Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:7024

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
11-08-2016
Datum publicatie
15-08-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 372u + AWB - 15 _ 374u + AWB - 15 _ 375u
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2017:1301, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij het bestreden besluit is omgevingsvergunning verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo voor een pluimveehouderij (1.059.840 vleeskuikens en 74.448 ouderdieren) met slachterij, afvalwaterzuiveringsinstallatie en bio-energiecentrale te Grubbenvorst.

De rechtbank heeft geoordeeld dat een aantal eisers vanwege de afstand tot de inrichting niet als belanghebbende kunnen worden aangemerkt. Ook kan een aantal van de belanghebbenden het relativiteitsvereiste worden tegengeworpen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de geurvoorschriften op grond van het per 1 januari 2016 gewijzigde Activiteitenbesluit (grotendeels) van rechtswege zijn vervallen. De rechtbank heeft, in navolging van de StAB, geoordeeld dat verweerder de geluidemissies van de inrichting heeft onderschat en de desbetreffende geluidvoorschriften vernietigd. De rechtbank heeft zelf in de zaak voorzien.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2016/640 met annotatie van Van der Meijden
JAF 2016/641
JBO 2016/255 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
OGR-Updates.nl 2016-0195
Omgevingsvergunning in de praktijk 2016/7406

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 15/372, AWB 15/374 en AWB 15/375

uitspraak van de meervoudige kamer van 11 augustus 2016 in de zaken tussen

[eiser 1] , te [woonplaats] , en anderen (AWB 15/372)

(gemachtigde: mr. V. Wösten),

Stichting Wakker Dier, te Amsterdam, en anderen (AWB 15/374)

(gemachtigde: mr. V. Wösten), en

Vereniging Behoud de Parel, te Grubbenvorst, en anderen (AWB 15/375)

(gemachtigde: mr. R.A.M. Verkoijen)

en

het college van Gedeputeerde Staten van Limburg, verweerder

(gemachtigden: mr. J.J.A.G. Werkhoven, ir. A.P.M. Meures-Janssen, ing. C.H.F. Greten en [naam 1] ).

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen:

[naam BV] te Milheeze en

Bio Energie Centrale Maashorst B.V. te Horst

(gemachtigden: mr. F.H. Damen en mr. [naam 11] ).

Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan [naam BV] (vergunninghoudster) een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

[eiser 1] en anderen, Stichting Wakker Dier en anderen en Vereniging Behoud de Parel en anderen hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Derde-partijen hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De beroepen zijn op 17 december 2015 gevoegd ter zitting behandeld. [eiser 1] en anderen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Stichting Wakker Dier en anderen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Tevens is in beroepszaak AWB 15/374 als vertegenwoordiger van de Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. (MOB) verschenen [naam voorzitter] , voorzitter. Vereniging Behoud de Parel en anderen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Tevens is in beroepszaak AWB 15/375 eiser [eiser 2] verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Derde-partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde mr. F.H. Damen en door [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] , bijgestaan door [naam 5] , [naam 6] , [naam 8] en [naam 9] .

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting op 17 december 2015 geschorst.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (StAB) heeft op verzoek van de rechtbank een deskundigenverslag, d.d. 23 februari 2016, uitgebracht. [eiser 1] en anderen, Stichting Wakker Dier en anderen, Vereniging Behoud de Parel en anderen, verweerder en derde-partijen hebben hun zienswijzen dienaangaande naar voren gebracht.

De StAB heeft vervolgens, in reactie op de voormelde zienswijzen, een nader deskundigenverslag, d.d. 6 mei 2016, uitgebracht.

Op 5 juli 2016 is het onderzoek ter nadere zitting in de beroepszaken voortgezet. [eiser 1] en anderen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Tevens is in beroepszaak AWB 15/372 als vertegenwoordiger van eiseres [naam kwekerij] . verschenen F.M.P. Coenders. Stichting Wakker Dier en anderen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Tevens is in beroepszaak AWB 15/374 als vertegenwoordiger van eiseres MOB verschenen [naam voorzitter] . Vereniging Behoud de Parel en anderen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Tevens zijn in beroepszaak AWB 15/375, als eisers en als vertegenwoordigers (voorzitter respectievelijk bestuurslid) van Vereniging Behoud de Parel, verschenen [eiser 2] en [naam 10] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Derde-partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde [naam 11] en door [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] en [naam 12] , bijgestaan door [naam 6] , [naam 8] . [naam 13] en [naam 14] .

Overwegingen

1. De inrichting waarvoor bij het bestreden besluit omgevingsvergunning is verleend betreft een pluimveehouderij met slachterij, afvalwaterzuiveringsinstallatie en bio-energiecentrale (BEC) op het perceel Witveldweg 35 te Grubbenvorst. De inrichting omvat de gehele productieketen van kippenvlees van het moederdier dat de eieren legt tot een panklaar eindproduct. In totaal zullen, volgens de omgevingsvergunning, in de inrichting 1.059.840 vleeskuikens en 74.448 ouderdieren worden gehouden. In de BEC worden mest en andere reststromen vergist of gecomposteerd die niet alleen afkomstig zijn van de pluimveehouderij waar in het bestreden besluit vergunning voor is verleend, maar ook van andere (veehouderij)bedrijven, zoals de inrichting (varkenshouderij) aan de Laagheide 9 te Grubbenvorst.

2. Het bestreden besluit is met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorbereid. Het ontwerpbesluit heeft ter inzage gelegen van 24 december 2014 tot en met 4 februari 2015. Daarover zijn zienswijzen ingebracht.

De ontvankelijkheid van de beroepen

3 Beroep AWB 15/372

3.1.

Mr. Wösten (Wösten) heeft blijkens het pro forma beroepschrift in deze zaak van 3 februari 2015 medegedeeld namens 29 personen, te weten 28 natuurlijke personen en [naam kwekerij] ., beroep in te stellen. Wösten, die geen advocaat is, heeft bij dit beroepschrift machtigingen overgelegd waarin hij is gemachtigd om zienswijzen tegen de ontwerpomgevingsvergunning naar voren te brengen en beroep tegen de omgevingsvergunning in te stellen. Ten aanzien van 6 personen, te weten [naam 15] , [naam 16] , [naam 17] , [naam 18] [naam 19] en [naam 20] heeft Wösten wel zienswijzen naar voren gebracht, maar geen machtiging voor het indienen van zienswijzen en het instellen van beroep overgelegd.

3.2.

De rechtbank ziet in het ontbreken van deze machtigingen geen aanleiding de beroepen van voornoemde personen op grond van artikel 6:13 van de Awb niet-ontvankelijk te verklaren, nu de rechtbank Wösten niet heeft verzocht deze machtigingen alsnog over te leggen en verweerder in het bestreden besluit aan het ontbreken van de machtigingen voor het inbrengen van zienswijzen geen gevolgen heeft verbonden.

3.3.

Gelet op de besluitonderdeel-jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) - zie onder meer de uitspraak van 9 maart 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP7155 -, staat artikel 6:13 van de Awb er niet aan in de weg dat de 28 personen en [naam kwekerij] . thans in beroep gronden aanvoeren die zij niet in hun zienswijzen hebben aangevoerd.

3.4.

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of deze personen als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb kunnen worden aangemerkt. De rechtbank acht het, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 13 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1530, waarin de Afdeling in hoger beroep heeft geoordeeld over de revisievergunning voor de varkenshouderij aan de Laagheide 9, en de uitspraak van de Afdeling van 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:737, niet aannemelijk dat bij woningen op een afstand van meer dan 1.000 meter van de inrichting van vergunninghoudster milieuhinder van enige betekenis kan worden ondervonden, zodat de belangen van de bewoners van deze woningen niet rechtstreeks bij de omgevingsvergunning zijn betrokken. Volgens het door verweerder gegeven overzicht van de afstand tussen de grens van het woonperceel/bedrijfsperceel van de 29 personen en de grens van de inrichting van vergunninghoudster en de verklaringen van partijen hierover ter zitting op 17 december 2015, wonen alleen [naam 21] [naam 22] , [naam 24] , [naam 19] , [naam 25] , [naam 26] en [naam 20] , op niet meer dan 1.000 meter van de inrichting van vergunninghoudster. Ook is het bedrijf van [naam kwekerij] . gelegen binnen die afstand van de inrichting. De overige personen wonen meer dan 1.000 meter van de inrichting, zodat hun beroepen niet-ontvankelijk zijn.

4 Beroep AWB 15/374

4.1.

In het pro forma beroepschrift van 3 februari 2015 heeft Wösten medegedeeld beroep in te stellen namens Stichting Wakker Dier, MOB en Leefmilieu. Deze rechtspersonen hebben Wösten gemachtigd beroep in te stellen tegen de omgevingvergunning. Wösten heeft namens deze rechtspersonen ook zienswijzen over de ontwerpomgevingsvergunning naar voren gebracht. Niet gebleken is dat al deze rechtspersonen Wösten op de juiste wijze hebben gemachtigd over de ontwerpomgevingsvergunning, zowel wat betreft de pluimveehouderij als de overige inrichtingsonderdelen, zienswijzen naar voren te brengen. De machtigingen van MOB en Leefmilieu hebben namelijk alleen betrekking op “veehouderijbedrijfsactiviteiten” en de machtiging van Stichting Wakker Dier betreft de inrichting van Heideveld B.V. aan de Laagheide 9.

4.2.

De rechtbank ziet in voormelde gebreken in de machtigingen geen aanleiding de beroepen van Stichting Wakker Dier, MOB en Leefmilieu op grond van artikel 6:13 van de Awb niet-ontvankelijk te verklaren, nu verweerder blijkens het bestreden besluit geen gelegenheid heeft gegeven deze gebreken te herstellen.

4.3.

Verder geldt ook ten aanzien van dit beroep dat, gelet op de besluitonderdeel-jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 9 maart 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP7155), artikel 6:13 van de Awb er niet aan in de weg staat dat deze rechtspersonen thans in beroep gronden aanvoeren die zij niet in hun zienswijzen hebben aangevoerd.

4.4.

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of deze rechtspersonen als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb kunnen worden aangemerkt. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden de algemene en collectieve belangen die rechtspersonen krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen, mede als belangen van de rechtspersoon beschouwd. Partijen zijn het erover eens en ook de rechtbank heeft vastgesteld dat de Stichting Wakker Dier en de MOB op grond van hun statutaire doel en feitelijke werkzaamheden, als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb zijn te beschouwen. Verweerder betwist dat Leefmilieu als zodanige belanghebbende is te beschouwen. Verweerder acht de statutaire doelstelling van Leefmilieu namelijk onvoldoende territoriaal en functioneel begrensd. De rechtbank is echter, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 14 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:65, waarin de Afdeling geen grond aanwezig achtte om Leefmilieu niet als belanghebbende bij een omgevingsvergunning voor een milieuactiviteit aan te merken, van oordeel dat Leefmilieu ook in dit beroep als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb is aan te merken.

5 Beroep AWB 15/375

5.1.

Mr. Verkoijen, advocaat, (Verkoijen) heeft blijkens het pro forma beroepschrift in deze zaak van 4 februari 2015 medegedeeld namens 12 natuurlijke personen en namens Vereniging Behoud de Parel beroep in te stellen.

