Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:8994

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
12-10-2016
Datum publicatie
16-11-2016
Zaaknummer
4841407 CV EXPL 16-2005
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gemengde overeenkomst van koop en aanneming van werk, waarbij het laatste element overheerst.

Daarom zijn niet de regels van koop (titel 1 van boek 7 BW) van toepassing, maar de bepalingen van boek 7 titel 12 BW (aanneming van werk).

In dit licht slaagt het verjaringsverweer van gedaagde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/3389
RVR 2017/8

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 4841407 CV EXPL 16-2005

Vonnis van de kantonrechter van 12 oktober 2016

in de zaak van:

1 [eiser sub 1]

2. [eiseres sub 2],

beiden wonend [adres 1] ,

[woonplaats] ,

eisende partij,

gemachtigde mr. H.J. Brinkman, SRK Rechtsbijstand,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid TIMMERFABRIEK [naam 1] B.V.,

gevestigd en kantoorhoudend [adres 2] ,

[vestigingsplaats] ,

gedaagde partij,

gemachtigde mr. R.R.F.J. Palmen, advocaat.

Partijen zullen hierna [eisers] c.s. en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 11 februari 2016

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de conclusie van repliek

  • -

    conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eisers] c.s. hebben in 1998 Timmerbedrijf [gedaagde] v.o.f. te Brunssum (hierna de V.O.F.) benaderd voor het leveren en plaatsen van hardhouten kozijnen en deuren met (dubbele) beglazing in hun woning aan de [adres 1] te [woonplaats] . De V.O.F. heeft op 9 november 1998 een offerte uitgebracht, waarmee [eisers] c.s. akkoord zijn gegaan. Hoewel zulks niet uit de offerte blijkt, zijn partijen overeengekomen dat een aantal kozijnen zal worden opgedeeld in zes separate ruitjes. In totaal gaat het om ruim 100 ruiten en ruitjes.

2.2.

In 1999 is de V.O.F. in opdracht van [eisers] c.s. overgegaan tot plaatsing van de kozijnen en deuren. De ruiten en ruitjes zijn geplaatst door de firma [naam 2] .

2.3.

De aanneemsom bedroeg in totaal ƒ 33.000,00 inclusief btw (€ 14.974,74). [eisers] c.s. hebben aan de V.O.F. een aanbetaling verricht en na uitvoering van alle werkzaamheden een factuur ontvangen voor het restant bedrag, dat zij eveneens hebben voldaan.

2.4.

[eisers] c.s. hebben kort na de oplevering bij de V.O.F. geklaagd over ‘condensvorming in de spouw van enkele ruiten’. Vervolgens zijn zes ruitjes vervangen door de firma [naam 3] . Later zijn nog eens zes ruitjes vervangen.

2.5.

Op 28 mei 2004 is [gedaagde] opgericht en per 3 juni 2004 ingeschreven in het handelsregister met als enig aandeelhouder [naam 1] Beheer Brunssum B.V.

2.6.

Naar aanleiding van het schrijven van SRK - die als gemachtigde van [eisers] c.s. optreedt - aan [gedaagde] op 7 februari 2008 antwoordt [gedaagde] in haar brief van 18 februari 2008 onder meer met het volgende:

Het is inderdaad zo dat direkt na het plaatsen van de kozijnen enige ruitjes condensvorming hadden. Wij hebben (…) opdracht gegeven deze te vervangen (…) op onze kosten (…)

Nu 8 jaar later zijn er 10 ruitjes lek.

Wij hebben mevrouw [eiseres sub 2] gelijk verteld dat deze ruitjes vervangen zullen worden.

Zij hoeft geen partij te zijn in het meningsverschil tussen ons en de glasfabriek (…)

Wij zijn van mening dat het lekken verschillende oorzaken kan hebben. (…)

Wij willen een en ander absoluut goed oplossen. (…)”

2.7.

Om de oorzaak van de condensvorming te achterhalen schakelt SRK expertisebureau Toplis Hettema - dat later verder gaat onder de naam Dekra - in.

2.8.

Expert J. de Waal van Toplis Hettema brengt op 13 mei 2008 een bezoek aan de woning van [eisers] c.s. Zowel [gedaagde] als glasleverancier [naam 3] waren eveneens aanwezig.

