Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:9210

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
24-10-2016
Datum publicatie
03-11-2016
Zaaknummer
C/03/225538 / KG ZA 16-461
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Is de weigering van de internet service provider (ISP) om de NAW-gegevens van haar abonnee aan eiser bekend te maken in strijd met de zorgvuldigheid die zij jegens eiser in acht dient te nemen? De door het gerechtshof Amsterdam in de zaak Lycos / Pessers (ECLI:NL:HR:2005:AU4019) geformuleerde criteria dienen nog steeds als maatstaf voor de beantwoording van die vraag te worden gehanteerd. Na toetsing aan deze criteria komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat de ISP onrechtmatig handelt jegens eiser. De vordering van eiser wordt toegewezen voor zover deze ertoe strekt dat de ISP de NAW-gegevens van haar abonnee aan eiser verstrekt.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBP 2016/87
Onder redactie van mr. M. van der Linden en mr. C.C.M. Kroeks – de Raaij annotatie in IR 2016/190, UDH:IR/13865

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer: C/03/225538 / KG ZA 16-461

Vonnis in kort geding van 24 oktober 2016

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. A.F.J.M. Mulders,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VODAFONE LIBERTEL B.V.,

statutair gevestigd te Maastricht,

gedaagde,

advocaat mr. A. Tsoutsanis.

Partijen zullen hierna [eiser] en Vodafone worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding,

  • -

    de akte houdende producties van Vodafone,

  • -

    de mondelinge behandeling,

  • -

    de pleitnota van [eiser] ,

  • -

    de pleitnota van Vodafone.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Omstreeks 2004 is door [eiser] de webwinkel “ [naam webwinkel 1] ” opgericht. De naam van deze webwinkel is nadien gewijzigd in “ [naam webwinkel 2] ”

2.2.

In 2014 is de Facebookgroep “Gedupeerd door [naam webwinkel 2] ” (hierna: Facebookgroep I) opgericht. Ontevreden klanten konden op deze Facebookpagina hun mening uiten over de webwinkel.

2.3.

Op 14 oktober 2015 heeft de heer [beheerder facebookgroep I] het beheer van Facebookgroep I overgenomen. Op enig moment, onduidelijk is gebleven wanneer, heeft de heer [beheerder facebookgroep I] het beheer van Facebookgroep I overgedragen aan (een) nieuwe, tot op heden anoniem gebleven, beheerder(s).

2.4.

Op 4 en 13 januari 2016 zijn door de beheerder van Facebookgroep I berichten op de pagina van deze Facebookgroep geplaatst. Het bericht van 4 januari 2016 luidt als volgt:

“Beste mensen,

zoals jullie misschien is opgevallen zijn een aantal berichten mbt de persoonsgegevens van de eigenaar van [naam webwinkel 2] hier (tijdelijk) verwijderd. Dit heb ik gedaan op verzoek van de vorige pagina beheerder. Hij is door [eiser] van [naam webwinkel 2] via een advocaat gesommeerd dit te verwijderen. Omdat het zijn ‘goede’ naam zou schaden.

Dit betekent dat deze oplichter zich in het nauw gedreven voelt en dat wij goed bezig zijn. We zullen dus ook niet stoppen tot [eiser] stopt met deze praktijken en alle honderden gedupeerden hun geld terug geeft.

Voor alle nieuwe mensen hier, blijf hier kijken, binnen enkele dagen zullen wij wederom foto en persoonlijke gegevens van de eigenaar plaatsen zodat u hem kunt vinden.

En [eiser] , als je dit leest, deze pagina wordt nu iedere week door een ander beheerd dus succes, je advocaat krijgt het nog druk!  misschien beter je energie steken in werken en met eerlijk verdiend geld alle mensen terugbetalen van wie je hebt gestolen!”

Het bericht van 13 januari 2016 luidt als volgt:

“Beste volgers, slecht nieuws,

Een van de vorige beheerders van deze pagina is door de “politie” benaderd. [eiser] heeft aangifte van smaad gedaan. Na tientallen aangiftes tegen [eiser] doet de politie niets en na 1 aangifte tegen deze facebookpagina komt de politie meteen in actie om deze pagina te sluiten. Ze gaan niet eens achter de oprichter aan, of de huidige beheerder maar iemand die tijdelijk het beheer heeft gehad, en wiens berichten allang zijn verwijderd.

Wij geloven hier dus ook niets van dat dit serieus de echte politie was.

Maar omdat we deze persoon die dus nu met naam en adres bekend is bij de tegenpartij willen sparen gaan we deze pagina voor hem tijdelijk op zwart zetten. We zullen spoedig een nieuwe pagina in het leven roepen. Hou deze dus wel in de gaten en ook klachtencompas waar we de nieuwe pagina zullen promoten, aangeven als deze weer in de lucht is. En voor iedereen die twijfelt of [eiser] wel de echte eigenaar is, hieronder een artikel uit een oude krant van 2004 waarin duidelijk staat dat hij hiermee begonnen is!

Tot snel mensen en blijf actie voeren.”

2.5.

