Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:7289

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
22-08-2016
Datum publicatie
22-08-2016
Zaaknummer
03/700627-15 en 03/866398-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummers: 03/700627-15 en 03/866398-13 (ter terechtzitting gevoegd)

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 22 augustus 2016

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens verdachte] ,

gedetineerd in PI Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard.

De verdachte wordt bijgestaan door mr. S.T. van Berge Henegouwen, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 8 augustus 2016. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

3 De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman heeft verzocht het openbaar ministerie voor de feiten vermeld op de dagvaarding in de zaak met parketnummer 03/866398-13 niet-ontvankelijk te verklaren in de strafvervolging in verband met schending van het specialiteitsbeginsel. Tevens heeft de raadsman verzocht het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren met betrekking tot de feiten onder 1, 2 meer subsidiair, 3 meer subsidiair en 4 als vermeld op de dagvaarding in de zaak met parketnummer 03/700627-15, nu deze feiten niet vermeld staan in het in deze zaak uitgevaardigde Europees aanhoudings/arrestatiebevel (EAB) van 9 november 2015 op grond waarvan verdachte is overgeleverd aan Nederland.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het verzoek van de raadsman aangaande de feiten in de zaak met parketnummer 03/866398-13 dient te worden afgewezen, nu verdachte vóór zijn overlevering er al van op de hoogte was dat hij voor deze zaak nog zou worden vervolgd, terwijl de toenmalige raadsvrouw van verdachte bij gelegenheid van de terechtzitting op 27 mei 2016 heeft verklaard dat verdachte wil dat de beide zaken worden afgedaan.

De officier van justitie is verder van mening dat ook het verzoek van de raadsman betreffende de feiten in de zaak met parketnummer 03/700627-15 moet worden afgewezen nu deze feiten vallen onder de reikwijdte van de feitenomschrijving in het in deze zaak uitgevaardigde EAB van 9 november 2015.

De rechtbank overweegt allereerst dat het specialiteitsbeginsel zoals neergelegd in artikel 27, lid 2, van het Kaderbesluit van de Raad van Europa van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, in beginsel in de weg staat aan de vervolging, berechting of vrijheidsberoving van overgeleverde personen voor andere feiten (begaan vóór de overlevering) dan waarvoor de overlevering is toegestaan.

Verdachte is gelet op de beschikking van de Rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren, van 17 november 2015 overgeleverd voor de feiten vermeld in meergenoemd EAB van 9 november 2015.

De rechtbank stelt vast dat het feitencomplex van de zaak met parketnummer 03/866398-13 niet is opgenomen in het EAB van 9 november 2015. Op 30 april 2016 heeft de officier van justitie haar dagvaarding in deze zaak uitgebracht. De vervolging ter zake van deze feiten heeft een aanvang genomen op de terechtzitting van 27 mei 2016. De rechtbank is van oordeel dat de vervolging en berechting ter zake van deze feiten in strijd is met de inhoud van de beschikking van de Rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren, van 17 november 2015. In deze beschikking is nadrukkelijk opgenomen dat verdachte niet mag worden vervolgd wegens enig ander vóór de overlevering begaan strafbaar feit dan dat welk de reden voor de overlevering is geweest, dit overeenkomstig het Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de Europese Unie d.d. 13 juni 2002 (hierna: het Kaderbesluit).

De rechtbank is verder van oordeel dat zich in deze ook niet de uitzonderingssituatie voordoet als genoemd in artikel 27, lid 3, onder f, van het Kaderbesluit, te weten de omstandigheid dat verdachte na zijn overlevering uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van de bescherming van het specialiteitsbeginsel. Weliswaar heeft de toenmalige raadsvrouw van verdachte bij gelegenheid van de terechtzitting van 27 mei 2016 medegedeeld dat verdachte wil dat de beide zaken worden afgedaan, maar de rechtbank zal deze enkele mededeling niet opvatten als het uitdrukkelijk doen van afstand door verdachte van de bescherming van het specialiteitsbeginsel, nu verdachte op die terechtzitting niet aanwezig was, terwijl uit het proces-verbaal van de terechtzitting blijkt dat de raadsvrouw toen nog niet in het bezit was van een kopie van de dagvaarding in deze zaak. Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging ten aanzien van de feiten als vermeld op de dagvaarding in de zaak met parketnummer 03/866398-15.

De rechtbank stelt verder vast dat ook het feit vermeld onder 4 op de dagvaarding in de zaak met parketnummer 03/700627-15 (wederspannigheid) niet wordt vermeld in meergenoemd EAB van 9 november 2015. In het in het bevel vermelde feitencomplex wordt enkel genoemd dat verdachte is aangehouden, doch niet wordt vermeld dat hij zich bij deze aanhouding zou hebben schuldig gemaakt aan wederspannigheid. De vervolging en berechting ter zake van dit feit is dus in strijd met de inhoud van de beschikking van de Rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren, van 17 november 2015.

Op grond van deze constatering is de rechtbank van oordeel dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging ten aanzien van feit 4 als vermeld op de dagvaarding in de zaak met parketnummer 03/700627-15.

In de zaak met parketnummer 03/700627-15 is door de raadsman verder aangevoerd dat het openbaar ministerie ten aanzien van feit 1 eveneens niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. De rechtbank wijst dit verzoek af, nu zij van oordeel is dat dit feit deel uitmaakt van het feitencomplex als vermeld in het EAB van 9 november 2015. De rechtbank overweegt daartoe dat het onder 1 vermelde feit zeer nauw samenhangt met het onder 2 vermelde feit en deze beide feiten bijna gelijktijdig hebben plaatsgevonden.

De vraag die resteert is of de onder 2 en 3 meer subsidiair ten laste gelegde bedreigingen zoals opgenomen in de dagvaarding met parketnummer 03/700627-15, wel of geen onderdeel uitmaken van de feiten waarvoor de overlevering is toegestaan. Cruciaal hierbij is hoe strikt het feitbegrip als genoemd in het Kaderbesluit moet worden uitgelegd. Is het materiële handelen van verdachte dat op meerdere manieren kan worden gekwalificeerd, als één feit te beschouwen, of zijn de verschillend mogelijke kwalificaties elk afzonderlijk als feit aan te merken?

