Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:868

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
03-02-2016
Datum publicatie
03-02-2016
Zaaknummer
C/03/204889 / HA ZA 15/221
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontslag statutair bestuurder betaaldvoetbalorganisatie kennelijk onredelijk?

Recht op uitbetaling vakantiedagen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/309
TvS&R 2015, afl. 4, p. 86
AR-Updates.nl 2016-0111
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: C/03/204889 / HA ZA 15/221

MD

Vonnis van 3 februari 2016

in de zaak van:

[eiser] ,

wonend [adres] ,

[woonplaats] ,

eisende partij,

advocaat mr. S.J. Sterk,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Roda jc B.V. ,

statutair gevestigd en kantoor houdend te Kerkrade,

gedaagde partij,

advocaat mr. E.V.C. Savelkoul.

Partijen zullen hierna [eiser] respectievelijk Roda JC genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het exploot van dagvaarding met producties 1 tot en met 19;

- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 27;

- de rolbeslissing waarbij een comparitie van partijen is bepaald;

- de aanvullende producties 28 tot en met 32 van de zijde van Roda JC;

- de door de griffier per e-mail op 2 oktober 2015 aan de gemachtigden van beide partijen verzonden nadere instructie ten behoeve van de comparitie van partijen;

- de pleitaantekeningen van de advocaat van [eiser] ;

- de pleitaantekeningen van de advocaat van Roda JC;

- het proces-verbaal van de comparitie van partijen d.d. 7 oktober 2015;

- de brief van 4 december 2015 waarin namens Roda JC om aanvulling om het proces-verbaal is verzocht, de reactie daarop van [eiser] d.d. 10 december 2015, op welke reactie Roda JC weer heeft gereageerd, en de brief van de griffier d.d. 11 december 2015 waarin is bericht dat niet zal worden overgegaan tot het opmaken van een nieuw proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Tussen partijen staat, als enerzijds gesteld en anderzijds niet althans onvoldoende gemotiveerd weersproken en voor zover voor de beoordeling van belang, het volgende vast.

2.2.

Roda JC is een betaaldvoetbalorganisatie (hierna: bvo). Enig aandeelhouder van Roda JC is Holding Roda Kerkrade N.V. (hierna: Holding dan wel HRK). Bij deze holding is een Raad van Commissarissen (hierna: RvC) aangesteld, bestaande uit vier commissarissen. De aandelen in het kapitaal van de Holding zijn gecertificeerd en worden beheerd door de Stichting Administratiekantoor Holding Roda Kerkrade N.V. (hierna: STAK). Daarnaast is er ook nog een Stichting Roda JC die de overgrote meerderheid van de certificaten houdt. Het bestuur van de STAK en het bestuur van de Stichting Roda JC bestaat uit dezelfde vier personen.

2.3.

[eiser] , geboren op [geboortedatum] , is op 1 februari 2010 krachtens arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd bij Roda JC in dienst getreden als commercieel directeur, tegen een brutoloon van € 130.000,-- per jaar, exclusief 8% vakantiebijslag, bonus, onkostenvergoeding, leaseauto en deelname aan een collectieve pensioenregeling.

2.4.

Met ingang van 1 mei 2011 is [eiser] krachtens arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bij Roda JC in dienst getreden als algemeen/commercieel directeur, tegen een brutoloon van € 192.500,-- per jaar, exclusief 8% vakantiebijslag, bonus, premie ingeval van realiseren structurele categorie 2 of 3 FRS (Financial Rating System KNVB), onkostenvergoeding, leaseauto die tevens privé mocht worden gebruikt en deelname aan een collectieve pensioenregeling.

2.4.1.

In art. 3 (“opzegging”) van laatstgenoemde arbeidsovereenkomst tussen partijen is bepaald:

“Elk van beide partijen kan deze arbeidsovereenkomst tegen het einde van de kalendermaand opzeggen, met inachtneming van een opzegtermijn van zes maanden voor de werkgever of drie maanden voor de werknemer (…)”.

2.4.2.

In art. 8 van laatstgenoemde arbeidsovereenkomst (“financiële voorwaarden bij opzegging”) is bepaald:

“Indien door één der partijen gebruik zal worden gemaakt van de opzeggingsbepaling als vermeld in artikel 3 van de onderhavige arbeidsovereenkomst, dan gelden de navolgende afspraken:

A. Indien werkgever de arbeidsovereenkomst met werknemer opzegt met inachtneming van de in artikel 3 bedongen opzegtermijn, dan geldt uitsluitend in het geval werkgever werknemer op non-actief stelt of vrijstelt van het verrichten van arbeid, dat het werknemer volledig vrij staat activiteiten te ontplooien die zijn gericht op het verwerven van een baan elders en deze baan elders zo nodig te aanvaarden. Werknemer zal daarnaast vanaf de ingangsdatum van de op non-actiefstelling of vrijstelling van arbeid door werkgever worden ontheven van het verbod op het verrichten van nevenwerkzaamheden als vermeld in artikel 15 lid 2 van deze overeenkomst (toevoeging rechtbank: artikel behelst geheimhoudingsplicht).

Indien en voor zover werknemer – nadat werkgever de arbeidsovereenkomst met hem heeft opgezegd en werkgever hem op non-actief heeft gesteld of heeft vrijgesteld van arbeid – elders een baan aanvaardt, dan zal werkgever zijn medewerking verlenen aan en is werkgever gehouden om met ingang van de datum van indiensttreding van werknemer bij zijn nieuwe werkgever aan werknemer een vergoeding/afkoopsom ineens te voldoen die gelijk is aan het salaris inclusief vakantietoeslag over de resterende duur van de opzegtermijn. Voorwaarde voor de bovenstaande betaling ineens is dat werknemer zijn medewerking verleent aan een formele beëindiging van het dienstverband met werkgever met ingang van de datum indiensttreding elders. In iedere andere situatie zal werknemer werkzaamheden blijven verrichten gedurende de opzegtermijn en zal werkgever jegens werknemer haar (financiële) verplichtingen uit hoofde van de onderhavige overeenkomst nakomen.

B. Indien werknemer de arbeidsovereenkomst met werkgever opzegt, dan dient hij de in artikel 3 bedongen opzegtermijn van drie maanden in acht te nemen. Indien werknemer – om welke reden dan ook – de bedongen opzegtermijn van drie maanden niet wenst te respecteren, dan dient hij voor de periode dat hij de opzegtermijn niet respecteert, aan werkgever een afkoopsom te voldoen die gelijk is aan het (bruto)salaris, op welk salaris hij gedurende de resterende duur van de opzegtermijn recht zou hebben gehad, met dien verstande dat werknemer altijd verplicht is om ten minste één maand opzegtermijn in acht te nemen en zijn verplichtingen uit hoofde van het dienstverband gedurende deze periode na te komen.