Uit het verweerschrift blijkt onweersproken dat eiser [eiser 3] is overleden. Door de gemachtigde is niet aangevoerd dat de erven en/of rechtverkrijgenden dit beroep wensen door te zetten. Dit brengt met zich mee dat het processuele belang aan de beoordeling van dit beroep is komen te ontvallen, zodat het namens deze eiser ingediende beroep om die reden niet-ontvankelijk is. Voorts blijkt uit de gedingstukken dat mr. X.P.C. Wynands, advocaat te Roermond, bij brief van 18 augustus 2014 namens de in die brief genoemde personen, zienswijzen over de ontwerpomgevingsvergunning naar voren heeft gebracht. Eiser [eiser 2] , voorzitter van de Vereniging Behoud de Parel, heeft kennelijk op persoonlijke titel beroep ingesteld, maar staat niet genoemd op voormelde lijst. De overige personen namens wie Verkoijen beroep heeft ingesteld staan wel op deze lijst. Nu niet gebleken is dat eiser Vollenberg zienswijzen heeft ingediend, dient diens beroep op grond van artikel 6:13 van de Awb niet-ontvankelijk te worden verklaard.

5.2.

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of de overige 10 natuurlijke personen als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb kunnen worden aangemerkt. De rechtbank acht het, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 13 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1530, waarin de Afdeling in hoger beroep heeft geoordeeld over de revisievergunning voor de varkenshouderij aan de Laagheide 9, en de uitspraak van de Afdeling van 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:737, niet aannemelijk dat bij woningen op een afstand van meer dan 1.000 meter van de inrichting van vergunninghoudster milieuhinder van enige betekenis kan worden ondervonden, zodat de belangen van de bewoners van deze woningen niet rechtstreeks bij de omgevingsvergunning zijn betrokken. Volgens het door verweerder gegeven overzicht van de afstand tussen de grens van het woonperceel/bedrijfsperceel van de hier bedoelde 10 personen en de grens van de inrichting van vergunninghoudster en de verklaringen van partijen hierover ter zitting op 17 december 2015, woont alleen [naam 27] op niet meer dan 1.000 meter van de inrichting van vergunninghoudster. Gelet hierop zijn de beroepen van de 10 overige natuurlijke personen met uitzondering van [naam 27] niet-ontvankelijk.

5.3.

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of Vereniging Behoud de Parel als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb kan worden aangemerkt. Partijen zijn het erover eens en ook de rechtbank heeft vastgesteld dat Vereniging Behoud de Parel op grond van haar statutaire doel en feitelijke werkzaamheden als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb is te beschouwen.

Ontvankelijkheid van de beroepen AWB 15/372, AWB 15/374 en AWB 15/375 in het licht van de Crisis- en herstelwet (Chw)

6. Op grond van artikel 1.1, aanhef onder a, van de Chw (onderdeel van afdeling 2 van hoofdstuk 1) en artikel 1.1 en 1.5 van Bijlage I van de Chw is op dit beroep de Chw van toepassing, nu de omgevingsvergunning, onder meer, ziet op de verwezenlijking van een installatie ten behoeve van de productie van biogas en op de aanleg bij een agrarisch bedrijf van een installatie voor co-vergisting van de biologische afbraakreacties van in hoofdzaak verpompbare vaste en vloeibare uitwerpselen van dieren.

6.1.

Het bestreden besluit heeft ter inzage gelegen van 24 december 2014 tot en met 4 februari 2015, waardoor de beroepstermijn liep tot en met 4 februari 2015. De pro forma beroepschriften zijn ingediend op 3 respectievelijk 4 februari 2015. In alle beroepzaken zijn de beroepsgronden pas na afloop van de beroepstermijn ingediend.

Ingevolge artikel 1.6, tweede lid, van de Chw is in afwijking van artikel 6:6 van de Awb het beroep niet-ontvankelijk, indien het beroepschrift niet de gronden van het beroep bevat zoals bepaald in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (Besluit Chw) wordt, indien afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de wet op een besluit van toepassing is, dit bij het besluit en bij de bekendmaking of mededeling van het besluit vermeld.

Ingevolge het tweede lid wordt, indien tegen het besluit beroep openstaat, bij het besluit en bij de bekendmaking van het besluit voorts vermeld dat:

a. de beroepsgronden in het beroepschrift worden opgenomen;

b. het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, indien binnen de beroepstermijn geen gronden zijn ingediend, en

c. deze na afloop van de beroepstermijn niet meer kunnen worden aangevuld.

6.2.

In het bestreden besluit zelf, noch in de rechtsmiddelenverwijzing, noch bij de bekendmaking van het besluit, is vermeld dat de beroepsgronden in het beroepschrift moeten zijn opgenomen. Evenmin is daarin vermeld dat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, indien binnen de beroepstermijn geen gronden zijn ingediend en dat de beroepsgronden na afloop van de beroepstermijn niet meer kunnen worden aangevuld. Aldus heeft verweerder in strijd met artikel 11 van het Besluit Chw gehandeld.

Nu de Chw afwijkt van het stelsel neergelegd in de artikelen 6:5 en 6:6 van de Awb, kan bij een dergelijke schending van artikel 11 van het Besluit Chw een belanghebbende in beginsel niet worden tegengeworpen dat hij de gronden van het beroep niet binnen de beroepstermijn heeft aangevoerd. Dit is slechts anders indien aannemelijk is dat de belanghebbende anderszins wel wist of kon weten dat na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen gronden kunnen worden aangevoerd. In dit geval is niet aannemelijk geworden dat eisers dit wel wisten of konden weten. De omstandigheid dat de eisers door professionele rechtsbijstandverleners werden bijgestaan, maakt niet dat zij ondanks de tekortschietende rechtsmiddelenverwijzing hadden moeten begrijpen dat de herstelmogelijkheid van artikel 6:6 van de Awb niet van toepassing was. Gelet op het vorenstaande kan eisers niet worden tegengeworpen dat de beroepsgronden niet voor het einde van de beroepstermijn zijn ingediend. De rechtbank verwijst in verband met voormelde overwegingen naar de uitspraak van de Afdeling van 4 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2046, met name onder 2.2.

7. Op grond van hetgeen onder rechtsoverwegingen 3 tot en met 6.1 is overwogen zijn in zaak AWB 15/372 alleen de beroepen van [naam 29] , [naam 22] , [naam 24] , [naam 19] , [naam 25] , [naam 28] , [naam 20] en [naam kwekerij] . ontvankelijk. In zaak AWB 15/374 zijn de beroepen van Stichting Wakker Dier, MOB en Leefmilieu (alle eisende partijen) ontvankelijk en in beroepszaak AWB 15/375 zijn alleen de beroepen van [naam 27] en Vereniging Behoud de Parel ontvankelijk.

De rechtbank heeft vervolgens aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Daartoe overweegt zij als volgt.

8. In artikel 2.14 van de Wabo wordt ten aanzien van de beslissing op de aanvraag om een omgevingsvergunning, voor zover deze betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo beschreven welke aspecten bij de beslissing op de aanvraag moeten worden betrokken, met welke aspecten bij die beslissing rekening moet worden gehouden en welke aspecten hierbij in acht moeten worden genomen. Op grond van het derde lid van artikel 2.14 kan de omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, slechts in het belang van de bescherming van het milieu worden geweigerd. Deze bepaling laat aan verweerder een zekere ruimte bij de beoordeling of een omgevingsvergunning al dan niet, in het belang van de bescherming van het milieu, zo nodig onder het stellen van voorschriften, dient te worden geweigerd. Wel dient de besluitvorming te voldoen aan de wettelijke eisen en aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Relativiteitsvereiste

9. Vergunninghoudster en verweerder hebben zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van sommige eisers geldt dat de regelgeving ten aanzien van een milieuaspect waarover zij gronden hebben aangevoerd niet strekt tot bescherming van hun belangen. De beroepgronden die deze eisers over dat milieuaspect aanvoeren stuiten volgens hen daardoor op het relativiteitsvereiste als bedoeld in artikel 8:69a van de Awb.

9.1.

De rechtbank verwijst voor de beoordeling van dit standpunt van verweerder en vergunninghoudster naar de uitspraak van de Afdeling van 13 mei 2015, ECLI:NL:RVS2015:1530, onder 23.7. De rechtbank is, in lijn met voormelde rechtsoverweging, van oordeel dat ten aanzien van een milieuaspect dat in het bestreden besluit is beoordeeld en ten aanzien waarvan door meerdere eisers in een beroepszaak een beroepsgrond is aangevoerd, geldt dat, indien aan ten minste één van die eisers het relativiteitsvereiste niet kan worden tegengeworpen, geen aanleiding bestaat om wat betreft de andere eisers op dit vereiste in te gaan. In dat geval staat artikel 8:69a van de Awb er niet aan in de weg dat het beroep vanwege tekortkomingen in de beoordeling van het milieuaspect gegrond wordt verklaard en het bestreden besluit wordt vernietigd. Voor zover zich in één van de onderhavige beroepen ten aanzien van een beroepsgrond de situatie voordoet dat aan alle eisers het relativiteitsvereiste moet worden tegengeworpen, zal de rechtbank dit bij de behandeling van die beroepsgrond uitdrukkelijk aangeven.

Wettelijk advies adviseurs

10. Wösten heeft aangevoerd dat verweerder op grond van artikel 6.3, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht verplicht was om de Inspectie Leefomgeving en Transport om advies te vragen en dit advies bij het bestreden besluit te betrekken. Volgens Wösten heeft verweerder deze inspectie onvoldoende in de gelegenheid gesteld om te adviseren en/of laakbaar nagelaten een advies van deze inspectie te verkrijgen.

10.1.

Verweerder heeft verklaard dat verweerder de vergunningaanvraag bij brief van 11 februari 2014 aan voornoemde inspectie heeft toegezonden en gelegenheid heeft gegeven om vóór 17 maart 2014 te reageren. Verweerder heeft van de inspectie geen reactie ontvangen, noch een verzoek om de reactietermijn te verlengen.

Wösten heeft de door verweerder vermelde gang van zaken niet betwist. De brief van 11 februari 2014 bevindt zich bij de gedingstukken (bijlage 3 bij gedingstuk B10).

10.2.

Voor zover Wösten heeft willen betogen dat een reactietermijn van 4 weken te kort was, overweegt de rechtbank dat het naar haar oordeel op de weg van de inspectie lag om eventueel aan te geven dat die termijn te kort was. Dat is niet gebeurd. Naar het oordeel van de rechtbank is de Inspectie Leefomgeving en Transport voldoende in de gelegenheid gesteld om een advies uit te brengen. Deze beroepsgrond faalt.

Redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen

11. Verkoijen heeft aangevoerd dat verweerder bij het bestreden besluit onvoldoende rekening heeft gehouden met redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen, die van belang zijn met het oog op de bescherming van het milieu (artikel 2.14, eerste lid, sub a onder 3°, van de Wabo). In het Milieueffectrapport (samenvatting) van 28 september 2010 staan als lopende initiatieven voor nieuwvestiging van intensieve veehouderijen vermeld de bedrijven Klopman, Coenders en Hendrikx. Die bedrijven zijn inmiddels gerealiseerd. Klopman gaat nog uitbreiden. Ook ligt een bestemmingsplan ter inzage dat planologisch agro-industriële activiteiten mogelijk maakt tussen de Horsterweg en de A73. Verkoijen noemt nog de volgende ontwikkelingen waarmee zijns inziens in het bestreden besluit ten onrechte geen rekening is gehouden: Floriade, bedrijventerrein Trade Port Noord, glastuinbouwgebied Californië, veiling ZON en het bedrijf Prime Champ.