De rechtbank is van oordeel dat uit moet worden gegaan van de ruime feit-opvatting: de bedreiging betreft - de alternatieve kwalificatie van - hetzelfde feitcomplex als de poging tot doodslag of de poging tot zware mishandeling. Deze uitleg sluit aan bij hetgeen de Hoge Raad (en met name de advocaat-generaal) in zijn uitspraak van 27 november 2007 heeft overwogen (ECLI:NL:HR:2007:BB3994: de vraag was of overlevering voor doodslag vervolging voor moord valideerde) en is in overeenstemming met de aan het Kaderbesluit verbonden wens om overlevering in beginsel mogelijk te maken (vertrouwensbeginsel) en alleen op hoofdpunten te toetsen (opgenomen in de artikelen 3 en 4 van het Kaderbesluit). Deze uitleg heeft tot gevolg dat het specialiteitsbeginsel op deze situatie niet van toepassing is. Het verzoek van de verdediging wordt dan ook afgewezen.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht op grond van de inhoud van het dossier en de verklaring van verdachte ter terechtzitting in de zaak met parketnummer 03/700627-15 de feiten onder 1 primair, 2 primair en 3 primair wettig en overtuigend bewezen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft in de zaak met parketnummer 03/700627-15 vrijspraak van de aan verdachte onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten bepleit. Ten aanzien van feit 4 heeft de raadsman primair vrijspraak bepleit en subsidiair zich op het standpunt gesteld dat verdachte op grond van putatief noodweer moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

4.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Op 9 november 2015 omstreeks 01.20 uur reden de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] in hun dienstvoertuig over de Zeswegenlaan te Heerlen. In de tegenoverstelde richting kwam hen een nieuw model Audi A3 met hoge snelheid tegemoet. De bestuurder van de Audi reed linksaf de [adres 2] in. De Audi verhoogde direct zijn snelheid. De verbalisanten reden achter de Audi aan. Zij zetten vrijwel meteen de rood verlichte stop transparant aan de voorzijde van hun voertuig aan. Dit omdat de Audi de geldende maximumsnelheid van 30 km/u overtrad. De Audi verhoogde zijn snelheid. De verbalisanten volgden de Audi. Zij kwamen via een aantal wegen op de A76 richting België terecht, waarbij met snelheden boven de 180 km/u werd gereden. Ter hoogte van de afslag Nuth zagen de verbalisanten het loopvlak van een autoband over de rijbaan rollen. De verbalisanten vermoedden dat de band afkomstig was van de Audi. De agenten hadden ondertussen hun positie doorgegeven aan de regionale meldkamer. Zij hoorden dat eenheden positie hadden ingenomen op de oprit Geleen en op de A76 zelf ter hoogte van Geleen. De Audi bleef voor de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] uitrijden. Zij zagen dat de rechtervoorband van de Audi helemaal kapot was. De Audi reed enkel nog op de velg. Ter hoogte van de oprit Geleen zagen [verbalisant 1] en [verbalisant 2] meerdere opvallende dienstvoertuigen de weg op komen. Een van de dienstvoertuigen ging voor de Audi rijden en had het verlichte stoptransparant aan de achterzijde aan. De Audi negeerde dit stopteken opnieuw. Een andere politieauto ging vervolgens naast de Audi rijden. [verbalisant 1] en [verbalisant 2] gingen achter de Audi rijden om de auto tot stoppen te kunnen brengen. Zij zagen dat de Audi het voorste voertuig inhaalde en dat er een dienstvoertuig naast de Audi ging rijden. Zij hoorden toen via de portofoon dat de bestuurder van de Audi collega’s geramd had. De verbalisanten kregen van de regionale meldkamer toestemming om de grens naar België over te steken en de achtervolging voort te zetten. De verbalisanten hebben vervolgens de Audi links ingehaald en zijn voor de Audi gaan rijden om deze wederom te kunnen afremmen. Zij probeerden voor de Audi te blijven door zijn slingerende bewegingen te volgen. De verbalisant [verbalisant 2] keek in de rechterbuitenspiegel en zag op een gegeven moment dat de Audi spinde en aan de rechterzijde tegen de vangrail botste. Vervolgens werd de verdachte aangehouden.2 De verdachte betrof [verdachte] , geboren op 27 november 1981 te Utrecht.3

Ook de verbalisanten [verbalisant 3] , [verbalisant 4] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] waren betrokken bij de achtervolging en de aanhouding van verdachte [verdachte] . Zij deden aangifte van poging tot doodslag cq zware mishandeling.

Opsporingsambtenaar [verbalisant 3] heeft in zijn aangifte het volgende verklaard:

Op maandag, 9 november 2015 uur was ik werkzaam als politieambtenaar. Ik zat samen met collega [verbalisant 4] in een opvallend dienstvoertuig. Ik was de bestuurder van het dienstvoertuig. Omstreeks 01.15 uur hoorden wij via de mobilofoon dat er in Heerlen een Audi werd achtervolgd en dat de achtervolging in de richting van Geleen ging. De Audi naderde de oprit Geleen. Wij kregen via de mobilofoon steeds de posities door waar men zich bevond. Wij besloten voor de Audi te gaan rijden om deze snelheid te laten verminderen. Door ons werd middels het stoptransparant een stopteken gegeven aan de bestuurder van de Audi. Tevens voerden wij optische en akoestische signalen. Ik trachtte de weg te belemmeren voor de bestuurder van de Audi door steeds voor hem te gaan rijden als hij van rijstrook wisselde.

Op een gegeven moment zag ik dat de bestuurder mij links wilde inhalen. Er was slechts een geringe ruimte om ons in te kunnen halen. De ruimte tussen ons dienstvoertuig en de vangrail links naast ons bedroeg ongeveer 1,5 m en dat was naar mijn mening onvoldoende om ons daar links in te kunnen halen. Mede vanwege de hoge snelheid waarmee wij reden was dit beslist gevaarlijk. Wij reden op dat moment met een snelheid tussen de 150 en 160 km/u. Ik durfde het op dat moment niet aan om het dienstvoertuig naar links te sturen teneinde de bestuurder van de Audi de weg af te snijden omdat dit beslist te gevaarlijk was en ernstige gevolgen zou kunnen hebben voor mijn collega en mij.