Onder het bericht van 13 januari 2016 is een link naar en een afbeelding van een artikel uit het Leidsch Dagblad van 5 oktober 2004 gepubliceerd. Op de afbeelding is een foto van [eiser] zichtbaar.

2.6.

Kort na 13 januari 2016 is een tweede Facebookgroep opgericht. Deze Facebookgroep was genaamd: “Gedupeerd door [naam webwinkel 2] ”. Voor zover tot op heden bekend zijn op deze Facebookpagina geen persoonsgegevens van [eiser] gepubliceerd. Deze Facebookpagina van deze Facebookgroep is vlak na de oprichting daarvan weer verwijderd.

2.7.

Op 14 januari 2016 is de Facebookgroep “Opgelicht door [naam webwinkel 2] ” opgericht (hierna: Facebookgroep III). Eveneens op 14 januari 2016 is op de Facebookpagina van deze Facebookgroep een bericht geplaatst. Dit bericht luidt als volgt:

“Beste gedupeerden,

een vorige pagina is door [eiser] van [naam webwinkel 2] van facebook laten verwijderen. Blijkbaar mag je in dit land honderden mensen oplichten maar mag je dit niet kenbaar maken op facebook. Hier een nieuwe pagina met nieuwe beheerder. Kijken hoe lang we dit volhouden en hopelijk krijgen we weer net zo veel volgers! We moeten zoveel mogelijk informatie tegen deze persoon verzamelen over de omvang van zijn oplichtingspraktijken. Schrijf dus hier je ervaringen of stuur een pb.”

2.8.

Onder het bericht van 14 januari 2016 is eveneens een link naar en een afbeelding van het reeds hiervoor genoemde artikel uit het Leidsch Dagblad van 5 oktober 2004 gepubliceerd. Ook hier is op de afbeelding een foto van [eiser] zichtbaar.

2.9.

Op 15 januari 2016 heeft [eiser] aangifte gedaan van smaad en / of laster.

2.10.

Vervolgens heeft [eiser] op enig moment, onduidelijk is gebleven wanneer, Facebook in rechte betrokken. Hij heeft onder andere gevorderd dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag Facebook gebiedt dat zij de NAW-gegevens alsook de IP-adressen bij registratie en “logins” verstrekt van alle gebruikers die vanaf 14 oktober 2015 beheerder zijn (geweest) van Facebookgroep I en / of Facebookgroep III.

2.11.

Bij vonnis van 11 mei 2016, gewezen onder zaaknummer C/09/506214 / KG ZA 16/251, heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag Facebook geboden aan [eiser] , voor zover zij daarover beschikt, te verstrekken:

- de naam en het adres dat bij registratie is verstrekt,

- datum en tijdstip van registratie,

- datum, tijdstip en IP-adressen van logins van de afgelopen twee maanden van alle

- ( voormalige) gebruikers die tussen 10 oktober 2015 en 11 mei 2016 beheerder zijn geweest van Facebookgroep I en van Facebookgroep III.

2.12.

Facebook heeft naar aanleiding van dit vonnis gegevens aan [eiser] verstrekt. Deze gegevens zijn door [eiser] als productie 15 bij dagvaarding in het geding gebracht.

2.13.

Zowel de Facebookpagina van Facebookgroep I als de Facebookpagina van Facebookgroep III zijn inmiddels van Facebook verwijderd.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert dat de voorzieningenrechter, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en met veroordeling van Vodafone in de kosten van deze procedure, Vodafone gebiedt binnen zeven dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis alle bij haar bekende gebruikers- en / of contactgegevens, waaronder in ieder geval de naam het adres en de woonplaats, behorende bij het IP-adres [IP-adres] , althans tot dat IP-adres behorende op de inlogmomenten zoals weergegeven in productie 15 bij dagvaarding aan hem te verstrekken, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag of gedeelte daarvan dat zij in gebreke blijft daaraan te voldoen.

3.2.

Vodafone voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Spoedeisend belang

4.1.1.

De voorzieningenrechter dient allereerst te beoordelen of [eiser] een spoedeisend belang heeft bij beoordeling van zijn vordering in kort geding. Dat oordeel luidt bevestigend. Hij overweegt hiertoe dat [eiser] aan zijn vordering ten grondslag legt dat op Facebook door tot nu toe anoniem gebleven beheerder(s) van Facebookgroep I en door tot nu toe eveneens anoniem gebleven beheerder(s) van Facebookgroep III, op de Facebookpagina’s van de respectievelijke groepen berichten zijn geplaatst met uitlatingen die volgens hem onrechtmatig zijn jegens hem en een inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer maken. [eiser] wenst de beheerder(s) in rechte te betrekken, onder andere, zo stelt hij, om voor de toekomst een publicatieverbod af te dwingen alsook om schadevergoeding te verkrijgen. Hiertoe moet hij uiteraard eerst de identiteit van de beheerder(s) achterhalen. Om die reden heeft hij Facebook gedagvaard. Uit de door Facebook naar aanleiding van het vonnis van 11 mei 2016 verstrekte gegevens kan de identiteit van de beheerders volgens [eiser] niet worden afgeleid. Wel blijkt volgens hem uit de gegevens van Facebook dat het IP-adres dat door de beheerders van Facebookgroep I en III is gebruikt om de berichten op de Facebookpagina’s te plaatsen, behoort bij een internetaansluiting die op naam staat van een abonnee van Vodafone. Vodafone weigert volgens [eiser] om de persoonsgegevens van de betreffende abonnee te aan [eiser] verstrekken. Hierdoor is het onmogelijk om de identiteit van de beheerder(s) van beide Facebookgroepen te achterhalen en hen in rechte te betrekken, aldus [eiser] . Indien de stellingen van [eiser] juist zijn, dan heeft hij er belang bij dat zo spoedig mogelijk wordt beoordeeld en beslist of Vodafone gehouden is de persoonsgegevens van haar abonnee aan hem te verstrekken. Bij deze stand van zaken kan dan ook niet van [eiser] worden gevergd dat hij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht. De voorzieningenrechter zal hem daarom in zijn vordering ontvangen. Daarmee komt de voorzieningenrechter toe aan een inhoudelijke beoordeling van de vordering.