11.1.

Verweerder heeft in reactie op deze beroepsgrond onweersproken verklaard dat in het bestreden besluit rekening is gehouden met de geplande bedrijven Klopman, Coenders en Hendrikx en met de Gebiedsvisie LOG Witveldweg die uitgaat van nieuwvestiging van 6 intensieve veehouderijen in het gebied. De Floriade en andere voornoemde ontwikkelingen liggen volgens verweerder, onweersproken, buiten de directe invloedssfeer van de inrichting van vergunninghoudster. De invloed van de inrichting van vergunninghoudster op de luchtkwaliteit (fijnstof en stikstofdioxide, cumulatief beschouwd) is volgens verweerder geen belemmering voor vergunningverlening. Met planologische mogelijkheden waaraan ten tijde van het bestreden besluit nog niet voldoende concrete invulling was gegeven heeft verweerder geen rekening gehouden.

11.2.

De rechtbank ziet geen reden verweerder niet te volgen in voormelde reactie. Er is daarom geen aanleiding te oordelen dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met toekomstige, voor het milieu relevante, ontwikkelingen. Deze beroepsgrond faalt.

Milieueffectrapport (MER)

12. Verkoijen stelt vast dat niet alleen wat betreft de milieuaspecten een MER is uitgebracht, maar dat tevens voor het bestemmingsplan LOG Witveldweg een (plan)MER is uitgebracht. Volgens Verkoijen is onduidelijk hoe deze rapportages zich tot elkaar verhouden en wat dit uit procedureel oogpunt betekent. Op grond van paragraaf 14.2 van de Wet milieubeheer (Wm) had volgens Verkoijen één (integraal) MER moeten worden opgesteld. Het (eigenlijke) MER dateert van het jaar 2009 en is opgesteld voor de eerdere milieuvergunningaanvraag van vergunninghoudster en sluit daarom volgens Verkoijen niet aan op de aanvraag voor de omgevingsvergunning.

12.1.

Verweerder heeft bevestigd dat op grond van artikel 14.5 van paragraaf 14.2 van de Wm één MER moest worden opgesteld. Verweerder betwist dat het MER uit 2009 onvoldoende actueel was om aan het bestreden besluit ten grondslag te kunnen leggen.

12.2.

De rechtbank is met verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 13 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1530, van oordeel dat de varkenshouderij van Heideveld B.V. aan de Laagheide 9 en de vleeskuikenhouderij en BEC van vergunninghoudster aan de Witveldweg 35 met elkaar samenhangende activiteiten als bedoeld in artikel 14.5, eerste lid van de Wm vormen en dat ter voorbereiding van besluitvorming over milieuvergunningverlening voor deze activiteiten één besluit-MER moest worden opgesteld. Dit is het MER uit 2009 voor het Nieuw Gemengd Bedrijf waarvan zich een samenvatting, d.d. 28 september 2010, als gedingstuk B2 bij de gedingstukken bevindt. De rechtbank ziet in het feit dat het MER 5 jaar vóór het bestreden besluit is opgesteld geen aanleiding om te oordelen dat deze ten tijde van het bestreden besluit niet meer voldoende actueel was. Verkoijen heeft zijn stelling dat de MER niet meer actueel was niet nader onderbouwd. Deze beroepsgrond faalt.

Grensoverschrijdende milieugevolgen

13. Verkoijen heeft aangevoerd dat de informatie uit het MER voorafgaand aan het bestreden besluit in Duitsland bekend had moeten worden gemaakt en dat noch uit de MER noch uit het bestreden besluit blijkt dat dit is gebeurd.

13.1.

Verweerder heeft verklaard dat op grond van de ten tijde van de start van de milieueffecrapportage-procedure (m.e.r) in 2005 geldende en in 2013 hernieuwde, met Duitsland gemaakte afspraken inzake m.e.r. in grensoverschrijdend verband, geen verplichting bestond voor verweerder om Duitsland in die procedure te betrekken. Wel heeft verweerder de ontwerpomgevingsvergunning en het bestreden besluit in het kader van de mogelijke milieugevolgen voor het Duitse Natura 2000-gebied Hangmoor Damerbruch toegezonden aan de Bezirksregierung in Düsseldorf.

13.2.

Artikel 7.38a, eerste lid, van de Wm luidt als volgt:

Nadat uit de in het kader van dit hoofdstuk verzamelde informatie duidelijk is geworden dat er sprake is van mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu in een ander land als gevolg van een voorgenomen activiteit, wordt de regering of een door die regering aan te wijzen autoriteit van dat andere land zo spoedig mogelijk geïnformeerd.

13.3.

Verweerder heeft gerefereerd aan de “Gezamenlijke verklaring Duitsland-Nederland inzake m.e.r. in grensoverschrijdend verband”. In 2005 gold op grond van voormeld document de afspraak dat het bevoegd gezag het buurland betrekt bij alle projecten op een afstand van ten hoogste 5 kilometer van de grens voor zover voor deze projecten een m.e.r. wordt uitgevoerd. Volgens de in 2013 herziene afspraken geldt dat voor projecten op meer dan 5 kilometer vanaf de grens het buurland bij een m.e.r. wordt betrokken indien het bevoegd gezag inschat dat het project mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen in het buurland kan hebben. De rechtbank acht voormelde afspraken niet in strijd met artikel 7.38a van de Wm.

13.4.

Verweerder heeft verklaard en de rechtbank heeft ook vastgesteld dat de locatie waar de inrichting van vergunninghoudster is geprojecteerd zich ongeveer 7,5 kilometer van de grens met Duitsland bevindt. Verweerder heeft zich gelet op deze afstand en de beschikbare informatie naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, hetzij wat betreft ammoniak, fijnstof of anderszins, in Duitsland te verwachten zijn. Verweerder was naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet gehouden om Duitsland in de m.e.r. te betrekken. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 7 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:5, r.o. 16, waarin de Afdeling in het kader van de beoordeling van de aan vergunninghoudster verleende projectbesluiten heeft overwogen dat geen grond bestond voor het oordeel dat het college van burgemeester en wethouders van Horst aan de Maas ingevolge artikel 7.38a, eerste lid, van de Wm vanwege mogelijke belangrijke gevolgen voor Duitse Natura 2000-gebieden gehouden was om in het kader van de voorbereiding van het MER de relevante Duitse autoriteit te informeren en te consulteren. Ook kan nog worden verwezen naar de, ook door verweerder in dit kader aangehaalde, uitspraak van de Afdeling van 2 april 2013 inzake de eerdere vergunningaanvraag ingevolge de Wm van vergunninghoudster, ECLI:NL:RVS:2013:BZ7626, r.o. 4. Ook daaruit is af te leiden dat de Afdeling van oordeel was dat de inrichting van vergunninghoudster op zodanige afstand van de Nederlands-Duitse grens is gelegen dat onaannemelijk is dat in Duitsland (belangrijke) milieugevolgen van de inrichting kunnen worden ondervonden. Deze beroepsgrond faalt.

Beoordeling drie bedrijfselementen

14. Wösten heeft aangevoerd dat de milieugevolgen van de drie bedrijfsonderdelen van de inrichting (veehouderij, slachterij en BEC) in het bestreden besluit onvoldoende geïntegreerd zijn beoordeeld op aanvaardbaarheid van de milieugevolgen.

14.1.

Wösten heeft deze stelling niet onderbouwd. Voor het standpunt dat de gevolgen niet geïntegreerd zijn beoordeeld bestaat geen grond. Zo zijn de (berekende) geuremissies van de andere onderdelen dan de stallen bij elkaar opgeteld en aan één (gewogen) norm getoetst. Ook het geluid is in het bestreden besluit voor de totale inrichting beoordeeld. Dit geldt ook voor de fijnstofemissies en ammoniakemissies. Deze beroepsgrond faalt.

Geur

15. Wösten en Verkoijen hebben aangevoerd dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven, omdat verweerder van onjuiste geurnormen en geurberekeningen is uitgegaan. Volgens Wösten hebben de luchtwassers onvoldoende capaciteit om aan de ventilatiebehoefte van de dieren en de geuremissienormen te kunnen voldoen. Volgens Wösten dient een integrale beoordeling van de geurhinder plaats te vinden, dus niet een aparte beoordeling van de geurhinder die door de pluimveestallen wordt veroorzaakt en de geurhinder die afkomstig is van de andere onderdelen van de inrichting. De geurruimte voor de stallen is, bij een norm (ingevolge de Wet geurhinder en veehouderij, Wgv) van 14 ouE/m³ als 98 percentiel (ouE/m³), en een berekende immissie ter plaatse van de geurgevoelige woning Witveldweg 33 van 13 ouE/m³, voor 93% ingevuld. De geurruimte van de overige geurbronnen van de inrichting (slachterij, afvalwaterzuiveringsinstallatie, BEC en kippencompostering) is volgens het StAB-verslag van 23 februari 2016, bij een gewogen geurnorm van 1 ouE/m³ en een berekende geurimmissie ter plaatse van de geurgevoelige woning Witveldweg 33 van 0,47 ouE/m³, voor 47% ingevuld. Volgens Wösten kan bij een integrale beoordeling van de geurhinder, gelet op voormelde percentages en nu, blijkens RIVM-publicaties, bij een geurbelasting van 14 ouE/m³ reeds sprake is van een tamelijk slechte tot slechte milieukwaliteit, niet worden geconcludeerd dat, bij een verdere toename van de geurhinder met 47% van de gewogen norm voor de andere onderdelen, in dit geval een aanvaardbaar leefklimaat is gewaarborgd. Wösten heeft ter nadere zitting erop gewezen dat de regels voor geurnormen voor inrichtingen sedert 1 januari 2016 in het Activiteitenbesluit milieubeheer (Activiteitenbesluit) zijn opgenomen. Hij is van mening dat deze regels eisers minder beschermen tegen geurhinder en dat deze daarom, gelet op het verbod van reformatio in peius, de vergunningvoorschriften niet buiten werking kunnen stellen. Verkoijen heeft met betrekking tot de geuremissies verwezen naar het door hem overgelegd rapport van Cauberg-Huygen Raadgevende ingenieurs (Cauberg-Huygen) van 16 september 2013.

15.1.

Verweerder heeft in de vergunning de volgende voorschriften in verband met geuremissie opgenomen:

9.1

Het geurverwijderingsrendement van de luchtwassers LW1 en LW 2 bedraagt 95%.

9.2

De geuremissie- en -immissiesituatie moet voldoen aan de geursituatie zoals vastgesteld in het geurrapport “Geuronderzoek Witveldweg 35 te Grubbenvorst”, G&O-consult d.d. 25 april 2014, rapportnummer 3054go0214.