Ik hield het stuur krachtig vast en wachtte op de eventuele botsing die ongetwijfeld zou komen. Ik was op dat moment bang dat de bestuurder van de Audi ons van de weg zou duwen waarbij ik mogelijk zwaar letsel dan wel erger zou kunnen bekomen. Ik zag dat, terwijl ik links ingehaald werd door de Audi, ik rechts werd ingehaald door collega's met het roepnummer 3391. Ik zag vervolgens dat, nadat de bestuurder van de Audi ons had ingehaald, hij sterk naar rechts uitweek gezien onze rijrichting. Ik moest sterk remmen om een aanrijding te voorkomen. Had ik dat niet gedaan dan waren wij beslist tegen elkaar gebotst met alle gevolgen van dien. Vervolgens zag ik dat de Audi, toen die voor ons was, met zijn rechterzijde tegen de linkerzijde van de dienstauto van roepnummer 3391 botste en dat de auto doorreed richting België. Op een gegeven moment was de Audi door meerdere politieauto’s ingesloten en botste de Audi tegen de rechts naast hem rijdende politieauto. Ik zag dat ten gevolge van deze botsing de Audi een keer om zijn as tolde en tegen de rechtervangrail tot stilstand kwam. Ik heb toen ons dienstvoertuig zodanig geparkeerd dat de bestuurder van de Audi niet meer zou kunnen wegrijden. De bestuurder van de Audi heeft naar mijn mening met zijn auto opzettelijk geslingerd en gebotst om te kunnen ontkomen aan de politie. Er hadden zeer ernstige gevolgen kunnen ontstaan. Ik doe aangifte van poging tot doodslag cq poging tot zware mishandeling. De bestuurder wist dat hij in een auto reed waarvan een band afgelopen was en dat de auto zodoende niet meer volledig controleerbaar was waardoor ernstige gevolgen hadden kunnen ontstaan mede gelet op de hoge snelheden waarmee hij reed.4

Opsporingsambtenaar [verbalisant 4] heeft in haar aangifte het volgende verklaard:

Op 9 november 2015 omstreeks 01.15 uur was ik werkzaam als politieambtenaar. Ik had omstreeks dat tijdstip dienst en was in uniform gekleed. Ik zat samen met mijn collega [verbalisant 3] in een opvallend dienstvoertuig voorzien van optische en akoestische signalen. [verbalisant 3] bestuurde de auto. Wij hoorden via de mobilofoon dat de Audi de oprit Geleen naderde. Wij reden de weg op toen wij de koplichten zagen naderen. Mijn collega [verbalisant 3] is voor die auto gaan rijden. Ik heb niet op de snelheidsmeter van ons dienstvoertuig gekeken maar schat de snelheid waarmee wij op dat moment reden op ongeveer 150 km/u. Ik vond het op dat moment erg akelig en angstaanjagend. Ik had het idee dat die bestuurder ons opzettelijk wilde aanrijden. Mijn collega probeerde voor die bestuurder de weg te belemmeren door steeds voor hem te gaan rijden, ook als hij van rijstrook verwisselde. Op een gegeven moment zag ik dat die bestuurder ons links wilde inhalen. Volgens mij was er niet genoeg ruimte maar dat kon ik niet exact zien. Gelet op de hoge snelheid waarmee wij reden was dit beslist gevaarlijk. Ik schat de snelheid waarmee wij op dat moment reden rond 150 km/u. Ik was op dat moment bang dat die bestuurder ons van de weg zou duwen waarbij ik misschien zwaar letsel zou oplopen of de dood zou vinden. Ik zag dat, terwijl wij links ingehaald werden door die bestuurder, wij rechts werden ingehaald door collega's met het roepnummer 3391. Ik zag vervolgens dat, nadat die bestuurder van de Audi ons had ingehaald, deze sterk naar rechts uitweek gezien onze rijrichting. Mijn collega [verbalisant 3] moest sterk remmen om een aanrijding te voorkomen. Had hij dat niet gedaan dan waren wij beslist tegen elkaar gebotst met alle gevolgen van dien. Ik zag dat de Audi, toen die voor ons was, met zijn rechterzijde tegen de linkerzijde van de dienstauto 3391 botste en dat de Audi verder reed richting België. Op een gegeven moment was de Audi door meerdere politieauto’s ingesloten. De bestuurder van de Audi botste toen tegen de rechts naast hem rijdende politieauto. Ik zag dat ten gevolge van deze botsing de Audi een keer om zijn as tolde en tegen de rechtervangrail tot stilstand kwam. Mijn collega [verbalisant 3] heeft toen ons dienstvoertuig zodanig bij de Audi geparkeerd dat deze niet meer weg kon rijden. Door de rij-wijze, het slingeren en botsen van de bestuurder van de Audi, wat hij volgens mij opzettelijk heeft gedaan om te kunnen ontkomen, had ik mogelijk zwaar letsel of nog erger kunnen oplopen. Daarom doe ik aangifte van poging tot doodslag cq poging tot zware mishandeling. De bestuurder van de Audi wist dat hij in een auto reed waarvan een band afgelopen was en dat de auto zodoende niet meer volledig controleerbaar was waardoor er ernstige gevolgen hadden kunnen ontstaan mede gelet op de hoge snelheden waarmee hij reed.5

In aanvulling op eerder door hen opgemaakte processen-verbaal hebben de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] het volgende gerelateerd:

Wij raakten betrokken bij de achtervolging op het moment dat wij bij de oprit Geleen de autosnelweg A76 opreden. Wij reden de A76 links op richting knooppunt Kerensheide. Dit betreft grondgebied van de gemeente Sittard-Geleen. De verdachte reed met zijn voertuig achter ons voertuig en ik, [verbalisant 3] , besloot als bestuurder te vertragen, om de snelheid er uit te halen. Wij reden op dat moment met een snelheid van ongeveer 150 tot 160 km/u. Wij vervolgden de A76 links richting Maasmechelen. Wij reden ter hoogte van hm paal 3.5 op het grondgebied van de gemeente Stein, toen de auto van de verdachte ons links passeerde via de redresseerstrook. Vervolgens zijn wij achter het verdachte voertuig aangereden in de richting van Maasmechelen. De A76 links gaat in België over in de E314 en betreft grondgebied van Maasmechelen (B). Op het moment dat de auto van de verdachte tot stilstand kwam tegen de vangrail bevonden wij ons op Belgisch grondgebied.6

Ook de opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 1] en [opsporingsambtenaar 2] waren op 9 november 2015 betrokken bij de achtervolging en de aanhouding van de bestuurder van de Audi. In hun proces-verbaal schrijven zij het volgende:

Op 9 november 2015 reden zij in een opvallend politievoertuig met roepnummer 3991. Zij waren in politie-uniform gekleed. Omstreeks 01.25 uur hoorden zij dat er via de portofoon werd doorgegeven dat er een achtervolging was gestart in Heerlen op de [adres 3] . Zij hoorden dat de achtervolging was ingezet op een zwarte personenauto merk Audi, type A3. Zij, [opsporingsambtenaar 1] en [opsporingsambtenaar 2] , reden de autosnelweg A76, rijrichting Heerlen-Maasmechelen, op. Zij hadden op dat moment de optische en akoestische signalen ingeschakeld. Aan het einde van de invoegstrook zagen zij dat het verdachte voertuig links naast hun dienstvoertuig reed. Het verdachte voertuig reed op dat moment op rijstrook 2. Zij zagen dat patrouille 3301 ongeveer 100 meter voor hen reed. Zij gingen met hun dienstvoertuig op rijstrook 3 rijden. De snelheid bedroeg toen ongeveer 160 km/u. Het verdachte voertuig naderde het dienstvoertuig van patrouille 3301. [opsporingsambtenaar 1] gaf portofonisch door op welke rijstrook het verdachte voertuig zich bevond, dit omdat het voertuig continue wisselde van rijstrook en omdat er een ander voertuig reed dat echter niets met de achtervolging van doen had. [opsporingsambtenaar 1] zag dat patrouille 3301 het verdachte voertuig opving en de snelheid vertraagde. [opsporingsambtenaar 1] zag dat het verdachte voertuig het dienstvoertuig van patrouille 3301 links passeerde over de redresseerstrook. [opsporingsambtenaar 1] positioneerde het dienstvoertuig op rijstrook 2 en passeerde daardoor het verdachte voertuig en het dienstvoertuig van patrouille 3301. Het verdachte voertuig bevond zich daarna op rijstrook 1. Dit alles gebeurde op de autosnelweg A76 ter hoogte van de afslag Maastricht in de rijrichting Heerlen Maasmechelen. De snelheden varieerden op dat moment tussen de 150 en 180 kilometer per uur. De ruimte tussen het dienstvoertuig van [opsporingsambtenaar 1] en [opsporingsambtenaar 2] en het verdachte voertuig bedroeg ruim 1 meter. [opsporingsambtenaar 1] zag dat het verdachte voertuig plotseling richting hun dienstvoertuig reed. De achterzijde van het dienstvoertuig was op dat moment op gelijke hoogte met de voorzijde van het verdachte voertuig. [opsporingsambtenaar 1] en [opsporingsambtenaar 2] hoorden een schrapend geluid en voelden het dienstvoertuig zijdelings bewegen. [opsporingsambtenaar 1] stuurde in een reflex het dienstvoertuig naar rechts om verder contact te vermijden. De verbalisanten waren bang dat zij slachtoffer zouden worden van een ernstig verkeersongeval. Na de uitwijkende reflex gaf [opsporingsambtenaar 1] portofonisch door dat het verdachte voertuig hun dienstvoertuig geramd had en dat de bestuurder nu verdachte was van poging tot doodslag. [opsporingsambtenaar 1] en [opsporingsambtenaar 2] zetten de achtervolging voort. Ter hoogte van hectometerpaal 0.3 op de E314 in België positioneerde [opsporingsambtenaar 1] het dienstvoertuig links naast het verdachte voertuig. Voor hun dienstvoertuig reed een opvallend dienstvoertuig met geactiveerde optische en akoestische signalen. Dit voertuig reed op rijstrook 1. Tussen deze dienstvoertuigen reed het verdachte voertuig. [opsporingsambtenaar 1] zag op een gegeven moment dat rechts naast het verdachte voertuig nog een opvallend dienstvoertuig reed, welke eveneens optische en akoestische signalen voerde. De verbalisanten zagen dat het verdachte voertuig plotseling naar rechts stuurde waardoor er een aanrijding plaatsvond met het dienstvoertuig dat rechts van het verdachte voertuig reed. De politieauto waarin [opsporingsambtenaar 1] en [opsporingsambtenaar 2] reden had het kenteken [kenteken 1] . Ten gevolge van het beschreven incident was van dit voertuig de linker sidebar beschadigd en was de voorruit gebarsten. [opsporingsambtenaar 1] en [opsporingsambtenaar 2] hebben afzonderlijk van elkaar ook nog aangifte gedaan van poging tot doodslag c.q. poging tot zware mishandeling.7

In het dossier bevindt zich een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] . In hun proces-verbaal schrijven zij het volgende:

Op maandag 9 november 2015 reden zij in hun opvallend dienstvoertuig. [verbalisant 6] was de bestuurder en [verbalisant 5] was de bijrijder. Omstreeks 01:20 uur, hoorden zij dat de 2104 patrouille aan het operationeel Centrum in Maastricht portofonisch doorgaf dat zij een achtervolging gestart waren van een Audi met het Duitse kenteken [kenteken 2] . Toen zij vanaf de N281 de A76 opreden zagen zij op ongeveer 300 meter voor hen de 2104 patrouille rijden met vlak daarvoor de Audi. Zij hoorden dat de 2104 patrouille portofonisch doorgaf dat de Audi een band verloren had. Enkele honderden meters voor de afslag Nuth zagen [verbalisant 5] en [verbalisant 6] op rijstrook 1 een autoband liggen. Zij liepen op de 2104 patrouille en de Audi in. Ter hoogte van de invoegstrook Geleen zagen zij een patrouillewagen de A76 oprijden die ook aan de achtervolging deelnam. Zij hoorden dat een patrouille van Sittard doorgaf dat zij geramd waren door de Audi en dat er nu sprake was van een poging tot doodslag. Vervolgens begonnen zij ter hoogte van afslag Maastricht met drie politievoertuigen de Audi klem te rijden. Zij zagen dat de 2104 patrouille de Audi via de linkerkant inhaalde en daarna voor de Audi ging rijden. Zij zagen dat de 3991 patrouille links naast de Audi ging rijden. [verbalisant 6] benaderde de Audi via de rechter achterzijde. Op Belgisch grondgebied reed [verbalisant 6] met de linker voorzijde van het dienstvoertuig naast de Audi toen de Audi plotseling naar rechts kwam. [verbalisant 5] en [verbalisant 6] zagen dat de Audi de linker voorzijde van hun dienstvoertuig raakte. Vervolgens begon de Audi om zijn as te tollen. [verbalisant 5] en [verbalisant 6] hadden het gevoel dat het helemaal mis zou gaan. Zij waren bang dat zij het slachtoffer zouden worden van een zwaar verkeersongeval, met alle gevolgen van dien. Zij zagen dat de Audi in de rechtervangrail terecht kwam en toen weer de autosnelweg op kwam. Zij zagen dat de Audi weer richting de vangrail reed. [verbalisant 6] heeft toen het dienstvoertuig langs de linkerzijkant van de Audi geplaatst.8

De verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] hebben afzonderlijk aangifte gedaan van poging tot doodslag c.q. poging tot ware mishandeling.

