Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:8628

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
05-10-2016
Datum publicatie
06-10-2016
Zaaknummer
C/03/225578 / KG ZA 16-464
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Dwaling. Koopprijs bij overname rijschool. Btw, verwachte omzet, gebreken lesauto.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/2886

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/225578 / KG ZA 16-464

Vonnis in kort geding van 5 oktober 2016

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. drs. T.E.J. Devens,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. R.H.J.G. Borger.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 9 september 2016, met producties

  • -

    de brief van 15 september 2016 van [gedaagde] , met producties

  • -

    de e-mail van 16 september 2016 van [eiser] , met productie

  • -

    de mondelinge behandeling van 19 september 2016 met de pleitnotitie van [eiser] , met vermindering van eis, en de pleitnotitie van [gedaagde] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Bij vonnis van 27 juli 2016 (kenmerk 221158/HAZA16-295) heeft de rechtbank op vordering van [eiser] [gedaagde] bij verstek veroordeeld. Tegen dit vonnis was ten tijde van de bovengenoemde zitting (nog) geen verzet gedsaan. Voor zover nu relevant luidt dit vonnis:

“De rechtbank

in de hoofdzaak

3.1.

ontbindt de overeenkomst inzake de verkoop/koop van een eenmanszaak tussen eiser en gedaagde partieel, zulks in die zin dat de in artikel 2 lid 3 van de koopovereenkomst afgesproken aflossingsregeling ter zake van de koopsom komt te vervallen en de restant koopsom ineens opeisbaar wordt, terwijl de overige bepalingen van de koopovereenkomst van kracht blijven,

3.2.

verklaart voor recht dat de koopsom voor de eenmanszaak € 40.000,00 bedroeg en dat gedaagde nog een bedrag ad € 31.421,50 aan eiser verschuldigd is,

[…].”

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert –na vermindering van eis ter zitting – [gedaagde] te veroordelen binnen twee dagen na betekening van het vonnis € 29.421,50 te betalen als voorschot, vermeerderd met de wettelijke rente, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding, vermeerderd met rente en nakosten.

3.2.

[eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat voor recht is verklaard dat de koopsom van de rijschool € 40.000,00 bedraagt en dat de rechter heeft beslist dat [gedaagde] de resterende koopsom van € 31.421,50 verschuldigd is aan [eiser] . [gedaagde] heeft, zo stelt [eiser] , ondanks herhaalde sommatie geen betalingen gedaan.

[eiser] stelt spoedeisend belang bij en recht op de gevraagde voorziening te hebben.

3.3.

[gedaagde] voert aan dat hij (inmiddels) de koopovereenkomst buitengerechtelijk heeft vernietigd om drie redenen. In de eerste plaats heeft hij gedwaald heeft bij het aangaan van de overeenkomst over de verschuldigdheid van btw over de koopprijs. In de tweede plaats stelt [gedaagde] dat [eiser] hem nog geld schuldig is van door klanten vooruitbetaalde lessen. Hij heeft gratis moeten werken en de voorgespiegelde marge is niet gehaald. Tot slot stelt [gedaagde] dat de (in de koopprijs opgenomen) lesauto gebreken vertoonde, die tot hoge kosten hebben geleid. [gedaagde] voelt zich bedrogen en stelt dat hij de autorijschool niet zou hebben overgenomen als hij dit alles tevoren had geweten.

[gedaagde] stelt – subsidiair – dat bedragen inzake btw, nog te ontvangen lesgeld en omzet en de reparatiekosten van de lesauto verrekend dienen te worden met de koopprijs.

[gedaagde] betwist het spoedeisend belang van [eiser] bij de vordering en stelt dat het restitutierisico hoog is, omdat [eiser] het geld nodig heeft in het kader van de financiering van een bedrijfsplan voor een nieuwe zaak.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De rechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de rechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling in het geval dat de bodemrechter tot een ander oordeel komt dan de voorzieningenrechter - het zogenoemde restitutierisico -, dat kan bijdragen aan weigering van de voorziening.

4.2.