Toplis Hettema concludeert in haar brief van 20 mei 2008 aan SRK (samengevat): Er is condensvorming tussen de beide ruitdelen. Het probleem doet zich op dat moment voor bij 28 ruitjes. Het vochtpercentage van het kozijn is 13,1%, overeenkomst de norm op dat punt. Er zijn condensafvoeren in de kozijnen en er zijn geen sporen aangetroffen die duiden op de inwerking van vocht van binnen of van buiten. De oorzaak van het probleem moet gezocht worden in de kwaliteit van de geleverde ruiten.

2.9.

Vervolgens is door Toplis Hettema de glasfabrikant Glaverbel benaderd, maar deze heeft kennelijk zelf al eerder onderzoek ingesteld en wijst - zo blijkt uit de brief van Glashandel [naam 3] van 8 juli 2008 - als oorzaak van het probleem op onvoldoende beluchting van de ruitjes. (Het bericht van Glaverbel zelf is niet aangetroffen in het dossier, opmerking kantonrechter).

2.10.

[gedaagde] heeft in augustus 2008 in totaal 28 ruitjes (laten) vervangen.

2.11.

Toplis Hettema brengt op 6 oktober 2008 rapport uit aan SRK en herhaalt dat de oorzaak van de problematiek gelegen is in een gebrek aan het glas en concludeert voorts: “Mede gezien het aanzienlijke percentage problemen, ruim 40%, is er geen sprake meer van een incident. Wellicht dat bij de productie van de ruiten de afdichtingsrubbers te ‘koud’ zijn verwerkt. Hierdoor verliezen de ruiten na verloop van tijd hun vochtwerende functie en kan zich condensvorming voordoen. (…)

Gegeven de omvangrijke problematiek valt naar onze mening niets uit te sluiten. Wij zijn dan ook van mening dat alle ruiten vervangen dienen te worden. (…)

Naast de kosten voor het vervangen van ruiten zal ook het schilderwerk aan kozijnen opnieuw uitgevoerd moeten worden.”

Toplis Hettema schat vervolgens de door [eisers] c.s. geleden schade op € 6.750,00. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:

- ruiten, materiaalkosten, inclusief 19% btw € 3.500,00

- montagekosten, inclusief 19% btw € 1.500,00

- schilderwerk en herstelkosten, inclusief 6% btw € 1.750,00

2.12.

Bij schrijven van 7 november 2008 sommeert SRK [gedaagde] om op zo kort mogelijke termijn alle ruiten te vervangen en zorg te dragen voor het schilderwerk en de herstelkosten. In deze brief is tevens vermeld dat - voor het geval [gedaagde] aan de sommatie geen gehoor geeft - de overeenkomst tot nakoming zal worden omgezet in een overeenkomst tot vervangende schadevergoeding.

2.13.

Via zijn gemachtigde mr. Palmen laat [gedaagde] per brief van 20 november 2008 weten, niet aan de sommatie van SRK te zullen voldoen maar wel bereid te zijn om ‘de nog niet vervangen ruitjes (totaal 60) zelf en voor eigen rekening te vervangen inclusief montage doch exclusief eventueel noodzakelijk schilderwerk”.

2.14.

SRK bericht vervolgens op 27 februari 2009 aan mr. Palmen dat [eisers] c.s. daarmee op dat moment niet akkoord gaan, omdat in een aantal van de in 2008 vervangen ruitjes opnieuw condensvorming is opgetreden.

2.15.

Toplis Hettema heeft bij haar bezoek aan de woning van [eisers] c.s. op 23 februari 2009 deze nieuwe problemen niet geconstateerd, zo schrijft zij op 26 maart 2009 aan SRK.

2.16.

Op 6 januari 2010 bezoekt Dekra (voorheen Toplis Hettema) andermaal de woning, nu in aanwezigheid van [naam 4] van het gelijknamige schildersbedrijf. Omdat meer onderzoek vereist is, vindt op 24 februari 2010 een aanvullende inspectie plaats waarbij ook [gedaagde] aanwezig is. Dekra constateert dan dat er sprake is van condensvorming in de spouw van diverse ruiten en dat de problemen zich niet alleen voordoen in de ‘oude’ ruiten, maar ook in de ruiten die [gedaagde] in een later stadium heeft laten vervangen.

Tijdens dit onderzoek wordt een van de ruiten gedemonteerd.