[verbalisant 5] heeft in zijn aangifte het volgende verklaard:

Ik wens aangifte te doen van poging tot doodslag c.q. poging tot zware mishandeling gepleegd door de verdachte [verdachte] . Ik verwijs naar het eerder door mij en mijn collega [verbalisant 6] opgemaakte proces-verbaal van bevindingen. Op 9 november 2015 heeft de verdachte het leven van mij en van mijn collega in gevaar gebracht. Op deze datum heeft de verdachte met zijn auto ons dienstvoertuig geramd. Hij reed toen met een snelheid van ongeveer 100 km/u. Hij reed met zijn rechterachterzijde tegen de linker voorzijde van ons dienstvoertuig. De verdachte deed dit opzettelijk door van zijn rechte lijn af te wijken en naar rechts te sturen. Wij waren op dat moment namelijk bezig om hem in te sluiten met drie dienstvoertuigen. Een dienstvoertuig reed voor de verdachte en een ander dienstvoertuig reed links naast de verdachte. Mijn collega [verbalisant 6] en ik reden rechts naast de verdachte. Wij waren bezig de snelheid van de door de verdachte bestuurde auto naar beneden terug te brengen tot ongeveer 100 km/u toen de verdachte opzettelijk tegens ons op knalde. Ik schrok hier enorm van. Ik was bang dat ik het slachtoffer zou worden van een door de verdachte opzettelijk veroorzaakt ernstig verkeersongeval.9

[verbalisant 6] heeft in zijn aangifte het volgende verklaard:

Ik wens aangifte te doen van poging tot doodslag c.q. poging tot zware mishandeling gepleegd door verdachte [verdachte] . Op 9 november 2015 was ik als politieambtenaar werkzaam. Ik bestuurde een politieauto. Collega [verbalisant 5] was mijn bijrijder. Ik verwijs naar het eerder door mijn collega [verbalisant 5] en mij opgemaakte proces-verbaal van bevindingen. Verdachte [verdachte] ramde met de door hem bestuurde Audi ons dienstvoertuig. Hij reed met een snelheid van ongeveer 100 km/u toen hij met de rechterachterzijde van zijn Audi tegen de linker voorzijde van ons dienstvoertuig aanreed. Hij heeft het leven van mijn collega en mij in gevaar gebracht. Hij deed dit opzettelijk door van zijn rechte lijn af te wijken en naar rechts te sturen. Ik schrok hier enorm van. K was bang dat ik het slachtoffer zou worden van opzettelijk door de verdachte veroorzaakt ernstig verkeersongeval. Ten gevolge van deze botsing heb ik letsel opgelopen aan mijn linker duim en linker knie.10

Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden acht de rechtbank de aan verdachte in de zaak met parketnummer 03/700627-15 onder feit 1 primair en onder feit 2 primair tenlastegelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank acht de aan verdachte onder feit 3 subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling eveneens bewezen. De rechtbank acht het opzet bij alle drie de feiten in voorwaardelijke vorm aanwezig.

De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier de poging tot doodslag en de poging tot zware mishandeling - aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo’n kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).

Uit de gedragingen van verdachte blijkt dat verdachte er alles aan was gelegen om aan de politie te ontkomen. Verdachte reed met hoge snelheid. Tijdens de achtervolging verloor verdachte de rechter voorband van zijn auto. Desondanks reed verdachte met onverminderde snelheid door. Verdachte haalde ternauwernood en met gebruikmaking van de redresseerstrook de auto van de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] in. Verdachte stuurde vervolgens zijn auto naar rechts en kwam in aanraking met een ander politievoertuig. Gekomen in België, op het moment dat hij bijna door vier politievoertuigen was ingesloten, probeerde verdachte door naar rechts te sturen alsnog aan de insluiting door de politievoertuigen te ontsnappen, waarbij hij tegen het politievoertuig van [verbalisant 5] en [verbalisant 6] aanreed. Gedurende de gehele achtervolging wisselde verdachte vele malen van rijstrook teneinde aan een aanhouding te ontkomen. Deze gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer op het koste wat kost ontsnappen gericht dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op het ontstaan van een botsing of aanrijding en als gevolg hiervan het overlijden van de politieagenten [verbalisant 3] , [verbalisant 4] , [opsporingsambtenaar 2] en [opsporingsambtenaar 1] respectievelijk het oplopen van zwaar lichamelijk letsel door de politieagenten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] heeft aanvaard. Van aanwijzingen voor het tegendeel is de rechtbank niet gebleken.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

De rechtbank is gelet op hetgeen zij hierboven heeft vastgesteld van oordeel dat de verdachte met zijn gedragingen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de inzittenden van de politieauto’s de dood zouden vinden dat wel zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen.

De rechtbank zal bij feit 1 primair bewezen verklaren dat er naar algemene maatstaven van verkeersveiligheid onvoldoende ruimte was om de politieauto links in te halen in plaats van dat er feitelijk onvoldoende ruimte was. De rechtbank komt tot dit oordeel gelet op de omstandigheid dat verdachte feitelijk de betreffende politieauto is gepasseerd.

De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van de onder feit 3 primair aan verdachte tenlastegelegde poging tot doodslag op de agenten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] , nu de bij dit feit gereden snelheid aanzienlijk lager lag dan de snelheid bij de andere twee bewezenverklaarde feiten. Op grond daarvan kan de rechtbank niet komen tot een bewezenverklaring van feit 3 primair.