De voorzieningenrechter ziet zich, binnen het onder 4.1 beschreven toetsingskader en gelet het verweer van [gedaagde] , gesteld voor de vraag hoe waarschijnlijk het is dat de bodemrechter (in verzet) tot het oordeel zal komen dat [gedaagde] bij het sluiten van de overeenkomst heeft gedwaald ten aanzien van de btw, het te verwachten bedrijfsresultaat en de kwaliteit van de lesauto en derhalve de koopovereenkomst zal vernietigen.

4.3.

Van de vernietigingsgrond bedrog is in ieder geval geen sprake is. [gedaagde] heeft daartoe onvoldoende aan feiten gesteld, zoals bijvoorbeeld dat [eiser] hem bewust onjuist heeft geïnformeerd of opzettelijk zaken heeft verzwegen met het doel [gedaagde] tot overname van de rijschool te bewegen. Daarvan is niets gebleken.

De btw

4.4.

Op grond van de wet, daarover zijn partijen het thans eens, is over de overeengekomen koopprijs geen btw verschuldigd is: de koopsom ad € 40.000,00 is een netto bedrag.

4.5.

[eiser] stelt dat partijen voor en bij het sluiten van de overeenkomst nooit over de btw gesproken hebben. Op een gegeven moment is [eiser] de maandelijks verschuldigde afbetalingstermijnen van de koopsom gaan factureren aan [gedaagde] , waarbij hij gestart is met een verzamelfactuur. Daarbij heeft hij abusievelijk, zo stelt hij, eerst de maandelijkse termijnen inclusief btw gefactureerd en later tweemaal exclusief btw. Het was een vergissing van uitsluitend zijn kant, die ontstaan is ná de koopovereenkomst, en deze is hersteld door creditering.

4.6.

[gedaagde] stelt dat sprake was van een all-in koopprijs van € 40.000,00. Hij stelt dat partijen ervan uitgingen dat daarvan btw nog moest worden afgedragen, die dus in deze prijs begrepen was. Zij kwamen er later achter dat over deze tansactie geen btw is verschuldigd. Het voordeel dat hij hierdoor misloopt, de verrekening van de te betalen btw, moet volgens [gedaagde] in mindering worden gebracht op de verschuldigde koopprijs, zodat deze vastgesteld dient te worden op € 33.057,85.

4.7.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is door [gedaagde] - noch overigens door [eiser] , voor zover [gedaagde] dat suggereert - niet gedwaald over (de samenstellende componenten van) de koopprijs ten tijde van het sluiten van de overeenkomst, welk moment voor de beoordeling van het beroep op dwaling bepalend is. Tussen partijen is een prijs van € 40.000,00 overeengekomen, die door hen kennelijk als all-in prijs (omvattende alle materiële en immateriële activa van de rijschool) is bedoeld. De formulering van artikel 2 van de overeenkomst is op dit punt duidelijk. Btw wordt daarin niet genoemd en ook elders in de overeenkomst is geen aanwijzing te vinden dat partijen, of slechts [gedaagde] , veronderstelden dat in deze prijs de verschuldigde btw begrepen was of dat die er bovenop zou komen. [gedaagde] heeft ook niet gemotiveerd gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, dat er ten tijde van het sluiten van de koop gesproken is over btw. Evenmin is gesteld en gebleken dat [eiser] hem niet of onjuist heeft geïnformeerd daaromtrent. Aannemelijk is dat bij [gedaagde] later daarover verwarring of onduidelijkheid is ontstaan, namelijk toen [eiser] ging factureren, eerst inclusief en later exclusief btw. Aannemelijk is dat [eiser] op dat moment, zoals hij stelt, abuis was. Hij had er ook geen belang bij om [gedaagde] over de verschuldigdheid van btw onjuist in te lichten.

Voor zover [gedaagde] de vordering betwist door te stellen dat de hoogte van de koopprijs niet is zoals [eiser] stelt, omdat daarop de btw nog in mindering dient te worden gebracht,
staat die betwisting niet aan toewijzing van de vordering in de weg. Niet weersproken is voorts dat [eiser] de tweemaal abusievelijk gefactureerde btw gecrediteerd heeft, zodat er ook geen te verrekenen bedrag open staat.