C. In geval van opzegging van de arbeidsovereenkomst door werknemer is werkgever – ongeacht op welk moment deze opzegging geschiedt – geen enkele vergoeding en/of afkoopsom verschuldigd aan werknemer.

D. Hetgeen onder sub A en B is bepaald laat onverlet de mogelijkheid van partijen om schadevergoeding te vorderen”.

2.5.

De aandeelhouders van de Holding hebben op voordracht van de RvC van de Holding in de buitengewone vergadering van 21 april 2011 [eiser] met ingang van 1 mei 2011 benoemd tot statutair bestuurder van de Holding, welke benoeming door [eiser] is aanvaard. Tevens is [eiser] toen benoemd tot statutair bestuurder van Roda JC, maar een schriftelijke vastlegging van deze benoeming ontbreekt.

2.6.

In maart 2009 is Roda JC door de KNVB ingedeeld in categorie 1 FRS. Clubs in categorie 1 komen onder verscherpt toezicht van de licentiecommissie van de KNVB en moeten een plan van aanpak indienen. Binnen de maximale termijn van negen meetmomenten (in drie jaar) dient een club weer structureel in categorie 2 te worden ingedeeld. Clubs die er financieel het best voorstaan worden ingedeeld in categorie 3. Dit plan van aanpak is door Roda JC opgesteld. Medio 2012 is Roda JC weer ingedeeld in categorie 2 FRS.

2.7.

Eind 2013 heeft de RvC opdracht gegeven om een medewerkerstevredenheidsonderzoek (mto) uit te voeren. De resultaten van dit mto zijn neergelegd in een rapport, dat nimmer is geopenbaard en ook niet in deze procedure is overgelegd. [eiser] heeft evenmin inzage gehad in het rapport. De conclusies van het mto zijn op 21 februari 2014 door alle leden van de RvC en de STAK (met uitzondering van een afwezig lid) met [eiser] besproken. [eiser] is vervolgens aangebleven als algemeen directeur / statutair bestuurder.

2.8.

Op 31 maart 2014 heeft er een vergadering van de RvC plaatsgevonden, waarbij ook [eiser] aanwezig is geweest. In die vergadering is [eiser] (onder meer) aangesproken op de wijze waarop hij de dienstverbanden met [werknemer 1] en [werknemer 2] heeft afgewikkeld.

2.9.

Op 8 en 18 april heeft [eiser] (informele) gesprekken gevoerd met [naam lid RvC 1] (destijds lid van de RvC). Naast [naam lid RvC 1] maakten op dat moment de heren [naam lid RvC 2] en [naam lid RvC 3] deel uit van de RvC.

2.10.

In de vergadering van de RvC op 22 april 2014, waarbij ook [eiser] aanwezig was, is verder gesproken over de wijze waarop hij de dienstverbanden met [werknemer 1] en [werknemer 2] heeft afgewikkeld. [eiser] heeft deze vergadering (met ieders goedkeuring) voortijdig verlaten.

2.11.

Op 26 april 2014 heeft [eiser] een e-mail gestuurd aan de RvC (en tevens aan alle leden van de STAK en aan [naam lid directie 1] en [naam lid directie 2] , die op dat moment samen met [eiser] de driekoppige directie van Roda JC vormden).

2.11.1.

In dat e-mailbericht schrijft [eiser] onder meer:

“(…)

Ondanks dat ik de afgelopen tijd hard aan de slag ben gegaan om een aantal belangrijke afspraken (zoals het uitwerken van het beleidsontwikkelingsplan, het opstellen van een directiereglement, etc.) na te komen, is de kritiek op mij de laatste weken verder toegenomen. Ik merk dat het vertrouwen, dat twee maanden geleden nog werd uitgesproken in mij, inmiddels serieuze deuken heeft opgelopen binnen de verschillende geledingen in de top van de organisatie. Hierdoor is een vervelende situatie ontstaan. Dinsdag 8 april heb ik hierover met [naam lid RvC 1] (toevoeging rechtbank: [naam lid RvC 1] ) gesproken. De conclusie, na een vervolgafspraak op vrijdag 18 april, was dat de huidige situatie geen goede basis is om met elkaar verder te gaan. Tijdens de RvC vergadering op 22 april jl. is deze conclusie herhaald. Met de mededeling dat niet mocht worden geconcludeerd dat ik mijn baan wil opzeggen, heb ik de vergadering met ieders goedkeuring voortijdig verlaten. Op deze manier werd door de RvC tijd en ruimte gecreëerd om te praten over te bewandelen weg naar een oplossing.

(…)”.

2.12.

Op 3 mei 2014 is Roda JC gedegradeerd naar de eerste divisie, thans Jupiler League genaamd.

2.13.

Op 5 mei 2014 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen [naam lid RvC 3] en [eiser] over een vertrekregeling. Partijen hebben geen overeenstemming bereikt. [eiser]

heeft zich diezelfde dag ziek gemeld.

2.14.

Op 5 mei 2014 heeft [naam lid RvC 3] een e-mail gestuurd aan mr. P. Witteveen (advocaat en kantoorgenoot van mr. Sterk, de advocaat van [eiser] in deze procedure). Daarin schrijft [naam lid RvC 3] onder meer:

“(…)

De RvC en STAK zijn van oordeel, dat zij vandaag naar buiten dien te brengen dat:

1. de heer [eiser] niet de man is, die Roda JC door het nu noodzakelijke proces zal leiden

2. de besprekingen begonnen zijn over een afwikkeling van de arbeidsrelatie.

(…)”.

2.15.

Op 8 mei 2014 heeft [naam lid RvC 3] per e-mail aan Witteveen bericht dat de RvC voornemens is om [eiser] te schorsen. Een dag later heeft [naam lid RvC 3] (als lid van de RvC van de Holding en tevens namens de STAK) [eiser] per e-mail uitgenodigd voor een vergadering van de RvC op maandag 12 mei 2014 om 15.00 uur in het Parkstad Limburg Stadion. Op de agenda stond onder meer de eventuele schorsing van [eiser] als statutair bestuurder van de Holding en van Roda JC. Bij e-mail van 12 mei 2014 heeft mr. Witteveen aan [naam lid RvC 3] bericht dat [eiser] schriftelijk gebruik wenst te maken van zijn recht ten aanzien van de voorgenomen besluit(en) te worden gehoord en ook schriftelijk zijn raadgevende stem terzake te geven. Op 12 mei 2014 is [eiser] in de vergadering van de RvC voor een periode van drie maanden geschorst als statutair bestuurder van de Holding en van Roda JC. Dit op 12 mei 2014 genomen schorsingsbesluit is vastgelegd in een schriftelijk “besluit buiten vergadering inzake RODA JC BV” dat op 14 mei 2014 door alle leden van de toenmalige RvC is ondertekend.

2.16.

Kort nadien zijn alle leden van de toenmalige RvC (de heren [naam lid RvC 1] , [naam lid RvC 2] en [naam lid RvC 3] ) teruggetreden.

