Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:7449

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
29-08-2016
Datum publicatie
10-10-2016
Zaaknummer
5315473 CV EXPL 16-7788
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Bevoegdheid kantonrechter in kort geding. Artikel 93 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De vordering van eiseres strekt tot het verwijderen én het verwijderd houden van het hekwerk dat gedaagde heeft doen plaatsen. Dit is een vordering van onbepaalde waarde. Eiseres heeft zelf, zowel bij dagvaarding als ter gelegenheid van de mondelinge behandeling, geen argumenten aangedragen op basis waarvan de kantonrechter zou kunnen concluderen dat haar vorderingen gezamenlijk geen hogere waarde dan € 25.000,00 vertegenwoordigen. De kantonrechter heeft ook overigens geen aanknopingspunten om die conclusie te rechtvaardigen. De kantonrechter verklaart zich onbevoegd en verwijst de zaak naar de voorzieningenrechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer: 5315473 CV EXPL 16-7788

Vonnis van de kantonrechter in kort geding van 29 augustus 2016

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

gemachtigde mr. R.M.E. Geraats,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

gemachtigde mr. V.E.J. Noelmans.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding,

  • -

    de brieven, met bijlagen, van [gedaagde] van 15 en 16 augustus 2016,

  • -

    de mondelinge behandeling,

  • -

    de pleitnota van [eiseres] ,

  • -

    de pleitnota van [gedaagde] .

1.2.

[eiseres] heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling een drietal foto’s aan de kantonrechter overhandigd. Na afloop van de mondelinge behandeling zijn kopieën van deze foto’s gemaakt. Deze zijn door de kantonrechter aan het dossier toegevoegd. Een afschrift van die kopieën is, onder gelijktijdige retourzending van de originele foto’s naar [eiseres] , naar partijen gezonden.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] en [gedaagde] zijn buren van elkaar. [eiseres] is woonachtig te [woonplaats] aan de [adres 1] en [gedaagde] is woonachtig te [woonplaats] aan de [adres 2] .

2.2.

De woningen waarvan [eiseres] respectievelijk [gedaagde] eigenaar zijn, zijn tegen elkaar gebouwd. Beide woningen beschikken over een dakterras. De dakterrassen grenzen eveneens aan elkaar.

2.3.

[gedaagde] heeft op zijn dakterras een jacuzzi doen plaatsen. Nadien heeft [gedaagde] , nadat de gemeente Kerkrade hem daartoe een vergunning heeft verleend, ten behoeve van de jacuzzi een overkapping gerealiseerd. Medio mei van dit jaar heeft [gedaagde] een hekwerk doen plaatsen. Dit hekwerk fungeert feitelijk als erfafscheiding tussen de percelen van [gedaagde] en [eiseres] .

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert dat de kantonrechter, rechtdoende als voorzieningenrechter in kort geding, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt tot onmiddellijke verwijdering en het verwijderd houden van het geplaatste hekwerk, zulks met bepaling dat [gedaagde] een dwangsom verbeurt van € 250,00, althans een door de kantonrechter te bepalen bedrag, voor elke dag althans elk dagdeel dat [gedaagde] vanaf de vijfde dag, althans een door de kantonrechter te bepalen termijn, na dagtekening van dit vonnis in gebreke blijft met de nakoming van dit vonnis. Hiernaast vordert zij dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten, met dien verstande dat over deze som de wettelijke rente verschuldigd zal zijn vanaf de veertiende dag na dagtekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening. Ten slotte vordert [eiseres] dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt in de kosten van deze procedure, met dien verstande dat over deze som de wettelijke rente verschuldigd zal zijn vanaf de veertiende dag na dagtekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover de kantonrechter daaraan toekomt, ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Bevoegdheid kantonrechter

4.1.1.

Alvorens toe te kunnen komen aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil, dient de kantonrechter, zoals zij partijen ter gelegenheid van de mondelinge behandeling reeds heeft voorgehouden, ambtshalve de vraag te beantwoorden of zij bevoegd is kennis te nemen van de vordering die [eiseres] in kort geding heeft ingesteld. Hierbij heeft de kantonrechter partijen erop gewezen dat in het geval zij als kantonrechter onbevoegd zou zijn en zij de zaak naar de voorzieningenrechter zou dienen te verwijzen, griffierecht zal worden geheven overeenkomstig het gebruikelijke door de voorzieningenrechter in kort geding gehanteerde tarief. Tevens heeft de kantonrechter partijen voorgehouden dat zij de zaak, ondanks dat zij nog een beslissing dient te nemen over de bevoegdheidskwestie, toch inhoudelijk kan behandelen, omdat zij tevens voorzieningenrechter is en in die hoedanigheid in ieder geval bevoegd is van de vordering van [eiseres] kennis te nemen. Partijen hebben hiermee ingestemd.

4.1.2.

In verband met de vraag of de kantonrechter al dan niet bevoegd is om als voorzieningenrechter in kort geding kennis te nemen van de vordering, is van belang dat uit lid 5 van artikel 254 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering volgt dat de kantonrechter bevoegd is tot het treffen van een voorziening in kort geding in zaken die ten gronde door haar worden behandeld.

4.1.3.

Uit artikel 93 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering volgt dat geldvorderingen tot € 25.000,00 en zaken die naar hun aard veelal de belangen raken van natuurlijke personen, niet handelend als professionele partij, door de kantonrechter dienen te worden behandeld. Vorderingen van onbepaalde waarde worden slechts door de kantonrechter behandeld indien overduidelijke aanknopingspunten bestaan op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de vorderingen gezamenlijk geen hogere waarde dan € 25.000,00 vertegenwoordigen.

4.1.4.

De vordering van [eiseres] strekt tot het verwijderen én het verwijderd houden van het hekwerk dat [gedaagde] heeft doen plaatsen. Dit is een vordering van onbepaalde waarde. [eiseres] heeft zelf, zowel bij dagvaarding als ter gelegenheid van de mondelinge behandeling, geen argumenten aangedragen op basis waarvan de kantonrechter zou kunnen concluderen dat haar vorderingen gezamenlijk geen hogere waarde dan € 25.000,00 vertegenwoordigen. De kantonrechter heeft ook overigens geen aanknopingspunten om die conclusie te rechtvaardigen. Bij deze stand van zaken kan de kantonrechter dan ook niets anders dan zich onbevoegd verklaren om van de vordering in kort geding kennis te nemen. Aldus komt zij niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil.

4.1.5.

De kantonrechter zal de zaak, met analoge toepassing van artikel 71 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en met instemming van partijen, verwijzen naar de voorzieningenrechter in de rechtbank Limburg, locatie Maastricht, afdeling privaatrecht, team Burgerlijk recht. De beslissing omtrent de proceskosten zal worden aangehouden.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

verklaart zich onbevoegd om van de vordering in kort geding kennis te nemen,

5.2.

verwijst de zaak naar de voorzieningenrechter in de rechtbank Limburg, locatie Maastricht, afdeling Privaatrecht, team Burgerlijk recht,

5.3.

houdt de beslissing omtrent de proceskosten aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.M. Etman en in het openbaar uitgesproken op 29 augustus 2016.1

1 type: NL