4.2.

Toetsingskader

4.2.1.

Bij de beantwoording van de vragen of Vodafone met haar weigering om aan [eiser] de persoonsgegevens te verstrekken van de abonnee op wiens naam de internetaansluiting die behoort bij het IP-adres met gebruikmaking waarvan de beweerdelijk onrechtmatige berichten zijn geplaatst, onrechtmatig jegens hem handelt en of zij deze gegevens alsnog aan [eiser] dient te verstrekken, stelt de voorzieningenrechter voorop dat hij evenals partijen ervan uitgaat dat de door het gerechtshof Amsterdam in de zaak Lycos / Pessers (ECLI:NL:HR:2005:AU4019) geformuleerde en nadien door de Hoge Raad bekrachtigde criteria in dit geval nog steeds als maatstaf voor de beantwoording van deze vraag dienen te worden gehanteerd.

4.2.2.

De voorzieningenrechter is zich ervan bewust dat discussie bestaat over de vraag of dit arrest inmiddels achterhaald is, omdat uit jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie, het “Promusicae” arrest van 29 januari 2008 (ECLI:EU:C:2008:54) en het “Bonnier Audio” arrest van 19 april 2012 (ECLI:EU:C:2012:219) zou volgen dat Europese lidstaten (onder andere) op grond van richtlijn 2002/58/EG betreffende privacy en elektronische communicatie in samenhang bezien met richtlijn 95/46/EG, de databeschermingsrichtlijn, in een gedetailleerde regeling dienen te voorzien alvorens van een internet service provider (hierna: ISP) in een civiele procedure mag worden verlangd dat deze persoonsgegevens van abonnees aan derden verstrekt. De voorzieningenrechter is echter niet ervan overtuigd dat deze conclusie uit de hiervoor genoemde jurisprudentie dient te worden getrokken. Hij leidt uit de hiervoor genoemde arresten enerzijds af dat er geen algemene op EU-richtlijnen te baseren verplichting kan worden opgelegd dat áltijd persoonsgegevens moeten worden verstrekt in civiele zaken. Anderzijds leidt de voorzieningenrechter uit deze arresten af dat in dit verband relevante EU-richtlijnen niet met zich brengen dat die verplichting nooit mag worden opgelegd dan wel dat daarvoor een specifieke nationale regeling is vereist. Hiernaast blijkt uit deze jurisprudentie dat het afhangt van de omstandigheden van het geval en een juiste weging van alle betrokken belangen of een ISP persoonsgegevens van een klant dient te verstrekken aan een derde. Dit is in lijn met het in het Lycos / Pessers arrest geformuleerde toetsingskader.

4.2.3.

De voorzieningenrechter zal aldus met inachtneming van dit arrest beoordelen of Vodafone met haar weigering om de door [eiser] gevorderde persoonsgegevens aan hem te verstrekken onrechtmatig handelt jegens hem en of zij die gegevens alsnog aan hem dient te verstrekken. Allereerst zal hij hierna echter ingaan op de door [eiser] ter gelegenheid van de mondelinge behandeling geformuleerde eiswijziging.

4.3.

Eiswijziging

4.3.1.

[eiser] heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling zijn eis gewijzigd, in die zin dat hij uitsluitend nog van Vodafone verlangt dat zij de NAW-gegevens verstrekt van de abonnee aan wie het IP-adres toebehoort, maar wel met de toevoeging dat Vodafone deze gegevens aan hem dient te verstrekken, tenzij zij niet daarover beschikt. Vodafone heeft bezwaar gemaakt tegen deze eiswijziging voor zover deze betrekking heeft op de “tenzijclausule”, maar de voorzieningenrechter gaat aan dat bezwaar voorbij. Vodafone heeft namelijk erkend dat zij beschikt over de NAW-gegevens van de abonnee op wiens naam de bij het IP-adres behorende internetaansluiting staat, zodat zij door deze eiswijziging, ook al is deze eerst ter gelegenheid van de mondelinge behandeling ingesteld, niet in haar belangen wordt geschaad. De voorzieningenrechter ziet dan ook geen aanleiding dit onderdeel van de eiswijziging buiten beschouwing te laten. Hierop gelet alsmede gelet op het feit dat de eiswijziging voor het overige een vermindering van eis inhoudt, zal de voorzieningenrechter recht doen op de gewijzigde eis.