9.3

Binnen 4 maanden na het volledig in gebruik nemen van de inrichting moet vergunninghouder, door middel van geurmetingen en berekeningen volgens NTA 9065, aantonen dat het geurverwijderingsrendement van de luchtwassers LW1 en LW2 voldoet aan de eis uit voorschrift 9.1 en dat de geuremissies niet groter zijn dan vermeld in het in voorschrift 9.2 genoemde rapport. Het meetplan moet vooraf worden voorgelegd aan het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag moet in kennis gesteld worden om bij de geurmetingen aanwezig te kunnen zijn. Het onderzoek moet onder representatieve bedrijfsomstandigheden door een geaccrediteerde meetinstantie (monstername, analyse en debietmetingen) uitgevoerd worden.

9.4

De resultaten worden binnen twee maanden na uitvoering van het onderzoek uit voorschrift 9.3 overgelegd aan het bevoegd gezag.

9.5

De luchtwassers LW1 en LW2 moeten voor de goede werking, onder optimale condities in bedrijf worden gehouden en moeten zo vaak als voor een goede werking noodzakelijk is worden vervangen en gereinigd, doch ten minste jaarlijks worden onderhouden en geïnspecteerd.

9.6

Ten aanzien van het gebruik en onderhoud van het luchtwassysteem worden gedragsvoorschriften opgesteld. Hierin wordt ten minste vastgelegd:

a. wanneer en op welke wijze de schoonmaak en het onderhoud van het luchtwassysteem door een deskundige op het gebied van luchtwassystemen zullen plaatsvinden;

b. wanneer en op welke wijze de visuele controles en schoonmaak van het luchtwassysteem door de drijver van de inrichting zullen plaatsvinden;

c. op welke wijze de waarden en instellingen van het luchtwassysteem die bepalend zijn voor de goede werking worden gecontroleerd;

d. welke maatregelen als bedoeld in voorschrift 9.13 worden getroffen.

9.7

Het luchtwassysteem is voorzien van een elektronisch monitoringssysteem, waarmee de parameters die van belang zijn voor een goede werking van het luchtwassysteem worden geregistreerd.

9.8

In een elektronisch monitoringsysteem als bedoeld in voorschrift 9.7 worden ieder uur de waarden van in ieder geval de volgende parameters geregistreerd:

a. de zuurgraad van het waswater;

b. de geleidbaarheid van het waswater in milliSiemens per centimeter;

c. de spuiwaterproductie in kubieke meter;

d. de drukval over het filterpakket in pascal;

e. het elektriciteitsverbruik van de waswaterpomp in kilowatt uur.

9.9

Van de parameters, genoemd in voorschrift 9.8, onderdelen c en e, worden tevens de cumulatieve waarden geregistreerd.

9.10

Het waswater van het luchtwassysteem is voorzien van een debietmeting en een laagdebiet- alarmering die onmiddellijk in werking treedt als het debiet van het waswater te laag is voor een goede werking van het luchtwassysteem.

9.11

De geregistreerde waarden van de parameters worden gedurende ten minste vijf jaar binnen de inrichting bewaard.

9.12

Voorzieningen

1. Voor de registratie van de parameters als bedoeld in voorschrift 9.8 zijn doelmatige meetvoorzieningen aanwezig die voldoen aan het tweede tot en met vierde lid.

2. Voor het meten van de spuiwaterproductie is per spuiwaterstroom in de spuileiding een elektromagnetische flowmeter geïnstalleerd.

3. Ten minste eenmaal per zes maanden worden de EC-elektrode en de pH-elektrode gekalibreerd door een deskundige op het gebied van het kalibreren van elektrodes.

4. Bewijzen van de kalibraties worden gedurende ten minste vijf jaar binnen de inrichting bewaard.

9.13

Indien uit de registratie als bedoeld in 9.7 blijkt dat de parameters worden overschreden, worden onmiddellijk maatregelen getroffen om een goede werking van het luchtwassysteem te waarborgen.

15.2.

In het StAB-verslag is geconcludeerd dat de berekende geuremissies uit de dierenverblijven voldoen aan de op grond van de Wgv geldende norm van 14 ouE/m³. Volgens de StAB is een rendement van 95% van luchtwassers LW1 en LW2, dit zijn de luchtwassers ten behoeve van de andere inrichtingsonderdelen dan de dierenverblijven, niet haalbaar is. Vergunninghoudster heeft dit erkend. Volgens een naar aanleiding hiervan aangepast dimensioneringsplan, waarbij de luchtstromen van luchtwassers LW1 en LW2 in één drietrapswasser worden behandeld en een actief koolstoffilter wordt toegevoegd, is een geurrendement van 92,5% wel haalbaar. Blijkens een aanvullend geurrapport van G&O Consult van 17 februari 2016 blijven, na voornoemde aanpassing van het dimensioneringsplan, aanpassing van de parameter voor de uittreedsnelheid van de luchtwasser en aanpassing van de emissie van de Warmtekrachtkoppelinginstallaties (WKK’s), de berekende emissies voor de andere onderdelen dan de dierenverblijven nog steeds onder de bij die onderdelen door de StAB gehanteerde gewogen norm van 1 ouE/m³. Verweerder heeft ter nadere zitting het standpunt ingenomen dat de voorschriften 9.1 tot en met 9.4 vervallen zijn en geschrapt kunnen (moeten) worden, omdat de regels met betrekking tot geurnormen voor inrichtingen sedert 1 januari 2016 in het Activiteitenbesluit zijn opgenomen en het bestreden besluit nog niet onherroepelijk is. Verweerder acht het wel aangewezen de vergunningvoorschriften 9.5 tot en met 9.13, die betrekking hebben op het onderhoud, de monitoring en de inspectie van luchtwassers LW1 en LW2 (die voorschriften komen overeen met de voorschriften met betrekking tot onderhoud, monitoring en inspectie die op grond van het Activiteitenbesluit gelden voor luchtwassers van de dierenverblijven) te handhaven.

15.3.

Partijen zijn het erover eens en ook de rechtbank stelt vast dat de berekende maximale geurimmissie als gevolg van de dierenverblijven bij de woning Witveldweg 33 (13 ouE/m³) lager is dan de op grond van de Wgv voor deze verblijven geldende norm (14 ouE/m³). De rechtbank heeft tevens met partijen vastgesteld dat ingaande 1 januari 2016 het Activiteitenbesluit is gewijzigd. In beginsel zijn thans voor alle typen inrichtingen in afdeling 2.3 van het Activiteitenbesluit voorschriften voor emissies van stoffen naar de lucht en daarbij optredende geurhinder opgenomen. Deze afdeling is niet van toepassing op emissies van een zogenoemde IPPC-installatie indien en voor zover voor de activiteit of het type productieproces Best Beschikbare Technieken (BBT)-conclusies voor deze emissies zijn vastgesteld. De inrichting van vergunninghoudster omvat weliswaar een IPPC-installatie, maar voor de emissies zijn geen BBT-conclusies vastgesteld. De regels van afdeling 2.3 zijn als algemene eisen van toepassing, ook op vergunningplichtige activiteiten. Zij gelden in plaats van de eisen die voorheen werden gesteld in de omgevingsvergunning. Zij hoeven niet in de omgevingsvergunning opgenomen te worden. Voor de geuremissies is met name artikel 2.7a van deze afdeling van belang. Dit artikel bepaalt dat, indien bij een activiteit emissies naar de lucht plaatsvinden, daarbij geurhinder naar geurgevoelige objecten voorkomen moet worden, dan wel voor zover dat niet mogelijk is, beperkt moet worden tot een aanvaardbaar niveau.

15.4.

Bij maatwerkvoorschrift kan in het belang van de bescherming van de mens (gezondheid) en het milieu in sommige gevallen van de voorschriften worden afgeweken op basis van een integrale afweging. Afwijken van de eisen van het Activiteitenbesluit is mogelijk als het desbetreffende artikel de mogelijkheid geeft tot maatwerk. In artikel 6:1, eerste lid, van het Activiteitenbesluit is het (algemene) overgangsrecht geregeld. Dit artikel luidt als volgt: “Voor inrichtingen waarvoor onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van het van toepassing worden van dit besluit of een deel daarvan op een activiteit in die inrichtingen, een vergunning op grond van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer dan wel een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo in werking en onherroepelijk was, worden de voorschriften van die vergunning gedurende drie jaar na het van toepassing worden van dit besluit of een deel daarvan op een activiteit in die inrichtingen, aangemerkt als maatwerkvoorschriften, mits de voorschriften van die vergunning vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften en voor zover dit besluit op de inrichting van toepassing is”.

Het bestreden besluit was voorafgaand aan de wijziging van het Activiteitenbesluit per 1 januari 2016 nog niet onherroepelijk. Dat betekent dat op grond van het overgangsrecht in artikel 6:1, eerste lid, van het Activiteitenbesluit de voorschriften in het bestreden besluit met betrekking tot geuremissies niet van rechtswege als maatwerkvoorschrift zijn aan merken.

15.5.

Voor zover de gronden van eisers zien op de geuremissies van de inrichting en daartoe behorende onderdelen hebben zij, nu de betreffende door hen bestreden vergunningvoorschriften met de inwerkingtreding van het gewijzigde Activiteitenbesluit per 1 januari 2016 van rechtswege zijn vervallen, geen procesbelang meer bij de beoordeling van deze gronden. Dat de bepalingen over geurhinder in het Activiteitenbesluit ongunstiger zijn dan de vervallen vergunningvoorschriften betekent niet dat deze bepalingen buiten toepassing kunnen blijven. Eisers beroep op reformatio in peius treft geen doel omdat de gestelde positieverslechtering het gevolg is van de wijziging van het Activiteitenbesluit en het daarbij behorend overgangsrecht waarbij de wetgever, naar dient te worden aangenomen, ook belangen van vergunninghouders in aanmerking heeft genomen.

15.6.

Op grond van artikel 2.7a, vierde lid, van het Activiteitenbesluit kunnen maatwerkvoorschriften ten aanzien van geuremissies worden opgelegd, indien blijkt dat de geurhinder een aanvaardbaar hinderniveau overschrijdt. Voor zover eisers betogen dat er maatwerkvoorschriften moeten worden opgelegd, is de rechtbank van oordeel dat het aan verweerder is (buiten de onderhavige procedure voor de omgevingsvergunning om) daartoe, al dan niet op verzoek, over te gaan. De rechtbank merkt in dit verband wel terzijde op dat het niet voor de hand ligt dat in dit geval een aanvaardbaar geurhinderniveau wordt overschreden, nu de berekende geuremissies van de andere inrichtingsonderdelen dan de dierenverblijven onder de voor deze onderdelen volgens de StAB te hanteren norm van 1 ouE/m³ liggen.

15.7.

Partijen hebben ter nadere zitting aangegeven zich te kunnen vinden in handhaving van de vergunningvoorschriften 9.5 tot en met 9.13 ten aanzien van het onderhoud, de monitoring en de inspectie van de andere luchtwassers dan die van de dierenverblijven. Nu het Activiteitenbesluit op deze punten niet voorziet in specifieke regels, hetgeen bij dierenverblijven wel het geval is, zal de rechtbank bepalen dat deze voorschriften in de vergunning gehandhaafd blijven met dien verstande dat ze worden vernummerd tot voorschriften 9.1 tot en met 9.9.

