Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:7462

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
30-08-2016
Datum publicatie
30-08-2016
Zaaknummer
03/659159-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging doodslag, de verdachte heeft met een mes in de buikstreek van het slachtoffer gestoken: vier jaren gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2016-0224

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/659159-16

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 30 augustus 2016

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

gedetineerd in PI Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard.

De verdachte wordt bijgestaan door mr. G.G.J. Geerlings, advocaat, kantoorhoudende te Roermond.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 16 augustus 2016. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

Primair: heeft geprobeerd, al dan niet met voorbedachten rade, [slachtoffer] te doden door hem met een mes in zijn buik te steken;

Subsidiair: zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht aan [slachtoffer] , al dan niet met voorbedachten rade, door hem met een mes in zijn buik te steken;

Meer subsidiair: heeft geprobeerd zwaar lichamelijk letsel toe te brengen aan [slachtoffer] door hem met een mes in zijn buik te steken;

Meest subsidiair: [slachtoffer] heeft mishandeld door hem met een mes in zijn buik te steken.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het primair tenlastegelegde, de poging moord, wettig en overtuigend bewezen. Hij onderbouwt zijn standpunt met het feit dat het slachtoffer is neergestoken en dat het slachtoffer de persoon die hem steekt herkent als de verdachte. Voorts heeft verdachte geen alibi en heeft zijn vrouw alleen tegen de politie gezegd dat hij rond twee uur die nacht thuis was. Dit betekent dat hij ten tijde van het steekincident nog niet thuis was. Dat de verdachte zich niets meer kan herinneren van die avond door een black-out, acht de officier van justitie ongeloofwaardig. De verdachte had wel wat gedronken maar dit werkte alleen ontremmend. De verdachte en het slachtoffer hadden een aantal jaren geleden ruzie en de verdachte was hierover nog steeds geïrriteerd. Hij heeft een aantal weken voor het incident nog gezegd dat het slachtoffer nog wat van hem te goed had. De officier van justitie ziet dit niet als dronkemanspraat, nu de verdachte het slachtoffer de volgende dag heeft neergestoken. Dat het ontbrekende mes uit het messenblok van verdachte inmiddels is gevonden, blijkt nergens uit volgens de officier van justitie.

De officier van justitie is van mening dat er sprake is van voorbedachten rade. De verdachte ging die avond op stap en irriteerde zich aan de ruzie die hij had met het slachtoffer. Vervolgens heeft hij zijn vrienden naar huis gestuurd en ging hij met een mes naar de woning van [slachtoffer] om hem neer te steken. Het slachtoffer had daarbij het leven kunnen laten.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman bepleit vrijspraak. Hij is van oordeel dat uit het dossier onvoldoende blijkt wat er zich op 2 mei 2016 heeft afgespeeld in de [adres] te Roermond. Verdachte had zich reeds neergelegd bij de eerdere ruzie uit 2012 tussen hem en het slachtoffer. Verdachte vroeg aan [getuige 1] of hij [slachtoffer] nog eens had gezien, omdat hij zo min mogelijk met [slachtoffer] in contact wilde komen en hem probeerde te vermijden.

De raadsman is primair van mening dat het bewijsminumum van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering niet kan worden gehaald en dat een veroordeling niet alleen mag worden gebaseerd op grond van één getuigeverklaring. Volgens de raadsman, is de verklaring van aangever [slachtoffer] het enige bewijsmiddel dat de verdachte op de plaats delict en aan het steken van het slachtoffer koppelt. De raadsman stelt dat er het nodige aan te merken valt op die verklaring, hetgeen de geloofwaardigheid van die verklaring aantast. Hetzelfde geldt voor de verklaring over het opgelopen letsel. De overige stukken uit het procesdossier kunnen volgens de raadsman niet als bewijsmiddel gelden. Zo zijn de camerabeelden van Voorstad onduidelijk of niet passend bij het signalement van de verdachte en was de verbalisant die hem op de beelden herkent gepredispositioneerd. Voorts is er geen wapen gevonden dat verdachte aan het aan hem verweten delict koppelt. Het mes dat zou ontbreken in de woning van de verdachte was wel in het huis aanwezig en komt overigens niet overeen met de beschrijving van aangever [slachtoffer] . Daarnaast valt de daadwerkelijk verwonding van aangever volgens de raadsman reuze mee. Er zijn geen vitale organen geraakt, noch is vermeld dat vitale organen gevaar hebben gelopen of zich in de baan van het steekwapen hebben bevonden.

