Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:821

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
02-02-2016
Datum publicatie
02-03-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 103u
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gelet op alle misbruikindicatoren op zichzelf en in samenhang gewogen, is de rechtbank van oordeel dat de bevoegdheid om een Wob-verzoek in te dienen, is gebruikt met kennelijk geen ander doel dan om ten laste van de overheid geldsommen te incasseren. Deze bevoegdheid is dan ook voor een ander doel ingezet dan waarvoor die bevoegdheid is gegeven zodanig, dat dit gebruik blijk geeft van kwade trouw. Daarmee is misbruik gemaakt van een wettelijke bevoegdheid. Dit geldt evenzeer voor het gebruik van de bevoegdheid om beroep in te stellen, nu dat beroep niet los kan worden gezien van het doel waarmee (gemachtigde van) eiser de Wob heeft gebruikt. De omschreven handelwijze moet aan eiser worden toegerekend, aangezien gemachtigde van eiser de betrokken handelingen namens eiser heeft verricht en eiser hem daartoe heeft gemachtigd. Het beroep is niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15/103

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 februari 2016 in de zaak tussen

[naam] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: drs. M.L. Hassell),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Venray, verweerder

(gemachtigde: mr. P.J.J.E. Hanen)

Procesverloop

Bij besluit van 28 augustus 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek in het kader van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) ingewilligd.

Bij besluit van 11 november 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 januari 2016.

Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge het derde lid behoeft de verzoeker bij zijn verzoek geen belang te stellen.

Ingevolge artikel 4 wordt, indien het verzoek betrekking heeft op gegevens in documenten die berusten bij een ander bestuursorgaan dan dat waarbij het verzoek is ingediend, de verzoeker zo nodig naar dat orgaan verwezen. Is het verzoek schriftelijk gedaan, dan wordt het doorgezonden onder mededeling van de doorzending aan de verzoeker.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, beslist het bestuursorgaan op het verzoek om informatie zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken gerekend vanaf de dag na die waarop het verzoek is ontvangen.

2. Bij brief van 24 juli 2014 heeft eiser verweerder verzocht op grond van de Wob de volgende vragen te beantwoorden:

  1. Hoeveel aanvragen en bezwaarschriften heeft verweerder sinds de inwerkingtreding van de Wet dwangsom en beroep wegens niet tijdig beslissen ontvangen? Graag een onderverdeling maken in het onderwerp van de aanvraag en of er sprake is van een primair besluit of een bezwaarschrift;

  2. Hoe vaak heeft verweerder een ingebrekestelling of klacht als bedoeld in artikel 9:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ontvangen?

  3. In hoeveel gevallen moest verweerder een dwangsom betalen en wat is het totale bedrag?

  4. In hoeveel gevallen heeft verweerder een Wob-verzoek aangemerkt als een verzoek in het kader van artikel 7:4, vierde lid, van de Awb?

  5. In hoeveel gevallen heeft verweerder toepassing gegeven aan artikel 4 van de Wob en is dat binnen een redelijk te achten termijn geweest?

  6. Heeft verweerder de beslistermijn overschreden vanwege capaciteitsgebrek, de complexiteit van de materie of een andere reden?

  7. Wordt een financieel jaarverslag in verband met uitbetalingen van dwangsommen bijgehouden?

  8. In hoeveel gevallen heeft verweerder uit eigen beweging toepassing gegeven aan artikel 4:18 van de Awb?

  9. In hoeveel gevallen is wettelijke rente over een dwangsom uitbetaald?

  10. Voor wat betreft de ingebrekestellingen die zijn ingediend vanwege een Wob-verzoek of een verzoek om informatie op grond van het bepaalde in artikel 7:4, vierde lid, van de Awb in de periode 1 oktober 2009 tot en met de datum van het onderhavige verzoek om openbaarmaking van documenten op grond van de Wob, ontvangt eiser graag de bijbehorende documenten. Het gaat dan om onder andere het Wob-verzoek of verzoek in het kader van artikel 7:4, vierde lid, van de Awb, de ingebrekestelling, het dwangsombesluit, de beslissing op het Wob-verzoek, de beslissing op de ingebrekestelling en eventueel indien van toepassing rechterlijke uitspraken.