Dekra brengt op 30 juni 2010 aan SRK rapport uit. Daarin zijn de volgende conclusies opgenomen (samengevat):

i) de randafwerking van de gedemonteerde ruit is beschadigd. Hierdoor kon er condensvocht in de spouw van de ruit binnendringen;

ii) een aantal van de geïnspecteerde ruiten zijn niet op een vereiste afstand van 3 mm van het kozijn gemonteerd, waardoor de afstand tussen het houten kozijn en de ruiten te klein is;

iii) er zijn wel ventilatie openingen aanwezig, maar deze zijn van buiten naar binnen geboord, waardoor er nog hout resten voor de ventilatieopeningen aanwezig zijn, waardoor de afvoer van condenswater mogelijk is verstoord. Bij een meting van het vochtpercentage in de houten kozijnen worden echter geen afwijkende waarnemingen gedaan.

Volgens Dekra wijzen alle feiten erop dat de problematiek in ieder geval gelegen is in een gebrek van het glas c.q. de randafwerking van de ruiten. Dekra herhaalt: “Mede gezien het aanzienlijke percentage problemen, ruim 40%, is er geen sprake meer van een incident. Wellicht dat bij de productie van de ruiten de afdichtingrubbers te ‘koud’ zijn verwerkt. Hierdoor verliezen de ruiten na verloop van tijd hun vochtwerende functie en kan zich condensvorming voordoen.(…)”

2.17.

Om tot een oplossing van hun geschil te komen, maken [gedaagde] en [eisers] c.s. op 24 februari 2010 afspraken, die door Dekra in haar brief van 12 maart 2010 (bijlage 2 bij voornoemd rapport) als volgt zijn vastgelegd:

“- De oorzaak van de condensvorming in de spouwen van de ruiten is terug te voeren op gebreken in de afdichting van de ruiten.

- [gedaagde] gaat zorgen voor het vervangen van alle ruiten in de juiste maatvoering.

- Het demonteren van de bestaande ruiten, het leveren en monteren en afwerken van de nieuwe ruiten word door [gedaagde] geregeld cq. betaald.

- Door [gedaagde] worden, in overleg met [eiseres sub 2] , extra ventilatieopeningen (Ø 8 mm) geboord.

- De kosten voor het schilderwerk, mits redelijk en op basis van marktconforme prijzen, zijn voor rekening van [gedaagde] .(…)”

2.18.

In haar brief van 7 april 2010 antwoordt [gedaagde] : “Als antwoord op Uw schrijven d.d. 12 maart het volgende:

Op 24 maart hebben wij toegezegd de ruiten te zullen vervangen inclusief het boren van extra ventilatie openingen. Het is niet aangetoond dat een van de nieuwe vervangen ruitjes lek is.

Het vervangen van de ruitjes en het boren van ventilatie openingen hebben wij onverplicht, uit coulance met de klant toegezegd.

Wij zijn heel duidelijk geweest over de kosten van het schilderwerk

Deze gaan wij niet voor onze rekening nemen. De reden hiervoor is U bekend. Het binnenschilderwerk is al ca. 10 jaar oud.

Het buitenschilderwerk is ook nodig als wij geen werkzaamheden zouden uitvoeren. Een en ander hebben wij ook al aangegeven in eerdere correspondentie”

2.19.

Bij brief van 20 augustus 2010 van de gemachtigde van [eisers] c.s. wordt [gedaagde] gesommeerd om de op 24 februari 2010 gemaakte afspraken na te komen. In deze brief is wederom vermeld dat - indien aan de sommatie niet wordt voldaan - de overeenkomst tot nakoming zal worden omgezet “in een overeenkomst tot vervangende schadevergoeding”.

2.20.

Op 18 oktober 2010 stuurt mr. Moonen namens [eisers] c.s. een brief aan mr. Palmen waarin hij aanzegt een procedure te starten tenzij binnen 14 dagen een bedrag van € 6.750,00 wegens schadevergoeding op zijn derdengeldenrekening wordt overgemaakt.

2.21.

Op 12 januari 2012 stuurt mr. Moonen aangetekend een herinnering met kopie van de brief van 18 oktober 2010 aan mr. Palmen met het verzoek hierop uiterlijk 31 januari 2012 te reageren.

2.22.

Op 23 januari 2012 reageert mr. Palmen op voormelde brief met de mededeling dat zij de brief van 18 oktober 2010 niet heeft ontvangen maar dat de toezeggingen uit de brief van 7 april 2010 door [gedaagde] gestand worden gedaan mits geen gerechtelijke procedure wordt gestart.