De raadsman is subsidiair van mening dat uit het procesdossier geen bewijsmiddel valt te destilleren dat duidt op voorbedachten rade van de verdachte ten aanzien van het primair of subsidiair tenlastegelegde. Niet is vast te stellen op welk moment bij de verdachte een eventueel voornemen ontstond om het slachtoffer van het leven te beroven of hem letsel toe te brengen, noch kan worden vastgesteld hoeveel tijd er tussen dat eerste tijdstip en de uiteindelijke uitvoering is verstreken. Ook kan niet worden vastgesteld of de verdachte zich heeft kunnen beraden op het te nemen of genomen besluit. Ook kan er geen voorwaardelijk opzet zijn, nu het onduidelijk blijft wat er in het hoofd van cliënt omging.

De raadsman heeft geen uitspraak gedaan over het (meer) subsidiair tenlastegelegde. In het kader van de strafmaat heeft de raadman echter opgemerkt dat hij zich refereert aan de poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel of mishandeling.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Op 2 mei 2016 kreeg de politie de melding dat er een steekpartij had plaatsgevonden op het adres [adres] te Roermond.2 Op dat adres woont de aangever, [slachtoffer] , die verklaarde dat hij die nacht samen met zijn moeder televisie aan het kijken was toen hij tussen 01:20 uur en 01:30 uur de deurbel hoorde. De aangever opende de voordeur en zag dat er een man stond in de schaduw van de bomenkooi. De aangever herkende deze man als [verdachte] . Hij zag dat [verdachte] in zijn richting liep en tegen hem zei: “He klootzak, je weet dat je mij die ring nog moet betalen.” De aangever zei daarop tegen hem: “Als je begint met de waarheid te vertellen, wil ik best iets regelen.” Vervolgens zei [verdachte] : “Ik steek je kapot”. De aangever zag vervolgens dat [verdachte] een mes in zijn rechterhand vasthield. Hij zag dat [verdachte] een paar passen in zijn richting liep en met zijn rechterhand opzettelijk een stekende beweging maakte richting zijn buik. De aangever voelde op dat moment een doffe pijn. Hij zag en voelde dat hij in zijn buik was gestoken. Hij zag dat het lemmet ongeveer tien tot vijftien centimeter lang was. De aangever duwde [verdachte] weg en sloot de deur.3 De verbalisanten die vervolgens ter plaatse komen, relateren dat aangever [slachtoffer] een diepe wond had, die enkele centimeters rechts van de navel zat. De verbalisanten konden verschillende lagen weefsel in de wond zien.4

Uit de medische verklaring van de GGD Limburg-Noord blijkt dat aangever [slachtoffer] diezelfde dag is opgenomen in het ziekenhuis en dat de steekwond in zijn rechterbovenbuik een doorsnede van 4 centimeter had. De pink van de behandelend arts kon volledig naar binnen zonder een bodem of stop van de wond te voelen. Het uitwendig bloedverlies werd fors genoemd. Ook na het hechten en opstoppen van de wond met bloedstelpend materiaal, heeft de wond nog fors nagelekt. Er was tevens sprake van niet uitwendig waarneembaar letsel.5

Het signalement van de verdachte

Volgens de aangever droeg [verdachte] die avond:

  • -

    een blauwkleurige spijkerbroek;

  • -

    een leren jas, vermoedelijk in de kleur roodbruin;

  • -

    een lichtkleurig overhemd met V-hals;

  • -

    een bril met een lichtgrijs stalen rond montuur;

  • -

    zijn grijskleurige haar in een staart;