Toets aan BBT en normen voor ammoniakemissies met betrekking tot de BEC en WKK’s

16. Wösten heeft aangevoerd dat in het bestreden besluit geen rekening is gehouden met de ingevolge EU-Verordening 142/2011 aan pasteurisatie bij vergisting van mest en slachtafval te stellen eisen. Ook wordt niet voldaan aan de monitoringseisen die deze verordening stelt. Verder is de compostering niet getoetst aan voornoemde verordening. De eisen uit die verordening hadden volgens Wösten in de vergunningvoorschriften moeten worden opgenomen. De co-vergisters en slachtafvalvergisters moeten ingevolge het Best Available Techniques Reference-document (BREF) “Emissions From Storage” voorzien zijn van een omwalling, dubbele wand of silotankputten, maar voldoen hier niet aan. Verder is voor de slachterij de toepassing van de Nederlandse emissierichtlijn (NeR) onvoldoende verzekerd en zijn de ammoniakemissies van de WKK’s niet representatief (worst case) beoordeeld. Voor verdere onderbouwing van deze gronden verwijst Wösten naar het advies van MOB van 9 maart 2015.

16.1.

Verweerder heeft bevestigd dat Verordening 142/2011 van toepassing is op de slachtafvalvergister, de co-vergisting en het composteerproces. Volgens verweerder heeft deze verordening rechtstreekse werking en hoeven de eisen uit die verordening daarom niet in de voorschriften van de omgevingsvergunning te worden opgenomen.

Het BREF Op- en overslag bulkgoederen schrijft voor dat tanks dubbelwandig moeten worden uitgevoerd dan wel moeten worden voorzien van een omwalling om te voorkomen dat bij een calamiteit bodemverontreiniging optreedt. Deze voorzieningen zijn volgens verweerder alleen nodig voor opslag van stoffen die ontvlambaar of significant bodembedreigend zijn. Dierlijke mest en co-producten vallen daar naar het oordeel van verweerder niet onder. Het BREF Op- en overslag bulkgoederen geldt overigens volgens verweerder niet voor de co-vergisters, omdat dit geen opslagvoorziening is maar een procesinstallatie. Voor de opslag van slachtafval geldt het (verticale) BREF Slacht- en destructiehuizen. Op grond van dit BREF dient slachtafval te worden opgeslagen in een tankput of dubbelwandige tank. De inrichting van vergunninghoudster beschikt over een dubbelwandige tank voor opslag van slachtafval. De slachtafvalvergister valt volgens verweerder niet onder het BREF Slacht- en destructiehuizen, omdat het een procesinstallatie is en geen opstalvoorziening.

Verweerder heeft op p. 42 van het verweerschrift uitvoerig uiteen gezet dat uit bijlage 30 en bijlage 8 van de aanvraag de maatregelen uit de NeR in dit geval niet noodzakelijk zijn dan wel worden toegepast.

Ten aanzien van de ammoniakemissies van de BEC en WKK’s geldt dat deze vóór 1 januari 2016 in de NeR waren geregeld, maar sedert die datum zijn komen te vallen onder het Activiteitenbesluit (adeling 2.3 lucht en geur). De ammoniakemissies van de BEC zijn lager dan de grensmassastroom die voor ammoniak geldt waardoor voor dit emissiepunt geen emissie-eisen van toepassing zijn.

16.2.

De rechtbank volgt verweerder in voormelde standpunten met betrekking tot de status van Verordening 142/2011, de eisen aan de voorzieningen waarin zich mest respectievelijk slachtafval bevinden, de toetsing van de slachterij aan de NeR en de noodzaak tot het opnemen van ammoniakemissiewaarden ten aanzien van de BEC. De rechtbank verwijst in dit verband nog naar de uitspraak van de Afdeling van 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:722, waarin de afdeling (r.o. 23.3 en volgende) ten aanzien van co-vergistingstanks met daarin mest en co-substraten heeft overwogen dat vergisting in deze tank geen opslag betreft in de zin van het BREF Emissions from Storage en dat, in navolging van het in die zaak overgelegd deskundigenbericht van de StAB, waarin het opruimen van meststoffen een reële maatregel werd geacht ter voorkoming van ernstige bodemverontreiniging, opslag van mest geen risico vormt voor een significante bodemverontreiniging.

Deze beroepsgrond faalt.

Directe ammoniakschade aan rozen van [naam kwekerij] .

17. Wösten heeft aangevoerd dat voornoemde B.V. schade zal leiden als gevolg van de ammoniakemissies van de inrichting van vergunninghoudster. Op grond van het rapport “Stallucht en Planten” (juli 1981) dient tussen de ruimte waar de dieren worden gehouden en de rozen een afstand van 25 meter te worden aangehouden, maar die afstand is volgens Wösten in dit geval kleiner.

17.1.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat rozen in het rapport Stallucht en Planten niet als ammoniakgevoelig zijn aangeduid, zodat de afstand tussen een stal en de plaats waar de rozen worden gekweekt niet relevant is. In dit verband verwijst verweerder naar de uitspraak van de Afdeling van 16 februari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:7095. Bovendien was de afstand ten tijde van het bestreden besluit volgens verweerder groter dan 25 meter. Verweerder heeft ter onderbouwing van dit standpunt foto’s uit 2014, waarop het vergunde bouwblok is geprojecteerd, overgelegd.

17.2.

De StAB vermeldt in haar verslag van 23 februari 2016 dat in de Wet ammoniak en veehouderij de directe opname uit de lucht van ammoniak door planten en bomen vanwege ammoniakemissies van veestallen (directe ammoniakschade) niet in het kader van die wet worden beoordeeld. In het rapport Stallucht en Planten zijn ongeveer 50 plantensoorten getoetst op hun gevoeligheid voor ammoniak. Rozen zijn niet onderzocht. In het rapport wordt tussen de buitenzijde van stallen en minder gevoelige planten en bomen een afstand van 25 meter aanbevolen. [naam kwekerij] . kweekt rozen in kassen, potten (containerteelt) en door middel van niet-bedekte teelt. Volgens de StAB worden, naar aanleiding van mededelingen van de heer [eigenaar kwekerij] , 1-jarige rozen gekweekt in wisselteelt en was dit ook reeds de situatie ten tijde van het bestreden besluit. De StAB heeft geconstateerd dat de kortste afstand tussen de buitenzijde van de stallen en de gronden waar rozen in niet-bedekte teelt worden gekweekt circa 20 meter bedraagt. De StAB concludeert dat aan de

in het rapport Stallucht en Planten aanbevolen afstand niet wordt voldaan.

17.3.

Op grond van de overgelegde stukken is naar het oordeel van de rechtbank niet met zekerheid vast te stellen of en op welke afstand van de geprojecteerde buitengevel van stal 7 ten tijde van het bestreden besluit precies rozen in de volle grond, al dan niet in wisselteelt, werden gekweekt. Op grond van de stukken is aannemelijk dat sedert enige tijd een uitbreiding in zuidelijke richting van het containerveld heeft plaatsgevonden, maar deze uitbreiding is, blijkens de overgelegde foto’s, niet doorgetrokken tot stal 7. Ook indien echter de rozen in de volle grond tot aan de toegangsweg (perceelgrens) zijn geplaatst, acht de rechtbank aannemelijk dat de afstand als bedoeld in het rapport Stallucht en Planten van 25 meter niet wordt overschreden, omdat het gedeelte van de stal waar de dieren verblijven zich, naar eisers niet hebben bestreden, op 8 meter afstand van de buitenwand van de stal bevindt. De rechtbank ziet geen aanleiding om, zo het rapport Stallucht en Planten ook bij de huidige stand van stalsystemen nog bruikbaar is, wat partijen niet hebben betwist, niet uit te gaan van de afstand tot de plaats waar de dieren zich daadwerkelijk bevinden. Volgens de bij het StAB-verslag van 23 februari 2016 gevoegde “Memo uitwerking Stallucht en planten” van Geling Advies van 17 februari 2016 bedraagt de afstand in dat geval 30,63 meter. Bovendien heeft verweerder, onder verwijzing naar het rapport Stallucht en Planten en een bij zijn reactie op het StAB-verslag van 23 februari 2016 gevoegde “berekening ammoniakconcentraties op leefniveau” onweersproken verklaard dat de te verwachten ammoniakconcentratie op 20 meter van de buitenzijde van dierenverblijven ruim lager is dan de laagste concentratie waarbij ammoniakgevoelige gewassen schade kunnen ondervinden. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom, ook indien [eiser 1] en anderen zouden worden gevolgd in hun betoog dat rozen in het kader van het rapport Stallucht en Planten als beschermde planten zijn aan te merken, geen aanleiding te oordelen dat het bestreden besluit vanwege de mogelijke invloed van de ammoniakemissies op de rozen niet had mogen worden genomen.

Deze beroepsgrond faalt.

Natura 2000-gebied in Duitsland

18. Wösten heeft aangevoerd dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven vanwege de gevolgen van de ammoniakemissies vanuit de inrichting van vergunninghoudster voor Duitse Natura 2000-gebieden.

18.1.

Onder verwijzing naar rechtsoverweging 9 overweegt de rechtbank dat deze beroepsgrond wat betreft [eiser 1] en anderen niet kan slagen, omdat de desbetreffende bepalingen naar het oordeel van de rechtbank niet strekken tot bescherming van de belangen van [eiser 1] en anderen.

18.2.

Onweersproken is dat de ammoniakdeposities vanwege de inrichting van vergunninghoudster op het Duitse Natura 2000-gebied Hangmoor Damerbruch, dit is het Natura 2000-gebied dat het dichtst bij de inrichting is gelegen, (volgens berekening is de depositie op dit gebied 0,5 mol/ha/jaar) ver beneden de volgens de Duitse beoordelingsmethodiek gehanteerde kritische waarde van 7,14 mol/ha/jaar ligt. Naar het oordeel van de rechtbank vormt de te verwachten ammoniakdepositie op voornoemd Natura 2000-gebied daarom geen aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 16 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1312. Volgens deze uitspraak mocht voor de passende beoordeling van de depositie van een op te richten electriciteitscentrale in de Eemshaven op Duits Natura 2000-gebied aansluiting worden gezocht bij de Duitse beoordelingsmethodiek. Volgens deze beoordelingsmethodiek is bij een lagere depositie dan 7,14 mol/ha/jaar geen sprake van een causaal verband tussen de emissie vanwege het project en de berekende depositie. Deze casus had betrekking op een Natura 2000-gebied in de deelstaat Niedersachsen, maar de rechtbank ziet geen aanleiding om daar in dit geval, het Natura 2000-gebied Hangmoor Damerbruch ligt in de deelstaat Nordrhein Westfalen, anders over te oordelen.

Deze beroepsgrond faalt.

Norm voor zwavelwaterstof

19 Voorschrift 10.1 van de vergunning houdt onder meer het volgende in:

a. De concentratie zwavelwaterstof (H2S) in het gereinigd biogas mag maximaal 250 ppm bedragen;

b. Het zwavelwaterstofgehalte in het gereinigd biogas van de covergisting en in het gereinigd biogas van de slachtafvalvergisting moet afzonderlijk minimaal eenmaal per twee weken worden gemeten en geregistreerd. Het jaargemiddelde van de metingen moet onder de 250 ppm liggen;

19.1.