Door de raadsman is aangevoerd dat tijdens het laatste gedeelte van het incident op 9 november 2015 de achterzijde van de auto van verdachte is geraakt door de politieauto die werd bestuurd door de opsporingsambtenaar [verbalisant 3] . De raadsman baseert deze stelling op de opmerking van verbalisant [opsporingsambtenaar 2] bij diens verhoor door de rechter-commissaris, dat de auto van verdachte werd geraakt door de achteropkomende politieauto. In de visie van de raadsman betreft dit de auto die door [verbalisant 3] werd bestuurd. In dat kader heeft de raadsman een tweetal onderzoekwensen geformuleerd, mocht de rechtbank komen tot enige bewezenverklaring van dit feit. De raadsman heeft allereerst het verzoek gedaan tot het horen van een deskundige over de zogenaamde inboxprocedure. Op de tweede plaats heeft de raadsman verzocht om de overlegging van alle schriftelijke bescheiden betreffende het onderhoud - inclusief uitgevoerde reparaties – aan de dienstvoertuigen van de politie in de Westelijke Mijnstreek in de maanden november en december 2015.

De rechtbank wijst deze verzoeken af en overweegt daartoe het volgende. Uit de hiervoor gebuikte bewijsmiddelen en met name het relaas van de verbalisant [verbalisant 6] blijkt dat de politie de door verdachte bestuurde Audi via de rechter achterzijde benaderde. Op Belgisch grondgebied reed [verbalisant 6] met de linker voorzijde van het dienstvoertuig naast de Audi toen de Audi plotseling naar rechts kwam. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat [opsporingsambtenaar 2] met zijn opmerking bij de rechter-commissaris doelt op de auto van [verbalisant 6] . Dit strookt ook met het gegeven dat geen van de betrokken verbalisanten heeft benoemd dat de door de verbalisant [verbalisant 3] bestuurde politieauto kort achter de auto van verdachte reed. Zulks is ook niet aannemelijk, immers de auto’s van [verbalisant 3] en [verbalisant 6] zouden dan vlak naast elkaar moeten hebben gereden op het moment dat verdachte in aanraking kwam met de auto van [verbalisant 6] , hetgeen een totaal ander schadebeeld tot gevolg zou hebben gehad. De schade aan de auto van [verbalisant 6] past in de door de verbalisanten beschreven situatie. Er bestaat derhalve geen grondslag voor de stelling van de raadsman dat de achterzijde van de auto van verdachte zou zijn aangereden door de politieauto waarin verbalisant [verbalisant 3] zat.

4.3

De bewezenverklaring

De rechtbank acht in de zaak met parketnummer 03/700627-15 bewezen dat de verdachte

1

op 9 november 2015 in de gemeente Stein, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [verbalisant 3] en [verbalisant 4] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet met een door hem bestuurde personenauto met zeer hoge snelheid rijdende op de autosnelweg A76 een voor hem rijdend opvallend politievoertuig, met daarin [verbalisant 3] voornoemd als bestuurder en [verbalisant 4] voornoemd als bijrijder, links heeft ingehaald terwijl daarvoor naar algemene maatstaven van verkeersveiligheid onvoldoende ruimte was en vervolgens naar rechts heeft gestuurd op het moment dat dat politievoertuig zich nog op zeer korte afstand van het door hem bestuurde voertuig bevond, waardoor die [verbalisant 3] sterk heeft moeten remmen om een aanrijding te voorkomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2

op 9 november 2015 in de gemeente Stein, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [opsporingsambtenaar 2] en [opsporingsambtenaar 1] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet met een door hem bestuurde personenauto met zeer hoge snelheid rijdende op de autosnelweg A76 tegen een naast hem rijdend opvallend politievoertuig, met daarin [opsporingsambtenaar 1] voornoemd als bestuurder en [opsporingsambtenaar 2] voornoemd als bijrijder, is gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

op 9 november 2015 in de gemeente Maasmechelen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [verbalisant 5] en [verbalisant 6] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een door hem bestuurde personenauto op de autosnelweg E314 tegen een naast hem rijdend opvallend politievoertuig, met daarin [verbalisant 6] voornoemd als bestuurder en [verbalisant 5] voornoemd als bijrijder, is gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

03/700627-15 feit 1 primair:

poging tot doodslag, meermalen gepleegd;

03/700627-15 feit 2 primair:

poging tot doodslag, meermalen gepleegd

03/700627-15 feit 3 subsidiair:

poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

6 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

7 De straf

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht, gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, alsmede een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen van eveneens 5 jaren.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich niet uitgelaten omtrent een eventueel aan verdachte op te leggen straf.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Op 9 november 2015 heeft verdachte zich twee keer schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op twee politieagenten en aan een poging tot zware mishandeling van twee politieagenten.

Naar het oordeel van de rechtbank is de ernst van verdachtes handelen vooral gelegen in zijn niets en niemand ontziende rijgedrag. Met zijn rijgedrag heeft de verdachte er blijk van gegeven dat hij koste wat kost wilde ontkomen aan de politie. Verdachte heeft geen verklaring gegeven voor zijn handelen.

Hoewel het rijgedrag van de verdachte uiteindelijk niet heeft geleid tot het overlijden dan wel het oplopen van ernstig lichamelijk letsel door de politieagenten - een omstandigheid die zeker niet aan verdachte te danken is - heeft zijn gedrag wel degelijk gevolgen gehad voor de bij het achtervolgingsincident betrokken politieagenten. De rechtbank verwijst daartoe naar de bij de vorderingen benadeelde partij gevoegde reflectieverslagen.

Voor voornoemde feiten volstaat naar het oordeel van de rechtbank geen andere straf dan een gevangenisstraf van geruime duur. Bij de hoogte van de op te leggen straf heeft de rechtbank ook rekening gehouden met het zeer omvangrijke strafblad van verdachte (19 pagina’s), waarop zeer vele overtredingen van de Wegenverkeerswet 1994 staan vermeld. De rechtbank leidt daar uit af dat verdachte totaal geen rekening houdt met de verkeersveiligheid en de gevolgen die zijn handelen kan hebben voor anderen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezenverklaarde heeft de rechtbank mede gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten in het verleden zijn opgelegd. De rechtbank acht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van tweeënveertig maanden in deze zaak passend en geboden.

Naast een gevangenisstraf is naar het oordeel van de rechtbank ook het opleggen van een ontzegging van de rijbevoegdheid aan de orde met name omdat verdachte zijn auto als geweldsinstrument heeft ingezet jegens de verbalisanten en daarbij zeer gevaar zettend rijgedrag heeft getoond. De rechtbank acht een rijontzegging van in totaal vijf jaren op zijn plaats.