  • -

    een grijskleurig gemêleerde snor.6

In het dossier bevinden zich camerabeelden, die zijn opgenomen in de [naam flat] flat te Roermond op 1 mei 2016, de dag van het steekincident. Verdachte is woonachtig in een appartement in deze flat. De camerabeelden tonen dat er omstreeks 21.59 uur een man uit de lift van de [naam flat] flat loopt met een half lange donkerkleurige jas, een wit overhemd, een spijkerbroek en witte sportschoenen. De man is ongeveer zestig jaar oud en heeft half lang grijs haar dat hij draagt in een staartje. Verbalisant [verbalisant] heeft gerelateerd dat hij de man op de camerabeelden herkent als [verdachte] , geboren op [geboortedatum] te Venlo.7

De rechtbank concludeert dat de omschrijving die aangever [slachtoffer] heeft gegeven over zowel het uiterlijk van verdachte als de door verdachte gedragen kleding die avond volledig overeenkomt met het uiterlijk en de kleding van verdachte op die camerabeelden.

Het café

Getuige [getuige 1] is verdachte vervolgens tussen 22.00 en 22.30 uur op 1 mei 2016 tegengekomen in het café [naam café] en heeft samen met hem en met mevrouw [getuige 2] aan de bar gestaan. Verdachte zou volgens [getuige 1] zeker drie flesjes Karmeliet hebben gedronken, hetgeen Belgisch bier is met tenminste 8% alcohol. Vervolgens zijn getuige [getuige 1] , mevrouw [getuige 2] en verdachte iets na 01.00 uur op 2 mei 2016 vertrokken uit het café. [getuige 1] en [getuige 2] hebben aan de verdachte aangeboden om samen met hem richting de [naam flat] flat te lopen. De verdachte heeft dat echter afgeslagen. De getuige [getuige 1] verklaarde dat verdachte die avond zijn grijze haren in een staartje droeg en dat hij een bruin leren jack aan had met daaronder een blouse.8

De camerabeelden

Aan het pand [adres] [X] te Roermond hangt een bewakingscamera die tussen 01.15 uur en 01.24 uur beelden heeft opgenomen van de overzijde van de straat. De beelden tonen een man, die uit de richting van de Roerkade over de Maria Teresia brug aan komt lopen. Hij had beide handen in zijn jaszak. Daarnaast had hij een half lange donkerkleurige jas aan en droeg hij een spijkerbroek en witte sportschoenen. De man vervolgde zijn weg over de [adres] , in de richting van De Ster en verdween uit het zicht. Na ongeveer 2 minuten en 15 seconden kwam diezelfde man weer in beeld. Hij rende de andere kant op van waar hij zojuist vandaan kwam. Op dat moment heeft hij alleen zijn linkerhand in zijn jaszak. Ook hier relateerde de verbalisant [verbalisant] dat hij de man herkende als [verdachte] .9

Bij de politie heeft de verdachte verklaard dat hij wist dat [slachtoffer] op de [adres] woonde. Ook verklaarde hij dat hij altijd zijn handen in zijn zakken heeft wegens atrose. Aan zijn linkerhand heeft hij het meeste pijn.10

Om 01.33 uur kwam verdachte volgens de camerabeelden van de [naam flat] flat weer de entreehal in lopen. Hij leegt een brievenbus, wacht tot de lift komt en stapt dan de lift in. Hij was op dat moment nog steeds gekleed in een half lange donkerkleurige jas, een wit overhemd, een spijkerbroek en witte sportschoenen. Ook droeg hij zijn grijze haren in een staartje.11

Het aantreffen van de kleding

Na het steekincident gingen verbalisanten, omstreeks 01.58 uur, naar de woning van de verdachte. De verbalisanten relateren dat verdachte als hij de deur open doet qua uiterlijk voldeed aan het eerder opgegeven signalement.12 In de woning zagen de verbalisanten een donkere lederen jas aan de kapstok hangen en een gedragen jeansbroek en wit overhemd op een wasmand liggen in de slaapkamer. In de achterzak van de jeansbroek zat de portemonnee van de verdachte.13 De rechtbank concludeert hieruit dat verdachte die kleding nog kort daarvoor heeft aangehad.