Wösten heeft, met verwijzing naar het rapport van MOB van 9 maart 2015, aangevoerd dat voornoemde voorschriften onder a respectievelijk b tegenstrijdig zijn. Hij vindt dat de strengste van deze 2 normen als vergunningvoorschrift moet worden gehandhaafd en dat de andere norm moet vervallen.

19.2.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat alleen een jaargemiddelde norm voor de zwavelstofconcentratie in de lucht van belang is.

19.3.

De StAB heeft, met verwijzing naar de Handreiking (co-)vergisting van mest en de in artikel 3.129e van het Activiteitenbesluit voor monovergisters opgenomen norm van 430 mg/m³, geadviseerd in dit voorschrift slechts de jaargemiddelde norm in stand te laten. De rechtbank volgt de StAB. De beroepen AWB 15/372 en AWB 15/374 zijn daarom gegrond en het bestreden besluit dient wat betreft vergunningvoorschrift 10.1, onder a, vernietigd te worden. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb op dit onderdeel zelf in de zaak voorzien.

Geluid

20. In de omgevingsvergunning zijn wat betreft het aspect geluid voorschriften opgenomen:

20.1.

Wösten heeft aangevoerd dat het bestreden besluit is gebaseerd op onjuiste berekeningen van de geluidemmissies van de inrichting van vergunninghoudster en dat de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften met betrekking tot geluidemmissies ondeugdelijk zijn. Hij heeft in dit verband verwezen naar een rapport van De Roever Omgevingsadvies van 9 maart 2015.

Verkoijen heeft aangevoerd dat het geluid van motoren en ventilatoren hinder zal veroorzaken en heeft voor dit standpunt verwezen naar het rapport van Cauberg-Huygen van 16 september 2013.

20.2.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de in het aan het bestreden besluit ten grondslag liggend rapport van G&O Consult van 25 april 2014 genoemde geluidbronnen de relevante geluidbronnen zijn, dat deze op juiste wijze zijn gemodelleerd en dat de geluidniveau’s van de geluidbronnen, waaronder de luchtwassers, niet zijn onderschat. Aan de geluidnormen die in de vergunningvoorschriften zijn opgenomen kan volgens verweerder worden voldaan. Het geluid van het verkeer op de toegangsweg dient volgens verweerder als indirecte hinder te worden beschouwd. Naar aanleiding van de StAB-verslagen heeft verweerder subsidiair, voor het geval niet aan de geluidnormen uit de vergunningvoorschriften zou kunnen worden voldaan, het standpunt ingenomen dat deze normen zouden kunnen worden vervangen door de volgens de Handreiking Industrielawaai en vergunningverlening voor een landelijke omgeving te hanteren richtwaarden van respectievelijk 40, 35 en 30 dB(A) voor de dag-, avond- en nachtperiode. Bovendien zou dan een voorschrift dienen te worden toegevoegd dat voorziet in een verplichting om de nodige maatregelen te nemen indien de geluidnormen worden overschreden. Verweerder geeft de rechtbank in overweging eventueel zelf aldus in de zaak te voorzien.

20.3.

De bij het gevoelig object Witveldweg 33 te verwachten geluidniveau’s zijn volgens de StAB onderschat, doordat bij de geluidberekeningen van G&O Consult ten aanzien van de luchtwassers van de stallen van te lage geluidbronniveau’s is uitgegaan. De door G&O Consult voor de berekening van de geluiduitstraling van deze luchtwassers gebruikte methode (“Rekenblad uitstraling gebouwen – methode II.7 HMRI-99” uit paragraaf 4.7 van de Handleiding meten en rekenen industrielawaai) is in beginsel bedoeld voor (grotere) gebouwen, terwijl een luchtwasser geen gebouw maar een overkapte procesinstallatie is. Voor zover methode II.7 wel te rechtvaardigen zou zijn, is deze naar het oordeel van de StAB onjuist toegepast. Zo heeft G&O Consult nagelaten het geluiddrukniveau van de luchtwasserruimte te berekenen. Bovendien heeft G&O Consult, omdat geen sprake is van een vrijeveldsituatie, ten onrechte gecorrigeerd voor geometrische demping. Ook is de richtingsindex DI ten onrechte niet toegepast. Daardoor is het geluidbronvermogenniveau van de luchtwassers van de stallen fors (maximaal 29,6 dB + 3 dB) onderschat. De StAB betwijfelt daarom of aan de geluidnormen van vergunningvoorschrift 8.2 kan worden voldaan. De StAB benadrukt dat het werkelijke bronvermogenniveau van een luchtwasinstallatie pas na oplevering door meting is vast te stellen.

20.3.1.

Ten aanzien van de luchtwassers van de BEC (deze zijn van een ander type dan de luchtwassers van de stallen doordat de ventilatoren zich niet vóór maar achter het filtermedium bevinden) heeft de StAB geconcludeerd dat G&O Consult bij de overdrachtsberekeningen ten onrechte is uitgegaan van het geluiddrukniveau (92,1 dB(A)) als zijnde het geluidvermogenniveau. Het geluidbronvermogenniveau bedraagt volgens de leveranciergegevens 100,2 dB(A). Bij dit vermogenniveau worden volgens de StAB de geluidgrenswaarden van vergunningvoorschrift 8.2 op de beoordelingspunten CP3 en CP4 overschreden.

20.3.2.

Ten aanzien van de overige geluidbronnen die eisers ter discussie hebben gesteld, te weten het geluid van kraaiende hanen, geluid van een veegmachine/sproeiwagen, het geluidniveau van loaders in de gebouwen 9 en 10 en geluidhinder als gevolg van verkeer van en naar de inrichting op de toegangsweg, heeft de StAB als volgt geconcludeerd.

Het geluid van hanen kan volgens de StAB, voor zover deze dieren in de nachtperiode worden gevangen of vervoerd en afhankelijk van de duur hiervan, leiden tot overschrijding van voorschrift 8.2 ter plaatse van beoordelingspunt CP2. Hanen in de ouderdierenstal (gebouw 2) kunnen ook door verstoring, dus niet alleen als gevolg van hun biologische klok, gaan kraaien en niet duidelijk is hoe groot de akoestische isolatie van gebouw 2 is.

Door de sterk isolerende werking van de aarden laag op het dak van de gebouwen 9 en 10 en de, in verband met de vereiste onderdruk, te verwachten beperkte duur dat de deuren van deze gebouwen openstaan, is niet te verwachten dat de inpandig gebruikte loaders maatgevende geluidbronnen zijn.

Niet te verwachten is dat de in te zetten loader met sproeiton langdurig in gebruik is; een kortdurende in werking zijnde loader met sproeiton zal niet leiden tot overschrijding van de geluidgrenswaarden.

Vrachtbewegingen in de nachtperiode zullen niet leiden tot overschrijding van de geluidgrenswaarden

De toegangsweg vanaf de Witveldweg tot de inrichting maakt geen deel uit van de inrichting en wordt ook door derden gebruikt. Het geluid van het verkeer van en naar de inrichting op de toegangsweg op minder dan 200 meter afstand van de woning Witveldweg 33 is door verweerder terecht als indirecte hinder aangemerkt. De voorkeursgrenswaarden van de Schrikkelcirculaire worden met 5 d(B) onderschreden. Geluid van vrachtwagens van en naar de inrichting die zich op de Witveldweg bevinden is niet meer te onderscheiden van het geluid van het overige verkeer, zodat dit verkeersgeluid niet aan de inrichting is toe te rekenen.

20.4.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op voormelde standpunten van de StAB, aannemelijk is dat bij een representatieve bedrijfsvoering van de inrichting van vergunninghoudster, de geluidnormen die in vergunningvoorschrift 8.2 zijn vermeld zullen worden overschreden, zodat de vergunning niet onder het stellen van dat voorschrift had mogen worden verleend. De desbetreffende beroepsgronden slagen derhalve. Het bestreden besluit kan om deze reden niet in stand blijven.

20.5.

Verweerder heeft de rechtbank verzocht om, indien voorschrift 8.2 niet in stand kan blijven, zelf in de zaak te voorzien door voorschrift 8.2 te vervangen door een nieuw voorschrift 8.2, inhoudende dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van geluid van in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten en transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, ter plaatse van woningen niet meer mag bedragen dan 40, 35 en 30 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond en nachtperiode, waarbij geldt dat de dagperiode is 7.00 tot 19.00 uur, de avondperiode 19.00 uur tot 23.00 uur en de nachtperiode 23.00 uur tot 7.00 uur. Daarnaast heeft verweerder verzocht vergunningvoorschrift 8.6 toe te voegen met het oog op het treffen van bronmaatregelen, indien uit het akoestisch onderzoek als bedoeld in voorschrift 8.4 blijkt dat niet aan de voorschriften 8.2 en 8.3 wordt voldaan.

20.6.

De vraag kan, zoals eisers ter zitting hebben aangegeven, worden gesteld of het in voormelde zin zelf voorzien in de zaak een overtreding van het verbod van reformatio in peius zou opleveren, nu vergunninghoudster geen beroep heeft ingesteld en eisers bij het voorgestelde nieuwe voorschrift 8.2 in een slechtere positie zouden komen dan zonder het indienen van de beroepen het geval zou zijn geweest. Het bestaande voorschrift komt overeen met een langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van maximaal 35, 29 en 29 dB(A) ter plaatse van woningen en biedt dus minder geluidruimte aan vergunninghoudster dan het voorgestelde voorschrift, zodat dit laatste ongunstiger is voor eisers. Volgens eisers betekent het voorgestelde voorschrift een overtreding van het verbod van reformatio in peius.

20.7.

Naar het oordeel van de rechtbank dient bij de rechterlijke toetsing van een omgevingsvergunning voor een mileuactiviteit beoordeeld te worden of de aangevraagde activiteit, gelet op de eventuele gevolgen voor het milieu, vergund kan worden. Aan de omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden die toereikend (uit het oogpunt van de bescherming van het milieu) en naleefbaar (voor de vergunninghouder) zijn. Dat kan ertoe leiden dat na rechterlijke vernietiging van een omgevingsvergunning ten aanzien van een bepaald milieugevolg ruimere grenswaarden worden vastgesteld. Het verbod van reformatio in peius staat naar het oordeel van de rechtbank, gelet op voormelde toetsing bij een omgevingsvergunning voor een milieuactiviteit, in dit geval niet in de weg aan de voorgestelde verruiming van de geluidnormen in de vergunningvoorschriften.

Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau’s van maximaal 40, 35 en 30 dB(A) voor de dag-, avond- en nachtperiode komen overeen met de richtwaarden voor geluid bij woningen in een landelijke omgeving volgens de Handreiking meten en rekenen industrielawaai. Aannemelijk is daarom dat geluidbelastingen onder deze niveau’s geen onaanvaardbare hinder opleveren.

20.8.

Wösten heeft aangevoerd dat in het in de StAB-verslagen vermelde nieuwe dimensioneringsplan ten aanzien van de andere onderdelen dan de dierenverblijven nog slechts sprake is van één luchtwasser en dat deze wijziging gevolgen zou moeten hebben voor de berekening van de geluidemissies van de vergunde inrichting. Een akoestisch rapport voor die situatie ontbreekt echter en ook de StAB heeft geen oordeel gegeven over de akoestische gevolgen van het nieuwe dimensioneringsplan. De rechtbank overweegt dienaangaande dat zij onvoldoende aanleiding ziet om te oordelen dat bij een gewijzigde uitvoering van het luchtwassysteem van de BEC (één luchtwasser met een nageschakeld actief koolstoffilter) de geluidemmissies, zo deze al mochten toenemen, dusdanig zullen toenemen dat voormelde, ruimere, normen zullen worden overschreden.