2.17.

Op 9 juni 2014 is [eiser] per brief uitgenodigd voor een algemene vergadering van aandeelhouders (AvA) op 26 juni 2014, alwaar het voornemen om over te gaan tot ontslag van [eiser] als statutair bestuurder van de Holding en Roda JC op de agenda stond. Op 16 juni 2014 heeft [naam lid directie 1] (op dat moment interim-bestuurder van Roda JC) een schriftelijke toelichting op het voorgenomen ontslagbesluit aan [eiser] gezonden. De AvA op 26 juni 2014 is uiteindelijk niet doorgegaan.

2.18.

Op 11 juli 2014 heeft Roda JC wederom een AvA bijeengeroepen en [eiser] uitgenodigd voor deze op 31 juli 2014 geplande AvA. Op de agenda stond wederom het voorgenomen besluit om [eiser] als statutair bestuurder van de Holding en Roda JC te ontslaan. De toelichting was identiek aan de op 16 juni 2014 door [naam lid directie 1] aan [eiser] verzonden toelichting.

2.19.

De AvA op 31 juli 2014 heeft, in aanwezigheid van [eiser] , doorgang gevonden. Een stuk getiteld “uitoefening raadgevende stem en hoorrecht [eiser] ten aanzien van diens voorgenomen ontslag” is door [eiser] tijdens deze AvA voorgedragen (en is gehecht aan de notulen van de AvA). [eiser] heeft zich onder meer op het standpunt gesteld dat zijn ontslag als statutair bestuurder niet tot ontslag als werknemer van Roda JC zal leiden, omdat er nooit een formele (schriftelijke) benoeming van hem als bestuurder van Roda JC heeft plaatsgevonden. Bij de Holding is dat wel gebeurd.

2.20.

Bij besluiten van 31 juli 2014 is [eiser] als statutair bestuurder van zowel de Holding als Roda JC ontslagen (de ontslagbesluiten zijn als productie 11 B door [eiser] overgelegd). Aansluitend aan de AvA is aan [eiser] een opzeggingsbrief d.d. 31 juli 2014 overhandigd, waarin onder meer staat:

“(…)

Ontslagredenen

Mede als gevolg van de degradatie naar de Jupiler League en teruglopende sponsorinkomsten wordt RJC geconfronteerd met een substantiële achteruitgang van haar inkomsten. De financiële positie van RJC is ronduit zorgwekkend. Gelet hierop zal RJC op de kortst mogelijke termijn een kostenreductie moeten zien te realiseren. In dat kader is reeds besloten om het dienstverband met 11 medewerkers te beëindigen. De genomen maatregelen zijn evenwel ontoereikend om de nodige kostenbesparing te realiseren. Daarom zal ook op directieniveau middels een organisatiewijziging een kostenbesparing dienen te worden gerealiseerd.

De directie bestond laatstelijk uit de algemeen/commercieel directeur (tevens bestuurder), een technisch manager en een financieel manager. De commerciële activiteiten zijn per
1 maart 2014 uitbesteed aan Sportfive. Hiermee zijn de commerciële taken van de algemeen/ commercieel directeur nagenoeg volledig komen te vervallen. Het bij de functie van algemeen/commercieel directeur behorende resterende takenpakket is ontoereikend om deze functie als solitaire functie in stand te houden. Dat geldt temeer nu, zoals hiervoor is aangegeven, de organisatie is afgeslankt en verder zal worden afgeslankt, zodat de functionele reikwijdte van de functie vergaand is verkleind. Nu deze functie bovendien een substantiële kostenpost voor de organisatie betekent, is het vanuit bedrijfseconomisch- en organisatorisch oogpunt niet langer haalbaar c.q. wenselijk om deze functie te handhaven. Daarom is besloten om de functie van algemeen/commercieel directeur per 1 juli 2014 te laten vervallen.

Per 31 juli 2014 zal de directie worden teruggebracht van 3 naar 2 personen/functies, te weten de algemeen/financieel directeur (tevens bestuurder) en de technisch manager. De functie van financieel manager komt eveneens per 31 juli 2014 te vervallen. De bij deze functie behorende taken en bevoegdheden zullen bij de functie van algemeen/financieel directeur worden ondergebracht. U ontbeert zowel voor de functie van algemeen/financieel directeur als die van technisch manager de benodigde specialistische opleiding, kennis en ervaring. U komt derhalve niet voor deze functies in aanmerking.

Echter, ook als u wel aan de aan voornoemde functies gestelde eisen zou kunnen voldoen, hetgeen niet het geval is, kan van RJC in redelijkheid toch niet worden gevergd dat zij u in een van beide functies herplaatst. Voor het goed kunnen vervullen van deze functies is namelijk een absoluut vereiste dat betreffende functionaris binnen de organisatie van RJC, maar ook daarbuiten, voldoende draagvlak heeft. Zeker in de precaire sportieve en financiële situatie waarin RJC thans verkeert, is het immers zaak dat alle neuzen dezelfde kant op staan. In de afgelopen maanden is eens temeer gebleken dat u in onvoldoende mate kan rekenen op het benodigde draagvlak bij o.a. medewerkers, (potentiële) sponsoren, suppoorters en de RvC. Dit dient in grote mate te worden toegeschreven aan uw vaak onhandige, hoekige en soms zelf schofferende wijze van opereren, alsmede aan de geruchten die in toenemende mate rondom uw persoon zijn ontstaan (zoals gebrek aan moraal). Een en ander is onder meer geconstateerd in het kader van het onderzoek dat de RvC enkele maanden geleden heeft laten uitvoeren naar het draagvlak voor u. Naar aanleiding van de resultaten van dit onderzoek is er door de RvC intern de nodige kritiek op u uitgeoefend, maar is wel besloten dat u – onder voorwaarden – vooralsnog kon aanblijven. Desondanks heeft u geen althans onvoldoende verbetering getoond en is er een continue kritiek van diverse stakeholders blijven bestaan omtrent uw functioneren, als gevolg waarvan de situatie rondom uw persoon onhoudbaar is geworden.

In dit kader verdient vermelding dat u ook zelf reeds heeft onderkend dat de basis voor een vruchtbare samenwerking blijvend is komen te ontbreken. Tijdens een vergadering op 22 april 2014 bent u gezamenlijk met de toenmalige RvC tot deze conclusie gekomen en heeft u de vergadering om deze reden voortijdig verlaten, hetgeen ook mag blijken uit uw e-mail aan de toenmalige RvC van 26 april 2014.

Mede op basis van het vorenstaande bestaat bij HRK en RJC niet het vertrouwen dat u de juiste persoon bent om de algemene/commerciële bestuurstaak bij HRK en RJC uit te voeren en daar operationeel, strategisch en beleidsmatig adequate invulling aan te geven.