4.4.

Handelt Vodafone onrechtmatig jegens [eiser] ?

4.4.1.

Uit het Lycos / Pessers arrest volgt dat een serviceprovider, zoals Vodafone, onder omstandigheden onrechtmatig kan handelen door de bij haar bekende NAW-gegevens van een abonnee niet op diens verzoek aan een belanghebbende derde bekend te maken. Een dergelijke weigering kan met name onrechtmatig zijn indien zich de volgende omstandigheden voordoen:

- de mogelijkheid dat de informatie, op zichzelf beschouwd, jegens de derde onrechtmatig en schadelijk is, is voldoende aannemelijk;

- de derde heeft een reëel belang bij de verkrijging van de NAW-gegevens;

- aannemelijk is dat er in het concrete geval geen minder ingrijpende mogelijkheid bestaat om de NAW-gegevens te achterhalen;

- afweging van de betrokken belangen van de derde, de serviceprovider en (in dit geval) de abonnee (voor zover kenbaar) brengt mee dat het belang van de derde behoort te prevaleren.

De voorzieningenrechter zal deze criteria hierna achtereenvolgens bespreken en beoordelen of in dit geval Vodafone in dit geval onrechtmatig handelt door de NAW-gegevens niet aan [eiser] te verstrekken.

4.4.2.

Hierbij neemt de voorzieningenrechter de volgende feiten en omstandigheden tot uitgangspunt.

4.4.2.1. Allereerst geldt dat [eiser] en Vodafone het erover eens zijn dat de berichten die op de pagina’s van respectievelijk Facebookgroep I en Facebookgroep III zijn geplaatst en die volgens [eiser] onrechtmatig zijn, op deze Facebookpagina’s zijn geplaatst door de beheerder(s) van deze Facebookgroepen.

4.4.2.3. Daarnaast zijn [eiser] en Vodafone het erover eens dat het bericht dat op 14 januari 2016 door de beheerder van Facebookgroep III op de pagina van deze groep is geplaatst, daarop is geplaatst met gebruikmaking van het IP-adres dat behoort bij de internetaansluiting die op naam van de abonnee van Vodafone staat. Het bericht van 14 januari 2016 dient dan ook in ieder geval in aanmerking te worden genomen bij de beantwoording van de vraag of Vodafone met haar weigering om de NAW-gegevens van haar abonnee aan hem te verstrekken, onrechtmatig jegens [eiser] handelt.

4.4.2.4. Voor de berichten die door de beheerder(s) van Facebookgroep I op de pagina van deze groep zijn geplaatst, geldt dat [eiser] en Vodafone van mening verschillen over de vraag of deze in aanmerking dienen te worden genomen bij de beantwoording van de vraag of Vodafone onrechtmatig handelt jegens [eiser] .

[eiser] is van mening dat de voorzieningenrechter wel acht moet slaan op de berichten die op 4 en 13 januari 2016 door de beheerder van Facebookgroep I op de pagina van deze groep zijn geplaatst, terwijl Vodafone van mening is dat deze berichten volledig buiten beschouwing dienen te worden gelaten. Volgens haar is uitsluitend bij de plaatsing van het bericht van 14 januari 2016 op de pagina van Facebookgroep III gebruik gemaakt van het IP-adres dat behoort bij de internetaansluiting die op naam staat van haar abonnee. De berichten die op Facebookgroep I zijn geplaatst, zijn niet met gebruikmaking van dit IP-adres geplaatst, aldus Vodafone.

Voor alle duidelijkheid merkt de voorzieningenrechter op dat voor de berichten die vóór 4 januari 2016 door de beheerder op de pagina van Facebookgroep I zijn geplaatst het volgende geldt. [eiser] stelt zelf dat deze door de heer [beheerder facebookgroep I] (die volgens [eiser] in deze periode beheerder was van Facebookgroep I en waarmee hij inmiddels een regeling over deze kwestie heeft getroffen) en dus niet door een tot op heden anoniem gebleven beheerder wiens identiteit nog dient te worden achterhaald op de pagina zijn geplaatst. Dit brengt met zich dat de voorzieningenrechter de berichten die vóór 4 januari 2016 op de pagina van Facebookgroep I zijn geplaatst in ieder geval buiten beschouwing zal laten.

Dan komt de voorzieningenrechter nu toe aan de beantwoording van de vraag of hij de berichten die op 4 en 13 januari 2016 op de pagina van Facebookgroep I zijn geplaatst, wél bij zijn beoordeling dient te betrekken. Die vraag beantwoordt de voorzieningenrechter bevestigend.