3. Bij het besluit van 28 augustus 2014 heeft verweerder opgemerkt dat eiser om verduidelijking van zijn verzoek is gevraagd, maar dat eiser op dit verzoek niet heeft gereageerd. Verweerder interpreteert het verzoek van eiser daarom op de eigen wijze en vat de in het verzoek van eiser neergelegde vragen op als informatieve vragen, ter beantwoording waarvan eiser geen stukken wenst te ontvangen. Daarbij heeft verweerder opgemerkt dat bepaalde vragen niet kunnen worden beantwoord, omdat deze buiten de reikwijdte van de Wob vallen en verweerder niet beschikt over documenten waarin de gewenste informatie is vervat. Verweerder heeft daarbij nog opgemerkt niet bereid en verplicht te zijn tot het samenstellen van nieuwe documenten. Voorts heeft verweerder aangegeven dat er in de betreffende periode geen sprake is geweest van verzoeken op basis van artikel 7:4, vierde lid, van de Awb waardoor hij niet beschikt over documenten met betrekking tot dergelijke verzoeken in combinatie met ingebrekestellingen ter zake, dan wel bezwaarschriften wegens niet tijdig beslissen. Met betrekking tot ingebrekestellingen en bezwaarschriften wegens niet tijdig beslissen naar aanleiding van Wob-verzoeken is uit onderzoek gebleken dat er in de relevante periode sprake is geweest van drie ingebrekestellingen en geen bezwaarschriften wegens niet tijdig beslissen. Verweerder heeft het verzoek met betrekking tot deze drie zaken ingewilligd. Voorts heeft verweerder opgemerkt bereid te zijn afschriften van de documenten te doen toekomen aan eiser die met dit besluit openbaar zijn gemaakt, waarbij eiser per kopie € 0,30 verschuldigd is. Het gaat om 99 kopieën en daarmee om een bedrag van € 29,70.

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser niet tijdig de gronden van het bezwaar heeft ingediend (ondanks dat hem de gelegenheid is geboden het verzuim te herstellen).

5. Alvorens tot een inhoudelijke beoordeling van het door eiser ingestelde beroep te komen, ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of het beroep kan worden ontvangen.

6. Ingevolge artikel 13, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek (het BW) kan degene aan wie een bevoegdheid toekomt, haar niet inroepen, voor zover hij haar misbruikt.

Ingevolge het tweede lid kan een bevoegdheid onder meer worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen.

Ingevolge het derde lid kan uit de aard van een bevoegdheid voortvloeien dat zij niet kan worden misbruikt.

Ingevolge artikel 15 vindt artikel 13, van het BW, buiten het vermogensrecht toepassing, voor zover de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet.

7. Voor de vraag of het beroep kan worden ontvangen is van belang dat verweerder heeft opgemerkt dat volgens hem sprake is van misbruik van (proces)recht. Verweerder heeft onder andere erop gewezen dat ondanks dat het Wob-verzoek is ingewilligd, de verzochte documenten niet worden ‘opgehaald’. Voorts heeft verweerder gewezen op het krantenartikel “ ‘Broodwobbers’ jagen gemeenten op kosten”, uit de Leeuwarder courant van 28 april 2015 en op het artikel in de Arubaanse krant Amigoe van 28 april 2015 met als titel “De broodwobber”. Verweerder heeft verzocht via de route van artikel 3:13 en 3:15 in verbinding met artikel 6:162 van het BW de door verweerder gemaakte kosten te verhalen bij eiser en diens gemachtigde en heeft daartoe een schadeoverzicht overgelegd.