20.9.

Gelet op het voorgaande zijn de beroepen gegrond en komt het bestreden besluit wat betreft vergunningvoorschrift 8.2 voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb op de door verweerder voorgestelde wijze zelf in de zaak voorzien.

Afvalwater

21. Wösten heeft, onder verwijzing naar het rapport van MOB van 9 maart 2015, kanttekeningen geplaatst bij de herkomst van het water dat in de slachterij wordt gebruikt en de verwerking van het waswater dat afkomstig is van de luchtwassers. Volgens het rapport is een “nulemissie” in de vergunde opzet niet mogelijk.

Verkoijen heeft aangevoerd dat de omgevingsvergunning ten aanzien van het aspect afvalwater gebrekkig is, omdat daarin niet is aangegeven op welke manier is gewaarborgd dat geen ander water dan huishoudelijk afvalwater op het riool wordt geloosd. Ook blijkt niet dat het was- en schrobwater van de pluimveestallen naar de BEC wordt afgevoerd en dat het afvalwater van de slachterij binnen de inrichting wordt gereinigd.

21.1.

Verweerder heeft aangegeven dat het spuiwater wordt afgevoerd per as. Al het andere afvalwater dan huishoudelijk afvalwater, niet verontreinigd hemelwater en spuiwater wordt binnen de inrichting gereinigd en hergebruikt door middel van afvalwaterzuivering met biologische zuivering. Verweerder voegt daaraan toe dat dit uitvoerig in de aanvraag is beschreven.

21.2.

De StAB heeft vastgesteld dat in paragraaf 14 van bijlage 2 (“Onderbouwing aanvraag omgevingsverguning” van Geling Advies) van de aanvraag afvalwaterstromen zijn beschreven. Bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard wordt volgens deze beschrijving geloosd op het riool, industriële afvalstromen (slachtafvalwater en was- en schrobwater) worden in de BEC verwerkt. Bijlage 2 maakt volgens pagina 4 van het bestreden besluit deel uit van de omgevingsvergunning wat waarborgt dat de afvalstromen op de aangegeven wijze worden verwerkt . In voornoemde paragraaf 14 ontbreekt het spuiwater van de luchtwassers, maar uit bijlage 8 van de aanvraag blijkt dat dit per as wordt afgevoerd.

21.3.

De rechtbank is op grond van voormelde constateringen van de StAB, die door partijen niet zijn weersproken, van oordeel dat voldoende gewaarborgd is dat vanuit de inrichting van vergunninghoudster geen ander water dan van huishoudelijke aard op het riool wordt geloosd en daarmee acht de rechtbank ook de door eisers opgeworpen vragen voldoende beantwoord. De rechtbank voegt hieraan toe dat bijlage 17 van de aanvraag een beschrijving van de biologische afvalwaterzuiveringsinstallatie (onderdeel van de BEC) bevat, die, gelet op pagina 4 van het bestreden besluit, onderdeel is van de vergunning.

Deze beroepsgrond slaagt niet.

Externe veiligheid en brandveiligheid

22. Verkoijen heeft aangevoerd dat de inrichting van vergunninghoudster valt onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), omdat de inrichting twee ammoniakinstallaties met elk 750 kg ammoniak heeft.

Verder heeft Verkoijen aangevoerd dat het brandveiligheidsonderzoek dat aan de omgevingsvergunning ten grondslag ligt niet volledig is, omdat nog aan enkele voorwaarden die de brandweer van de gemeente Horst aan de Maas heeft gesteld moet worden voldaan en de brandweer nog geen reactie heeft gegeven op het door Verkoijen ingebracht rapport van het brandveiligheidsonderzoek door Cauberg-Huygen. Het brandveiligheidsonderzoek is bovendien niet volledig, omdat verweerder de aanwezigheid van biogas ten onrechte niet in de beoordeling van de brandveiligheid van de inrichting heeft betrokken.

22.1.

Verweerder acht het Bevi niet van toepassing omdat er geen sprake is van een insluitsysteem met meer dan 1.500 kg ammoniak en de inrichting ook niet op grond van ander activiteiten onder het Bevi valt.

Wat betreft het onderzoek aangaande brandveiligheid dat aan de omgevingsvergunning ten grondslag ligt heeft verweerder aangegeven dat in voorschrift 7.1 is gewaarborgd dat voor het in gebruik nemen van (delen van) de inrichting een aanvullend brandveiligheidsrapport van de brandweer ter goedkeuring aan het bevoegd gezag moet worden overgelegd. Voorts is in de omgevingsvergunning voorgeschreven dat alle maatregelen en voorzieningen uit de brandveiligheidsrapporten moeten worden gerealiseerd en in stand gehouden. In verband met het aanwezige biogas, de WKK’s en de fakkel heeft verweerder ten aanzien van deze onderdelen van de vergunning een groot aantal specifieke voorschriften in de omgevingsvergunning opgenomen.

22.2.

De StAB onderschrijft dat in de inrichting van vergunninghoudster geen koel- of vriesinstallatie aanwezig is met een inhoud van meer dan 1.500 kg ammoniak. De StAB heeft zich niet uitgesproken over de vraag of verweerder voldoende rekening heeft gehouden met de brandveiligheid van de inrichting.

22.3.

De rechtbank volgt het standpunt van de StAB dat het Bevi niet van toepassing is, nu geen sprake is van een koelinstallatie met meer dan 1.500 kg ammoniak. Deze beroepsgrond faalt.

22.4.

Ten aanzien van de brandveiligheid kan de vraag worden gesteld of de ten aanzien van dit aspect voor de inrichting geldende regels mede dienen ter bescherming van de belangen van een of meer eisers in beroepszaak AWB 15/375 waarvan het beroep ontvankelijk is. Bij ontkennende beantwoording van die vraag zouden de beroepsgronden die te dien aanzien zijn aangevoerd, gelet op artikel 8:69a van de Awb, buiten beoordeling kunnen worden gelaten. Daargelaten wat daarvan zij, dient te worden vastgesteld dat de beroepsgronden met betrekking tot brandveiligheid vrijwel overeenkomen met de zienswijzen die op dit punt naar aanleiding van de ontwerpomgevingsvergunning zijn ingebracht.

Verweerder heeft in het bestreden besluit op deze zienswijzen gereageerd. Er is, nu in beroep niets tegen die reactie is aangevoerd, geen aanleiding die reactie als ondeugdelijk te beschouwen. Deze beroepsgrond faalt.

Luchtkwaliteit

23. Verkoijen heeft betwist dat de aan vergunninghoudster vergunde activiteiten, gelet op de gevolgen voor de luchtkwaliteit, vergunbaar zijn en heeft in dit verband verwezen naar het rapport van Cauberg-Huygen van 16 september 2013.

Verweerder heeft verklaard dat de emissies van stikstof, fijnstof, ammoniak en geur zijn getoetst aan de wettelijke grenswaarden, waarbij wordt opgemerkt dat toetsing ten aanzien van geur niet cumulatief gebeurt.

23.1.

De StAB verwijst in haar verslag naar onderdeel 4.10.1 (luchtkwaliteit) van het bestreden besluit en het aan het bestreden besluit ten grondslag liggend raport inzake luchtkwaliteit van G&O Consult van 25 april 2014 en een erratum daarop van 5 juni 2014. Verder merkt de StAB op dat het rapport van Cauberg-Huygen betrekking heeft op de luchtkwaliteit ten tijde van de ruimtelijke onderbouwing in 2010 van de projectbesluiten voor het bouwen van de pluimveehouderij en bijbehorende opstallen.

23.2.

De rechtbank overweegt dat het bestreden besluit wat betreft de emmissies van geur en ammoniak reeds in de rechtsoverwegingen 15 tot en met 15.7 alsmede 18 tot en met 18.2 is beoordeeld. Voor de andere (relevante) emissies naar de lucht, te weten fijnstof (PM10) en stikstofoxiden (NO2), is de immissie op gevoelige woningen in de buurt van de inrichting van vergunninghoudster (modelmatig) berekend en getoetst aan de op grond van de Wm voor deze stoffen geldende grenswaarden. Hieruit blijkt dat aan deze grenswaarden wordt voldaan. Er is geen aanleiding te oordelen dat de omgevingsvergunning gelet op de te verwachten emissies van fijnstof en stikstofoxide niet verleend had mogen worden.

Wösten heeft ter zitting op 5 juli 2016 aangevoerd dat geen berekening heeft plaatsgevonden van de fijnstofemissie in de situatie dat de inrichting volgens het nieuwe dimensionerinsgplan voor de luchtwassers van de BEC wordt gerealiseerd. Een rapport waarin dit is beoordeeld ontbreekt. Blijkens het bestreden besluit is de maximale bijdrage aan PM10 vanwege de inrichting van vergunninghoudster (1,98 µg/m³) in relatie tot de jaargemiddelde concentratie (26,3 µg/m³) gering, bij een grenswaarde van 40 µg/m³. Bovendien acht de rechtbank de invloed van de emissies van fijnstof vanuit de BEC gering in verhouding tot de emissies van fijnstof vanuit de stallen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om te veronderstellen dat bij uitvoering van het nieuwe dimensioneringsplan een overschrijding van de grenswaarden voor fijnstof zal plaatsvinden.

Deze beroepsgrond faalt.

Cumulatieve effecten

24. Verkoijen heeft aangevoerd dat tijdens de behandeling bij de Afdeling van het hoger beroep inzake de projectbesluiten voor de inrichting van vergunninghoudster door een ambtenaar van de gemeente Horst aan de Maas zou zijn verklaard dat verdere besluitvorming over het bestemmingsplan LOG Witveldweg niet mogelijk bleek wanneer op een juiste manier rekening werd gehouden met de cumulatieve effecten van stikstof en ammoniak.

24.1.

Verkoijen heeft niet nader (inhoudelijk) onderbouwd hoe uit deze verklaring zou zijn af te leiden dat verweerder de effecten van de inrichting op de concentraties stikstof en ammoniak onjuist heeft beoordeeld, zodat deze beroepsgrond geen doel kan treffen.

Deze beroepsgrond faalt.

Volksgezondheid

25. Volgens Verkoijen kunnen vanwege de inrichting van vergunninghoudster nadelige gevolgen voor de volksgezondheid ontstaan en hadden deze gevolgen op grond van artikel 1.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wm bij de beoordeling van de aanvraag moeten worden betrokken. Verkoijen heeft onder meer verwezen naar aanbevelingen van de GGD Limburg-Noord in verband met de risico's van besmetting van mensen met influenza en de gezondheidseffecten van fijnstof uit stallen waarop endotoxinen (kunnen) voorkomen. Hij geeft aan dat Vereniging Behoud de Parel en anderen zekerheid willen hebben dat de inrichting van vergunninghoudster geen gezondheidsklachten kan veroorzaken. Door de acht aanwezige stallen in het LOG Witveldweg kunnen al negatieve gezondheidseffecten ontstaan. Daar komt nu nog een gigastal bij. Verkoijen noemt het opmerkelijk dat verweerder geen deugdelijk onderzoek naar het risico van verspreiding van ziekten heeft laten verrichten en geen voorschriften ter waarborging van de volksgezondheid heeft opgenomen, bij voorbeeld over de mate van gebruik van antibiotica. De vergunde activiteiten leiden volgens Verkoijen tot ontoelaatbare gezondheidsrisico’s waarvoor verweerder onvoldoende aandacht heeft gehad.