Uit de door Facebook verstrekte gegevens blijkt, zo stelt [eiser] terecht, dat het IP-adres dat behoort bij de internetaansluiting die op naam van de abonnee van Vodafone staat, niet alleen door de beheerder(s) van Facebookgroep III is gebruikt, maar ook door de beheerder(s) van Facebookgroep I. De voorzieningenrechter overweegt hiertoe dat [eiser] als tweede bladzijde bij productie 15 een overzicht in het geding heeft gebracht waarop met de hand geschreven is vermeld “gedupeerd door [naam webwinkel 2] ”. [eiser] heeft onweersproken gesteld dat dit overzicht betrekking heeft op de “logins” van de beheerder(s) van Facebookgroep I, die daarbij gebruik maakten van de gebruikersnaam “ [gebruikersnaam] ”. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat de beheerder(s) van Facebookgroep I uitsluitend gebruik hebben gemaakt van deze gebruikersnaam. Indien de beheerder(s) nog van een andere gebruikersnaam gebruik zouden hebben gemaakt, had Facebook krachtens het vonnis van 11 mei 2016 gegevens van deze “gebruiker” aan [eiser] dienen te verstrekken. Bij vonnis van 11 mei 2016 heeft de voorzieningenrechter Facebook immers opgedragen de data, tijdstippen en IP-adressen van “logins” van àlle (voormalige) gebruikers die in de periode vanaf 10 oktober 2015 tot 11 mei 2016 beheerder zijn geweest van Facebookgroep I. Dat Facebook gegevens aan [eiser] heeft verstrekt waaruit blijkt dat Facebookgroep I óók met gebruikmaking van een andere gebruikersnaam dan de gebruikersnaam “ [gebruikersnaam] ” is beheerd, is niet gesteld of gebleken.

Uit het overzicht blijkt dat onder de gebruikersnaam “ [gebruikersnaam] ” in de periode vanaf 15 december 2015 tot en met 13 januari 2016, 21 keer is ingelogd op Facebook, waaronder op 4 en 13 januari 2016. Hiernaast blijkt dat deze “logins” uitsluitend hebben plaatsgevonden met gebruikmaking van het IP-adres dat behoort bij de internetaansluiting die op naam van de abonnee van Vodafone staat. Hiermee heeft [eiser] voldoende onderbouwd dat de beheerder van Facebookgroep I de berichten heeft geplaatst met gebruikmaking van dit IP-adres. Vodafone heeft weliswaar erop gewezen dat de omstandigheid dat de beheerder inlogt met gebruikmaking van dit IP-adres op zichzelf nog niets zegt over de vraag of de door de beheerder geplaatste berichten daadwerkelijk met gebruikmaking van dit IP-adres zijn geplaatst, maar daarbij miskent zij dat Facebook krachtens het vonnis van 11 mei 2016 onder andere gehouden was de data, tijdstippen én IP-adressen van “logins” van alle (voormalige) gebruikers die in de periode vanaf 10 oktober 2015 tot 11 mei 2016 beheerder zijn geweest van Facebookgroep I, te verstrekken. Hieruit volgt dat indien de gebruiker met gebruikersnaam “ [gebruikersnaam] ” ook op andere data en / of met gebruikmaking van een ander IP-adres zou hebben ingelogd, dit zou zijn gebleken uit het door Facebook verstrekte overzicht. Daarop worden immers àlle “logins” van de gebruiker “ [gebruikersnaam] ” geacht te zijn vermeld. Overigens heeft de voorzieningenrechter geen aanknopingspunt om te veronderstellen dat het door Facebook verstrekte overzicht incompleet is. Hij kan daarom niets anders concluderen dan dat de berichten die op 4 en 13 januari 2016 door de beheerder van Facebookgroep I op de pagina van deze groep zijn geplaatst, zijn geplaatst met gebruikmaking van het IP-adres dat behoort bij de internetaansluiting die op naam van de abonnee van Vodafone staat. Dit brengt met zich dat de voorzieningenrechter óók de berichten die op 4 en 13 januari 2016 door de beheerder op de pagina van Facebookgroep I zijn geplaatst bij zijn beoordeling zal betrekken.

4.4.2.5. De slotsom is dus dat de voorzieningenrechter zowel de berichten die op 4 en 13 januari 2016 op de pagina van Facebookgroep I zijn geplaatst als het bericht dat op 14 januari 2016 op de pagina van Facebookgroep III is geplaatst zal betrekken bij de beantwoording van de vraag of Vodafone onrechtmatig jegens [eiser] handelt. Daarmee komt de voorzieningenrechter nu toe aan de bespreking en beoordeling van de voor de beantwoording van deze vraag relevante criteria.

4.4.3.

Is voldoende aannemelijk dat de informatie op zich zelf beschouwd jegens [eiser] onrechtmatig en schadelijk is?

