Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:8042

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
16-09-2016
Datum publicatie
22-09-2016
Zaaknummer
AWB - 16 _ 2328
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Vovo hangende beroep tzv weigering persoonlijke betalingsregeling. Verweerder heeft in het verweerschrift (nader) toegelicht dat, zolang tijdens of na een beroepsprocedure niet wordt overgegaan tot invordering, de beslagvrije voet niet wordt aangetast en er geen sprake is van onverwijlde spoed. Hierbij is tevens opgemerkt dat in situaties als die van verzoekers is voorzien in de zekerheid dat zij door de verrekening niet onder het bestaansminimum terecht komen. Er is een ‘afdeling beslagvrije voet’ die zich alleen bezig houdt met de berekening van de beslagvrije voet van een belanghebbende als er een verrekening heeft plaatsgevonden en de belanghebbende meent dat zijn inkomen daardoor onder het bestaansminimum uitkomt. De belanghebbende moet dan wel bij die afdeling van verweerder verzoeken om rekening te houden met de beslagvrije voet. Na dat verzoek wordt op zeer korte termijn (binnen twee weken na het verzoek) de beslagvrije voet uitgerekend, zo nodig een bestandscorrectie toegepast en het teveel verrekende alsnog uitbetaald. Aldus heeft verweerder een zekerheid ingebouwd om te voorkomen dat een (financiële) noodsituatie ontstaat, zo luidt diens standpunt. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder, gelet op de hiervoor weergegeven toelichting, gevolgd kan worden in het standpunt dat in de huidige stand van zaken geen sprake is van onverwijlde spoed die tot het treffen van de gevraagde voorziening noopt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 16/2328

uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 september 2016 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker, en [verzoekster], verzoekster, hierna gezamenlijk te noemen verzoekers

(gemachtigde: mr. S.V.A.Y. Dassen-Vranken),

en

Belastingdienst, Toeslagen, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Snuverink).

Procesverloop

Bij besluit van 18 februari 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van verzoekers om een persoonlijke betalingsregeling op basis van betalingscapaciteit voor de berekeningsjaren 2011 en 2014 afgewezen.

Bij besluit van 5 juli 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekers ongegrond verklaard.

Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 september 2016. Verzoekster is ter zitting verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verzoeker heeft zich laten vertegenwoordigen door vorenbedoelde gemachtigde. Verweerder is, zoals vooraf schriftelijk is aangekondigd, niet ter zitting verschenen.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in de bodemzaak niet.

2. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht gaat de voorzieningenrechter na of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist.

3. Verweerder heeft de over de berekeningsjaren 2011 en 2014 verleende voorschotten kindgebonden budget (€ 1.019,- over 2011 en 228,- over 2014), huurtoeslag (€ 2715,- over 2011) en zorgtoeslag (€ 956,- over 2011) van verzoekers teruggevorderd. Verzoekers hebben verweerder op 18 november 2015 om uitstel van betaling gevraagd. Bij het primaire besluit heeft verweerder dat verzoek niet gehonoreerd omdat volgens verweerder de terugvorderingssituatie is ontstaan door grove onachtzaamheid van de zijde van verzoekers. Wel heeft verweerder een algemene betalingsregeling aangeboden, in die zin dat verzoekers het in totaal over voormelde berekeningsjaren openstaande bedrag van € 4918,- in 24 maandelijkse termijnen van € 205,- aan verweerder terugbetalen.

4. In bezwaar hebben verzoekers - kort gezegd - naar voren gebracht dat van grove onachtzaamheid geen sprake is geweest omdat niet voorzienbaar was dat er een terugvordering zou ontstaan. Verzoekers kunnen zich voorts niet vinden in de geboden betalingsregeling, omdat hierbij de beslagvrije voet niet is gerespecteerd.

5. Bij het bestreden besluit heeft verweerder erkend dat geen sprake is van opzet of grove schuld bij het ontstaan van de terugvorderingsbeschikking kindgebonden budget 2014. Daarom is ten aanzien van deze terugvordering een persoonlijke betalingsregeling aangeboden van € 20,- per maand, ingaande 29 juli 2016 tot 29 januari 2017. Ten aanzien van de terugvorderingsbeschikkingen over 2011 handhaaft verweerder zijn standpunt dat sprake is van opzet of grove schuld. Verweerder verwijt verzoekers dat zij hebben nagelaten zo snel mogelijk het juiste toetsingsinkomen over 2011 door te geven aan verweerder. Dit leidt volgens verweerder tot de conclusie dat sprake is van ernstige nalatigheid en het ontstaan van de terugvorderingsbeschikkingen aan verzoekers zelf is te wijten. Dat verzoekers geen rechtsmiddel hebben aangewend tegen de terugvorderingsbeschikkingen komt volgens verweerder ook voor rekening en risico van verzoekers. Ten aanzien van de terugvorderingsbeschikkingen over 2014 heeft verweerder een nieuwe betalingsregeling aangeboden in die zin dat verzoekers het in totaal over voormelde berekeningsjaren openstaande bedrag in 24 maandelijkse termijnen van € 195,- aan verweerder terugbetalen, waarbij de eerste betalingstermijn vervalt op 31 juli 2016.

6. Verzoekers kunnen zich niet vinden in het bestreden besluit. Blijkens de gronden van beroep blijven zij bij het standpunt dat geen sprake is van enig verwijtbaar gedrag van hun kant. Verzoekers zijn op 1 januari 2010 een bedrijf gestart. In dat kader is aan hen een bedrijfskrediet als ook een uitkering in de vorm van een renteloze lening toegekend op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz). Per 1 januari 2011 is dit bedrijf geëindigd. Nadat is gebleken dat de bedrijfsresultaten over 2010 dusdanig laag waren dat recht bestond op bijstand om niet is de Bbz-lening voor levensonderhoud omgezet van onbelaste bijstand naar belaste bijstand. Hierdoor was achteraf bezien sprake van een fiscaal inkomen over 2010. Dit fiscale inkomen drukt, naast de verstrekte bijstand over 2011, op het fiscale jaar 2011, met als gevolg dat het fiscaal inkomen over 2011 te hoog was om recht te hebben op de betreffende toeslagen. Verzoekers erkennen dat zij geen rechtsmiddel hebben aangewend tegen de terugvorderingsbeschikkingen, maar wijten dit aan het feit dat zij in verwarring waren over wat allemaal is gebeurd. Bovendien zijn zij er bij de toekenning van de Bbz-uitkering niet op gewezen welke consequenties de uitkering eventueel zou kunnen hebben voor het recht op de toeslagen. Daarbij komt nog dat zij door het bestreden besluit slechter af zijn, nu zij in totaliteit nog meer maandelijks terug dienen te betalen dan als gevolg van het primaire besluit.

7. Naast het instellen van beroep bij de rechtbank hebben verzoekers aanleiding gezien om de voorzieningenrechter te vragen een voorlopige voorziening te treffen. Uit het verhandelde ter zitting blijkt dat het verzoek aldus begrepen moet worden dat verzocht wordt om - met inachtneming van de hiervoor geduide beroepsgronden - een voorlopig rechtmatigheidsoordeel te geven over het bestreden besluit en te bepalen dat de aflossingscapaciteit op nihil wordt gesteld omdat nu reeds duidelijk is dat geen sprake is van enige aflossingscapaciteit, ook niet op de langere termijn. Daarbij wijzen zij er op dat hun uitkering inmiddels is verlaagd als gevolg van het feit dat inwonend meerderjarig kind [naam] is gestopt met haar opleiding. Ook vinden verzoekers dat met twee maten wordt gemeten, nu door de Belastingdienst wel de betalingsregeling met betrekking tot de aanslag inkomstenbelasting over 2011 is stopgezet. Tot slot wijzen verzoekers ter adstructie van hun slechte financiële situatie erop dat zij vanwege hun gezondheidssituatie het eigen risico voor ziektekosten volledig opsouperen.

8. De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.

9. Het bedrag van de terugvordering en de rente moet op grond van artikel 28 van de Algemene wet inkomensafhankelijk regelingen (Awir) binnen zes weken na dagtekening van de beschikking tot terugvordering terugbetaald worden.

10. Op grond van artikel 31 van de Awir worden bij ministeriële regeling regels gesteld met betrekking tot het verlenen van uitstel van betaling.

11. In artikel 7 van de Uitvoeringsregeling Awir zijn regels met betrekking tot het verlenen van uitstel van betaling in verband met betalingsproblemen vastgelegd. Het zesde lid van dit artikel bepaalt dat de overige leden van dat artikel niet van toepassing zijn indien het ontstaan van de terugvordering te wijten is aan opzet of grove schuld van de belanghebbende of diens partner.

12. Verweerder voert voor de toepassing van de Invorderingswet 1990 en de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 het beleid zoals neergelegd in de Leidraad Invordering 2008 (de Leidraad).

13. Volgens artikel 79.7 van de Leidraad is uitgangspunt dat de belanghebbende die teveel ontvangen toeslag moet terugbetalen, in de gelegenheid wordt gesteld om het bedrag van de toeslagschuld te voldoen met een standaardbetalingsregeling. De standaardregeling wordt zonder nader onderzoek in te stellen door verweerder aangeboden en strekt zich uit over maximaal 24 maanden.

14. Volgens artikel 79.8 van de Leidraad kan verweerder een persoonlijke betalingsregeling toestaan als de belanghebbende schriftelijk kenbaar maakt dat hij niet in staat is de toeslagschuld te voldoen onder de condities die gelden voor de standaardregeling.

15. Artikel 79.8a van Leidraad bepaalt echter dat voor een toeslagschuld die te wijten is aan opzet of grove schuld van de belanghebbende of diens partner, verweerder een betalingsregeling van ten hoogste 24 maanden kan toestaan als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

- de belanghebbende verzoekt verweerder om zo’n regeling;

- de belanghebbende of diens partner maakt aannemelijk dat zij niet meer beschikken over het ten onrechte geïnde voorschot, belichaamd in de toeslagschuld;

- de regeling leidt tot betaling van de volledige schuld binnen 24 maanden.

16. In paragraaf 2, derde lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst/Toeslagen (hierna het BBBB/T) is uiteengezet wat onder opzet of grove schuld moet worden verstaan. Grove schuld is een in laakbaarheid aan opzet grenzende mate van verwijtbaarheid en omvat mede grove onachtzaamheid. Daarbij kan worden gedacht aan laakbare slordigheid of ernstige nalatigheid. Bij grove schuld had belanghebbende redelijkerwijs moeten of kunnen begrijpen dat zijn gedrag tot gevolg kon hebben dat bijvoorbeeld een te hoog bedrag aan tegemoetkoming wordt toegekend.

17. Uit het hiervoor omschreven wettelijke kader vloeit voort dat verweerder geen persoonlijke betalingsregeling toestaat, indien er sprake is van opzet of grove schuld ten aanzien van de ontstane terugvordering en dat in dat geval de gehele toeslagschuld in maximaal 24 maanden dient te worden terugbetaald. Dat heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ook overwogen in de uitspraak van 25 maart 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:892).

18. Verweerder heeft in het verweerschrift (nader) toegelicht dat, zolang tijdens of na een beroepsprocedure niet wordt overgegaan tot invordering, de beslagvrije voet niet wordt aangetast en er geen sprake is van onverwijlde spoed. Hierbij is tevens opgemerkt dat in situaties als die van verzoekers is voorzien in de zekerheid dat zij door de verrekening niet onder het bestaansminimum terecht komen. Er is een ‘afdeling beslagvrije voet’ die zich alleen bezig houdt met de berekening van de beslagvrije voet van een belanghebbende als er een verrekening heeft plaatsgevonden en de belanghebbende meent dat zijn inkomen daardoor onder het bestaansminimum uitkomt. De belanghebbende moet dan wel bij die afdeling van verweerder verzoeken om rekening te houden met de beslagvrije voet. Na dat verzoek wordt op zeer korte termijn (binnen twee weken na het verzoek) de beslagvrije voet uitgerekend, zo nodig een bestandscorrectie toegepast en het teveel verrekende alsnog uitbetaald. Aldus heeft verweerder een zekerheid ingebouwd om te voorkomen dat een (financiële) noodsituatie ontstaat, zo luidt diens standpunt.

19. Hoewel de voorzieningenrechter zich kan voorstellen dat de mogelijke toepassing door verweerder van de verrekeningsbevoegdheid, zonder daarbij op voorhand rekening te houden met de beslagvrije voet, spanning en onzekerheid teweegbrengt bij verzoekers, is hij niettemin van oordeel dat verweerder, gelet op de hiervoor weergegeven toelichting in overweging 17, gevolgd kan worden in het standpunt dat in de huidige stand van zaken geen sprake is van onverwijlde spoed die tot het treffen van de gevraagde voorziening noopt. Van invordering of verrekening is immers in dit stadium nog geen sprake. De voorzieningenrechter gaat er hierbij ook van uit dat verweerder conform de hiervoor gegeven toelichting snel zal handelen, indien verzoekers hem bij een eventuele verrekening vragen om rekening te houden met de voor hen geldende beslagvrije voet. In dit verband merkt de voorzieningenrechter tevens op dat het verzoek als weergegeven in overweging 7, voor zover dit strekt tot nihilstelling van de aflossingsverplichting, dermate verstrekkend dat dit in deze fase van de procedure niet toewijsbaar is. Aan een voorlopig rechtmatigheidsoordeel ten aanzien van het bestreden besluit, waaronder de vraag of verweerder er op goede gronden van uitgaat dat sprake is van grove onachtzaamheid van verzoekers, komt de voorzieningenrechter gelet op het ontbreken van een spoedeisend belang ook niet toe en er bestaat geen aanleiding om met toepassing van het bepaalde in artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht kort te sluiten en tevens op het beroep te beslissen. Het beroep zal inhoudelijk worden behandeld door de rechtbank op een nader te bepalen datum en tijdstip.

20. De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening daarom af.

21. Omdat pas in het verweerschrift een duidelijke toelichting is gegeven op de gang van zaken bij een mogelijke invordering of verrekening, met name voor wat betreft de toepassing van de beslagvrije voet, ziet de voorzieningenrechter wel aanleiding om te bepalen dat verweerder het door of namens verzoekers betaalde griffierecht vergoedt alsook de door verzoekster gemaakte reiskosten om de zitting bij te kunnen wonen. Voor het overige ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om verweerder te veroordelen in de door verzoekers gemaakte proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan verzoekers het griffierecht (€46,-) en de reiskosten (€ 15,42) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Schelfhout, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.A.M. Bocken, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 september 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 16 september 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.