8 De benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen [verbalisant 3] , [verbalisant 4] , [opsporingsambtenaar 2] , [opsporingsambtenaar 1] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen ieder een schadevergoeding van € 870,00 ter zake van immateriële schade.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de vorderingen, die door de verdediging niet zijn weersproken, integraal voor toewijzing vatbaar, zodat de rechtbank het schadebedrag zal vaststellen op telkens € 870,00, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 9 november 2015 tot aan de dag van de volledige voldoening.

Nu de verdachte ter zake van de bewezen verklaarde strafbare feiten zal worden veroordeeld en hij naar burgerlijk recht jegens de slachtoffers aansprakelijk is voor de schade die door die strafbare feiten is toegebracht, heeft de rechtbank tevens tot het opleggen van nader te noemen maatregel besloten.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 45, 57, 287 en 302 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

- verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging ten aanzien van feit 4 in de zaak met parketnummer 03/700627-15 en de feiten 1, 2, 3 en 4 in de zaak met parketnummer 03/866398-13;

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van het onder 3 primair tenlastegelegde feit in de zaak met parketnummer 03/700627-15;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 4.3 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 5 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straffen

  • -

    veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van tweeënveertig maanden;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

  • -

    ontzegt de verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 2 jaren ten aanzien van feit 1 primair;

  • -

    ontzegt de verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 2 jaren ten aanzien van feit 2 primair;

  • -

    ontzegt de verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 1 jaar ten aanzien van feit 3 subsidiair;

Benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen

  • -

    veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [verbalisant 3], via GTPA Loket te Maastricht, te betalen € 870,00, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 9 november 2015 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [verbalisant 4], via GTPA Loket te Maastricht, te betalen € 870,00, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 9 november 2015 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [opsporingsambtenaar 2], via GTPA Loket te Maastricht, te betalen € 870,00, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 9 november 2015 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [opsporingsambtenaar 1], via GTPA Loket te Maastricht, te betalen € 870,00, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 9 november 2015 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [verbalisant 5], via GTPA Loket te Maastricht, te betalen € 870,00, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 9 november 2015 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [verbalisant 6], via GTPA Loket te Maastricht, te betalen € 870,00, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 9 november 2015 tot aan de dag van de volledige voldoening;

- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partijen in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

- legt aan de verdachte ten aanzien van iedere benadeelde partij de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van dat slachtoffer van € 870,00, bij niet betaling en verhaal telkens te vervangen door 17 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, telkens te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 9 november 2015 tot aan de dag van de volledige voldoening;

- bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.M. van Maanen Winters, voorzitter, mr. J.H. Klifman en mr. G.P.C. Dijkshoorn-Sleebe, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.P.J.M. Vugs, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 22 augustus 2016.

Buiten staat

Mr. F.M. van Maanen Winters is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlasteleggingen

Aan de verdachte is in de zaak met parketnummer 03/700627-15, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 09 november 2015 in de gemeente Stein, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [verbalisant 3] en/of [verbalisant 4] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet met een door hem bestuurde personenauto met zeer hoge snelheid rijdende op de autosnelweg A76 een voor hem rijdend opvallend politievoertuig, met daarin [verbalisant 3] voornoemd als bestuurder en [verbalisant 4] voornoemd als bijrijder, links heeft ingehaald terwijl daarvoor feitelijk onvoldoende ruimte was en

vervolgens naar rechts heeft gestuurd op het moment dat dat politievoertuig zich nog op zeer korte afstand van het door hem bestuurde voertuig bevond, waardoor die [verbalisant 3] sterk heeft moeten remmen om een aanrijding te voorkomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 09 november 2015 in de gemeente Stein, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [verbalisant 3] en/of [verbalisant 4] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een door hem bestuurde personenauto met zeer hoge snelheid rijdende op de autosnelweg A76 een voor hem rijdend opvallend politievoertuig, met daarin [verbalisant 3] voornoemd als bestuurder en [verbalisant 4] voornoemd als bijrijder, links heeft ingehaald terwijl daarvoor feitelijk onvoldoende ruimte was en vervolgens naar rechts heeft gestuurd op het moment dat dat politievoertuig zich nog op zeer korte afstand van het door hem bestuurde voertuig bevond, waardoor die [verbalisant 3] sterk heeft moeten remmen om een aanrijding te voorkomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 09 november 2015 in de gemeente Stein, in elk geval in Nederland, [verbalisant 3] en/of [verbalisant 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, bestaande die bedreiging hieruit dat hij met een door hem bestuurde personenauto met zeer hoge snelheid rijdende op de autosnelweg A76 een voor

hem rijdend opvallend politievoertuig, met daarin [verbalisant 3] voornoemd als bestuurder en [verbalisant 4] voornoemd als bijrijder, links heeft ingehaald terwijl daarvoor feitelijk onvoldoende ruimte was en vervolgens naar rechts heeft gestuurd op het moment dat dat politievoertuig zich nog op zeer korte afstand van het door hem bestuurde voertuig bevond, waardoor die [verbalisant 3] sterk heeft moeten remmen om een aanrijding te voorkomen;

2.

hij op of omstreeks 09 november 2015 in de gemeente Stein, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [opsporingsambtenaar 2] en/of [opsporingsambtenaar 1] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet met een door hem bestuurde personenauto met zeer hoge snelheid rijdende op de autosnelweg A76 tegen een naast hem rijdend opvallend politievoertuig, met daarin [opsporingsambtenaar 1] voornoemd als bestuurder en [opsporingsambtenaar 2]

voornoemd als bijrijder, is gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 09 november 2015 in de gemeente Stein, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [opsporingsambtenaar 2] en/of [opsporingsambtenaar 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een door hem bestuurde personenauto met zeer hoge snelheid rijdende op de autosnelweg A76 tegen een naast hem rijdend opvallend politievoertuig, met daarin [opsporingsambtenaar 1] voornoemd als bestuurder en [opsporingsambtenaar 2] voornoemd als bijrijder, is gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 09 november 2015 in de gemeente Stein, in elk geval in Nederland, [opsporingsambtenaar 2] en/of [opsporingsambtenaar 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, bestaande die bedreiging hieruit dat hij verdachte met een door hem bestuurde personenauto met zeer hoge snelheid rijdende op de autosnelweg A76 tegen een naast hem rijdend opvallend politievoertuig, met daarin [opsporingsambtenaar 1] voornoemd als

bestuurder en [opsporingsambtenaar 2] voornoemd als bijrijder, is gereden;

