Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:7408

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
25-08-2016
Datum publicatie
26-08-2016
Zaaknummer
AWB-16_2413u
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft verzoeker een last onder bestuursdwang opgelegd om de geconstateerde overtreding van de Wet op de lijkbezorging, te weten het begraven van zijn overleden echtgenote op grond, die niet is aangewezen als algemene of bijzondere begraafplaats, ongedaan te (doen) maken. Aan de voorzieningenrechter ligt ter beoordeling voor of handhavend optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat verweerder op grond daarvan van optreden had behoren af te zien. De voorzieningenrechter beantwoordt die vraag bevestigend. De mogelijkheid bestaat immers dat de gemeenteraad de begraafplaats van de echtgenote aanwijst als bijzondere begraafplaats. Aanwijzing zou tot gevolg hebben dat de echtgenote van verzoeker, na uitvoering van de last, nogmaals opgegraven en herbegraven zou moeten worden. Nu het belang dat aan grafrust wordt gehecht blijkens de totstandkomingsgeschiedenis van de Wet op de lijkbezorging groot is en dit zelfs als uitgangspunt dient te worden genomen, acht de voorzieningenrechter dit zeer onwenselijk. Zo lang geen duidelijkheid bestaat over de aanwijzing van de begraafplaats als bijzondere begraafplaats door de gemeenteraad prevaleert het belang van verzoeker om die reden boven de beginselplicht tot handhaving van verweerder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Burgerlijke stand en landeninformatie 2016/4974

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16 / 2413

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 augustus 2016 in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. Th. Boumans),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Brunssum, verweerder

(gemachtigden: mr. H.W. van Haaren en H. Bus).

Procesverloop

Bij besluit van 8 augustus 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder verzoeker een last onder bestuursdwang opgelegd om de geconstateerde overtreding van de Wet op de lijkbezorging, te weten het begraven van zijn overleden echtgenote op grond, die niet is aangewezen als algemene of bijzondere begraafplaats, ongedaan te (doen) maken.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 augustus 2016. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

  • -

    schorst het besluit van 8 augustus 2016 tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar van verzoeker;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan verzoeker het betaalde griffierecht van € 168,- vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 992,- te betalen aan verzoeker.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter geeft hierbij de volgende motivering.

2. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

3. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker onbestreden heeft gelaten dat hij de Wet op de lijkbezorging heeft overtreden door zijn op 20 juli 2016 overleden echtgenote te begraven op grond, die niet door de gemeenteraad is aangewezen als bijzondere begraafplaats. De bevoegdheid van verweerder om bij of krachtens de Wet op de lijkbezorging een last onder bestuursdwang op te leggen, staat, zoals de gemachtigde van verzoeker op zitting te kennen heeft gegeven, evenmin (nog) ter discussie. In geschil is of sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan van verweerder kan worden gevergd dat handhavend optreden achterwege wordt gelaten. Hiertoe oordeelt de voorzieningenrechter dat van een concreet zicht op legalisatie niet is gebleken. Verzoeker heeft weliswaar aan de gemeenteraad verzocht om de begraafplaats van zijn echtgenote in zijn tuin aan te wijzen als bijzondere begraafplaats, een besluit op die aanvraag is nog niet genomen en ook is niet bekend of de gemeenteraad bereid is om medewerking te verlenen aan het aanwijzingsverzoek. Resteert de vraag of handhavend optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat verweerder op grond daarvan van optreden had behoren af te zien. De voorzieningenrechter beantwoordt die vraag bevestigend. De mogelijkheid bestaat immers dat de gemeenteraad de begraafplaats van de echtgenote aanwijst als bijzondere begraafplaats. Aanwijzing zou tot gevolg hebben dat de echtgenote van verzoeker, na uitvoering van de last, nogmaals opgegraven en herbegraven zou moeten worden. Nu het belang dat aan grafrust wordt gehecht blijkens de totstandkomingsgeschiedenis van de Wet op de lijkbezorging groot is en dit zelfs als uitgangspunt dient te worden genomen, acht de voorzieningenrechter dit zeer onwenselijk. Zo lang geen duidelijkheid bestaat over de aanwijzing van de begraafplaats als bijzondere begraafplaats door de gemeenteraad prevaleert het belang van verzoeker om die reden boven de beginselplicht tot handhaving van verweerder.

4. De voorzieningenrechter acht in het vorenstaande termen gelegen om de voorlopige voorziening toe te wijzen, in die zin dat zij het besluit van 8 augustus 2016 schorst tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar van verzoeker. De voorzieningenrechter gaat er daarbij van uit dat niet eerder op het bezwaar zal worden beslist dan dat de gemeenteraad duidelijkheid heeft verschaft over de aanwijzing van de begraafplaats. De voorzieningenrechter bepaalt verder dat verweerder het aan verzoeker betaalde griffierecht voor het verzoek om een voorlopige voorziening vergoedt. Voorts dient verweerder de door verzoeker gemaakte proceskosten te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.H. Span-Henkens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 augustus 2016.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 25 augustus 2016

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.