8. Zoals uit onder meer de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 19 november 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4129, ECLI:NL:RVS:2014:4135, ECLI:NL:RVS:2014:4185) en 10 juni 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1824) volgt, zijn zwaarwichtige gronden vereist om tot het oordeel te komen dat iemand misbruik heeft gemaakt van een wettelijke bevoegdheid. Ter beoordeling van de vraag of een zodanige situatie zich in dit geval voordoet, overweegt de rechtbank als volgt.

9. De rechtbank stelt vast dat ambtshalve bekend is dat gemachtigde van eiser grote aantallen Wob-verzoeken bij Nederlandse gemeenten heeft ingediend en daaruit voortvloeiende procedures tegen deze gemeenten voert en dat daaruit in elk geval kan worden geconcludeerd dat gemachtigde van eiser als zogenaamde ‘repeat player’ kan worden aangemerkt. In dit kader wenst de rechtbank op te merken dat dit ook blijkt uit de door verweerder overgelegde krantenartikelen van Amigoe en Leeuwarder Courant, maar dat de inhoud van deze krantenartikelen voor de rechtbank, reeds nu de objectiviteit van de gebruikte bronnen niet kan worden vastgesteld, slechts als bevestiging van de conclusie gelden dat eiser en diens gemachtigde met grote regelmaat Wob-verzoeken indienen.

10. Onder verwijzing naar de voormelde uitspraken van 19 november 2014, overweegt de rechtbank dat met openbaarmaking op grond van de Wob wordt beoogd dat een ieder kennis kan nemen van overheidsinformatie. De omstandigheid dat in artikel 3, derde lid, van de Wob is bepaald dat de indiener van een Wob-verzoek geen belang bij zijn verzoek hoeft te stellen, laat onverlet dat de bevoegdheid tot het indienen van een Wob-verzoek met dit oogmerk is toegekend. Misbruik van recht kan zich voordoen indien een bevoegdheid wordt aangewend voor een ander doel dan waarvoor zij is gegeven. Derhalve kan het doel van een Wob-verzoek relevant zijn om te beoordelen of misbruik van recht heeft plaatsgevonden. De rechtbank verwijst in dit kader tevens naar de uitspraak van de Afdeling van 7 oktober 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3118).

10.1.

Desgevraagd heeft gemachtigde van eiser ter zitting aangegeven dat eiser (letterlijk) “onderzoek verricht naar de handelwijze van repeat Wob-verzoekers”. Eiser zou een boek schrijven, maar omdat hij nog geen totaalbeeld heeft, is nog niet bekend wanneer het boek gepubliceerd zal worden. De rechtbank heeft vervolgens ter zitting hierop doorgevraagd, omdat het verband tussen de vragen in het Wob-verzoek en de onderzoeksvraag van eiser niet duidelijk blijkt. Zo is het de rechtbank bijvoorbeeld niet duidelijk wat een antwoord op de vraag in hoeveel gevallen verweerder een dwangsom moest betalen en wat het totale bedrag is kan opleveren in het kader van het onderzoek van eiser, nu dit aantal of bedrag enkel een totaalbeeld oplevert en niets lijkt te zeggen over het gedrag of de handelwijze van repeat-players. Dit geldt bijvoorbeeld ook voor de vraag of er een jaarverslag wordt bijgehouden in verband met uitbetalingen van dwangsommen. De rechtbank stelt vast dat het onderzoek de schijn heeft een middel te zijn om verzoeken op basis van de Wob te verantwoorden en dat gemachtigde van eiser met de beantwoording van de vragen van de rechtbank ter zitting deze schijn niet heeft weggenomen.

10.2.

Daarbij weegt de rechtbank mee dat gemachtigde van eiser op de vraag waarom niet bij de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) om informatie is verzocht, heeft geantwoord dat hiervoor niet is gekozen omdat de VNG geen bestuursorgaan is en vervolgens dat de VNG op ‘het forum’ niet goed is aangeschreven. De rechtbank leidt hieruit af dat het er sterk op lijkt dat ervoor gekozen is de informatie op te vragen bij bestuursorganen, om op deze wijze op grond van de Wob, waaraan financiële gevolgen verbonden kunnen worden aan de besluitvorming, te kunnen verzoeken.

