewichtige reden zoals bedoeld in artikel 3:174 BW gelegen.

4.2.1.6. Ten slotte kan hetgeen de broer heeft gesteld ter zake de financiële benadeling die ontstaat door een waardedaling van de woning ten gevolge van achterstallig onderhoud, niet tot een ander oordeel leiden. De zus heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling namelijk onweersproken gesteld dat zij tot op heden zorg draagt voor het onderhoud van de woning (en de tuin) en dat zij herstelwerkzaamheden laat verrichten indien dat nodig is. Het is dan ook niet aannemelijk dat de woning ten gevolge van achterstallig onderhoud in waarde zal dalen.

4.2.1.7. De slotsom is dus dat op dit moment geen gewichtige redenen bestaan die rechtvaardigen dat de voorzieningenrechter een machtiging aan de broer verleend om de woning te gelde te maken.

4.2.3.

Het voorgaande brengt met zich dat de zowel de door de broer gevorderde machtiging alsook de daarmee samenhangende vorderingen van de broer zullen worden afgewezen. Zoals de voorzieningenrechter ter gelegenheid van de mondelinge behandeling reeds heeft benadrukt laat deze beslissing onverlet dat in beginsel van niemand kan worden gevergd dat hij in een onverdeelde boedel blijft. Dit betekent dat de woning in beginsel toch zal moeten worden verdeeld, hetzij door verkoop aan een derde hetzij door toedeling aan de zus. Zij heeft ter gelegenheid van de mondelinge immers verklaard dat zij de woning zou willen overnemen, terwijl de broer heeft verklaard dat hij geen prijs stelt op toedeling van de woning aan hem.

4.2.3.1. De zus dient dan ook op korte termijn aan de broer duidelijkheid te verschaffen over de vraag of zij daadwerkelijk bereid en financieel in staat is om de woning over te nemen. Indien dit het geval blijkt te zijn, kan de verdeling van de woning op betrekkelijk korte termijn alsnog worden gerealiseerd. Indien de zus niet bereid en / of niet is staat is om de woning over te nemen, ligt, nu de broer heeft verklaard de woning niet te willen overnemen, een verkoop van de woning in de rede. Alsdan ligt het voor de hand dat de broer en de zus gezamenlijk een makelaar benaderen teneinde de woning opnieuw in de verkoop te plaatsen. Indien de woning vanwege scheurvorming op dit moment inderdaad onverkoopbaar is, zoals de zus stelt, dan gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat een makelaar dit ook aan de broer zal bevestigen. Partijen zullen alsdan in onderling overleg moeten bepalen welke consequenties dat heeft voor de (wijze van) verdeling van de woning.

4.3.

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om in deze zaak af te wijken van het in zaken van familierechtelijke aard gebruikelijke uitgangspunt, inhoudende dat de proceskosten worden gecompenseerd. Hij zal de proceskosten dan ook compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

compenseert de kosten van deze procedure in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.R.M. de Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2016.1

1 type: NL