De door u naar voren gebrachte bezwaren bij de totstandkoming van voornoemde besluiten hebben onvoldoende gewicht in de schaal gelegd om tot een ander oordeel te komen, althans deze bezwaren kunnen de noodzaak tot uw ontslag niet wegnemen.

Arbeidsrechtelijk ontslag

Uw ontslag als statutair bestuurder brengt gelet op vaste rechtspraak automatisch het einde van uw arbeidsovereenkomst mee. De algemene vergadering van HRK en de aandeelhouder van RJC hebben het bestuur van HRK respectievelijk RJC opdracht gegeven om de arbeidsrechtelijke gevolgen van uw ontslag als statutair bestuurder van HRK en RJC te regelen. In dat kader zeg ik hierdoor – voor zoveel vereist – uw arbeidsovereenkomst met RJC op tegen de vroegst mogelijke datum, hetgeen volgens mijn berekening 1 februari 2015 is.

U bent tot die datum met behoud van arbeidsvoorwaarden van uw arbeidsverplichting vrijgesteld. In februari 2015 zullen we zorg dragen voor een correcte eindafrekening van uw aanspraken op loon, e.d.

Let wel

(…)

Vanwege (i) de contractuele afspraken inzake ontslag, (ii) de concrete feiten en omstandigheden van dit geval en (iii) uw opmerkingen met het oog op uw belangen in privé bij de besluitvorming inzake uw ontslag bij HRK en RJC, zien HRK en RJC geen aanleiding om bovenop de overeengekomen afvloeiingsregeling bestaande uit een opzegtermijn van zes (6) maanden, een (aanvullende) vergoeding in verband met uw ontslag aan u toe te kennen. Daarvoor heeft u ook onvoldoende gesteld.

(…)”.

2.21.

Op 28 juli 2014 heeft Roda JC aan het UWV om toestemming – voor zover vereist – verzocht om de arbeidsverhouding met [eiser] op te zeggen. Die aanvraag is primair gegrond op bedrijfseconomische redenen en subsidiair op een verstoorde arbeidsrelatie. De rechtbank begrijpt dat deze ontslagaanvraag van 28 juli 2014 (die niet is overgelegd) grotendeels overeenkomt met de ontslagredenen die in de opzeggingsbrief d.d. 31 juli 2014 zijn genoemd. [eiser] heeft in de UWV-procedure verweer gevoerd. Het UWV heeft op 24 december 2014 geoordeeld dat de bedrijfseconomische ontslagreden door Roda JC aannemelijk is gemaakt. Aan een bespreking van de verstoorde arbeidsrelatie is het UWV daardoor niet meer toegekomen. Het UWV heeft dan ook toestemming – voor zover vereist – verleend om de arbeidsverhouding met [eiser] op te zeggen.

2.22.

Pogingen om een minnelijke regeling te bereiken zijn niet geslaagd.

2.23.

Eind 2014 is Roda JC ingedeeld in categorie 1 FRS KNVB.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, mede tegen de achtergrond van de hiervoor weergeven feiten, om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht te verklaren dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst kennelijk onredelijk is in de zin van art. 7:681 BW;

II. Roda JC te veroordelen om aan [eiser] binnen veertien dagen na het in dezen te wijzen vonnis aan of ten behoeve van [eiser] een schadevergoeding als bedoeld in art. 7:681 BW te betalen van € 323.263,59 bruto plus € 10.000,-- netto (als immateriële schadevergoeding), te vermeerderen met de wettelijke rente, althans een vergoeding als bedoeld in art 7:681 BW ter hoogte van een bedrag dat de rechtbank goeddunkt:

III. Roda JC te veroordelen de hiervoor onder II. gevorderde bedragen op zodanige wijze te betalen als [eiser] zal aangeven, waaronder mogelijkerwijs begrepen bij wijze van vervangende pensioenopbouw;

IV. Roda JC te veroordelen om binnen veertien dagen na het in dezen te wijzen vonnis aan [eiser] een bedrag van € 35.250,-- bruto te betalen ten titel van openstaande vakantiedagen, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50%, alsmede met de wettelijke rente over de som van voornoemde bedragen;

V. Roda JC te veroordelen tot vergoeding van de door [eiser] gemaakte kosten van (buitengerechtelijke) rechtsbijstand, tot een bedrag van € 31.039,17 inclusief btw;

VI. in de kosten van het geding.

3.1.1.

De grondslagen van de vorderingen vloeien reeds uit de hiervoor weergegeven vorderingen voort. Voor een verdere uitwerking van de grondslagen wordt verwezen naar het exploot van dagvaarding met producties, de pleitaantekeningen en het proces-verbaal van de comparitie van partijen.

3.2.

Roda JC voert verweer. Daartoe wordt verwezen naar de conclusie van antwoord met producties, de aanvullende producties, de pleitaantekeningen en het proces-verbaal van de comparitie van partijen.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Vooropgesteld wordt dat [eiser] geen vorderingen heeft ingesteld die zijn gegrond op vernietigbaarheid van de opzegging van de arbeidsovereenkomst. Derhalve dient alleen te worden beoordeeld of het ontslag van [eiser] als statutair bestuurder (met gevolgen voor de positie als werknemer) als kennelijk onredelijk in arbeidsrechtelijk opzicht moet worden aangemerkt. Daarbij dient getoetst te worden aan het bepaalde in art. 7:681 BW zoals dat vóór de inwerkingtreding van de Wet werk en zekerheid (Wwz) gold. Door [eiser] is in deze procedure (anders dan tijdens de AvA op 31 juli 2014, zie rechtsoverweging 2.19.) niet langer betwist dat hij ook statutair bestuurder van Roda JC was, zodat dit hierna bij de beoordeling als uitgangspunt wordt genomen.

Opzegging arbeidsovereenkomst kennelijk onredelijk in zin art. 7:681 BW?

- Valse of voorgewende reden

4.2.

[eiser] heeft aangevoerd dat de reorganisatie niet de werkelijke reden voor zijn ontslag is. Er moest iemand worden geslachtofferd op de maandag na de degradatie en de keuze is op hem gevallen, zo stelt hij. Roda JC betwist dit.

4.3.

Een valse reden is een niet bestaande reden. Een voorgewende reden is een bestaande reden die niet de werkelijke ontslaggrond is. De rechtbank stelt voorop dat – zoals [eiser] ook zelf heeft onderkend – de ontslagbesluiten van de AvA d.d. 31 juli 2014 de ontslaggronden fixeren. Aan de tijdens die AvA genomen ontslagbesluiten ligt kort gezegd ten grondslag dat:

(i) Roda JC op zo kort mogelijke termijn diende te reorganiseren en (ii) dat in de nieuwe

organisatiestructuur geen plek meer was voor [eiser] vanwege de ontstane vertrouwensbreuk, het feit dat hij onvoldoende draagvlak had, alsook het ontbreken van de

benodigde financiële onderlegdheid.