11. Voorts stelt de rechtbank vast dat (vraag)punt 10 van het Wob-verzoek ‘verkapt’ is opgesteld. Eiser heeft bewust gekozen voor het opsommen van vraagpunten en heeft deze zelfs genummerd, doch het meest uitgebreide vraagpunt heeft eiser in de vorm van een losse alinea onderaan de brief geplaatst. De rechtbank wijst er op dat dit laatste vraagpunt (nummer 10) door (gemachtigde van) eiser dus niet dusdanig gestructureerd is opgenomen in het Wob-verzoek zoals het onder rechtsoverweging 2 door de rechtbank in deze uitspraak is opgenomen. Daarbij merkt de rechtbank op dat bij een dergelijk verzoek, gericht aan een bestuursorgaan, verwacht mag worden dat dit duidelijk uiteen wordt gezet, waarbij wordt gedoeld op de adressering van de brief, de duiding van de brief, maar ook op de inhoud van de brief. Zoals de brief waarin het Wob-verzoek is vervat is opgesteld, acht de rechtbank het niet vreemd dat de lezer, in dit geval het bestuursorgaan, ervan uit gaat dat het verzoek 9 vraagpunten bevat en dat de tekst onder deze vraagpunten als een soort einde van de brief wordt gezien.

11.1.

Daarnaast merkt de rechtbank op dat vraagpunt 10 dusdanig breed is geformuleerd, dat verweerder praktisch vrijwel onmogelijk aan het verzoek kan voldoen. De rechtbank doelt hierbij niet op het feit dat alle Wob-verzoeken, ingebrekestellingen, dwangsombesluiten, primaire besluiten en eventuele rechterlijke uitspraken worden opgevraagd, waarbij verweerder terecht opmerkt dat eiser verzoekt “om een heel archief”, maar op het feit dat eiser daarbij het woord “o.a.” in het verzoek heeft opgenomen. In dit verband kan de rechtbank de stelling van verweerder dan ook volgen dat het gevoel heerst dat er hoe dan ook een bezwaarschrift zou volgen, ongeacht de wijze van beantwoording van het Wob-verzoek in het primaire besluit.

12. Verder heeft verweerder erop gewezen dat gemachtigde van eiser in plaats van de formele weg van procederen ook de mogelijkheid van overleg zou kunnen kiezen, maar dat deze weg door de gemachtigde van eiser niet gekozen wordt. De rechtbank wijst hierbij op het uitgangspunt dat het een ieder vrij staat rechtsmiddelen aan te wenden en procedures te starten en dat dit in de eerste en enige plaats de keuze van eiser en diens gemachtigde is. In het kader van misbruik van recht kan de rechtbank dit standpunt van verweerder echter wel volgen. In het primaire besluit heeft verweerder zich bereid verklaard de documenten, voor zover voorhanden, in kopie aan eiser te verstrekken, mits eiser de legeskosten zou betalen. In het kader van efficiëntie had het dan ook voor de hand gelegen dat gemachtigde van eiser via de informele weg, bijvoorbeeld telefonisch, contact zou opnemen met verweerder om aan te geven dat deze bereidheid er was. Nu (gemachtigde van) eiser hiervoor niet heeft gekozen, maar is gaan procederen en nu de documenten nog steeds niet door eiser of diens gemachtigde zijn ‘opgehaald’, kan de rechtbank in het kader van misbruik van recht het standpunt van verweerder volgen dat deze handelwijze er alle schijn van heeft dat het eiser niet om het verkrijgen van informatie is te doen, maar dat de verzoeken zijn gedaan met het oogmerk dwangsommen wegens niet-tijdig beslissen en proceskosten te kunnen innen.