Reeds betaalde les- en examenkosten en verwachte omzet

4.8.

[gedaagde] stelt dat uit het overzicht van leerlingen – starters, on-hold en actieve kandidaten – dat hij met [eiser] heeft besproken, blijkt dat leerlingen nog lessen tegoed hadden, die zij al betaald hadden. Hij stelt dat [eiser] de reeds betaalde bedragen aan hem had moeten doorstorten. [gedaagde] stelt dat hij feitelijk gratis heeft gewerkt (lessen heeft gegeven waarvoor aan [eiser] was betaald). [gedaagde] stelt voorts dat hem door [eiser] in de kolom “nog te betalen?” een te rooskleurig beeld over de (te verwachten) omzet is geschetst. Van de 26 aangekondigde leerlingen heeft volgens [gedaagde] ongeveer de helft zich niet gemeld. [gedaagde] stelt dat op deze gronden een bedrag van € 5.195,29 verrekend dient te worden met de verschuldigde koopprijs.

4.9.

[eiser] stelt dat hij op grond van de overeenkomst alleen betalingen die in januari 2015 zijn gedaan, voor lessen die [gedaagde] zou gaan geven vanaf februari 2015, hoefde door te betalen aan [gedaagde] en dat hij dit heeft gedaan. Hij stelt voorts dat tegenvallende resultaten geen dwaling opleveren.

4.10.

De voorzieningenrechter volgt [gedaagde] niet in zijn uitleg van de vierde bullit boven de handtekeningen op de overeenkomst. Er is daar een afspraak vastgelegd over vooruitbetalingen die zijn gedaan voor lessen in of vanaf februari, die dus door [gedaagde] zouden worden gegeven, en over examenkosten opkomend vanaf februari die al zijn betaald aan [eiser] . Betalingen die zijn gedaan in januari - “inkomsten in de maand januari 2015” - die betrekking hebben op die lessen of examens, zullen door [eiser] aan [gedaagde] worden overgemaakt. Aan die afspraak heeft [eiser] zich kennelijk gehouden. De tekst geeft geen enkel aanknopingspunt dat ook betalingen, aan hem gedaan vóór januari 2015, door [eiser] zullen worden doorbetaald aan [gedaagde] . Overigens is niet gemotiveerd gesteld, noch gebleken, dat dergelijke betalingen feitelijk zijn gedaan.

4.11.

Partijen hebben ter zitting niet duidelijk gemaakt wie de handgeschreven bedragen en opmerkingen heeft geplaatst op het overzicht van leerlingen en het daarbij behorende vervolgblad, en of [gedaagde] en [eiser] die lijst met die aantekeningen met elkaar hebben doorgenomen. De bewijskracht van dit overzicht is daardoor (in kort geding) gering. [gedaagde] heeft ter zitting voorts opgemerkt dat de bedragen niet concreet zijn, maar een prognose van [eiser] , terwijl hij [eiser] had gevraagd om de bedragen die de rijschool nog tegoed had van de leerlingen. Niet is gesteld, noch is gebleken, dat (door [gedaagde] de voorwaarde is gesteld dat) [eiser] instond voor de juistheid van zijn verwachting van de omzet op de actieve leerlingen. Vast staat voorts dat [eiser] voor een aantal leerlingen uitdrukkelijk heeft aangegeven dat deze on-hold stonden, zodat voor [gedaagde] bij de overname duidelijk was, althans behoorde te zijn, dat omzet hierop niet zeker was. Potentiële leerlingen van wie alleen een telefoonnummer of e-mailadres bekend was bij de overname, vormen naar hun aard slechts de mogelijkheid van toekomstige omzet. [gedaagde] heeft moeten begrijpen dat [eiser] niet beoogde zekerheid te bieden met betrekking tot de van deze beide categorieën leerlingen te behalen omzet, en dat hij daar wellicht zelf achteraan zou moeten zitten. Dat hij dit (vergeefs) gedaan heeft, heeft [gedaagde] niet gesteld.

4.12.