4.3.1.

Dat reden (i) voor [eiser] als een verrassing kwam, vindt geen steun in de feitelijke gang van zaken en maakt nog niet dat er sprake is van een valse of voorgewende reden. Uit het op 12 mei 2014 genomen besluit om [eiser] te schorsen blijkt dat Roda JC “als gevolg van de degradatie (…) voor zowel sportief als financieel voor grote uitdagingen staat nu als gevolg van de degradatie de inkomsten van Roda zeer fors zullen dalen. Als gevolg van deze forse daling van inkomsten zijn zeer ingrijpende wijzigingen nodig”. Kort na de degradatie van Roda JC had [eiser] dus al kunnen beseffen dat zijn duurbetaalde functie in de absolute top van de organisatie, wegens een reorganisatie mogelijk zou komen te vervallen. Dat dit proces door de degradatie en de daardoor wegvallende inkomstenbronnen versneld is, kan bepaald geen verrassing voor [eiser] zijn geweest. Datzelfde geldt voor grond (ii) van de ontslagbesluiten d.d. 31 juli 2014, zeker als beseft wordt dat [eiser] bij e-mail van 26 april 2014 aan de RvC heeft laten weten dat “de huidige situatie geen goede basis is om met elkaar verder te gaan” (zie rechtsoverweging 2.11.1.).

4.3.2.

Met zijn betoog dat er sprake is van een valse of voorgewende reden, miskent [eiser] dat Roda JC naast de reorganisatie ook steeds (subsidiair) de vertrouwensbreuk aan de opzegging ten grondslag heeft gelegd in haar ontslagbesluiten. De enkele omstandigheid dat [eiser] ruis in de communicatie heeft ervaren voorafgaand aan de AvA van 31 juli 2014 (meer in het bijzonder de e-mail van toenmalig RvC-lid [naam lid RvC 3] d.d. 5 mei 2014 waarin hij schrijft dat “de heer [eiser] niet de man is, die Roda JC door het nu noodzakelijke proces zal leiden”), laat onverlet dat de ontslagbesluiten van 31 juli 2014 niets aan duidelijk te wensen overlaten. In zoverre kan het betoog van [eiser] dan ook niet worden gevolgd.

4.3.3.

Dát de reorganisatie niet de werkelijke reden voor ontslag zou zijn, is niet komen vast te staan. Door Roda JC is namelijk onweersproken gesteld dat per 31 juli 2014 de directie is teruggebracht van drie naar twee personen / functies. Alhoewel de rechtbank dient te toetsten aan de stand van zaken op het moment van ontslag, staat als onweersproken vast dat Roda JC ten tijde van de comparitie nog steeds een tweehoofdige directie heeft. Dat is een belangrijke indicatie dat het nieuwe directiemodel, zelfs na de terugkeer van Roda JC in de Eredivisie, niet enkel is bedacht om [eiser] op een goedkope manier buiten te werken om vervolgens weer snel op te schalen naar een driekoppige directie. Alhoewel de rechtbank zich daarover zelfstandig een oordeel moet vormen, is de beslissing van het UWV waarin is geoordeeld dat voldoende aannemelijk is dat er een bedrijfseconomische ontslagreden is, een belangrijke aanwijzing voor het aanwezig zijn van die bedrijfseconomische redenen. Overigens liggen de in die UWV-procedure aangevoerde ontslagredenen geheel in lijn met de ontslagbesluiten zoals die op 31 juli 2014 tijdens de AvA zijn genomen en tevens met de daaraan voorafgaand gegeven schriftelijke toelichtingen. Het UWV komt in haar beslissing op de ontslagaanvraag (voor zover vereist) tot de conclusie dat de bedrijfseconomische gronden aanwezig zijn, waarbij blijkens die beslissing [eiser] zelf ook heeft erkend dat kostenbesparende maatregelen noodzakelijk zijn. Roda JC heeft genoegzaam toegelicht hoe zij na de degradatie – waardoor mediagelden, sponsorinkomsten en toeschouwersaantallen afnamen – de continuïteit heeft willen waarborgen. Ook als de begroting 2013-2014 wordt vergeleken met die van 2014-2015, blijkt evident dat er ten tijde van de opzegging een bedrijfseconomische noodzaak was om de financiële gevolgen van de degradatie op te kunnen vangen. Illustratief daarvoor is ook dat Roda JC eind 2014 wederom is ingedeeld in categorie 1 FRS KNVB.

4.4.

De conclusie uit het vorenstaande is dat niet is komen vast te staan dat de opzegging onder opgave van een valse of voorgewende reden is geschied.

- Reorganisatie leidt niet tot ontslag

4.5.

Verder heeft [eiser] aangevoerd dat er sprake is van een kennelijk onredelijke opzegging omdat de reorganisatie niet tot zijn ontslag zou moeten leiden. [eiser] werkt dit verder uit door te stellen dat (i) zijn functie ten gevolge van de reorganisatie niet is vervallen en (ii) hij voldoet aan de functie-eisen. Roda betwist ook deze stellingen.

4.6.

Zoals hiervoor bij de beoordeling van de beweerde valse of voorgewende reden al is beoordeeld, staat vast dat Roda JC per 31 juli 2014 terug is gegaan van een drie naar een tweehoofdige directie: één algemeen / financieel directeur (tevens de enige statutaire bestuurder) en één technisch manager / coördinator. Tevens staat vast dat per 1 maart 2014 de commerciële activiteiten door Roda JC zijn uitbesteed aan sportmarketingbureau Sportfive Netherlands B.V.

4.6.1.

Met zijn verweer ten aanzien van punt (i) gaat [eiser] eraan voorbij dat het Roda JC vrij staat om haar organisatie in te richten op de wijze zoals zij dat goeddunkt. Dat Roda JC daarbij de grenzen van goed werkgeverschap heeft overschreden, is niet komen vast te staan. Vanwege de degradatie was de keuze om de directie in te krimpen zeer goed verdedigbaar, zeker gelet op de onderbouwing die Roda JC daar in deze procedure (en in de UWV procedure) voor heeft gegeven. Daartoe wordt verwezen naar rechtsoverweging 4.3.3. Alhoewel [eiser] bepleit dat de taken van commercieel directeur niet zijn vervallen door de uitbesteding aan Sportfive (maar vanwege de schorsing op 12 mei 2014), gaat hij daarmee voorbij aan het feit dat Roda JC het noodzakelijke achtte om de functie van commercieel directeur te laten vervallen en die commerciële taken door Sportfive te laten verrichten. Die keuze is aan Roda JC. Het betoog dat de functie van commercieel directeur niet is vervallen, wordt derhalve niet gevolgd. Gelet op hetgeen in de beslissing (voor zover vereist) van het UWV is overwogen en op hetgeen door Roda JC is aangevoerd, is ook niet gebleken dat de functies van algemeen directeur/commercieel directeur en algemeen/financieel directeur onderling uitwisselbaar zijn.