13. De rechtbank merkt op dat de optelsom van factoren bepalend is voor de vraag of al dan niet sprake is van misbruik van procesrecht. Hoewel elke beroepsprocedure daarbij op de eigen merites te worden beoordeeld, wordt het feit dat ten aanzien van meerdere door gemachtigde van eiser gevoerde beroepsprocedures in het kader van de Wob (bij uitspraken van heden) is geoordeeld dat sprake is van misbruik van recht, door de rechtbank wel meegewogen bij de vraag of sprake is van misbruik van recht in de onderhavige procedure. Dat bepaalde indicatoren in een specifieke zaak aan de orde waren en dat deze indicatoren bij deze zaak wellicht geen rol spelen, maar ook dat bepaalde indicatoren in deze zaak een rol spelen die in zaken van de andere uitspraken van heden wellicht geen rol hebben gespeeld, wil derhalve niet zeggen dat deze uitspraken geenszins bij de onderhavige zaak kunnen worden betrokken.

14. Gelet op het vorenstaande en alle misbruikindicatoren op zichzelf en in samenhang gewogen, is de rechtbank van oordeel dat gemachtigde van eiser de bevoegdheid om een Wob-verzoek in te dienen, heeft gebruikt met kennelijk geen ander doel dan om ten laste van de overheid geldsommen te incasseren. Hij heeft die bevoegdheid derhalve gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is gegeven zodanig, dat dit gebruik blijk geeft van kwade trouw. Gemachtigde van eiser heeft misbruik gemaakt van een wettelijke bevoegdheid. Dit geldt evenzeer voor het gebruik van de bevoegdheid om beroep in te stellen, nu dat beroep niet los kan worden gezien van het doel waarmee gemachtigde van eiser de Wob heeft gebruikt. De handelwijze van gemachtigde van eiser moet aan eiser worden toegerekend, aangezien gemachtigde van eiser de betrokken handelingen namens eiser heeft verricht en eiser hem daartoe heeft gemachtigd.

15. Het beroep van eiser is niet-ontvankelijk te achten.

16. Met betrekking tot het verzoek van verweerder om gemachtigde van eiser te veroordelen in de gemaakte kosten, waarbij de geleden schade door verweerder in het overgelegde schadeoverzicht is vastgesteld op € 2.301,94 en waarbij verweerder zich beroept op artikel 6:162 van het BW, overweegt de rechtbank als volgt.

17. De rechtbank ziet zich in de eerste plaats ambtshalve gesteld voor de vraag of zij bevoegd is om van het onderhavige beroep kennis te nemen. Dienaangaande overweegt zij als volgt.

18. Ingevolge artikel 8:88 van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden.

Op grond van artikel 8:89, eerste lid, van de Awb is, indien de schade wordt veroorzaakt door een besluit waarover de Centrale Raad van Beroep of de Hoge Raad de enige of hoogste aanleg oordeelt, de bestuursrechter bij uitsluiting bevoegd. Voor schadezaken op alle terreinen die niet onder het eerste lid vallen is de burgerlijke rechter bevoegd.

19. De rechtbank stelt vast dat geen sprake is van gestelde schade geleden door de belanghebbende, maar van gestelde schade geleden door het bestuursorgaan. De bestuursrechter is derhalve niet bevoegd hierover te oordelen. De rechtbank stelt vast dat enkel de burgerlijke rechter bevoegd is van het geschil kennis te nemen.

20. Mitsdien wordt als volgt beslist.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep van eiser niet-ontvankelijk;

- verklaart zich onbevoegd om over het verzoek om schadevergoeding te oordelen;

- bepaalt dat de vordering tot schadevergoeding bij de burgerlijke rechter kan worden ingesteld.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.P. Letschert, rechter, in aanwezigheid van mr. Y.L.J. Damoiseaux, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2016.

w.g. Y.L.J. Damoiseaux,

griffier

w.g. A.W.P. Letschert,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 2 februari 2016

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.