De verdachte stelt zich op het standpunt dat hij een black-out heeft gehad en zich niets meer kan herinneren vanaf het moment in het café totdat hij wakker werd in een politiecel. Ook stelt hij voorts dat hij geen reden had om een persoon of de heer [slachtoffer] neer te steken. Het procesdossier laat echter wel zien dat de verdachte en [slachtoffer] in 2012 ruzie hebben gehad14 en dat de verdachte drie weken vóór het steekincident aan de getuige [getuige 1] had gevraagd of hij [slachtoffer] nog had gezien, omdat [slachtoffer] nog iets te goed had. Ook op de avond van het steekincident zelf, zou de verdachte ditzelfde nogmaals hebben gevraagd aan [getuige 1] . [getuige 1] heeft toen gevraagd wat hij met die [slachtoffer] moest, waarop de verdachte de blik van [getuige 1] ontweek en zei: “Daar kom je nog weleens achter, hij heeft nog wat tegoed.”15

Tussenconclusie

Op grond van vorenstaande bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat het verdachte is geweest die in de nacht van 2 mei 2016 na cafébezoek naar de woning van [slachtoffer] is gegaan en die [slachtoffer] in zijn buik heeft gestoken.

De rechtbank stelt allereerst vast dat de aangever verklaarde dat hij door de hem bekende [verdachte] , zijnde verdachte, is gestoken. De steekwond is kort daarna door verbalisanten en een arts op de spoedeisende hulp waargenomen. Een verbalisant herkent verdachte ook op de camerabeelden van de [naam flat] flat én van de [adres] . Vervolgens komt het door de aangever die avond gegeven signalement van de verdachte overeen met het signalement van [verdachte] , zoals die beschreven wordt door getuige [getuige 1] , met de beelden van [verdachte] in de hal van zijn flat en met de kleding van [verdachte] die bij [verdachte] thuis gevonden wordt. De rechtbank gaat er vanuit dat verdachte deze kleding die dag nog heeft aangehad, nu deze op de wasmand liggen en de portemonnee nog in de broekzak van de jeansbroek zit.

De rechtbank is gelet op het vorenstaande van oordeel dat het verdachte is geweest die na een avond in het café om 01.00 uur niet direct naar huis is gegaan, maar naar de woning van aangever [slachtoffer] is gelopen. Hij is de persoon die op de camerabeelden van [adres] omstreeks 01.15 uur te zien is. Vervolgens heeft er voor de woning van [slachtoffer] een korte woordenwisseling plaatsgevonden en heeft verdachte aangever [slachtoffer] in zijn buiksteek gestoken met een mes nadat de verdachte had gezegd “Ik steek je kapot”. Direct daarna is de verdachte weggerend via dezelfde route als die hij op de heenweg had genomen.

De rechtbank ziet zich nu voor de vraag gesteld hoe het handelen van de verdachte juridisch gekwalificeerd moet worden.

Opzet op de dood

De rechtbank acht het op basis van de bewijsmiddelen bewezen dat deze steekwond in de buik van [slachtoffer] door toedoen van verdachte is ontstaan. De rechtbank is echter van oordeel dat er geen bewijs is voor de stelling dat de verdachte van meet af aan uit was op de dood van [slachtoffer] . Desondanks kunnen sommige handelingen toch dusdanig gevaarzettend zijn dat reeds in de aard van die handelingen het opzet op een bepaald gevolg schuilt. Het gevolg wordt dan zogezegd op de koop toe genomen. In juridische zin spreekt men dan van voorwaardelijk opzet: het willens en wetens aanvaarden van de aanmerkelijke kans dat door een bepaald handelen een bepaald gevolg intreedt.

De rechtbank ziet zich aldus voor de vraag gesteld of er bij verdachte sprake was van voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer] door hem met een mes in zijn buik te steken. Om deze vraag te beantwoorden moet de rechtbank enerzijds vaststellen of er een aanmerkelijke kans was dat [slachtoffer] dodelijk getroffen of, in ieder geval, levensgevaarlijk gewond zou raken door de concrete handelingen van de verdachte en anderzijds de vraag of verdachte deze kans op de koop toe heeft genomen. De rechtbank overweegt het volgende.