4.7.

Ten aanzien van punt (ii) geldt ook hier dat [eiser] miskent dat het Roda JC vrij staat om een algemeen / financieel directeur te benoemen met meer financiële kennis en ervaring dan die bij [eiser] door Roda JC aanwezig wordt verondersteld. De vraag of [eiser] die vereiste financiële expertise daadwerkelijk bezit ( [eiser] stelt van wel, Roda ziet dit totaal anders), behoeft daarmee geen beoordeling. Partijen zijn daarbij ook nog ingaan op de vraag of [eiser] voldoende draagvlak had, maar hetgeen hieromtrent is aangevoerd zal hierna bij de beoordeling van het gevolgencriterium worden beoordeeld.

4.8.

De conclusie is dat ook deze gronden, voor zover die al als grondslag voor een kennelijk onredelijke opzegging kunnen dienen, niet tot het oordeel leiden dat er sprake is van een kennelijk onredelijk opzegging.

- Gevolgencriterium

4.9.

Daarnaast heeft [eiser] aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat de gevolgen van de opzegging van de arbeidsovereenkomst voor hem te ernstig zijn in vergelijking met het belang van Roda JC bij die opzegging. [eiser] beroept zich aldus op het gevolgencriterium als bedoeld in art. 7:681 lid 2 aanhef en sub b BW.

4.10.

Bij de beoordeling van de vraag of een ontslag van een werknemer bij toetsing aan het gevolgencriterium als kennelijk onredelijk moet worden aangemerkt, geldt als maatstaf of – mede in aanmerking genomen de voor de werknemer getroffen voorzieningen en de voor hem bestaande mogelijkheden om ander passend werk te vinden – de gevolgen van de opzegging van de arbeidsovereenkomst te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij die opzegging. Daarbij dienen alle omstandigheden van het geval, zoals deze zich niet later dan ten tijde van de opzegging voordeden, in aanmerking genomen te worden. Nadien intredende omstandigheden kunnen slechts meegewogen worden voor zover zij aanwijzingen opleveren voor hetgeen niet later dan op voormeld tijdstip verwacht kon worden. De enkele omstandigheid dat een werknemer zonder toekenning van een vergoeding is ontslagen, levert in het algemeen geen grond op voor toewijzing van een vordering wegens kennelijk onredelijke opzegging. Daartoe dienen door de werknemer bijzondere omstandigheden te worden gesteld en zo nodig bewezen te worden, die in de kern inhouden dat opgezegd is in strijd met algemeen aanvaarde normen van goed werkgeverschap.

4.11.

De rechtbank zal bij de toetsing aan het gevolgencriterium de bijzondere positie van [eiser] als statutair bestuurder in vergelijking met die van een ‘gewone’ werknemer meewegen. Naast het in voorgaande rechtsoverweging geschetste toetsingskader dat voor ‘gewone’ werknemers geldt, heeft een statutair bestuurder immers een hoger afbreukrisico dan een ‘gewone’ werknemer. Er mag van worden uitgegaan dat bij de vaststelling van de arbeidsvoorwaarden, waarop een statutair bestuurder doorgaans de nodige invloed heeft, reeds rekening is gehouden met dit risico doordat een hoog inkomen (inclusief een bonusregeling) is vastgesteld en/of een lange opzegtermijn al dan niet in combinatie met een ontslagvergoeding is overeengekomen (in gelijke zin gerechtshof Leeuwarden
1 februari 2011, JAR 2011/88 en gerechtshof Leeuwarden 24 januari 2012, ECLI:NL:GHLEE:2012:BV1944).

4.12.

De rechtbank stelt vast dat [eiser] in zijn oude functie van commercieel directeur een basisloon had van € 130.000,-- bruto op jaarbasis (exclusief vakantiebijslag).

Toen [eiser] op 1 mei 2011 werd benoemd tot statutair bestuurder bedroeg zijn basisloon op jaarbasis € 192.500,-- bruto (exclusief vakantiebijslag). Deze stijging is zonder meer aanzienlijk te noemen, nog zonder dat daarbij de bonus- en premieregelingen van de oude met de nieuwe functie binnen Roda JC worden vergeleken.

4.12.1.

Partijen zijn in art. 3 van de arbeidsovereenkomst, in het geval de werkgever de arbeidsovereenkomst opzegt, een termijn van zes maanden overeengekomen. De lezing van [eiser] dat deze lange opzegtermijn geen afbreuk doet aan een eventuele schadevergoeding, volgt niet uit art. 8D.

4.12.2.

Derhalve moet geconcludeerd worden dat het verhoogde afbreukrisico dat een statutair bestuurder loopt in het onderhavige geval is verdisconteerd in het (ten opzichte van zijn vorige functie binnen Roda JC) aanzienlijk gestegen basisloon én de langere opzegtermijn.

4.13.

Voorts gaat [eiser] er volledig aan voorbij dat zijn loon van 12 mei 2014 (moment schorsing) tot 1 februari 2015 (datum waartegen is opgezegd) door Roda JC is doorbetaald, met behoud van overige arbeidsvoorwaarden en onder vrijstelling van de plicht tot het verrichten van arbeid. Die periode kon [eiser] dus aanwenden om op zoek te gaan naar het vinden van een nieuwe baan op een soortgelijk functieniveau. Art. 8 sub A maakt dat expliciet mogelijk. Onder de hiervoor beschreven omstandigheden kon in alle redelijkheid niet van Roda JC worden gevergd dat zij daarnaast nog andere (financiële) voorzieningen moest treffen om de gevolgen van de opzegging voor [eiser] te verzachten.

4.14.

Als ander aspect heeft [eiser] aangevoerd dat hij door de negatieve publiciteit die is ontstaan, zwaar besmet is geraakt waardoor het in de toekomst voor hem uitermate lastig zal worden om een nieuwe baan te vinden.

4.14.1.

Dat Roda JC hiervan een verwijt kan worden gemaakt, is niet komen vast te staan. Uit de door [eiser] aangehaalde uitingen (persbericht op website Roda JC “ [eiser] en Roda JC Kerkrade uit elkaar”, de e-mail van [naam lid RvC 3] d.d. 5 mei 2014 aan mr. Witteveen en de uitlatingen van [naam lid directie 1] tijdens het L1 voorzittersdiner dat op Eerste Kerstdag 2014 op de radio is uitgezonden) blijkt dat Roda JC neutrale bewoordingen heeft gekozen en daarbij niet de grenzen van een goed werkgeefster heeft overschreden. Het ontslag van een statutair bestuurder zal nu eenmaal meer reuring veroorzaken dan dat van een ‘gewone werknemer’, zeker als die statutair bestuurder ook nog eens werkzaam is bij een bvo waarvoor bovengemiddeld publieke belangstelling bestaat. De uitlatingen en handelswijze van supporters (die onder meer een spandoek met de tekst “Vrouw en club bezeiken en zichzelf verrijken” in de nacht aan het stadion hebben gehangen) kan niet aan Roda JC worden tegengeworpen, nu niet is gebleken dat zij hier een aandeel in heeft gehad.