3.

hij op of omstreeks 09 november 2015 in de gemeente Maasmechelen, in elk geval in België, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [verbalisant 5] en/of [verbalisant 6] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet met een door hem bestuurde personenauto met zeer hoge snelheid rijdende op de autosnelweg E314 tegen een naast hem rijdend opvallend politievoertuig, met daarin [verbalisant 6] voornoemd als bestuurder en [verbalisant 5] voornoemd als bijrijder, is gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 09 november 2015 in de gemeente Maasmechelen, in elk geval in België, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [verbalisant 5] en/of [verbalisant 6] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een door hem bestuurde personenauto met zeer hoge snelheid rijdende op de autosnelweg E314 tegen een naast hem rijdend opvallend politievoertuig, met daarin [verbalisant 6] voornoemd als bestuurder en [verbalisant 5] voornoemd als bijrijder, is gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 09 november 2015 in de gemeente Maasmechelen, in elk geval in België, [verbalisant 5] en/of [verbalisant 6] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, bestaande die bedreiging hieruit dat verdachte met een door hem bestuurde personenauto met zeer hoge snelheid rijdende op de autosnelweg E314 tegen een naast hem rijdend opvallend politievoertuig, met daarin [verbalisant 6] voornoemd als bestuurder en [verbalisant 5] voornoemd als bijrijder, is gereden;

4.

hij op of omstreeks 09 november 2015 in de gemeente Maasmechelen, in elk geval in België, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een of meer ambtenaren, te weten [verbalisant 5] , hoofdagent van politie en/of [verbalisant 6] , agent van politie, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, te weten de aanhouding van hem, verdachte, door -terwijl die [verbalisant 5] en/of [verbalisant 6] hem, verdachte, vasthad(den)- te rukken en/of te trekken en/of te knijpen in de arm van die [verbalisant 6] en/of

door slaande bewegingen te maken in de richting van die [verbalisant 5] en/of [verbalisant 6] , terwijl dit misdrijf en/of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel, te weten een gekneusde pols bij die [verbalisant 5] ten gevolge heeft gehad;

Aan de verdachte is in de zaak met parketnummer 03/866398-13 ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 02 november 2013, in de gemeente Heerlen, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, van (een) voorwerp(en), te weten een geldbedrag van euro 15.425,00, en/of euro 2425,00 in elk geval enig(e) geldbedrag(en), de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, althans heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op (een) voorwerp(en), te weten een geldbedrag van euro 15.425,00 en/of euro 2425,00, in elk geval enig(e) geldbedrag(en), waren/was en/of wie bovenomschreven voorwerp(en), te

weten een geldbedrag van euro 15.425,00 en/of euro 2425,00, in elk geval enig(e) geldbedrag(en), voorhanden had, en/althans (een) voorwerp(en), te weten een geldbedrag van euro 15.425,00 en/of euro 2425,00, in elk geval enig(e) geldbedrag(en), heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, en/althans zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat voormeld(e) geldbedrag(en), althans voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren/was uit enig misdrijf;

2.

hij, op of omstreeks 2 november 2013 te Heerlen, in de gemeente Heerlen, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een of meerdere verkeersongeval(len) en/of door wiens gedraging een of meerdere verkeersongeval(len) waren/was veroorzaakt, die/dat had(den) plaatsgevonden op/aan de [adres 5] en/of de

[adres 6] en/of de [adres 4] , de (voornoemde) plaats(en) van vorenbedoeld(e) ongeval(len) heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest vermoeden, schade aan (een) ander(en) was toegebracht, te weten aan:

- een lantaarnpaal, toebehorende aan [bedrijf] ,

- een personenauto (merk Opel Tigra), toebehorende aan [B.K.] ,

- een personenauto (merk Renault Twingo), toebehorende aan [C.L.] ,

- een personenauto (merk Opel Frontera), toebehorende aan [C.B.] , en

- een personenauto (merk VW Golf), toebehorende aan [L.A.] ;

3.

hij op of omstreeks 2 november 2013 te Heerlen, in de gemeente Heerlen, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,92 milligram, in elk geval hoger dan 0,2 milligram alcohol per milliliter bloed bleek te zijn,

terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en verdachte dit motorrijtuig heeft bestuurd zonder rijbewijs;

4.

hij op of omstreeks 2 november 2013 te Heerlen, in de gemeente Heerlen, terwijl hij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest weten dat hem bij rechterlijke uitspraak of strafbeschikking de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen was ontzegd, gedurende de tijd dat hem die bevoegdheid was ontzegd, op de weg(en), de [adres 5] en/of de Meezenbroekweg en/of de [adres 4] , een motorrijtuig (personenauto) heeft bestuurd.

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/700627-15 en 03/866398-13 (ter terechtzitting gevoegd)

Proces-verbaal van de openbare terechtzitting van 22 augustus 2016 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens verdachte] ,

gedetineerd in PI Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard.

Raadsman is mr. S.T. van Berge Henegouwen, advocaat, kantoorhoudende te Maastricht.

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

, griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is in de zittingzaal aanwezig.

De rechter spreekt het vonnis uit en geeft de verdachte kennis dat hij daartegen binnen veertien dagen hoger beroep kan instellen.

Dit proces-verbaal is vastgesteld en ondertekend door de rechter en de griffier.

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van Politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer 2015207704, gesloten d.d. 17 februari 2016, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 100.

2 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 november 2015 op de pagina’s 13-16.

3 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 november 2015 op pagina 23.

4 Het proces-verbaal verhoor aangever [verbalisant 3] d.d. 17 november 2015 op de pagina’s 46-48.

5 Het proces-verbaal verhoor aangeefster [verbalisant 4] d.d. 17 november 2015 op de pagina’s 49-51.

6 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 november 2015 op pagina 35.

7 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 november 2015 op de pagina’s 24-25.

8 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 november 2015 op de pagina’s 19-20.

9 Het proces-verbaal verhoor aangever [verbalisant 5] d.d. 12 november 2015 op de pagina’s 41-42.

10 Het proces-verbaal verhoor aangever [verbalisant 6] d.d. 12 november 2015 op de pagina’s 43-44.