De rechtbank stelt allereerst vast dat bij aangever [slachtoffer] een steekwond is geconstateerd die dieper was dan de lengte van een pink en een doorsnede had van vier centimeter. [slachtoffer] heeft verklaard dat hij een mes heeft gezien met een lemmet van 15 centimeter. Gelet op deze verklaring en vooral op de diepte en de doorsnede van de steekwond komt de rechtbank tot de conclusie dat [slachtoffer] gestoken is met een aanzienlijk mes, welk mes bij een steek fatale verwondingen kan toebrengen.

Het is verder een feit van algemene bekendheid dat de buik – door de zich daar bevindende vitale organen – een kwetsbaar onderdeel van het lichaam is en dat het steken met een mes in de buik een aanmerkelijke kans op de dood oplevert. Door met een aanzienlijk mes in de buikstreek van aangever [slachtoffer] te steken, heeft de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat één of meer van deze vitale organen zou(den) worden geraakt en dat aangever [slachtoffer] aan deze verwondingen zou (kunnen) overlijden. Uit de aangifte van [slachtoffer] komen voorts omstandigheden naar voren die duiden op een doelbewust handelen van de zijde van de verdachte. Immers hadden de verdachte en aangever [slachtoffer] een woordenwisseling, waarna de verdachte heeft gezegd: “Ik steek je kapot.” Daaropvolgend heeft de verdachte aangever [slachtoffer] daadwerkelijk gestoken.

Hieruit leidt de rechtbank af dat de gedraging van de verdachte naar uiterlijke verschijningsvorm als zo zeer gericht was op levensbedreigend handelen jegens het slachtoffer [slachtoffer] , dat het niet anders kan zijn dat de verdachte de aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer] bewust heeft aanvaard. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] . Dat de dood als gevolg van de alerte reactie van [slachtoffer] , die 112 heeft gebeld, niet is ingetreden, maakt dat hier sprake is van een poging tot doodslag en niet van een voltooide doodslag.

Voorbedachten rade?

Uit de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden kan niet worden bewezen dat de verdachte al vooraf een plan had beraamd om [slachtoffer] van het leven te beroven. Weliswaar had verdachte die dag een mes meegenomen naar de woning van [slachtoffer] en heeft hij met dat mes [slachtoffer] in zijn buik gestoken, maar daaruit volgt nog niet onomstotelijk dat hij vooraf had beraamd om [slachtoffer] ook daadwerkelijk met dit mes te doden. Gelet daarop acht de rechtbank het niet bewezen dat er sprake was van voorbedachten rade, reden waarom zij de verdachte van de poging moord vrijspreekt.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

op 2 mei 2016 in de gemeente Roermond ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet

- een mes heeft gepakt en geroepen "Ik steek je kapot", en

- vervolgens eenmaal voornoemde [slachtoffer] heeft gestoken in de buikstreek,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

T.a.v. het primair tenlastegelegde:

poging doodslag.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren. De officier van justitie verwijst hierbij naar jurisprudentie van het gerechtshof, dat in het algemeen hoger straft. De officier van justitie vordert oplegging van een kortere gevangenisstraf, nu hij rekening houdt met de omstandigheden van het geval. De officier van justitie geeft aan dat hij bang is voor recidivegevaar. Daarnaast stelt hij dat het slachtoffer het leven had kunnen laten en dat het steekincident een grote impact heeft gehad op het slachtoffer en diens leven.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht het advies van de reclassering te volgen, die oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf adviseert met bijzondere voorwaarden. De verdachte zal zich aan deze voorwaarden houden. Daarnaast verzoekt de raadsman rekening te houden met de LOVS-oriëntatiepunten en de richtlijnen van het openbaar ministerie. Ten slotte verzoekt de raadsman een straf gelijk aan het voorarrest op te leggen, te weten drie en een halve maand gevangenisstraf onvoorwaardelijk met eventueel een voorwaardelijk deel waaraan de voorwaarden van de reclassering kunnen worden gekoppeld. De raadsman heeft voorts verzocht om de invrijheidstelling van de verdachte bij vonnis bij vervroeging.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Doodslag wordt in het strafrechtstelsel beschouwd als een van de ernstigste misdrijven. Het nemen van een leven van een ander is een zo ernstig strafbaar feit dat als straf in beginsel alleen een langdurige gevangenisstraf in aanmerking komt. In dit geval gaat het om een poging tot doodslag, waarbij verdachte midden in de nacht naar de woning van het slachtoffer is gegaan en hem in zijn buik heeft gestoken met een mes. De verdachte heeft daarmee het hoogste rechtsgoed geschonden dat door de wet beschermd wordt, namelijk het menselijk leven. Het was een forse steekwond. Dat het slachtoffer niet is overleden en het letsel relatief beperkt is gebleven, zijn geenszins omstandigheden die aan het handelen van de verdachte zijn toe te rekenen. Het steekincident heeft veel indruk gemaakt op het slachtoffer die zich achteraf onder behandeling heeft gesteld van een medisch psycholoog. Nu het slachtoffer vóór zijn eigen woning is neergestoken, heeft hij veel moeite om zijn huis uit te gaan en ervaart hij daarbij veel angst.

De verdachte stelt zich op het standpunt dat hij een black-out heeft gehad en dat hij zich niets meer kan herinneren van het incident. De rechtbank acht dit ongeloofwaardig. Weliswaar zal de verdachte aangeschoten zijn geweest, maar de verdachte heeft ook aangegeven dat hij vaker sterk bier drinkt en daar normaliter geen black-out krijgt. Door de café-eigenaar en getuige [getuige 1] is verklaard dat verdachte drie Karmeliet-tripels heeft gedronken, hetgeen voor een geoefend drinker als verdachte toch echt geen probleem kan zijn. Dat getuigen [getuige 1] en [getuige 2] constateren dat verdachte tweemaal tegen een gevel aanleunt/valt, leidt niet tot de conclusie dat de rechtbank daarom aanneemt dat verdachte ver heen was. Gelet op de wijze waarop verdachte, na afscheid genomen te hebben van [getuige 1] en [getuige 2] , kordaat loopt en zelfs rent door [adres] en de adequate wijze waarop hij zich bij aankomst in de flat gedraagt, is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake was van ernstige dronkenschap die een black-out tot gevolg zou hebben gehad. Gelet hierop acht de rechtbank zijn verklaring over een black-out ongeloofwaardig. Door te verklaren dat hij een black-out heeft gehad, neemt de verdachte geen verantwoording voor zijn daad, hetgeen de rechtbank hem zeer kwalijk neemt. Het getuigt van een volkomen gebrek aan respect voor de waarde van het menselijk leven.

De rechtbank houdt er in het voordeel van de verdachte rekening mee dat hij geen lang strafblad heeft en dat hij nog niet eerder is veroordeeld voor een ernstig strafbaar feit. De rechtbank heeft uit het reclasseringsrapport wel opgemaakt dat verdachte volgens de reclassering problemen zou hebben met alcohol en reeds jaren perioden van somberheid of angstklachten zou ervaren. De verdachte geeft ter terechtzitting echter zelf aan – in tegenstelling tot zijn raadsman – dat hij geen problemen heeft met alcohol en dat hij niet depressief is. Gelet daarop, zal de rechtbank geen reclasseringstoezicht of bijzondere voorwaarden opleggen.

Gelet op bovenstaande overwegingen, is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank kan zich gelet op al het voorgaande ook voorstellen hoe en waarom de officier van justitie tot de eis van vijf jaren gevangenisstraf is gekomen. De officier van justitie is bij zijn eis echter uitgegaan van een ernstiger feit dan de rechtbank bewezen heeft verklaard; de rechtbank komt immers tot de bewezenverklaring van een poging doodslag in plaats van een poging moord. Het is om die redenen dat de rechtbank tot een lagere straf dan de officier van justitie komt.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren passend en geboden, met aftrek van het voorarrest.