4.4.3.1. De voorzieningenrechter beantwoordt de vraag of voldoende aannemelijk is dat de inhoud van de respectievelijk op 4, 13 en 14 januari 2016 op de Facebookpagina’s van Facebookgroep I en Facebookgroep III door de beheerder(s) van deze pagina’s geplaatste berichten jegens [eiser] onrechtmatig en schadelijk zijn, bevestigend. Hij overweegt hiertoe dat voor alle berichten geldt dat hetzij door de verwijzing naar [eiser] als “ [eiser] van [naam webwinkel 2] ” in combinatie met het plaatsen van een link en afbeelding van het artikel in het Leidsch dagblad van 5 oktober 2004, waarin [eiser] met voor- en achternaam wordt vermeld en waarop [eiser] herkenbaar is afgebeeld, hetzij door het noemen van de voor- en achternaam van [eiser] , voor derden glashelder is dat de berichten betrekking hebben op [eiser] . Hiernaast geldt dat herhaaldelijk wordt gesuggereerd dat [eiser] zich schuldig maakt dan wel heeft gemaakt aan strafbare feiten, namelijk oplichting en diefstal. Het is voldoende aannemelijk dat een dergelijke beschuldiging, indien vast zou komen te staan dat deze niet op een feitelijke grondslag berust, onrechtmatig is jegens [eiser] . In dat geval is het bovendien niet ondenkbaar dat [eiser] ten gevolge van deze mogelijk onrechtmatige uitlatingen schade, zoals bijvoorbeeld reputatieschade, heeft geleden. De omstandigheid dat de berichten inmiddels al geruime tijd zijn verwijderd kan, anders dan Vodafone betoogt, niet tot een ander oordeel leiden, nu dit op zichzelf niets afdoet aan het mogelijk onrechtmatige en schadelijke karakter van die berichten. Ten slotte kan hetgeen Vodafone heeft aangevoerd met betrekking tot, onder andere, het doel van het bericht van 14 januari 2016 en de mate van publiciteit die dit bericht heeft genoten, onbesproken blijven, aangezien een en ander, zo al juist, op zichzelf niets afdoet aan het mogelijk onrechtmatig karakter van de berichten.

4.4.4.

Heeft [eiser] een reëel belang bij de verkrijging van de NAW-gegevens?

4.4.4.1. De vraag of [eiser] een reëel belang heeft bij verkrijging van de NAW-gegevens beantwoordt de voorzieningenrechter eveneens bevestigend. Dit belang is gelegen in de omstandigheid dat [eiser] de identiteit van de beheerder(s) van Facebookgroep I en Facebookgroep III door wie de berichten zijn geplaatst tot op heden niet heeft kunnen achterhalen. [eiser] heeft, zo heeft hij onweersproken gesteld, via Facebook (zijn raadsman heeft een bericht op Facebookgroep I doen plaatsen met het verzoek aan de beheerder(s) om zijn identiteit kenbaar te maken) en via de e-mailadressen die bij registratie van de door de beheerder(s) gebruikte gebruikersnamen “ [gebruikersnaam] ” (Facebookgroep I) en “ [eiser] ” (Facebookgroep III) zijn opgegeven, getracht contact te krijgen met de beheerder(s) en hun identiteit te achterhalen. Dit is niet gelukt. Het valt niet uit te sluiten dat de identiteit van de beheerders wel kan worden achterhaald indien [eiser] de beschikking heeft over de NAW-gegevens van de abonnee van Vodafone. Het staat immers vast dat de berichten zijn geplaatst met gebruikmaking van het IP-adres dat behoort bij de netwerkaansluiting die op naam staat van de abonnee van Vodafone. Deze abonnee stelt zich blijkens de door de door Vodafone als productie één bij akte houdende overlegging producties weliswaar op het standpunt dat hij of zij niet verantwoordelijk is voor de plaatsing van de berichten, maar nog daargelaten dat dat in deze procedure niet ter beoordeling voorligt en ook overigens in deze procedure niet kan worden vastgesteld, neemt dit niet weg dat alsdan via de abonnee mogelijk alsnog de identiteit van de beheerder(s) van de Facebookgroepen kan worden achterhaald. De omstandigheid dat, voor zover bekend, na 14 januari 2016 geen nieuwe berichten meer zijn geplaatst, de pagina’s van beide Facebookgroepen inmiddels zijn verwijderd en de webwinkel kennelijk haar bedrijfsactiviteiten op 12 januari 2016 heeft gestaakt, zodat de kans dat in de toekomst soortgelijke berichten op internet zullen verschijnen op dit moment gering lijkt te zijn en voorshands niet aannemelijk is dat [eiser] (indien hij de identiteit van de beheerders zou kunnen achterhalen) met succes een verbod op toekomstige publicaties zou kunnen afdwingen, doet anders dan Vodafone betoogt niets af aan het belang van [eiser] bij verkrijging van de NAW-gegevens. Indien de voorzieningenrechter Vodafone hierin zou volgen, zou de consequentie immers zijn dat [eiser] niet meer in rechte kan opkomen tegen de berichten die op 4, 13 en 14 januari 2016 zijn geplaatst, terwijl voor deze berichten geldt dat aannemelijk is dat ze onrechtmatig zijn indien vast komt te staan dat zij niet op een feitelijke grondslag zijn gestoeld. In dit verband geldt dat [eiser] , anders dan Vodafone kennelijk meent, de mogelijk door hem geleden schade in het kader van de beoordeling of hij een reëel belang heeft bij verstrekking van de NAW-gegevens, in deze procedure niet nader behoeft te onderbouwen.

4.4.5.

Is aannemelijk dat in dit geval geen minder ingrijpende mogelijkheid bestaat om de NAW-gegevens te achterhalen?