4.15.

De conclusie is dat de gevolgen van de opzegging, ook indien wordt getoetst aan de hiervoor in rechtsoverweging 4.11. beschreven maatstaf die voor een statutair bestuurder geldt, voor [eiser] niet te ernstig zijn in vergelijking met het belang van Roda JC bij die opzegging.

- Bijzondere omstandigheden

Periode vóór schorsing: medewerkerstevredenheidsonderzoek (mto)

4.16.

De rechtbank is van oordeel dat het op de weg van Roda JC had gelegen om [eiser] (al dan niet in geanonimiseerde vorm) algehele inzage in het mto te geven. Het beeld dat [eiser] ter comparitie heeft geschetst, namelijk dat hij te pas en te onpas met de resultaten van het mto om de oren werd gemept, is goed voorstelbaar. De verwijten die [eiser] werden gemaakt omtrent de wijze waarop hij het ontslag van de medewerkers [werknemer 1] en [werknemer 2] heeft aangepakt, zijn daarvan een goed voorbeeld. Desalniettemin is de rechtbank van oordeel dat het niet delen van het mto met [eiser] niet een zodanige bijzondere omstandigheid oplevert dat deze enkele omstandigheid tot de conclusie moet leiden dat er sprake is van een kennelijk onredelijke opzegging. Daartoe dient het volgende.

4.16.1.

Ter comparitie is het door Roda JC als productie 9 overgelegde stuk (waarop met de hand “21 februari 2014” en “door te nemen met [eiser] ” staat geschreven) aan de orde gesteld. In ieder geval is ter comparitie komen vast te staan dat de conclusies van het mto – zoals die in productie 9 zijn weergegeven – met [eiser] zijn besproken. Ter comparitie heeft [eiser] erkend dat in ieder geval met hem is besproken dat:

- hij meer “moreel leiderschap” moest gaan vertonen (hetgeen hij heeft opgevat als het betrachten van meer “menselijke maat”);

- er een directiereglement opgesteld moest worden;

- er voor het einde van het jaar een sponsoronderzoek verricht moest worden;

- er een beleidsontwikkelingsplan opgesteld moest worden.

Aldus was voor [eiser] voldoende geconcretiseerd op welke punten hij zijn functioneren en gedrag moest verbeteren. Het verwijt dat hiervoor in rechtsoverweging 4.16. aan Roda JC is gemaakt, kan daarom niet tot het oordeel leiden dat [eiser] door het niet krijgen van inzage in het mto in zijn belangen is geschaad.

4.16.2.

Alhoewel [eiser] van mening was dat hij desalniettemin voldoende draagvlak had, is de rechtbank van oordeel dat de hiervoor beschreven conclusies uit het mto zorgwekkend waren: [eiser] kreeg inderdaad een donkergele kaart. Was er op dat moment nog wel voldoende basis voor een verdere vruchtbare samenwerking?

Niet veel later is [eiser] zelf ook tot de conclusie gekomen dat het tanende vertrouwen in hem een onwerkbare situatie begon op te leveren. Niet in geschil is dat hij hierover op 8 en 18 april 2014 informele gespreken met [naam lid RvC 1] heeft gevoerd en op
22 april 2014 de vergadering van de RvC voortijdig heeft verlaten. De inhoud van de hiervoor reeds veelvuldig aangehaalde e-mail van 26 april 2014 bevestigt dat [eiser] daarvan ook zelf goed doordrongen is geweest. Alhoewel [eiser] ter comparitie heeft gesteld dat hij met deze e-mail niet zijn positie ter discussie heeft willen stellen, vindt dat geenszins steun in de inhoud van die e-mail, de daaraan voorafgaande informele gesprekken met [naam lid RvC 1] en het voortijdig verlaten van de vergadering van de RvC op 22 april 2014. Toen daar op 3 mei 2014 de degradatie van Roda JC uit de eredivisie nog bijkwam, was het door [eiser] geen verrassing dat Roda JC zich op zijn positie ging beraden. Ook de gang van zaken rondom het mto levert aldus geen bijzondere omstandigheid op.

Overige bijzondere omstandigheden

4.17.

[eiser] heeft verder nog aangevoerd dat zijn schorsing onterecht is, de opstelling in de aanloop naar de AvA onzorgvuldig was, de gang van zaken tijden de AvA onzorgvuldig was en dat Roda JC onzorgvuldig heeft gehandeld ten aanzien van het beproeven van een minnelijke regeling. Noch uit de feiten, noch uit de processtukken blijkt dat één van de hier door [eiser] aan het adres van Roda JC gemaakte verwijten doel treft. Deze omstandigheden leiden noch afzonderlijk, noch in onderlinge samenhang bezien, tot de conclusie dat de opzegging kennelijk onredelijk is.

4.18.

De conclusie is dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die meebrengen dat de opzegging kennelijk onredelijk is.

- Eindconclusie

4.19.

Indien alle omstandigheden van het geval, afzonderlijk en in onderlinge samenhang worden bezien, is die conclusie dat er géén sprake is van een kennelijk onredelijke opzegging. Ook alle andere omstandigheden van het geval (waaronder de leeftijd van [eiser] en de duur van het dienstverband), kunnen niet tot een ander oordeel leiden. De vorderingen I tot en met III (met inbegrip van de immateriële schadevergoeding) missen mitsdien een grondslag en worden afgewezen.

Vakantiedagen

4.20.

[eiser] stelt dat hij nog recht heeft op uitbetaling van:

- 5 bovenwettelijke vakantiedagen over 2010;

- 5 bovenwettelijke vakantiedagen over 2011;

- 5 bovenwettelijke vakantiedagen over 2012;

- 5 bovenwettelijke en 7 wettelijke vakantiedagen over 2013;

- 5 bovenwettelijk en 20 wettelijke vakantiedagen over 2014.

Roda JC betwist dit.

4.21.

Niet in geschil is dat [eiser] op grond van zijn arbeidsovereenkomst recht heeft op 25 vakantiedagen. Ook is niet betwist dat 20 dagen aan te merken zijn als wettelijke vakantiedagen en 5 dagen als bovenwettelijke.

4.21.1.

Onder verwijzing naar het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van
27 december 2011 (ECLI:NL:GHSHE:2011:BV0760) stelt de rechtbank voorop dat ten aanzien van bewijs van een tegoed aan vakantiedagen de bewijslast bij de werknemer ligt, maar bij betwisting van het door de werknemer gestelde tegoed zal de werkgever in beginsel zijn betwisting mede moeten motiveren aan de hand van uit de administratie blijkende gegevens die dan ook door de werkgever in het geding moeten worden gebracht. Verder neemt de rechtbank als uitgangspunt dat aan het door de werknemer te leveren bewijs niet al te hogen eisen moeten worden gesteld, nu het voeren van een deugdelijke verlofregistratiesysteem primair de taak van werkgever is. Bij dit toetsingskader dat voor een ‘gewone’ werknemer geldt, dient tevens de bijzondere positie van de statutair bestuurder te worden meegewogen.