7 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 16.439,00 terzake van het tenlastegelegde feit. Dit bedrag bestaat uit € 11.439,00 materiële schade en € 5.000,00 immateriële schade.

Het bedrag voor de materiële schade bestaat uit de volgende posten:

  • -

    een voorschot voor de kosten van een cosmetische operatie: € 6.000,00

  • -

    wondverzorgingsmateriaal (steriele en chirurgische pleisters): € 493,00

  • -

    een voorschot voor gederfde inkomsten: € 5.000,00

Daarnaast vordert hij de wettelijke rente en verzoekt zij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft heeft zich op het standpunt gesteld dat een deel van de vordering van [slachtoffer] voor toewijzing gereed ligt tot een bedrag van € 7.993,00. Hij stelt vast dat [slachtoffer] de kosten van de cosmetische operatie voor 30% vergoed zal krijgen van de verzekering wanneer de verdachte veroordeeld wordt. Nu de officier van justitie uitgaat van een veroordeling is hij van mening dat slechts 30% van de € 6.000,00 – dus €1.800,00 – in aanmerking komt voor toewijzing. Gelet op het feit dat het een voorschot betreft zal dit bedrag beperkt moeten worden. De officier acht daarom € 1.500,00 voor toewijzing gereed. Voorts is de officier van justitie van mening dat het gehele bedrag voor het wondverzorgingsmateriaal voor toewijzing gereed ligt. Ten aanzien van de gederfde inkomsten stelt hij echter dat er geen prognoseberekening door een accountant is opgesteld, waardoor hij de berekening van € 5.000,00 gederfde inkomsten slechts voor toewijzing gereed acht tot een bedrag van € 3.000,00.

Ten aanzien van de immateriële schade acht de officier van justitie € 3.000,00 een passend bedrag.

De officier van justitie verzoekt de rechtbank om de verdachte tevens te veroordelen tot het betalen van de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.3

Het standpunt van de verdediging

Gelet op de bepleite vrijspraak verzoekt de verdediging de vordering af te wijzen. De verdediging stelt zich subsidiair op het standpunt dat de materiële kosten onvoldoende onderbouwd zijn. Hij stelt dat de acceptgiro die als bewijs voor betaling van het wondverzorgingsmateriaal is ingediend, niet laat zien waarvoor betaald zou moeten worden. De raadsman verzoekt niet-ontvankelijkheid van alle materiële gevorderde posten. Wanneer de rechtbank poging zwaar lichamelijk letsel bewezenverklaard acht de raadsman – conform het Schadefonds Geweldsmisdrijven – een bedrag van € 1.000,00 tot € 1.500,00 als immateriële schadevergoeding op zijn plaats.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij [slachtoffer] door het bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht. Nu aan de verdachte ter zake van dat feit een straf wordt opgelegd, kan [slachtoffer] ook worden ontvangen in zijn vordering.

De rechtbank is, gelet op de betwisting, van oordeel dat [slachtoffer] alle materiële posten onvoldoende heeft onderbouwd. Zo is het onduidelijk waarom de voorlopige opgave van de operatiekosten is gesteld op een bedrag van € 6.000,00. [slachtoffer] heeft daaromtrent immers geen kostenraming overlegd ter terechtzitting. Daarnaast is het eveneens onduidelijk hoe het bedrag voor het wondverzorgingsmateriaal is opgesteld. De acceptgiro die overgelegd is ter terechtzitting geeft daarover geen opheldering, noch toont die aan dat een dergelijke bedrag ook daadwerkelijk betaald is. Ook het voorschot voor het gederfde inkomen is door [slachtoffer] niet onderbouwd met een prognoseberekening van een accountant.