2.23.

Op 2 juli 2015 stuurt de gemachtigde van [eisers] c.s. de conceptdagvaarding met betrekking tot de onderhavige vordering aan [gedaagde] .

3 Het geschil

3.1.

[eisers] c.s. vorderen veroordeling van [gedaagde] - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - tot betaling van:

- primair: € 6.750,00 te vermeerderen met de inflatiekosten vanaf 20 augustus 2010

- subsidiair: € 7.832,33

- meer subsidiair: € 6.646,15 inclusief btw

- meest subsidiair: € 5.000,00 te vermeerderen met de inflatiekosten vanaf 20 augustus 2010

- alsmede een bedrag van € 3.423,18 aan expertisekosten

- en de kosten van deze procedure.

3.2.

[eisers] c.s. leggen aan hun vordering - voor zover van belang - het volgende ten grondslag.

[gedaagde] heeft - na een daartoe strekkend verzoek - op 9 november 1998 aan [eisers] c.s. een offerte uitgebracht voor het leveren en plaatsen van kozijnen en deuren inclusief beglazing voor een bedrag van fl. 33.000,00 (€ 14.974,75) inclusief btw.

[eisers] c.s. zijn akkoord gegaan met deze offerte, waarna [gedaagde] de kozijnen en deuren geleverd en geplaatst heeft. Conform overeenkomst was een aantal van de kozijnen opgedeeld in zes separate ruiten. De ruiten zijn geplaatst door een derde.

Vrijwel meteen na de plaatsing hebben [eisers] c.s. condensvorming in de spouw van de ruiten geconstateerd. Pas na lang aandringen en diverse aanmaningen zijn alle op dat moment lekkende raampjes vervangen. De problemen bleven zich echter opnieuw voordoen en [eisers] c.s. hebben daarom ook regelmatig geklaagd, maar het probleem is tot op heden niet opgelost. [eisers] c.s. zijn van mening dat [gedaagde] tekortgeschoten is in de nakoming van de overeenkomst en verwijzen naar de rapporten van Toplis Hettema / Dekra.

3.3.

[gedaagde] heeft verweer gevoerd.

4 De beoordeling

verkeerde persoon gedagvaard?

4.1.

[gedaagde] voert als meest ver strekkend verweer dat [eisers] c.s. de verkeerde persoon hebben gedagvaard en dat zij daarom ten onrechte in rechte is betrokken. Het was namelijk niet [gedaagde] maar de V.O.F. die de overeenkomst met [eisers] c.s. gesloten heeft en voor de uitvoering daarvan heeft zorggedragen. [gedaagde] is niet in de rechten en verplichtingen van de V.O.F. getreden. [eisers] c.s. kunnen daarom niet in hun vordering ontvangen worden, dan wel dient de vordering te worden afgewezen.

[eisers] c.s. betwisten dit verweer van [gedaagde] . Gelet op de feitenconstellatie en de door [gedaagde] gedane uitlatingen is dit verweer in strijd met een goede procesorde, althans mochten [eisers] c.s. erop vertrouwen dat de activiteiten van de V.O.F. in [gedaagde] ingebracht.

[gedaagde] heeft betwist dat zij de rechten en verplichtingen van de V.O.F. met betrekking tot de overeenkomst heeft overgenomen.

4.2.

Dienaangaande wordt het volgende overwogen.

Uit de feiten zoals die hiervoor zijn opgenomen onder 2.1. tot en met 2.4. blijkt dat [eisers] c.s. een overeenkomst hebben gesloten met de V.O.F., dat de V.O.F. ook voor de uitvoering heeft zorg gedragen, dat betaling aan de V.O.F. heeft plaatsgevonden en dat op de eerste klacht door de V.O.F. is gereageerd. Daarna is het echter duidelijk de B.V. zelf, of mr. Palmen namens haar, die reageert (zie hiervoor onder 2.6, 2.12, 2.18 en 2.22 vermelde brieven van 18 februari 2008, 20 november 2008, 7 april 2010 en 23 januari 2012) en [gedaagde] B.V. die aanwezig was bij de onderzoeken van Toplis Hettema / Dekra in 2008 en 2010.