- 2010 tot en met 2012

4.21.2.

Over de periode 2010 tot en met 2012 voert Roda JC aan dat ieder bewijs van de door [eiser] gestelde niet genoten vakantiedagen ontbreekt. Roda JC heeft betoogd dat [eiser] als statutair bestuurder als het ware zijn eigen werkgever was en op hem de plicht rustte om een deugdelijke urenregistratie bij te houden. Ter comparitie is gebleken dat er binnen Roda JC geen deugdelijk verlofregistratie was (op grond waarvan is besloten dat iedere medewerker vijf verlofdagen mee over mocht nemen naar het volgend jaar). Het had op de weg van Roda JC gelegen om te voorzien in een deugdelijk verlofregistratiesysteem. Dat [eiser] als statutair bestuurder zelf steken heeft laten vallen om dit te bewerkstelligen, is niet gesteld of gebleken. Voorts heeft [eiser] gesteld dat hij in de periode 2010 tot en met 2012 nooit meer dan 15 vakantiedagen heeft opgenomen. Roda JC heeft nagelaten te concretiseren op welke dagen [eiser] nog meer verlof heeft opgenomen buiten de door [eiser] gestelde 15 vakantiedagen per jaar. [eiser] maakt over 2010 tot en met 2012 enkel aanspraak op 5 bovenwettelijke (en niet verjaarde) vakantiedagen per jaar. Dit brengt mee dat [eiser] over deze jaren nog recht heeft op uitbetaling van 3 x 5 bovenwettelijke vakantiedagen, hetgeen 15 dagen oplevert.

- 2013

4.21.3.

Over 2013 heeft [eiser] aangevoerd dat hij twee weken vakantie in de zomer heeft opgenomen en drie dagen tussen kerst en oud en nieuw (zodat 12 dagen resteren). Gelet op deze specificatie van [eiser] , had het op de weg van Roda JC gelegen om verder te onderbouwen dat [eiser] ook op andere momenten verlof heeft opgenomen buiten de door hem gestelde dagen. Roda JC heeft dat evenwel nagelaten. Aldus heeft [eiser] dus in ieder geval recht op uitbetaling van de 5 bovenwettelijke vakantiedagen over 2013.

Roda JC heeft betwist dat zij ook de 7 wettelijke vakantiedagen over 2013 aan [eiser] dient uit te betalen. Het verweer dat de schorsing van [eiser] op 12 mei 2014 geen enkele belemmering vormde om deze vakantiedagen op te nemen, kan niet worden gehonoreerd. Die schorsing en de gevolgen daarvan komen namelijk voor rekening en risico van Roda JC, zodat van [eiser] niet kon worden gevergd dat hij na die schorsing verlofdagen opnam. Daarbij is tevens meegewogen dat in het schorsingsbesluit van 12 mei 2014 niets over het opnemen van vakantiedagen is vermeld en [eiser] zich op 5 mei 2014 ziek heeft gemeld. Het vorenstaande betekent dat ook de 7 bovenwettelijke vakantiedagen over 2013 door Roda JC aan [eiser] moeten worden uitbetaald.

- 2014

4.21.4.

Over 2014 maakt [eiser] aanspraak op 5 bovenwettelijk en 20 wettelijke vakantiedagen. Nu Roda niet heeft gesteld of en zo ja wanneer door [eiser] verlof heeft opgenomen en een deugdelijk verlofregistratiesysteem binnen Roda JC ontbreekt, behoren al deze uren te worden toegewezen.

- 2015

4.21.5.

Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] over 2015 aanspraak kan maken op uitbetaling van 2,083 vakantiedagen.

- Conclusie

4.21.6.

In totaliteit heeft [eiser] dus recht op uitbetaling van 54,083 vakantiedagen. Alhoewel [eiser] heeft gesteld dat (het equivalent van) 7,083 vakantiedagen aan hem is uitbetaald, volgt uit de door [eiser] zelf overgelegde productie 18 dat er 10,083 vakantiedagen door Roda JC aan hem zijn uitbetaald. De rechtbank gaat dan ook van dit laatste uit. Dat het uurloon van [eiser] € 93,75 bruto bedroeg staat als niet weersproken vast. Het voorgaande leidt ertoe dat inzake niet uitbetaalde vakantiedagen een bedrag van € 33.000,-- bruto (€ 93,75 x 8 x 44) toewijsbaar is.

- Wettelijke verhoging en wettelijke rente

4.22.

Ingevolge Hoge Raad 6 maart 1998 (NJ 1998/527, JAR 998/126 Stokkermans/IKEA) behoort de wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW ook te worden betaald over de vergoeding wegens niet genoten vakantiedagen. De niet tijdige voldoening kan aan de werkgever worden toegerekend, zodat de wettelijke verhoging ex art. 7:625 toewijsbaar is. De rechtbank ziet wel aanleiding om die wettelijke verhoging te matigen. Hiervoor is geoordeeld dat het niet voeren van een deugdelijk verlof registratiesysteem voor risico van Roda JC komt, maar vanwege zijn bijzondere positie als algemene /commercieel directeur (en statutair bestuurder) kan aan [eiser] worden tegengeworpen dat hij er geen werk van heeft gemaakt om een dergelijk systeem binnen zijn organisatie te gebruiken en toe te (laten) zien

op naleving daarvan. Gelet op deze en alle andere omstandigheden van het geval, zal de

wettelijke verhoging worden gematigd tot 15%. Ook de wettelijke rente over de som van deze bedragen is toewijsbaar, waarbij geldt dat die wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf 2 april 2015 (dag der dagvaarding).

Buitengerechtelijke kosten

4.23.

Nu de hoofdvordering op grond van beweerd kennelijk onredelijke opzegging is afgewezen, behoren ook de buitengerechtelijke kosten (die blijkens de door [eiser] overgelegde specificatie vrijwel geheel daaruit voortvloeien) te worden afgewezen.

Proceskosten

4.24.

In de uitkomst van de procedure ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten op hierna in het dictum te bepalen wijze te compenseren.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

veroordeelt Roda JC om aan [eiser] tegen bewijs van kwijting te betalen de somma van € 33.000,-- bruto inzake niet voldane vakantiedagen, te vermeerderen met de tot 15% gematigde wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW die mitsdien € 4.950,-- bruto bedraagt, de optelsom van deze bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf
2 april 2015 tot aan de dag der algehele voldoening;

5.2.

compenseert de proceskosten aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Hoekstra en is in het openbaar uitgesproken.