De rechtbank zal [slachtoffer] daarom in alle kostenposten die als materiële schade zijn gevorderd niet-ontvankelijk verklaren, maar zal tevens bepalen dat [slachtoffer] de vordering die ziet op deze posten bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Ten slotte heeft de raadsman de gevorderde immateriële schade tot een bedrag tot € 1.500,00 niet betwist. Gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit, acht de rechtbank aangetoond dat er sprake is van een aantasting van de persoon, zoals bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek. Gelet daarop acht de rechtbank wel het toekennen van smartengeld op zijn plaats. De rechtbank zal de immateriële schade toewijzen tot een bedrag van € 1.500,00. Zij zal [slachtoffer] in het meerdere van zijn vordering betreffende de post smartengeld niet-ontvankelijk verklaren. Ook ten aanzien van deze post bepaalt de rechtbank dat [slachtoffer] dit specifieke deel van zijn vordering desgewenst aan de burgerlijke rechter kan voorleggen.

Aldus wijst de rechtbank een bedrag van € 1500,00 toe, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 mei 2016.

Om te bevorderen dat de verdachte dit bedrag betaalt, zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van vier jaren;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] , [adres] , [woonplaats] , van € 1.500,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 2 mei 2016 tot aan de dag van volledige voldoening;

  • -

    verklaart de benadeelde partij ten aanzien van de overige kostenposten en het meerdere van het gevorderde smartengeld niet-ontvankelijk en bepaalt dat dat gedeelte van de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

  • -

    veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , € 1.500,00 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 25 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 2 mei 2016 tot aan de dag van volledige voldoening;

  • -

    bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.P. Bosma, voorzitter, mr. dr. M.C.A.E. van Binnebeke en mr. M.B. Bax, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.K. Klompe, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 30 augustus 2016.

Buiten staat

Mr. dr. M.C.A.E. van Binnebeke en mr. M.B. Bax zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

Primair

hij op of omstreeks 2 mei 2016 in de gemeente Roermond ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade

van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

- hij naar die Jordans is toegegaan en hierbij een mes, danwel een steekwapen, bij zich droeg en

- na een woordenwisseling dat mes heeft gepakt en geroepen "Ik steek je kapot", althans woorden van gelijke aard of strekking en

- ( vervolgens) meermalen, althans eenmaal, voornoemde [slachtoffer] heeft gestoken in de buikstreek, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 2 mei 2016 in de gemeente Roermond aan [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade, met dat opzet na kalm beraad en rustig overleg, zwaar lichamelijk letsel, te weten een steekwond in de buikstreek heeft toegebracht, doordat hij meermalen, althans eenmaal, met een mes, danwel een steekwapen, in de buikstreek van die [slachtoffer] heeft gestoken;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 2 mei 2016 in de gemeente Roermond ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen voornoemde [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal met een mes, althans een

steekwapen, in de buikstreek heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meest subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 2 mei 2016 in de gemeente Roermond [slachtoffer] heeft mishandeld door deze meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans met een steekwapen, in de buikstreek te steken.

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Limburg, Districtsrecherche Noord en Midden Limburg, proces-verbaalnummer 2016077749, gesloten d.d. 30 juni 2016, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 139.

2 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 2 mei 2016, p. 55.

3 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] , d.d. 2 mei 2016, p. 52 en 53.

4 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 2 mei 2016, p. 55.

5 Een schriftelijk bescheid bestaande uit medische informatie opgemaakt door forensisch geneeskundige L.T.J. Levens, d.d. 11 augustus 2016. Dit bescheid maakt geen deel uit van de doornummering.

6 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] , d.d. 2 mei 2016, p. 52 en 53.

7 Proces-verbaal fotoblad, d.d. 26 mei 2016, p.125 t/m 127.

8 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , d.d. 4 mei 2016, p. 92 en 93.

9 Proces-verbaal fotoblad, d.d.10 mei 2016, p. 106 tot en met 110.

10 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 20 mei 2016, p. 40.

11 Proces-verbaal fotoblad, d.d. 26 mei 2016, p.125 t/m 128.

12 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 2 mei 2016, p. 60.

13 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 2 mei 2016, p. 63.

14 De verklaring van de verdachte ter terechtzitting, d.d. 16 augustus 2016.

15 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , d.d. 4 mei 2016, p. 91.