25.1.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen indicaties bestaan om aan te nemen dat vanwege de mogelijkheid dat endotoxinen zich aan fijnstof afkomstig van veehouderijen hechten en dat door veehouderijen micro-organismen zouden kunnen worden verpreid risico’s voor de volksgezondheid bestaan, zodat op het bevoegd gezag geen plicht rust om te onderzoeken of de mogelijke negatieve effecten op de volksgezondheid van een zodanige ernst zijn dat hierin aanleiding is gelegen de omgevingsvergunning te weigeren of daaraan nader voorschriften te verbinden. Bij het aspect volksgezondheid gaat het volgens verweerder met name om het minimaliseren van de introductie van ziektekiemen op een bedrijf en het minimaliseren van de verspreiding van ziektekiemen binnen en buiten een bedrijf. In hoofdstuk 2 van bijlage 5 van de aanvulling op het MER staat een groot aantal maatregelen en voorzieningen beschreven om ziektekiemen en verspreiding daarvan tegen te gaan. Dit gebeurt door strikte hygiënemaatregelen te hanteren. Het gesloten systeem van fokken, vermeerderen, afmesten en slachten in één bedrijf draagt daar zeer aan bij. Bijlage 5 van de aanvulling op het MER is onderdeel van het bestreden besluit. Aparte voorschriften voor het aspect volksgezondheid acht verweerder niet nodig.

25.2.

De StAB verwijst in haar verslag naar de overwegingen in onderdeel 5.1 van het bestreden besluit over de relatie tussen de te vergunnen activiteiten en volksgezondheid. De StAB stelt vast dat bijlage 5 “Het inititiatief in relatie tot volksgezondheid” van de Aanvulling MER onderdeel is van de vergunning. In de bijlage is vermeld dat geen gebruik wordt gemaakt van preventieve antibiotica. Er vindt geen uitwisseling van dieren met andere bedrijven plaats, behoudens aanvoer van ouderdieren. Er vindt geen uitwisseling van smetstoffen via containers of vrachtwagens plaats wat de kans op insleep van ziekteverwekkers verkleint. Hygiënemaatregelen vinden plaats volgens gecertificeerde en gecontroleerde procedures.

De StAB bevestigt dat nog geen sprake is van afstands- of concentratienormen die in een omgevingsvergunning voor milieuactiviteiten kunnen worden gehanteerd.

25.3.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de stand van de wetenschap omtrent mogelijke gevolgen van pluimveehouderijen en -slachterijen voor de gezondheid van omwonenden en de bedrijfsvoering en maatregelen op het gebied van het voorkomen van ziekten zoals deze door verweerder en de StAB zijn beschreven, dusdanige waarborgen bestaan dat de vergunde activiteiten geen onaanvaardbare risico’s voor de volksgezondheid met zich meebrengen. Verweerder hoeft ten aanzien van dit milieuaspect geen nadere voorschriften te stellen. Deze beroepsgrond faalt.

26. Gelet op de voorgaande overwegingen zijn de beroepen, voor zover zij ontvankelijk zijn, gegrond. Het bestreden besluit dient gedeeltelijk te worden vernietigd. De rechtbank zal in zoverre zelf in de zaak voorzien.

27. Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder in beroepszaak AWB 15/372 aan eisers [naam 21] [naam 22] , [naam 24] , [naam 19] , [naam 25] , [naam 26] en [naam 20] en eiseres [naam kwekerij] . het in die beroepszaak betaalde griffierecht (€ 167,-) vergoedt, in beroepszaak AWB 15/374 aan eiseressen Stichting Wakker Dier, MOB, en Leefmilieu het in die beroepszaak betaalde griffierecht (€ 331,-) vergoedt en in beroepszaak AWB 15/375 aan eiser [naam 27] en eiseres Vereniging Behoud de Parel het in die beroepszaak betaalde griffierecht (€ 331,-) vergoedt. Daarbij wordt tevens bepaald dat betaling aan een van de genoemde eisers in de desbetreffende beroepszaak bevrijdend werkt ten opzichte van de andere(n).

28. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door voornoemde eisers gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) ten aanzien van beroepszaak AWB 15/372 en beroepszaak AWB 15/374 de kosten voor de door Wösten verleende rechtsbijstand vast op € 1.488,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting op 17 december 2015, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze over het StAB-verslag van 23 februari 2016 en 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting op 5 juli 2016). De beroepszaken AWB 15/372 en AWB 15/374 zijn naar het oordeel van de rechtbank samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Bpb, zodat deze voor de vergoeding van rechtsbijstandskosten als één zaak moeten worden beschouwd.

28.1.

Voorts stelt de rechtbank de kosten die eisers [naam 21] [naam 22] , [naam 24] , [naam 19] , [naam 25] , [naam 26] , [naam 20] en eiseressen [naam kwekerij] ., Stichting Wakker Dier, MOB, en Leefmilieu in de beroepszaken AWB 15/372 en AWB 15/374 wegens het rapport van de deskundige De Roever Omgevingsadvies van 9 maart 2015 en de adviezen van deze deskundige naar aanleiding van de StAB-verslagen (second opinion) hebben gemaakt, gelet op artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bpb in samenhang met artikel 8:36, tweede lid, van de Awb en artikel 6 van het Besluit tarieven in strafzaken 2003, vast op een bedrag van € 8.384,-. De rechtbank ziet aanleiding voor een vergoeding van het gehele bedrag van de gemaakte kosten. Daarbij is van belang dat het aantal uren werkzaamheden van de Roever Omgevingsadvies (77) en het daarvoor gehanteerde uurtarief (€ 90,- exclusief BTW) niet onredelijk zijn. De rechtbank neemt daarbij tevens in aanmerking dat het rapport en de adviezen zien op de aspecten geluid en geur van het bestreden besluit, de beroepsgronden van Wösten ten aanzien van het aspect geluid doel treffen in die zin dat een of meer geluidvoorschriften niet in stand kunnen blijven, en de beroepsgronden van Wösten ten aanzien van het aspect geur terecht zijn aangevoerd, maar enkel door de omstandigheid dat het Activiteitenbesluit per 1 januari 2016 is gewijzigd niet tot een vernietiging van het bestreden besluit op dit onderdeel hebben kunnen leiden. Immers staat vast, en heeft verweerder ook erkend, dat het geurverwijderingsrendement van 95% dat in vergunningvoorschrift 9.1 was opgenomen niet haalbaar is.

28.2.

De rechtbank stelt op grond van het Bpb ten aanzien van beroepszaak AWB 15/375 de kosten voor de door Verkoijen verleende rechtsbijstand vast op € 1.488,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting op 17 december 2015, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze over het StAB-verslag van 23 februari 2016 en 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting op 5 juli 2016).

28.3.

Van overige in de beroepen gemaakte, voor vergoeding in aanmerking komende, kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep AWB 15/372, voor zover ingesteld door [eiser 1] ,

[naam 30] , [naam 31] , [naam 15] , [naam 16] , [naam 32] , [naam 33] , [naam 34] [naam 35] , [naam 36] , [naam 37] , [naam 38] , [naam 17] ,

[naam 18] [naam 39] , [naam 40] , [naam 41] , D. Siepermann ,

[naam 43] , [naam 44] en H.A. [naam 45] , niet ontvankelijk en voor zover

ingesteld door de overige eisers in die beroepszaak gegrond;

- verklaart het beroep AWB 15/374 gegrond;

- verklaart het beroep AWB 15/375, voor zover ingesteld door [eiser 2] , [naam 46] , [naam 10] , [naam 47] , [naam 48] , [naam 49] ,

[eiser 3] , [naam 50] , [naam 51] , [naam 52] , [naam 53] en [naam 54] niet-ontvankelijk en voor zover ingesteld door de overige eisers in die beroepszaak gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover het betreft de vergunningvoorschriften 8.2., 9.1 tot en met 9.4 en 10.1, aanhef en onder a;

- bepaalt dat de vergunningvoorschriften 9.5 tot en met 9.13 gehandhaafd blijven en worden vernummerd tot vergunningvoorschriften 9.1 tot en met 9.9;

- bepaalt dat voorschrift 8.2 in de omgevingsvergunning wordt opgenomen, luidende:

“Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, mag ter plaatse van woningen niet meer bedragen dan 40, 35 en 30 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond-, en nachtperiode”;

- bepaalt dat voorschrift 8.6 in de omgevingsvergunning wordt opgenomen, luidende:

“Indien uit het onderzoek genoemd in voorschrift 8.4 blijkt dat niet wordt voldaan aan de geluidvoorschriften zoals genoemd in voorschrift 8.2 en 8.3, dient onmiddellijk te worden voorzien in het treffen van bronmaatregelen (bijvoorbeeld geluidabsorberend materiaal aan de binnenkant van de wanden van de luchtwassers) opdat de geluidbelasting zodanig wordt gereduceerd dat aan de voorschriften 8.2 en 8.3 kan worden voldaan.”;

- bepaalt dat voorschrift 8.7 in de omgevingsvergunning wordt opgenomen, luidende:

“De dagperiode is 7.00 tot 19.00 uur, de avondperiode 19.00 uur tot 23.00 uur en de nachtperiode 23.00 uur tot 7.00 uur;

- bepaalt dat de vergunningvoorschriften 10.1, aanhef en onder b tot en met d, worden vernummerd tot vergunningvoorschriften 10.1, aanhef en onder a tot en met c;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;

- draagt verweerder op het in beroepszaak AWB 15/372 betaalde griffierecht van € 167,- aan [naam 29] , [naam 22] , [naam 24] , [naam 19] , [naam 25] , [naam 28] , [naam 20] en [naam kwekerij] . te vergoeden, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

- draagt verweerder op het in beroepszaak AWB 15/374 betaalde griffierecht van € 331,- aan Stichting Wakker Dier, Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A en Leefmilieu te vergoeden, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

- draagt verweerder op het in beroepszaak AWB 15/375 betaalde griffierecht van € 331,- aan Vereniging Behoud de Parel en [naam 27] te vergoeden, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

- veroordeelt verweerder in de beroepszaken AWB 15/372 en AWB 15/374 in de proceskosten van [naam 21] [naam 22] , [naam 24] , [naam 19] ,

[naam 25] , [naam 26] , [naam 20] , [naam kwekerij] ., Stichting Wakker Dier, Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A en Leefmilieu tot een bedrag van € 9.872,-, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

- veroordeelt verweerder in beroepszaak AWB 15/375 in de proceskosten van Vereniging Behoud de Parel en [naam 27] tot een bedrag van € 1.488,-, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.G.H. Seerden (voorzitter), en mr. T.M. Schelfhout en mr. E.J. Govaers, leden, in aanwezigheid van mr. A.G.P.M. Zweipfenning, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op: 11 augustus 2016

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.