Al met al is niet aannemelijk dat de bodemrechter het beroep van [gedaagde] op dwaling ten aanzien van de omzet van de rijschool zal honoreren. Een grond voor verrekening van gemiste omzet met de koopprijs ontbreekt dan ook.

De lesauto

4.13.

[gedaagde] stelt dat de lesauto verschillende gebreken vertoonde, zodat hij vrijwel direct werd geconfronteerd met onvoorzien hoge kosten. Had hij dat geweten, dan had hij de overname niet gedaan. [gedaagde] stelt dat € 1.255,00 aan reparatiekosten is opgekomen bij de APK kort na de overname.

4.14.

[eiser] stelt dat [gedaagde] bekend was met de ouderdom en de specificaties van de lesauto en met het feit dat deze op een datum na de overdracht van de rijschool nog APK gekeurd moest worden. [gedaagde] stelt dat algemeen bekend is dat lesauto’s snel slijten door de onervaren chauffeurs, zodat de kans op kosten bij APK voorzienbaar waren.

4.15.

Ook wat dit betreft is niet aannemelijk dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat er iets van de koopprijs af moet of dat [gedaagde] heeft gedwaald. [gedaagde] stelt niet dat de lesauto gebreken vertoonde waarover [eiser] hem had behoren te informeren of dat [eiser] hem omtrent de staat van de lesauto verkeerd heeft geïnformeerd, terwijl dat krachtens art. 6:228 lid 1 BW voorwaarde is voor een geslaagd beroep op dwaling. [gedaagde] stelt immers slechts dat er aanzienlijke herstelkosten waren, die hij niet of nauwelijks kon opbrengen door gebrek aan omzet.

4.16.

Niet is gebleken dat [gedaagde] bij [eiser] heeft geklaagd over de (verborgen) gebreken aan de lesauto, zoals hij krachtens artikel 6:89 BW gehouden was binnen bekwame tijd te doen op straffe van verval van zijn aanspraken. [gedaagde] heeft voorts zijn stellingen dat de herstelkosten bij APK aanzienlijk waren en dat er daarna ook nog talloze reparaties nodig waren alleen onderbouwd met productie 8 (de kosten bij APK). Al met al is ook niet aannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat [eiser] op enigerlei wijze tekort is geschoten in de nakoming van een verplichting inzake de auto en/of dat er grond is voor verrekening van de herstelkosten met de koopprijs.

Tot slot

4.17.

Uit de voorgaande overwegingen volgt dat er onvoldoende feitelijke of juridische grondslag (gesteld) is om aan te nemen dat de bodemrechter zal oordelen dat de koopovereenkomst wegens dwaling dient te worden te vernietigd, dat de kooprijs dient te worden gewijzigd of dat [gedaagde] een met de koopprijs verrekenbare tegenvordering op [eiser] heeft.

4.18.

De vordering staat van [eiser] staat vast krachtens de verklaring voor recht in het vonnis van 27 juli 2016, en hij heeft er spoedeisend belang bij om zich van een uitspraak te voorzien die hij ten uitvoer kan doen leggen. Niet is gebleken van een restitutierisico dat tot weigering van de gevorderde voorziening grond zou moeten vormen. De vordering zal dus worden toegewezen, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding aan de zijde van [eiser] ad € 1.797,05 (€ 96.05 explootkosten, €885,00 griffierecht en € 816,00 salaris advocaat), vermeerderd met rente en nakosten.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om binnen 2 dagen na betekening van dit vonnis aan [eiser] te betalen € 29.421,50, vermeerderd met de wettelijk rente vanaf 9 september 2016 tot aan de dag der algehele voldoening,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding aan de zijde van [eiser] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.797,05, te vermeerderen met de nakosten ad € 131,00 indien alleen aanschrijving tot betaling plaatsvindt, en ad € 199,00, indien betekening plaatsvindt, deze bedragen bij gebreke van betaling binnen 14 dagen na die aanschrijving of betekening te vermeerderen met de wettelijke rente met de wettelijke rente vanaf de 15e dag daarna tot aan die der algehele voldoening,

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.P. van Unen en in het openbaar uitgesproken.1

1 type: EvB coll: