Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:7954

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
14-09-2016
Datum publicatie
15-09-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 2201u
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag verlenging gehandicaptenparkeerkaart (gpk) bestuurder afgewezen.

Met de door eiseres in beroep overgelegde informatie en het deskundigenadvies heeft eiseres voldoende aanknopingspunten naar voren gebracht om te twijfelen aan de medische adviezen van de MO-zaak. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien omdat de rechtbank met het deskundigenrapport -zeker in combinatie met het deskundigenbericht- over voldoende en actuele informatie beschikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 15/2201

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 september 2016 in de zaak tussen

[eiseres] te [woonplaats], eiseres

(gemachtigden: mr. P.J.T. Austen en mr. T. Dohmen),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Valkenburg aan de Geul, verweerder

(gemachtigde: [naam]).

Procesverloop

Bij besluit van 12 december 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om (verlenging van) een gehandicaptenparkeerkaart (gpk), type bestuurderskaart, afgewezen.

Bij besluit van 28 april 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2016.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigden. Voorts is [naam deskundige] verschenen als deskundige. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres heeft op 8 oktober 2014 verlenging van een gpk bestuurder aangevraagd. Naar aanleiding van dit verzoek heeft verweerder de MO-zaak gevraagd een medisch onderzoek te verrichten. Op 13 november 2014 heeft de MO-zaak zijn bevindingen aan verweerder gerapporteerd. In het rapport concludeert [E.], arts van de MO-zaak, dat, gelet op de bevindingen tijdens het spreekuur en de nadien ontvangen medische informatie van de huisarts en vaatchirurg, eiseres redelijkerwijs in staat moet worden geacht meer dan 100 meter aaneengesloten te kunnen lopen. Eiseres voldoet niet aan de criteria voor een gpk als bestuurder. Op grond van voornoemd advies heeft verweerder de aanvraag van eiseres bij het primaire besluit afgewezen.

2. Naar aanleiding van het gemaakte bezwaar heeft verweerder opnieuw advies gevraagd aan de MO-zaak. Volgens [V.], arts van de MO-zaak, kan een loopafstand van minder dan 100 meter aaneengesloten niet worden onderbouwd op basis van de aard en ernst van de aandoeningen van eiseres. Er kan geen reden voor een gpk worden vastgesteld, aldus de arts in het advies. Op 12 maart 2015 heeft [V.] opnieuw advies uitgebracht, naar aanleiding van een door eiseres overgelegde verklaring van de huisarts. De huisarts stelt in zijn verklaring dat eiseres niet meer dan 100 meter kan lopen. [V.] concludeert opnieuw dat een loopafstand van minder dan 100 meter aaneengesloten niet kan worden onderbouwd op basis van de aanwezige objectieve gegevens.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder, rekening houdend met de door eiseres na de hoorzittingen ingeleverde medische stukken, de nadere adviezen van de MO-zaak en het advies van de Commissie voor de bezwaarschriften, het bezwaar ongegrond verklaard. In het advies van de commissie is vermeld dat de uitgebrachte rapportages van de MO-zaak voldoen aan het bepaalde in artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat het medisch advies van de MO-zaak niet tot stand is gekomen met inachtneming van het Protocol Gehandicaptenparkeervoorzieningen opgesteld door de VIA. Eiseres is van mening dat verweerder zich daarom niet had mogen baseren op de medische adviezen. Eiseres heeft haar medisch adviseur verzocht haar oordeel te geven over de vraag of eiseres in staat moet worden geacht om meer dan 100 meter loopafstand te overbruggen. Op 7 september 2015 heeft de medisch adviseur [T.], op basis van de medische stukken, geconcludeerd dat eiseres daartoe niet in staat is. Ook de in beroep ingeschakelde deskundige [naam deskundige] – die eveneens ter zitting aanwezig was – is van oordeel dat eiseres niet aaneengesloten 100 meter kan lopen.

5. Naar aanleiding van de door eiseres aangevoerde gronden heeft verweerder de MO-zaak schriftelijk om een reactie gevraagd. Op 21 december 21015 heeft de MO-zaak opnieuw advies uitgebracht. De arts van MO-zaak [B.] heeft te kennen gegeven het belangrijk te vinden om eiseres nogmaals uit te nodigen voor een nieuwe beoordeling.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het tegenadvies van [T.] niet betrokken kan worden omdat eiseres geen medewerking wenst te verlenen aan een nieuw medisch onderzoek door een onpartijdige instantie met een arts die niet op eerdere momenten bij het onderzoek betrokken is geweest.

6. De rechtbank dient te beoordelen of verweerder de aanvraag van eiseres om een gpk bestuurder heeft kunnen afwijzen. Daarbij zijn de navolgende wettelijke bepalingen van belang.

In artikel 49, eerste lid, van het Besluit Administratieve bepalingen inzake het wegverkeer kan een gehandicapte, overeenkomstig de bij ministeriële regeling gestelde criteria, door het college van burgemeester en wethouders waar hij als ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens, een gehandicaptenparkeerkaart worden verstrekt.

In artikel 1, eerste lid, onder a, van de Regeling gehandicaptenparkeerkaart is bepaald dat voor een gehandicaptenparkeerkaart in aanmerking kunnen komen bestuurders van motorvoertuigen op meer dan twee wielen en van brommobielen, die ten gevolge van een aandoening of gebrek een aantoonbare loopbeperking hebben van langdurige aard, waardoor zij -met de gebruikelijke loopmiddelen- in redelijkheid niet in staat zijn zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan een stuk te voet te overbruggen.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Regeling wordt een gehandicaptenkaart niet afgegeven alvorens een geneeskundig onderzoek heeft plaatsgehad met betrekking tot de handicap van de aanvrager.

Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Regeling wordt - voor zover hier van belang -ingeval de gehandicaptenkaart wordt afgegeven door het gemeentelijk gezag, bedoeld in artikel 49 van het BABW, het geneeskundig onderzoek verricht door de Gemeentelijke Gezondheidsdienst.

Ingevolge artikel 3:9 van de Awb dient, indien een besluit berust op een onderzoek naar feiten en gedragingen dat door een adviseur is verricht, het bestuursorgaan zich ervan te vergewissen dat dit onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.

7. De rechtbank overweegt als volgt. [T.], door eiseres ingeschakeld als deskundige, motiveert met verwijzing naar de voorhanden zijnde medische informatie op inzichtelijke wijze dat eiseres niet aaneengesloten 100 meter kan lopen. [T.] stelt dat met de diagnose dunne vezelneuropathie een verklaring is gevonden voor de chronische pijnklachten. In combinatie met de hart- en vaatziekte is het medisch aannemelijk dat zij niet in staat is tot het lopen van afstanden van meer dan 100 meter, zo concludeert [T.]. In beroep heeft eiseres tevens algemene informatie overgelegd van de bij haar geconstateerde aandoening van dunne vezelneuropathie. Deze algemene informatie bevestigt de (pijn)klachten zoals eiseres die steeds naar voren heeft gebracht. Met deze in beroep overgelegde informatie en het deskundigenadvies heeft eiseres voldoende aanknopingspunten naar voren gebracht om te twijfelen aan de medische adviezen van MO-zaak. Hoewel uit het eerste advies van de MO-zaak volgt dat een lichamelijk onderzoek heeft plaatsgevonden en blijkens alle adviezen van de MO-zaak kennis is genomen van de informatie van de behandelaars, zijn deze adviezen zeer beknopt en blijkt niet dat de gevolgen van de aandoening dunne vezelneuropathie – welke diagnose voor zover de rechtbank kan nagaan overigens eerst op 10 december 2014 in beeld kwam – voldoende bekend waren bij de MO-zaak. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder niet (langer) mocht uitgaan van de adviezen van de MO-zaak. De rechtbank is verder van oordeel dat het begrijpelijk is dat eiseres zich niet nogmaals, gedurende de beroepsprocedure, wilde laten onderzoeken door verweerder. Eiseres heeft immers al diverse keren meegewerkt aan een onderzoek en heeft zich steeds zeer actief opgesteld door zelf medische informatie te overleggen. Omdat [T.] het advies heeft opgesteld zonder lichamelijk onderzoek, maar met inachtneming van hetgeen bekend is over de aandoening dunne vezelneuropathie, had verweerder ook zonder nader onderzoek meer informatie kunnen inwinnen bij de adviseurs van MO-zaak.

8. De rechtbank ziet geen aanleiding verweerder opdracht te geven een nieuw besluit te nemen en opnieuw advies in te winnen bij de MO-zaak. Met het deskundigenrapport van [naam deskundige] – zeker in combinatie met het deskundigenbericht van [T.] – beschikt de rechtbank immers over voldoende en actuele informatie om zelf in de zaak te voorzien.

In het advies van 28 juli 2016 heeft [naam deskundige] het volgende als beschouwing/advies opgenomen:

“In conclusie stel ik vast dat er bij cliënte sprake is van een evidente claudicatio intermittens (zogenaamde etalage-benen) op basis van een gestoorde doorbloeding van met name het linkerbeen, bij afwezige pulsaties in de arteria dorsalis pedis en de arteria tibialis posterior.

Deze problematiek, gesuperponeerd op de artrose van de linker grote teen en de aangetoonde dunne vezelneuropathie, verklaart in mijn optiek volledig de pijnklachten welke cliënte ervaart in beide voeten, met name links, en de sterk verminderde belastbaarheid van beide benen, met name links.

Op basis van mijn bevindingen bij lichamelijk onderzoek ga ik ervan uit dat er sprake is van een lokale obstructie, dan wel een algehele globale stenose (vernauwing) van de arteriën in het linkeronderbeen. Dienaangaande acht ik het zeer aannemelijk dat er weinig therapeutische opties zijn om de doorbloeding van het linkeronderbeen en de linkervoet nog te verbeteren. In andere woorden: ik verwacht dat de doorbloeding van het linkeronderbeen en de linkervoet altijd problematisch zal blijven. In het meest ongunstige scenario kan dit leiden tot een necrose (een versterf) met als ultieme ingreep een amputatie van het betreffende onderbeen.

Cliënte is op basis van de genoemde problematiek te enen malen niet in staat om 100 meter te lopen, al na circa 30 meter moet zij stoppen vanwege toenemende pijnklachten. Op basis hiervan ben ik als voormalig hart-vaatchirurg, met een uitgebreide deskundigheid op dit gebied, de stellige mening toegedaan dat cliënte per omgaande wederom in aanmerking dient te komen voor een gehandicaptenparkeerkaart.”

Naar het oordeel van de rechtbank staat voldoende vast dat eiseres niet zelfstandig 100 meter aaneengesloten kan lopen.

9. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat eiseres in aanmerking komt voor een gehandicaptenparkeerkaart, bestuurdersversie.

10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 1). Volledigheidshalve overweegt de rechtbank dat eiseres in de bezwaarfase zich nog niet liet bijstaan door gemachtigden, zodat voor de bezwaarfase geen proceskosten worden toegekend.

12. Verder heeft eiseres om vergoeding van de kosten van de door haar ingeschakelde deskundigen verzocht. Op grond van het bepaalde in artikel 1, aanhef en onder b, en artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bpb, in verbinding met artikel 8:36, tweede lid, van de Awb moet een veroordeling in de kosten van een deskundigenverslag worden vastgesteld met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken. Krachtens artikel 3, eerste lid, van laatstgenoemde wet is in artikel 6 van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 (het Besluit) een tarief van ten hoogste € 116,09 per uur vastgesteld. In artikel 15 van het Besluit is bepaald dat de bedragen, genoemd in het Besluit, worden verhoogd met de omzetbelasting die daarover is verschuldigd. Conform artikel 9, eerste lid, van het Besluit wordt de tijdseenheid afgerond per half uur.

13. Gelet op het vorenstaande dient een bedrag van € 174,14 (1,5 uur x € 116,09) te worden vergoed aan kosten voor het namens eiseres overgelegde deskundigenrapport van [T.].

Dit bedrag dient te worden verhoogd met de omzetbelasting die daarover is verschuldigd. Dit betreft een bedrag van € 36,57. Dat leidt ertoe dat de vergoeding van de kosten voor het in beroep ingebrachte deskundigenrapport dienen te worden gesteld op een bedrag van € 210,71.

Ook de kosten die deskundige [naam deskundige] heeft gemaakt komen voor vergoeding in aanmerking. Volgens opgave heeft hij twee uur besteed aan het uitbrengen van het advies. Verder was hij tijdens de behandeling ter zitting aanwezig, die ongeveer 45 minuten duurde. Derhalve dient een bedrag van € 348,27 (3 uur x € 116,09) te worden vergoed voor het inschakelen van deskundige [naam deskundige], vermeerderd met een bedrag aan omzetbelasting van

€ 73,13.

Eiseres heeft gesteld dat [naam deskundige] reiskosten heeft gemaakt. Conform artikel 11, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit wordt voor een retourkilometer € 2,70 vergoed. De reisafstand van deze deskundige is (enkele reis) 69 kilometer. Het bedrag dat aan reiskosten wordt vergoed is derhalve € 186,30. De totale kosten van deskundige [naam deskundige] bedragen

€ 607,70 (€ 348,27 + € 73,13 + € 186,30).

14. Ten slotte komen ook de reiskosten van eiseres zelf voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank stelt deze vast op € 22,02.

15. Uit vorenstaande overwegingen volgt dat het totaalbedrag aan proceskostenvergoeding € 1.832,43 (€ 992,- + € 210,71 + € 607,70 + € 22,02). Dit bedrag dient verweerder aan eiseres te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit;

  • -

    bepaalt dat eiseres door verweerder in aanmerking wordt gebracht voor een

gehandicaptenparkeerkaart bestuurder en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van

€ 1.832,43.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.P. Jacobs, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.A.C. Heyltjes, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

14 september 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 14 september 2016

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.