4.4.5.1. Voorts heeft [eiser] voldoende aannemelijk gemaakt dat in dit geval geen minder ingrijpende mogelijkheid bestaat om de NAW-gegevens van de abonnee te achterhalen. [eiser] beschikt behalve over het IP-adres dat te herleiden is naar de abonnee van Vodafone, niet over ander informatie waarmee de NAW-gegevens van de abonnee kunnen worden achterhaald. De door Facebook verstrekte gegevens bieden hiervoor geen aanknopingspunt. Bovendien heeft [eiser] voldoende aannemelijk gemaakt dat àls de NAW-gegevens van de abonnee al te herleiden zouden zijn via de door de gebruikers “ [gebruikersnaam] ” en [eiser] ” bij registratie op Facebook opgegeven e-mailadressen, geldt dat de gebruikers van de e-mailadressen niet hebben gereageerd op het aan hen via deze e-mailadressen gezonden verzoek om zijn of haar identiteit bekend te maken. Dit betekent dat indien [eiser] de NAW-gegevens van de abonnee al via deze weg zou kunnen verkrijgen, hiervoor alsnog noodzakelijk is dat een ISP de bij haar bekende gegevens verstrekt.

4.4.6.

Brengt een afweging van de betrokken belangen van [eiser] , Vodafone en, in dit geval, de abonnee (voor zover kenbaar) brengt mee dat het belang van [eiser] behoort te prevaleren?

4.4.6.1. Ten slotte geldt dat een afweging van de betrokken belangen in dit geval in het voordeel van [eiser] uitvalt. [eiser] moet tegen het mogelijk onrechtmatig handelen van de beheerder(s) van de Facebookgroepen kunnen optreden. Daarvoor is noodzakelijk dat hij de identiteit van de beheerders achterhaalt. Dit belang weegt zwaarder dan het belang van Vodafone om de NAW-gegevens van haar abonnee niet te verstrekken. Vodafone vervult in deze kwestie slechts een faciliterende rol doordat zij de internetaansluiting met gebruikmaking waarvan de berichten zijn geplaatst aan haar abonnee heeft verstrekt. Dat zij afgezien van de op haar rustende verplichting om zorgvuldig om te gaan met de NAW-gegevens van haar abonnees, een zelfstandig belang heeft dat zich verzet tegen het verstrekken van de NAW-gegevens van deze abonnee en dat dat belang zwaarder weegt dan het belang van [eiser] om de identiteit van de beheerder(s) te achterhalen en in rechte op te kunnen komen tegen het mogelijk onrechtmatig handelen van de beheerder(s) is niet gesteld.

Het belang van de abonnee om anoniem te blijven prevaleert evenmin boven het belang van [eiser] bij afgifte van de NAW-gegevens, aangezien er geen aanwijzingen zijn dat [eiser] de identiteit van de beheerder(s) op andere wijze dan via de abonnee kan achterhalen. Het belang van de abonnee bij vrijheid van meningsuiting en het belang om die mening anoniem te kunnen uiten, dient anders dan Vodafone stelt in wezen niet bij de door de voorzieningenrechter te maken belangafweging te worden betrokken, aangezien Vodafone en de abonnee zich op het standpunt stellen dat de abonnee niet (een van) de beheerder(s) van de Facebookgroepen is en aldus niet verantwoordelijk is voor de plaatsing van de berichten. Voor zover de abonnee wél als beheerder verantwoordelijk zou zijn voor de plaatsing van de berichten, geldt dat het belang van de abonnee om zijn of haar mening te kunnen uiten en om dat anoniem te doen niet prevaleert boven het belang van [eiser] bij afgifte van de NAW-gegevens van de abonnee. Het belang van de abonnee als beheerder om vrijelijk en anoniem zijn of haar mening kan uiten is niet absoluut en mag, zoals het gerechtshof in de zaak Lycos / Pessers overwoog en waarbij de voorzieningenrechter zich aansluit, in het bijzonder niet worden misbruikt om (mogelijk) onrechtmatige en schadelijke uitlatingen over een derde te doen en zich daarbij volledig te onttrekken aan iedere mogelijkheid om door die derde ter verantwoording te worden geroepen. Hierbij is net zoals in de zaak Lycos / Pessers van belang dat de door de beheerder(s)aan de orde gestelde (beweerde) misstanden niet zodanig van aard of impact is, dat waarborging van de anonimiteit van de beheerder(s) noodzakelijk is om die (beweerde) misstanden vrijelijk aan de orde te kunnen stellen.

4.4.7.

Slotsom

4.4.7.1. Op grond van het voorgaande komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat de weigering van Vodafone om de NAW-gegevens van haar abonnee aan [eiser] bekend te maken in strijd is met zorgvuldigheid die zij jegens [eiser] in acht dient te nemen. Vodafone handelt aldus onrechtmatig jegens [eiser] . Dit brengt met zich dat de vordering van [eiser] zal worden toegewezen voor zover deze ertoe strekt dat Vodafone de NAW-gegevens van de abonnee op wiens naam de internetaansluiting behorend bij het IP-adres: [IP-adres] staat, aan [eiser] verstrekt.