Het voormelde rechtvaardigt de stelling van [eisers] c.s. dat zij er op mochten vertrouwen dat [gedaagde] B.V. de rechtspositie van de V.O.F. met betrekking tot deze overeenkomst had overgenomen. Gelet op het bepaalde in artikel 3:35 BW wordt dit verweer van [gedaagde] verworpen.

verjaring

4.3.

Het tweede verweer dat [gedaagde] aanvoert is verjaring van de vordering omdat [eisers] c.s. niet binnen bekwame tijd hebben geklaagd. In elk geval is de vordering op 28 augustus 2012 verjaard, twee jaar nadat door het verstrijken van de gestelde hersteltermijn van zeven dagen uit de brief van 20 augustus 2010 de vordering was omgezet in een vordering tot vervangende schadevergoeding, zo stelt [gedaagde] verwijzend naar artikel 7:23 lid 2 BW.

4.4.

[eisers] c.s. hebben die stellingen gemotiveerd betwist. Zij wijzen erop dat [gedaagde] haar klacht in 2010 gewoon in behandeling heeft genomen - haar daarbij in de waan latend dat geen beroep op verjaring zou worden gedaan - en dat het beroep op verjaring daarom moet worden verworpen en zij beroepen zich voorts op de in geding gebrachte correspondentie, met name de brieven van 20 augustus 2010 en 2 juli 2015.

4.5.

De stelling van [gedaagde] dat op de tussen partijen gesloten overeenkomst het recht van koop van toepassing is wordt verworpen. Het gaat immers om een gemengde overeenkomst waarbij het op maat maken van de kozijnen en het kundig plaatsen van (de ruiten in) de kozijnen het element van koop overheersen. De regels van koop (titel 1 van boek 7 BW) zijn dan ook niet van toepassing, maar de bepalingen van boek 7 titel 12 BW (aanneming van werk).

4.5.1.

[eisers] c.s. bestrijden terecht dat zij niet tijdig zouden hebben geklaagd: in 2010 heeft [gedaagde] haar (nieuwe) klachten immers andermaal in behandeling genomen en daaromtrent hersteltoezeggingen gedaan, in haar brief van 7 april 2010 (zie 2.18), welke [gedaagde] , zij het voorwaardelijk, heeft herhaald in haar brief van 23 januari 2012.

4.5.2.

Artikel 7:761 lid 1 BW bepaalt dat elke rechtsvordering wegens een gebrek in het opgeleverde werk verjaart door verloop van twee jaren nadat de opdrachtgever ter zake heeft geprotesteerd. De verjaring kan door de opdrachtgever worden gestuit.

Voor zover uit de stellingen van [eisers] c.s. moet worden begrepen dat de verjaring van haar vordering tijdig is gestuit, wordt als volgt geoordeeld. De brief van 20 augustus 2010 van de gemachtigde van [eisers] c.s. kan inderdaad gezien worden als een rechtsgeldige stuitingshandeling: het is een schriftelijke mededeling waarin [eisers] c.s. zich ondubbelzinnig haar recht op nakoming van de overeenkomst en het recht op vervangende schadevergoeding voorbehouden indien [gedaagde] niet binnen zeven dagen heeft bericht dat zij de toegezegde herstelwerkzaamheden zal uitvoeren en de kosten voor het schilderwerk zal vergoeden. Deze brief heeft dus een nieuwe verjaringstermijn doen ingaan.

De brief van mr. Moonen van 18 oktober 2010 heeft [gedaagde] niet ontvangen zo stelt zij onweersproken. Deze heeft de verjaring dan ook niet gestuit.

Voor zover al aan de brief van mr. Moonen van 12 januari 2012 stuitende werking kan worden toegekend en deze een nieuwe verjaringstermijn heeft doen ingaan, was deze termijn in ieder geval verstreken op 1 februari 2014. De brief van 2 juli 2015 is dan ook ruimschoots na afloop van de verjaringstermijn verzonden, als gevolg daarvan de vorderingen van [eisers] c.s. zullen worden afgewezen.

4.6.

[eisers] c.s. zullen - als de in het ongelijk gestelde partij - verwezen worden in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 500,00 voor

salaris gemachtigde.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

wijst de vorderingen van [eisers] c.s. af,

5.2.

veroordeelt [eisers] c.s. tot betaling van de kosten van deze procedure, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 500,00,

5.3.

verklaart dit vonnis met betrekking tot de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.E. Elzinga en is in het openbaar uitgesproken.

typ: AodK/WE