4.4.7.2. Voor zover [eiser] heeft beoogd zijn vordering te concretiseren in die zin dat voorzieningenrechter Vodafone (tevens) dient te gebieden de NAW-gegevens te verstrekken van de abonnee op wiens naam de internetaansluiting behorend bij het hiervoor genoemde IP-adres stond tijdens de inlogmomenten, die hebben plaatsgevonden in de periode van 15 december 2015 tot en met 21 januari 2016, zoals weergegeven in productie 15 bij dagvaarding, gaat de voorzieningenrechter hieraan voorbij. Vodafone heeft immers, onder verwijzing naar de door haar als productie drie bij akte houdende overlegging producties in het geding gebrachte e-mailberichten, onweersproken gesteld dat vanaf 21 januari 2016 geen wijzigingen in het netwerk hebben plaatsgevonden. De voorzieningenrechter gaat daarom ervan uit dat de abonnee op wiens naam de internetaansluiting behorend bij IP-adres [IP-adres] op dit moment staat, dezelfde abonnee is als de abonnee op wiens naam de internetaansluiting behorend bij dit IP-adres stond op 21 januari 2016. Tevens betrekt de voorzieningenrechter bij zijn oordeel dat hij geen aanleiding heeft om te veronderstellen dat in de periode van 4 januari 2016 tot en met 21 januari 2016 wel een netwerkwijziging heeft plaatsgevonden.

4.4.7.3. Met betrekking tot de termijn waarbinnen Vodafone de gegevens aan [eiser] dient te verstrekken, overweegt de voorzieningenrechter dat zij dat, zoals [eiser] heeft gevorderd, binnen zeven dagen na betekening van het vonnis dient te doen. Vodafone heeft weliswaar betoogd dat de voorzieningenrechter haar een termijn van twee weken na betekening van dit vonnis hiervoor dient te gunnen, maar de voorzieningenrechter ziet daarvoor geen aanleiding. Het staat immers vast dat Vodafone op dit moment reeds beschikt over de betreffende gegevens, zodat zij deze onmiddellijk aan [eiser] kan verstrekken. Dit zou anders zijn geweest indien Vodafone nu nog onderzoek zou moeten verrichten om de gegevens te achterhalen.

4.4.7.4. Voor zover de vordering ertoe strekt dat de voorzieningenrechter aan de veroordeling toevoegt dat Vodafone de gegevens dient te verstrekken tenzij zij niet daarover beschikt, zal deze worden afgewezen. Vodafone heeft immers erkend dat zij beschikt over de NAW-gegevens van de abonnee op wiens naam de internetaansluiting staat die behoort hiervoor genoemde IP-adres. In dit licht heeft [eiser] onvoldoende gesteld om aannemelijk te achten dat hij belang heeft bij toewijzing van dit onderdeel van de vordering.

4.5.

Dwangsom

4.5.1.

Voorts heeft [eiser] gevorderd aan de hoofdveroordeling een dwangsom te verbinden van € 1.000,00 per dag of gedeelte daarvan dat Vodafone nalaat aan deze veroordeling te voldoen. Vodafone heeft daartegen verweer gevoerd. Hiertoe heeft zij ter gelegenheid van de mondelinge behandeling, onder andere, nadrukkelijk gesteld dat zij een gerenommeerd bedrijf is dat vonnissen pleegt te eerbiedigen. Volgens Vodafone is het opleggen van een dwangsom als prikkel tot nakoming van hetgeen waartoe zij wordt veroordeeld overbodig. Aangezien de voorzieningenrechter geen aanknopingspunt heeft om het tegendeel te veronderstellen, gaat hij ervan uit dat Vodafone deze toezegging gestand zal doen. De vordering om aan de hoofdveroordeling een dwangsom te verbinden zal daarom worden afgewezen. Dit laat uiteraard onverlet dat [eiser] , indien Vodafone dit vonnis in weerwil van haar toezegging niet naleeft, kan vorderen dat alsnog een dwangsom aan de in dit vonnis uit te spreken hoofdveroordeling wordt verbonden.

4.6.

Proceskosten

4.6.1.

Ten slotte heeft [eiser] gevorderd Vodafone in de kosten van deze procedure te veroordelen. Vodafone heeft daartegen verweer gevoerd en heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat de proceskosten dienen te worden gecompenseerd. De voorzieningenrechter gaat aan dit verweer voorbij. Aangezien de vordering van [eiser] in essentie wordt toegewezen en [eiser] Vodafone in rechte heeft moeten betrekken, omdat zij niet bereid was de NAW-gegevens van haar abonnee buiten rechte aan hem te verstrekken, bestaat geen aanleiding voor een compensatie van de proceskosten. Dat de aard van de te verstrekken gegevens beperkt is ten opzichte van de aanvankelijk bij dagvaarding gevorderde gegevens en dat geen dwangsom wordt opgelegd, doet hieraan niet af. Het door [eiser] gevoerde procesbeleid vormt evenmin aanleiding voor een compensatie van de proceskosten.

4.6.2.

Vodafone zal aldus als de in ieder geval in essentie in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 94,08

- griffierecht 288,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.198,08

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

gebiedt Vodafone om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis de NAW-gegevens aan [eiser] te verstrekken van de abonnee op wiens naam de internetaansluiting behorend bij IP-adres [IP-adres] staat,

5.2.

veroordeelt Vodafone in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.198,08,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.R.M. de Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 24 oktober 2016.

Type: NL